Bijlage 10 Legesverordening - VNG toelichting
Tekst van het document
Als de laatste dag voor de betaling een algemeen erkende feestdag, zondag of zaterdag is, schuift deze laatste betaaldag door het bepaalde in het tweede lid niet op naar de eerstvolgende werkdag. Derde lid Bij wettelijk voorschrift kan worden afgeweken van de hoofdregel uit de Awb dat bij betaling een kwitantie moet worden afgegeven (artikel 4:90, tweede lid, Awb). Die behoefte kan met name bij contante betalingen bestaan. Het wettelijk voorschrift waarin de afwijking staat, kan het voorgestelde derde lid zijn. Het is ook mogelijk om die bepaling op te nemen in de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen. Als dit laatste is gebeurd, is het niet meer nodig om het derde lid op te nemen. In de bepaling kan de gemeente zelf aangeven in welke gevallen geen kwitantie wordt afgegeven. Als dit altijd het geval is bij contante betaling, kan de opsomming worden weggelaten. Artikel 8 Kwijtschelding Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Kwijtschelding. In de modelverordening is gekozen voor een bepaling in de verordening die regelt dat in het geheel geen kwijtschelding van leges wordt verleend. Reden hiervan is dat het heffen van leges als een betaling voor een bepaalde prestatie van de gemeente is aan te merken. De meeste gemeenten verlenen om die reden geen kwijtschelding van leges.
Wil een gemeente voor bepaalde hoofdstukken of posten van de tarieventabel wel kwijtschelding verlenen dan kan in artikel 8 worden bepaald dat geen kwijtschelding wordt verleend met uitzondering van die hoofdstukken of posten. Artikel 9 Vermindering of teruggaaf Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Vrijstellingen/vermindering/ ontheffing/teruggaaf, bij ‘Algemeen’ en bij ‘Teruggaaf’. De tarieventabel kent vermindering- en teruggaafbepalingen bij de omgevingsvergunning (paragrafen 2.13 en 2.14 van hoofdstuk 2). In paragraaf 2.13 is bijvoorbeeld opgenomen dat aanspraak bestaat op vermindering van leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning als er voorafgaand omgevingsoverleg heeft plaatsgevonden waarvoor leges verschuldigd zijn. In paragraaf 2.14 zijn bijvoorbeeld teruggaafbepalingen opgenomen voor de situaties Pagina 17 van 93
dat de aanvraag om een omgevingsvergunning tijdens de behandeling wordt ingetrokken, de vergunning op verzoek wordt ingetrokken zonder dat deze is gebruikt of de vergunning wordt geweigerd of door de rechter wordt vernietigd. Ook is een teruggaafbepaling opgenomen in paragraaf 3.5 van hoofdstuk 3 (marktstandplaatsen) als een aanvraag voor een vaste standplaatsvergunning door toepassing van selectie of loting niet leidt tot vergunningverlening (artikel 3.8, tweede en derde lid). Artikel 9 is algemeen gesteld. Hierdoor is het bijvoorbeeld mogelijk ook in hoofdstuk 1 een paragraaf of artikel vermindering op te nemen, waarin is bepaald dat aanspraak bestaat op vermindering als de aanvraag en/of afhandeling van een aanvraag langs elektronische weg plaatsvindt. Al naar gelang en beperkt tot de mogelijkheden en wensen in de gemeente. De vermindering of teruggaaf kan ambtshalve worden toegepast (artikel 65 AWR) of op aanvraag worden verleend (artikel 242 Gemeentewet). De verminderingsbeschikking leidt tot een verlaging/neerwaartse aanpassing van de legesschuld. De teruggaafbeschikking laat de legesbeschikking intact, maar leidt er ook toe dat men een deel van de leges terugkrijgt. In verband hiermee is er geen aanleiding te bepalen dat over een eventueel terug te geven bedrag invorderingsrente wordt vergoed.
Artikel 10 Overdracht van bevoegdheden [Eerste lid] Bij wijzigingen in rijksregelgeving die gevolgen hebben voor de leges, kan de besluitvormingsprocedure voor belastingverordeningen (van ambtelijke voorbereiding tot en met raadsbesluit) belemmerend werken. Ook kan het gewenst zijn een redactionele wijziging op korte termijn door te voeren. Om de gewenste flexibiliteit en de te betrachten spoed te bereiken, kan de raad de bevoegdheid tot vaststelling van de legesverordening aan het college van burgemeester en wethouders overdragen (delegeren). Artikel 156, eerste en tweede lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet maakt dit mogelijk. Artikel 10 van de verordening voorziet in een beperkte overdracht van die vaststellingsbevoegdheid aan het college. In verband met dit artikel hebben wij artikel 156 van de Gemeentewet in de aanhef van de verordening genoemd. Wij hebben de bevoegdheidsoverdracht om twee redenen beperkt, namelijk: 1. De verordenende bevoegdheid van de raad is in dualistische verhoudingen belangrijk om een evenwicht tussen de raad en het college te waarborgen (Kamerstukken II 2000/01, 27751, nr. 3, pag. 27, Wet dualisering gemeentebestuur). 2. De raad raakt bij overdracht van zijn bevoegdheid zelf die bevoegdheid kwijt, tenzij hij het delegatiebesluit weer intrekt.
Op grond van artikel 10 is het college bevoegd tot wijziging van de legesverordening: - als sprake is van een zuiver redactionele wijziging (tekstuele wijzigingen die geen materiële gevolgen hebben); - bij wijziging in rijksregelgeving: - waarvan de implementatieperiode na bekendmaking in het Staatsblad of de Staatscourant korter is dan drie maanden; en - die tariefbepalingen betreft waarbij een rijkskostendeel onderdeel uitmaakt van het tarief of waarvoor bij of krachtens een wet een (maximum)tarief is gesteld; - en bovendien de raad niet zelf al met deze wijzigingen rekening heeft gehouden. De implementatieperiode van drie maanden is de termijn die gemeenten doorgaans nodig hebben om een belastingverordening te wijzigen (van ambtelijke voorbereiding tot en met raadsbesluit). De implementatieperiode van drie maanden is ook opgenomen in aanwijzing 174 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en in de zogenaamde Code Interbestuurlijke Verhoudingen (een afspraak tussen Pagina 18 van 93
het kabinet, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over hoe overheden met elkaar willen samenwerken, 2013). Voor wijzigingen in rijksregelgeving die meer dan drie maanden voor de inwerkingtreding officieel worden bekendgemaakt, blijft de raad te allen tijde bevoegd. De beperking tot de situaties waarin de centrale overheid de hoogte van de tarieven (mede) beïnvloedt betreft de volgende hoofdstukken of onderdelen van titel 1 van de tarieventabel: 1. paragraaf 1.2 (reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart); 2. paragraaf 1.3 (rijbewijzen); 3. artikel 1.17 (schriftelijke verstrekking uit de basisregistratie personen); 4. artikel 1.25, onder a (verklaring omtrent het gedrag); 5. artikel 1.31 (kansspelen). Een voorwaarde voor de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid is verder dat de raad nog niet zelf bij het vaststellen van de verordening de wijziging heeft aangebracht of met de wijziging rekening heeft gehouden (‘een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden’).
Het overdragen van ruimere deelbevoegdheden (bijvoorbeeld voor alle doorwerkingen van rijksregelgeving) leidt ertoe dat de raad voor die onderdelen alleen nog wijzigingsbevoegd is door integrale vaststelling van een nieuwe verordening (onder intrekking van de oude verordening inclusief delegatiebesluit). Voorbeeld De Dienst Wegverkeer (ressorterend onder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) maakt op 28 oktober 2021 via een nieuwsbericht officieus bekend wat het maximumtarief voor een rijbewijs voor 2022 wordt. De officiële bekendmaking van de wijziging van het Reglement rijbewijzen in de Staatscourant vindt plaats op 7 december 2021. De raad stelt de legesverordening in het kader van de begrotingsbehandeling vast op 11 november 2021. Tussen 7 en 31 december 2021 zijn er geen raadsvergaderingen meer. Nu zijn er twee mogelijkheden: 1. De raad stelt op 11 november 2021 de legesverordening vast inclusief het nieuwe tarief voor een rijbewijs op basis van het officieus bekend gemaakte tarief (eventueel met een overgangsregeling). Het college is dan niet meer bevoegd, tenzij het later in de Staatscourant bekendgemaakte tarief afwijkt. 2. De raad stelt op 11 november 2021 de legesverordening vast met de oude tarieven (= tarieven 2021) voor het rijbewijs.
Omdat het nieuwe tarief pas 7 december 2021 officieel bekend is gemaakt en de raad daarmee nog niet bij het vaststellen van de legesverordening rekening heeft gehouden, is het college bevoegd tot wijziging van de legesverordening. Het college wijzigt de legesverordening 2022 zoals de raad deze op 11 november 2021 heeft vastgesteld na 7 december 2021, maar voor 31 december 2021. Let op: Als de door de raad op 11 november 2021 vastgestelde legesverordening 2022 nog niet in werking is getreden, is het college op grond van de legesverordening 2021 bevoegd. Is de verordening 2022 al in werking getreden (maar de heffing nog niet ingegaan), dan is deze verordening de basis voor de collegebevoegdheid. Voor meer informatie verwijzen wij naar de beschouwing ‘Overdracht van de bevoegdheid tot vaststelling van een belastingverordening’ van mr. J.W. de Joode, in Belastingblad 2009, blz. 555 en 942. [Tweede lid Voor het geval dat bij de tarieventabel een bijlage is opgenomen, bijvoorbeeld een normbouwkostenregeling waarvan bij de heffing van leges voor een omgevingsvergunning voor een Pagina 19 van 93
bouwactiviteit gebruik wordt gemaakt van een normbouwkostenregeling (zie het facultatieve vijfde lid van artikel 2.1 van de tarieventabel), en de gemeente snel wijzigingen daarin wil kunnen doorvoeren, bevat het tweede lid daarvoor een delegatiebepaling.] Artikel 11 Overgangsrecht Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Overgangsrecht. Artikel 12 Inwerkingtreding Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Inwerkingtreding. Naast artikel 3 van de Bekendmakingswet bepaalt ook artikel 7, derde lid, van de Europese Dienstenrichtlijn dat de legesverordening elektronisch beschikbaar en raadpleegbaar moet zijn. Als in de verordening of tarieventabel wordt verwezen naar een bijlage en deze naar aard of omvang niet in het elektronisch gemeenteblad kan worden opgenomen, kan de verordening bepalen dat de bekendmaking van die bijlage geschiedt in een ander elektronisch medium. Daarvoor is vooraf instemming nodig van de minister van Binnenlandse Zaken. In het derde lid hebben wij hiervoor een bepaling opgenomen. De bepaling hebben wij als facultatieve bepaling opgenomen omdat wij in de modelverordening leges geen bijlage noemen waarvoor dit geldt (de tarieventabel dient in het elektronisch gemeenteblad bekendgemaakt te worden).
De bijlage wordt gewaarmerkt door daarop te vermelden: Deze bijlage hoort bij artikel […] OF onderdeel […] van de tarieventabel] van de Legesverordening [gemeentenaam en eventueel jaartal], vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van [datum], nr. […]. Zie over de bekendmaking van bijlagen, waaronder niet-publiekrechtelijke normen waarnaar wordt verwezen, eveneens de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Inwerkingtreding, onder Bekendmaking. Artikel 13 Citeertitel Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Citeertitel.
C Toelichting op de tarieventabel 1 Algemeen 1.1 Inleiding De tarieventabel maakt deel uit van de verordening en moet dus op dezelfde wijze als de verordening worden bekendgemaakt (in het elektronische gemeenteblad). In de tarieventabel zijn diensten opgenomen waarvoor de meeste gemeenten leges heffen. De tarieventabel is slechts een model. Gemeenten moeten zelf die diensten opnemen, waarvoor zij leges in rekening wensen te brengen. Dit geeft onmiddellijk de beperking aan van de toepasbaarheid van deze tarieventabel voor een individuele gemeente. Nauwkeurig zal moeten worden nagegaan of voor de diensten die zijn opgesomd in de tarieventabel, ook in de individuele gemeente leges geheven dienen te worden en of er nog andere diensten zijn waarvoor in de modelverordening geen tarief is opgenomen maar waarvoor in de individuele gemeente wel leges geheven moeten worden. Dit laatste kan bijvoorbeeld een specifieke dienst betreffen die eigen is aan de gemeente of die voortvloeit uit een verordening die uitsluitend in die vorm in de individuele gemeente van kracht is. Pagina 20 van 93
1.2 Indeling van de tarieventabel Gelet op artikel 229b van de Gemeentewet en de (on)mogelijkheden tot kruissubsidiëring als gevolg van de Europese Dienstenrichtlijn en de introductie van de omgevingsvergunning (zie de toelichting op artikel 5 van de verordening) hebben wij de tarieventabel in drie hoofdstukken onderverdeeld: - hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening; - hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet; - hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder de Dienstenrichtlijn en niet vallend onder hoofdstuk 2. Elk hoofdstuk is onderverdeeld in paragrafen. Elke paragraaf bevat een of meer artikelen. Per hoofdstuk is sprake van een doorlopende artikelnummering. Kruissubsidiëring Binnen hoofdstuk 1 is kruissubsidiëring mogelijk tussen de verschillende paragrafen. Hetzelfde geldt voor hoofdstuk 2. De wetgever ging er bij de invoering van de omgevingsvergunning van uit dat alleen binnen de omgevingsvergunning kruissubsidiëring kan worden toegepast en niet met dienstverlening daarbuiten. Maar kruissubsidiëring tussen hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 is niet verboden, nu de wetgever artikel 229b van de Gemeentewet niet heeft gewijzigd. Dit blijkt ook uit HR 13 februari 2015, nr. 14/00655, ECLI:NL:HR:2015:282.
De Hoge Raad oordeelt dat de toets aan de opbrengstlimiet van artikel 229b Gemeentewet niet strenger is geworden door de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ook artikel 13.1a van de Omgevingswet maakt dit niet anders, doordat artikel 229b van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is. Overigens staan in hoofdstuk 2 niet alleen tarieven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning (zie artikel 2.2). Verder geldt ook voor een aantal omgevingsvergunningen dat zij vallen onder de Europese Dienstenrichtlijn. Zie de toelichting op artikel 5 van de verordening. Op basis van artikel 13, tweede lid, van de Europese Dienstenrichtlijn geldt voor hoofdstuk 3 dat slechts kruissubsidiëring binnen elke paragraaf mogelijk is. Een paragraaf in hoofdstuk 3 betreft een individueel vergunningstelsel dan wel een cluster van samenhangende vergunningstelsels. Elke paragraaf van hoofdstuk 3 dient de gemeente te controleren op kostendekkendheid. Als uit controle blijkt dat er op het betreffende vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordt gemaakt, dienen de tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid. Wij merken hierbij nog op dat de Hoge Raad prejudiciële vragen heeft gesteld over de toepassing van de Europese Dienstenrichtlijn op legesheffing (HR 5 juni 2015, nr. 13/03931, ECLI:NL:HR:2015:1467).
Het Europese Hof van Justitie heeft die vraag echter onbeantwoord gelaten (HvJEU 30 januari 2018, C-360/15 (Amersfoort), ECLI:EU:C:2018:44). Een en ander betekent dat (ook) bij de leges een nauwkeurige, op controleerbare wijze vastgelegde kostentoerekening nodig is. Voor de tariefstelling moet de gemeente nagaan wat de kostprijs van de verschillende diensten is. Vervolgens kan de gemeente een beslissing nemen over de mate van kruissubsidiëring (voor zover mogelijk) tussen de verschillende diensten en de mate waarin zij het profijtbeginsel wil laten doorwerken in het tarief. Zie onze Handreiking kostenonderbouwing paragraaf lokale heffingen, te vinden op www.vng.nl. In de eerdergenoemde uitspraak HR 5 juni 2015, nr. 13/03931, ECLI:NL:HR:2015:1467, oordeelt de Hoge Raad: ‘2.3.4. Het (…) ten aanzien van “kruissubsidiëring” geciteerde uitgangspunt van het kabinet heeft niet geleid tot wetgevende maatregelen. Ook is geen gebruik gemaakt van de in artikel 2.9, lid 2, Wabo opgenomen bevoegdheid om nadere regels te stellen voor de toepassing van artikel 229b, lid 1, letter b, van de Gemeentewet. Evenmin is die bepaling in de Gemeentewet zelf gewijzigd.
Pagina 21 van 93
2.4. Hetgeen hiervoor in 2.3 is vooropgesteld leidt tot de gevolgtrekking dat de beoordeling van de opbrengstlimiet ook thans nog moet plaatsvinden in het licht van hetgeen ondubbelzinnig uit de ontstaansgeschiedenis van die bepaling volgt, namelijk toepassing van de daarin neergelegde toets op 'het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden' (zie HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:NL:HR:2005:AP1951, BNB 2005/112).’ Voor de toets aan de opbrengstlimiet blijven de totaal geraamde baten en lasten van alle tarieven uit de legesverordening dus van belang. Andere indeling mogelijk De organisatie van een individuele gemeente kan aanleiding geven te kiezen voor een andere indeling van de tarieventabel, met inachtneming van de driedeling die wij hebben toegepast. Het verdient overweging diensten die door een zelfde afdeling worden verricht zoveel mogelijk te clusteren. Dat verklaart ook de eerste zeven paragrafen van hoofdstuk 1, waarvan wij verwachten dat bijvoorbeeld een afdeling Publiekszaken de daarin genoemde diensten verleent. Andere indelingen van de tarieventabel zijn denkbaar zoals een indeling naar archiefcode of een indeling die correspondeert met de nummering van de gemeentebegroting.
1.3 Belastbare feit De tarieventabel vormt een uitwerking van artikel 2 van de modelverordening. Meestal is gekozen voor het omschrijven van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’ en niet als ‘het afgeven van een vergunning’. Dit heeft namelijk als voordeel dat de leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag. Voor het overige verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt in de toelichting op artikel 2 van de modelverordening. 1.4 Hoogte van de tarieven In de tarieventabel zijn geen voorbeelden van tarieven opgenomen (zie het algemeen deel van de toelichting). In de toelichting op artikel 5 van de verordening hebben wij aandacht besteed aan de tariefstelling, de kostendekkendheid van de leges, de mogelijkheid van kruissubsidiëring en toepassing van het profijtbeginsel. Voor een aantal diensten is wettelijk geregeld dat de tarieven niet boven een bepaald bedrag uit mogen gaan. Deze maximumtarieven hebben wij voor een goed begrip in de tarieventabel opgenomen. Het betreft de tarieven voor dienstverlening die verband houden met de onderwerpen genoemd in artikel 10 van de modelverordening. Gemeenten mogen wel een lager bedrag opnemen dan het in de wettelijke regeling genoemde maximum.
1.5 Te heffen bedrag moet blijken uit de verordening Een belastingplichtige moet uit de (leges)verordening de hoogte van het van hem te heffen bedrag kunnen afleiden. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 217 van de Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat de belastingverordening onder andere het tarief moet vermelden. Soms is voor een dienst meer dan één tarief verschuldigd. Ook dat moet duidelijk uit de verordening blijken (vergelijk HR 16 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:48 (Woudrichem)). Om die reden staat er soms dat bepaalde leges worden verhoogd of vermeerderd met een ander legesbedrag of dat een tariefbepaling geldt onverminderd het bepaalde in andere onderdelen (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 2 van de tarieventabel). Het bovenstaande wil niet zeggen dat de verordening het bedrag van de belasting moet vermelden. In zijn arrest van 22 juli 1985 (nr. 22.780, BNB 1985/259, Belastingblad 1985, blz. 493, gemeente IJlst) Pagina 22 van 93
overwoog de Hoge Raad namelijk dat de verordening niet het bedrag van de belasting behoeft te vermelden, maar dat ook op andere wijze kan worden aangegeven tot welke belastingverplichtingen het belastbare feit leidt, mits daarbij op voldoende duidelijke wijze aan de belastingplichtige inzicht wordt gegeven in het beloop van het van hem te heffen bedrag. De bepaling in de verordening van de gemeente IJlst op grond waarvan bepaalde legesbedragen konden worden verhoogd met de kosten van door de gemeente in te winnen externe adviezen, gaf de belastingplichtige naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende inzicht in het beloop van het van hem te heffen bedrag, en was zodoende onverbindend. Het komt bij gemeenten regelmatig voor dat voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van een vergunning (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten) het advies van een extern bureau gevraagd wordt. Doorberekenen externe kosten Om de kosten van die externe adviesverlening toch te kunnen doorberekenen staat de gemeenten na het hiervoor genoemde arrest een aantal oplossingen ter beschikking: 1. verwerken in bestaande tarieven; 2. opnemen van een maximumtarief; 3. begrotingsconstructie. Ad 1 Verwerken in bestaande tarieven Allereerst kan de gemeente ervoor kiezen de externe advieskosten in de bestaande tarieven te verwerken.
Nadeel hiervan is dat de kosten niet individueel aan de aanvragers van de dienst kunnen worden toegerekend. Ad 2 Opnemen van een maximumtarief Verder lijkt het opnemen van een maximumtarief voor het doorberekenen van externe advieskosten in bepaalde gevallen toelaatbaar te zijn. In HR 1 maart 1989, nr. 25.996, BNB 1989/127, Belastingblad 1989, blz. 320 (gemeente Zoetermeer) wordt het vermelden van een maximum van ƒ 250.000,- niet toelaatbaar geacht omdat dit maximum zo hoog is dat het behoudens zeer uitzonderlijke gevallen geen wezenlijke functie vervult. Zodoende laat de bepaling naar het oordeel van de Hoge Raad de belastingplichtige in het onzekere over de omvang van het van hem te heffen bedrag. De formulering van de Hoge Raad geeft aanleiding te veronderstellen dat als een bepaling een maximumtarief bevat en de hoogte van dat tarief een wezenlijke functie vervult, de belastingplichtige op voldoende duidelijke wijze inzicht heeft in het beloop van het van hem te heffen bedrag. Toekomstige jurisprudentie zal nader invulling moeten geven over de vraag in welke gevallen er sprake is van een maximumtarief dat een wezenlijke functie vervult. Ad 3 Begrotingsconstructie Ten slotte bestaat de mogelijkheid in de verordening de zogenaamde ‘begrotingsconstructie’ op te nemen. De systematiek van deze constructie is als volgt.
Is voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning een extern advies noodzakelijk dan wordt door de externe adviseur opgaaf aan de gemeente gedaan over de hoogte van de door hem voor de aanvraag in rekening te brengen kosten. Deze kosten worden voor het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager van de vergunning meegedeeld in een door of vanwege het college van burgemeester en wethouders opgestelde begroting. Gedurende een periode van vijf dagen na het overleggen van de begroting kan de aanvrager van de vergunning de aanvraag nog intrekken. Reageert de aanvrager niet binnen genoemde vijf dagen dan geldt als dag van het in behandeling Pagina 23 van 93
nemen van de aanvraag de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht. De begrotingsconstructie is aanvaard door Hof ‘s-Gravenhage 12 juli 1989, nr. 2995/88, Belastingblad 1990, blz. 307 (gemeente Zoetermeer) en door HR 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769 (gemeente Heerde). De begrotingsconstructie kan bijvoorbeeld worden gebruikt bij het doorberekenen van de externe advieskosten bij aanvragen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning (zie artikel 2.50 van de tarieventabel). Voor de wijze van redigeren van een bepaling in de verordening verwijzen wij dan ook naar dit artikel. Ook bij het doorberekenen van publicatiekosten kan deze constructie gebruikt worden. Overigens heeft de minister van Binnenlandse Zaken zich in het kader van het (in 1996 afgeschafte) preventief toezicht op belastingverordeningen op het standpunt gesteld dat het hanteren van de begrotingsconstructie uitsluitend toelaatbaar is voor het doorberekenen van externe advieskosten, en niet voor het doorberekenen van interne advieskosten. Wij adviseren dan ook bij het doorberekenen van de kosten van interne dienstverlening alleen gebruik te maken van de begrotingsconstructie, indien niet met een gemiddeld tarief kan worden gewerkt.
2 Toelichting op de hoofdstukken Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening Algemeen Dit hoofdstuk hebben wij ‘algemene dienstverlening’ genoemd ter onderscheiding van de twee andere hoofdstukken. Binnen dit hoofdstuk bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen, ook met diensten buiten hoofdstuk 1. Zie HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:282. Wel moet rekening worden gehouden met diensten die onder Europese Dienstenrichtlijn vallen. Zie de toelichting op artikel 5 van de verordening.
Paragraaf 1.1 Burgerlijke stand Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting In artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld dat gemeenten gelegenheid moeten geven tot een kosteloze huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. De ambtenaar van de burgerlijke stand bepaalt de daarvoor bestemde dagen en uren. Sinds 1 maart 2009 is het niet meer mogelijk een huwelijk om te zetten in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Voor het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap is het voldoende als gelegenheid wordt gegeven tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap op het gemeentehuis. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap in een bijzonder huis als bedoeld in de artikelen 1.3 of 1.4 van de tarieventabel.
Artikelen 1.1 en 1.2 Huwelijksvoltrekking, registratie partnerschap en omzetting Artikel 5, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand schept de mogelijkheid leges te heffen voor het voltrekken van een huwelijk, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap op andere dagen en uren dan waarop is bepaald dat dit kosteloos kan (zie Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting).
Pagina 24 van 93
De artikelen 1.1 en 1.2 van de tarieventabel hebben dus betrekking op de huwelijken of registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van partnerschappen die niet kosteloos geschieden. Daarbij is de mogelijkheid geboden de hoogte van de te heffen leges afhankelijk te stellen van de dag en het uur waarop het huwelijk of de registratie van het partnerschap wordt voltrokken of de omzetting van het geregistreerd partnerschap plaatsvindt. Ook andere vormen van differentiatie zijn denkbaar. Daarbij valt te denken aan het al of niet uitleggen van een loper, het gebruik maken van een grote of van een kleine zaal etc. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995) zijn tariefdifferentiaties anders dan op grond van de mate van dienstverlening mogelijk. In de memorie van toelichting van die wet wordt als voorbeeld gegeven het hanteren van een hoger tarief voor huwelijksvoltrekkingen van niet-ingezetenen van een gemeente, om te voorkomen dat het gemeentehuis wordt overstroomd met trouwlustigen die geen binding met de gemeente hebben. In afwijking van andere bepalingen in de tarieventabel is in de artikelen 1.1 en 1.2 niet gekozen voor de omschrijving van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het sluiten van een huwelijk’. Reden hiervan is het volgende.
Artikel 1 van de Wet rechten burgerlijke stand staat uitsluitend legesheffing toe in de gevallen waarin de wet voorziet. Artikel 5, tweede lid, bepaalt vervolgens dat legesheffing gerechtvaardigd is voor een ‘huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap’. Daarom is in de tarieventabel het belastbare feit het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. Dit laat onverlet dat bij het vaststellen van de tarieven de kosten van voorbereidende werkzaamheden in aanmerking genomen kunnen worden. Niet is in de tabel opgenomen een afzonderlijke regeling voor de gevallen waarin de huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap in een huwelijk niet in het gemeentehuis maar in een andere ruimte plaatsvindt, anders dan op grond van artikel 64 van het Burgerlijk wetboek (zie daarvoor de artikelen 1.3 en 1.4). Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een in de gemeente gelegen fraai kasteel.
Daarvoor kan in de verordening uiteraard wel een afzonderlijke bepaling opgenomen worden, waarbij wederom een differentiatie naar dagen en uren mogelijk is, indien de dienstverlening op die dagen en uren anders is. De kosten die verband houden met het opstellen van een omzettingsakte kunnen op grond van de Wet rechten burgerlijke stand niet in rekening worden gebracht bij de aanvragers. Indien aanvragers de omzetting willen laten geschieden door middel van een ceremonie (gelijk te stellen met een huwelijksvoltrekking) is het wel mogelijk om de kosten van gebruik van de zaal e.d. in rekening te brengen. Bij de tariefstelling kan dezelfde differentiatie worden toegepast als bij het sluiten van een huwelijk of registreren van een partnerschap is gebeurd. Artikelen 1.3 en 1.4 Voltrekking huwelijk etc. in bijzonder huis De artikelen 1.3 en 1.4 hebben betrekking op huwelijken of registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van geregistreerde partnerschappen die ingevolge artikel 64 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet plaatsvinden op het gemeentehuis maar in een bijzonder huis. Artikel 64 ziet op de gevallen dat een der partijen uit hoofde van een behoorlijk bewezen wettig beletsel verhinderd wordt zich naar het gemeentehuis te begeven.
Voor een toelichting op de omschrijving van het belastbare feit verwijzen wij naar de toelichting op de artikelen 1.1 en 1.2.
Pagina 25 van 93
Artikel 1.5 Aanwijzing buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand voor ëén dag Deze bepaling ziet op gevallen waarin partners vragen om voor hun huwelijksvoltrekking of registratie van het partnerschap een bepaalde, vaak hun bekende persoon als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand aan te wijzen (zie artikel 16, tweede en derde lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Er zijn twee tarieven, afhankelijk van het feit of al beëdiging bij de rechtbank heeft plaatsgevonden (artikel 16, vierde lid, Boek 1 BW). Als dat niet het geval is, heeft de gemeente er meer werk aan, wat een hoger tarief rechtvaardigt. Artikel 1.6 Beschikbaar stellen getuige door gemeente Op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is het verplicht om ten minste twee getuigen te hebben bij de huwelijksvoltrekking of registratie van het partnerschap (artikel 63, eerste lid, en artikel 80a, vijfde lid, Boek 1 BW). Het komt voor dat toekomstige partners aan de gemeente vraagt om getuigen beschikbaar te stellen. Hiervoor is een tarief opgenomen. Artikel 1.7 Annuleren of wijzigen datum Partners maken het voornemen om in het huwelijk te treden of het geregistreerd partnerschap aan te gaan doorgaans ruim van tevoren kenbaar aan de gemeente/ambtenaar van de burgerlijke stand (vergelijk artikel 46, artikel 62, eerste lid, en artikel 80a, vijfde lid, Boek 1 BW).
De dienstverlening waarvoor leges worden geheven zijn de voltrekking van het huwelijk of de registratie van het partnerschap. De gemeente en de ambtenaar van de burgerlijke stand treffen de nodige voorbereidingen. Het is dan uiterst vervelend als kort voor de bewuste datum de (aanstaande) partners de gemeente verzoeken om een gereserveerde datum te annuleren of te wijzigen. Voor de gemeente brengt dat kort voor de gereserveerde datum kosten met zich. Daarom is een tariefbepaling voor dit soort verzoeken opgenomen. De hoogte van het tarief kan mede dienen om annuleringen en wijzigingen te ontmoedigen (mits de tarieven op verordeningenniveau niet meer dan 100% kostendekkend zijn). De tariefbepaling is alleen van toepassing als de annulering of wijziging plaatsvindt binnen een door de gemeente in te vullen termijn vóór de gereserveerde datum. Als voorbeeld hebben wij veertien dagen opgenomen. Dat is ook de minimale termijn die geldt voor de aankondiging van het voornemen (artikel 62, eerste lid, en artikel 80a, vijfde lid, Boek 1 BW). Artikel 1.8 Trouwboekje of partnerschapsboekje In artikel 1.8 van de tarieventabel is een tarief opgenomen voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen een trouwboekje of partnerschapsboekje in een normale uitvoering en een trouwboekje of partnerschapsboekje in een luxe uitvoering.
De leges genoemd in artikel 1.8 kunnen worden geheven naast de leges die ingevolge de artikelen 1.1 t/m 1.7 geheven worden. Ook in het geval van een kosteloos huwelijk of registreren van een partnerschap is legesheffing voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje toegestaan. Het betreft hier een dienst van de gemeente die wordt verleend naast het voltrekken van het huwelijk of de registratie van een partnerschap zelf. Een verplichting tot het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje bestaat immers niet. Wij merken hierbij nog op dat dit dienstverlening waarvoor de gemeente btwplichtig is. Het tarief is dus inclusief btw (artikel 38 Wet op de omzetbelasting 1968). Verrichtingen ambtenaren van de burgerlijke stand De mogelijkheden tot het heffen van leges voor verrichtingen van ambtenaren van de burgerlijke stand zijn geregeld in de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879, 72). Artikel 1 van deze wet luidt:
Pagina 26 van 93
’Geene gelden mogen worden geheven ter zake van het opmaken van akten of andere verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, behalve in de gevallen en op de wijze bij of krachtens deze wet voorzien.’ De memorie van toelichting op de wet vermeldt (Kamerstukken II 1878-1879, nr. 92, ondernummer 3: ‘De verrigtingen van den burgerlijken stand, al is de zorg daarvoor aan de gemeentebesturen opgedragen, strekken tot uitvoering van het Burgerlijk Wetboek. Geene gelden behooren dus wegens die verrigtingen van de ingezetenen te worden geheven, dan krachtens de wet en volgens een voor het gansche Rijk overal gelijk tarief.’ In artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld voor welke verrichtingen leges geheven kunnen worden. De hoogte van die leges is vastgesteld in het Legesbesluit akten burgerlijke stand (Stb. 1969, 36). De daarin genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Gemeenten kunnen de hiervoor genoemde leges rechtstreeks heffen op basis van het Legesbesluit. Artikel 3, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de leges heft en invordert. Dat is dus een afwijking van de belastingbepalingen in de Gemeentewet.
Zo heeft Hof ’sHertogenbosch geoordeeld dat het Legesbesluit akten burgerlijke stand geen belastingwet is in de zin van de AWR, dat de vergoeding geen gemeentelijke belasting is en dat de AWR niet van toepassing is (Hof 's-Hertogenbosch 27 mei 2016, nr. 15/00138 (Roermond), ECLI:NL:GHSHE:2016:2100, VNGnummer: 6601). Voor de rechtsbescherming zijn de bepalingen over bezwaar en beroep in de Awb van toepassing. Voordeel van het niet opnemen van de tarieven in de legesverordening is dat de legesverordening niet aangepast hoeft te worden zodra de tarieven in het Legesbesluit wijzigen, wat dus elkaar jaar gebeurt door indexering van de tarieven. De bedragen worden jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vóór 1 september in de Staatscourant bekendgemaakt.
De tarieven bedragen:
Per 1-1-2021 (Stcrt. 2020, 41935) € 14,00
a. voor elk afschrift van een akte van de burgerlijke stand b. voor elk uittreksel van een akte van geboorte, van huwelijk, van registratie van een partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een registratie van een € 14,00 partnerschap*, van omzetting van een registratie van een partnerschap in een huwelijk of van overlijden c. voor elke verklaring van huwelijksbevoegdheid als bedoeld in artikel 49a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (een € 24,60 Nederlander wenst buiten Nederland een huwelijk aan te gaan) d. voor een attestatie de vita als bedoeld in artikel 19k van € 14,00 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek e. voor elk meertalig uittreksel uit een akte van de burgerlijke € 14,00 stand f.1. voor een meertalig modelformulier van een onder a, b, d € 14,00 en e genoemd stuk
Per 1-1-2022 (Stcrt. 2021, 40591) € 14,30
€ 14,30
€ 25,10
€ 14,30 € 14,30 € 14,30 Pagina 27 van 93
f.2. voor een meertalig modelformulier van een onder c genoemd stuk
€ 18,90
€ 19,30
* Het feit dat omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap sinds 1 maart 2009 niet meer mogelijk is, laat onverlet de mogelijkheid om van bestaande aktes een afschrift of uittreksel te krijgen. Artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand bepaalt dat afschriften van of uittreksels uit huwelijksakten en akten voor omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk ten behoeve van het kerkelijk huwelijk kosteloos worden uitgegeven, mits van de bestemming uit het stuk zelf blijkt en zij aldus tot geen ander doel kunnen worden gebruikt. Artikel 2 bepaalt ook wie vrijgesteld zijn van het betalen van deze leges. Het gaat daarbij om hen die financieel onvermogend zijn en om ambtenaren, besturen en instellingen die in het openbaar belang bepaalde afschriften vragen. Sinds 16 februari 2019 zijn er ook meertalige modelformulieren met betrekking tot geboorte, overlijden, huwelijk, geregistreerd partnerschap, woon- en/of verblijfplaats. Hiermee kunnen kosten voor vertaling worden bespaard. Indien een autoriteit uit een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) vraagt om bijvoorbeeld een geboorteakte te overleggen, hoeft deze niet te worden gelegaliseerd en vertaald.
Het is voldoende om het openbare document (een afschrift van de geboorteakte) met een meertalig modelformulier te overleggen in de andere lidstaat (artikel 7, eerste lid, van Europese verordening overlegging openbare documenten (Verordening EU nr. 2016/1191, PbEU 2016, L 200). Voor de meertalige modelformulieren betreffende de in de tabel onder a t/m e genoemde openbare documenten zijn ook tarieven vastgesteld in het Legesbesluit akten burgerlijke stand (zie f.1 en f.2 in de tabel). Het wettelijk tarief dat is vastgesteld is gelijk aan de productiekosten van het meertalige formulier of, als dat lager is, het tarief dat voor het onderliggende openbare document geldt. Voor het meertalig modelformulier woon- en/of verblijfplaats hebben wij in artikel 1.15 een tariefbepaling opgenomen (verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen).
Paragraaf 1.2 Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart Artikelen 1.9 en 1.10 Paspoorten of andere reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart De legesheffing voor reisdocumenten en de Nederlandse identiteitskaart berust niet op artikel 229 van de Gemeentewet, maar op artikel 7, tweede lid, van de Paspoortwet (zoals deze per 9 maart 2014 is gewijzigd), in samenhang met artikel 2, tweede lid, van die wet. Zie ook artikel 2 (belastbaar feit) van de modelverordening leges. Vanaf 22 september 2011 gold voor de legesheffing voor een Nederlandse identiteitskaart al een afzonderlijke wettelijke basis in verband met HR 9 september 2011, nr. 10/04967, LJN: BQ4105 en de Wet van 13 oktober 2011, Stb. 440, nu het hierbij niet gaat om dienstverlening als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. Op grond van artikel 7, derde lid, van de Paspoortwet zijn maximumtarieven vastgesteld in het Besluit paspoortgelden. Gemeenten kunnen ook minder dan de maximumtarieven van de leges berekenen. Een verhoging van de maximumleges door gemeenten is echter niet toegestaan. Aangezien gemeenten verplicht zijn voor geleverde reisdocumenten en voor spoedleveringen de vastgestelde bedragen aan het Rijk af te dragen, gaat een verlaging van de gemeentelijke leges vanzelfsprekend ten koste van de hoogte van het gemeentelijk deel in de leges.
De maximumtarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Vanaf 1 januari 2010 geldt voor kinderen tot en met 13 jaar voor de Nederlandse identiteitskaart (NIK) een verlaagd tarief (jeugdtarief). De korting ten opzichte van de ‘normale’ NIK betreft het Pagina 28 van 93
rijkskostendeel en komt dus volledig ten laste van het rijk en geldt vanaf 9 maart 2014 voor personen jonger dan 18 jaar. In verband met Europese regelgeving is het sinds 26 juni 2012 niet meer mogelijk om kinderen in de paspoorten van de ouder(s) of voogd bij te schrijven. De geldigheid van alle bijschrijvingen en kinderstickers is op 26 juni 2012 vervallen. Het vervallen van de geldigheid van de bijschrijvingen op 26 juni 2012 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van het paspoort van de ouder(s) of voogd waarin ze staan bijgeschreven. Per 2 augustus 2021 is het NIK-tarief is tussentijds verhoogd in verband met de introductie van de vingerafdruk op de Nederlandse identiteitskaart (Kamerstukken II 2020/21, 35552 (R2148), Uitvoering van Verordening (EU) 2019/1157 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten), Stb. 2021, 351, 352 en 353). Bij personen met een uitreisverbod worden geen vingerafdrukken verwerkt. Daarom geldt voor hen een afwijkend maximumtarief voor de vervangende Nederlandse identiteitskaart. De tarieven staan in de artikelen 1.9 (paspoorten of andere reisdocumenten) en 1.10 (Nederlandse identiteitskaart).
Tariefopbouw maximumleges reisdocumenten in euro’s per 1 januari 2022 (de tarieven voor 2021 staan tussen haakjes) Maximum Totaal gemeentelijk legestarief Document/leges Rijkskosten deel leges maximaal Nationaal paspoort € 33,33 € 42,49 € 75,82 ≥ 18 jaar (was € 32,87) (was € 41,90) (was € 74,77) € 33,33 € 24,01 € 57,34 < 18 jaar (was € 32,87) (was € 23,68) (was € 56,55) Zakenpaspoort € 33,33 € 42,49 € 75,82 ≥ 18 jaar (was € 32,87) (was € 41,90) (was € 74,77) € 33,33 € 24,01 € 57,34 < 18 jaar (was € 32,87) (was € 23,68) (was € 56,55) Faciliteitenpaspoort € 33,33 € 42,49 € 75,82 ≥ 18 jaar (was € 32,87) (was € 41,90) (was € 74,77) € 33,33 € 24,01 € 57,34 < 18 jaar (was € 32,87) (was € 23,68) (was € 56,55) Reisdocument voor vluchtelingen en € 33,33 € 24,01 € 57,34 (was € 32,87) (was € 23,68) (was € 56,55) vreemdelingen Nederlandse identiteitskaart (NIK) € 29,35 € 68,53 (was per 1-1-2021 € 39,18 (was per 1-1-2021 ≥ 18 jaar € 25,39 en per € 64,03 en per (was € 38,64) 2-8-2021 € 28,94) 2-8-2021 € 67,58) € 29,35 € 36,98 (was per 1-1-2021 € 7,63 (was per 1-1-2021 < 18 jaar € 25,39 en per (was € € 7,52) € 32,91 en per 2-8-2021 € 28,94) 2-8-2021 € 36,46) Pagina 29 van 93
Maximum gemeentelijk Document/leges deel leges Vervangende identiteitskaart voor personen € 25,75 (was € 25,39) met uitreisverbod
Rijkskosten € 7,63 (was € 7,52)
Totaal legestarief maximaal € 33,38 (was € 32,91)
Artikel 1.11 Modaliteiten Met inachtneming van de wettelijke maximumtarieven kunnen gemeenten tariefdifferentiaties aanbrengen. In artikel 7, tweede lid, van de Paspoortwet staat: ’Het tarief van de rechten kan verschillen al naar gelang de leeftijd van de aanvrager, het feit of deze in de basisregistratie personen als ingezetene is ingeschreven, de soort en de geldigheidsduur van het reisdocument en de snelheid en de wijze van de uitreiking.’ Voor de versnelde uitreiking geldt een rijkskostendeel dat de gemeente moet afdragen. De ‘wijze van de uitreiking’ is sinds 1 oktober 2017 een differentiatiegrondslag en houdt verband met de mogelijkheid van (thuis)bezorging. Hiervoor geldt geen rijkskostendeel. Wij hebben deze twee modaliteiten opgenomen in artikel 1.11. Het is niet meer mogelijk zogenaamde ‘vermissingsleges’ te heffen als de aanvrager bij de aanvraag het eerder verstrekte (oude) reisdocument niet kan overleggen. Tariefopbouw maximumverhogingen documenten in euro’s per 1 januari 2022 (de tarieven voor 2021 staan tussen haakjes) Maximum Totaal gemeentelijk legestarief Document/leges Rijkskosten deel leges maximaal € 51,62 € 51,62 Toeslag spoedaanvraag per document (was € 50,91) (was € 50,91) € 16,28 € 16,28 Toeslag bezorging per document (was € 16,06) (was € 16,06)
Paragraaf 1.3 Rijbewijzen Artikel 1.12 Rijbewijzen De bevoegdheid tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs berust bij de gemeente. Hiervoor kunnen leges in rekening gebracht worden. Er geldt vanaf 1 januari 2022 een maximumtarief van € 41,60 (€ 31,90 gemeentelijk kostendeel, vermeerderd met het rijkskostendeel van € 9,70). Het maximumtarief voor het gemeentelijke kostendeel is geregeld in artikel 104b van het Reglement rijbewijzen, dat is gebaseerd op artikel 111, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De gemeente moet het rijkskostendeel afdragen aan de Dienst Wegverkeer (RDW). Zie voor de wettelijke regeling artikel 111, vijfde lid, en artikel 121 van de Wegenverkeerswet 1994, bijlage VI van de Regeling tarieven Dienst Wegverkeer 2022 (Stcrt. 2021, 48604) en artikel 123 van het Reglement Rijbewijzen. Het rijbewijs is sinds 2018 geschikt als authenticatiemiddel om online bij overheidsorganisaties en diensten met een publieke taak in te loggen. Na invoering van de relevante onderdelen van de wet Digitale Overheid (wDO), voorzien in 2022, worden de kosten van deze nieuwe functionaliteit gefinancierd vanuit een verhoging van de afdracht van de gemeenten aan de RDW met naar verwachting € 3,50. De RDW bericht gemeenten tijdig wanneer deze verhoging ingaat.
De legesverordening moet dan tussentijds worden aangepast, eventueel door het college op grond van artikel 10. Pagina 30 van 93
De procedure is een beetje vergelijkbaar met die voor reisdocumenten. Het rijbewijs wordt aangevraagd bij de gemeente en, net zoals al het geval is bij paspoort en identiteitskaart, centraal geproduceerd en gepersonaliseerd. De kosten bestaan uit een rijksdeel en een gemeentelijk deel. De rijkskosten bestaan onder andere uit: - de kosten voor de te vervaardigen gepersonaliseerde rijbewijzen; - de voor rekening van de RDW in te richten backofficecomputer bij de gemeente; - het beheer van de bij de RDW aanwezige registers. De rijkscomponent voor reguliere rijbewijzen bedraagt sinds 1 januari 2014 € 9,70 (Stcrt. 2013, 19314). Gemeenten moeten zelf de eigen kostprijs berekenen. De gemeentelijke kosten bestaan onder andere uit de tijd die nodig is voor: - het innemen van de aanvraag van het rijbewijs aan het loket; - het scannen van het aanvraagformulier; - het ontvangen en inklaren van het gepersonaliseerde rijbewijs; - het uitreiken van het rijbewijs aan het loket.
Daarnaast kunnen de indirecte kosten worden doorberekend voor zover deze kosten nog wel in enig verband met de behandeling van aanvragen voor een rijbewijs staan, zoals de kosten van: - huisvesting; - het beheer van de basisregistratie personen; - de opslag en het beheer van de ingeklaarde rijbewijzen; - de maandelijkse controle van de fysieke voorraad; - het onttrekken van rijbewijzen aan de voorraad; - andere ondersteunende diensten. Het rijks- en gemeentelijk deel vormen samen het legestarief (artikel 1.12). Artikel 1.13 Modaliteiten Voor bijzondere dienstverlening zijn verhogingen mogelijk. Te denken valt hierbij aan spoedaanvragen, aanvragen of afgiften buiten de reguliere openingstijden (‘op afspraak’) en aan aanvragen in verband met (beschadiging of) vermissing van een eerder afgegeven rijbewijs. Wij hebben deze modaliteiten in artikel 1.13 opgenomen. Het rijkskostendeel voor een spoedaanvraag is sinds 1 januari 2013 € 43,80 (€ 9,70 standaard + € 34,10 spoed). Zie bijlage VI van de Regeling tarieven Dienst Wegverkeer 2022 (Stcrt. 2021, 48604).
Paragraaf 1.4 Verstrekkingen uit de basisregistratie personen Algemeen In deze paragraaf zijn tariefbepalingen opgenomen voor verstrekkingen van persoonsgegevens uit de basisregistratie personen. De Wet basisregistratie personen (Brp) kan in een artikel aangeven dat een handeling kosteloos moet worden uitgevoerd, ze kan ook bepalen dat er rechten kunnen worden geheven en ze kan niets bevatten betreffende het heffen van rechten. In het laatste geval is het ook mogelijk om rechten (leges) te heffen als sprake is diensten die door of vanwege het gemeentebestuur worden verstrekt. Op grond van artikel 1.3 van het Brp heeft de basisregistratie tot doel overheidsorganen te voorzien van de in de registratie opgenomen gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak. De basisregistratie heeft mede tot doel derden te voorzien van de in de registratie opgenomen gegevens, in bij of krachtens deze wet aangewezen gevallen. Ook bij de basisregistratie personen heeft de gemeente te maken met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en heeft een betrokkene dus bepaalde rechten (inzage, rectificatie enz.). Pagina 31 van 93
Maar dit is dan andere informatie dan de verstrekkingen waar paragraaf 1.4 van hoofdstuk 1 van de tarieventabel op doelt. Het gaat hier niet zozeer om inzage of een kopie van de gegevens die worden verwerkt met bijbehorende informatie (zie artikel 15 van de AVG), maar om uittreksels uit de Brp die kennelijk voor een specifiek doel worden gevraagd. Wat het verstrekken van persoonsgegevens aan derden betreft, is er eigenlijk geen wijziging opgetreden. Dat mag niet zonder meer (zie artikel 6 van de AVG). Soms kan daarvoor een vergoeding worden gevraagd (verstrekkingen op grond van de artikelen 3.6 of 3.9 van de Wet Brp). In de volgende twee tabellen staan de diverse verstrekkingen opgesomd met vermelding naar het betreffende artikel en is aangegeven hoe met kosten, vergoedingen en bijdragen omgegaan wordt, eveneens met een verwijzing naar het desbetreffende artikel. Met ‘bijdrage’ wordt gedoeld op de (budgettaire) bijdrage in de kosten in verband met de uitvoering van de Wet brp verschuldigd door gemeenten en de overheidsorganen waaraan en derden aan wie op grond van de artikelen 3.2, 3.3, 3.13 of 3.14 van de Wet brp gegevens worden verstrekt of informatie ter beschikking wordt gesteld (artikel 1.14 van de Wet brp). Verstrekkingen aan overheidsorganen zijn overigens kosteloos (artikel 3.17 van de Wet brp).
De afkorting PL staat voor persoonslijst, de afkorting Gw staat voor Gemeentewet, de afkorting d.t.v. staat voor ‘door tussenkomst van’. Verstrekkingen in verband met de rechten van de burger Grondslag Aard van de Nr. Door wie in de BRP verstrekking
1a 2.54 lid 1
1b 2.55 lid 1
1c 2.55 lid 2
1d 2.55 lid 3
Volledig overzicht van College de PL aan de burger als bijhoudingsgemeente deze ingezetene wordt Op aanvraag mededeling of over College betrokkene gegevens bijhoudingsgemeente worden verwerkt Op aanvraag inzage aan College betrokkene in hem bijhoudingsgemeente betreffende gegevens Op aanvraag afschrift van de College persoonsgegevens en bijhoudingsgemeente de oorsprong van die gegevens
2a 2.53 lid 2 2b 2.53 lid 2
Conform 1b Conform 1c
Elk college Elk college
2c 2.53 lid 2
Conform 1d
Elk college
3a 2.53 lid 3 3b 2.53 lid 3 3c 2.53 lid 3
Conform 1b Conform 1c Conform 1d
De minister De minister De minister
Vergoeding Grondslag vergoeding of kosteloos of kosteloos
Kosteloos
Is geen dienst
Kosteloos
2.55 lid 1
Kosteloos
2.55 lid 2
Vergoeding kan
229-1-b Gw
Kosteloos Kosteloos Vergoeding kan
2.55 lid 1 2.55 lid 2 229-1-b Gw
Kosteloos 2.55 lid 1 Kosteloos 2.55 lid 2 Vergoeding? Pagina 32 van 93
4a 2.81 lid 1
Volledig overzicht van de PL aan de nietingezetene bij inschrijving
4b 2.81 lid 3
Conform 1b
4c 2.81 lid 3
Conform 1c
De minister De minister d.t.v. inschrijfvoorziening De minister d.t.v. inschrijfvoorziening
4d 2.81 lid 3
Conform 1d
De minister d.t.v. inschrijfvoorziening
5a 2.81 lid 4 5b 2.81 lid 4
Conform 1b Conform 1c
Elk college Elk college
5c 2.81 lid 4
Conform 1d
Elk college
Kosteloos
Is geen dienst
Kosteloos
2.55 lid 1
Kosteloos
2.55 lid 2
Vergoeding
36 Besluit brp (volgt leges gemeente waar inschrijfvoorziening is ondergebracht)
Kosteloos Kosteloos Vergoeding kan
2.55 lid 1 2.55 lid 2 229-1-b Gw
Verstrekkingen op grond van hoofdstuk 3 Wet brp Grondslag Nr. Aard van de verstrekking in de BRP
6a 3.2 6b 3.3 7a 3.5 7b 3.6
8a 3.8
8b 3.9
9 3.12 10 3.13
Door wie
Systematische verstrekking De minister aan overheidsorganen Systematische verstrekking De minister aan derden Plaatsonafhankelijke verstrekking aan Elk college overheidsorganen Plaatsonafhankelijke Elk college verstrekking aan derden Verstrekking over gemeentelijke ingezetenen College aan organen van de (eigen) bijhoudingsgemeente gemeente Verstrekking over College gemeentelijke ingezetenen bijhoudingsgemeente aan derden Verstrekking gegevens aan De minister en elk basisadministraties Caribische college rijksdelen Verstrekking voor onderzoek De minister en het en dergelijke college
Grondslag Vergoeding of vergoeding of kosteloos kosteloos
Bijdrage Bijdrage
1.14 lid 1 en 3.17 lid 1 1.14 lid 1 en 3.17 lid 1
Geen bijdrage 1.14 lid 1 en en kosteloos 3.17 lid 3 Geen bijdrage, 1.14 lid 1 en vergoeding kan 229-1-b Gw Geen bijdrage, 1.14 lid 1 en kosteloos 3.17 lid 3 Geen bijdrage, 1.14 lid 1 en vergoeding kan 229-1-b Gw Geen bijdrage 1.14 lid 1 en en kosteloos 3.17 lid 3 Bijdrage en kosteloos
1.14 lid 1 en 3.17 lid 3 Pagina 33 van 93
11 3.14
Verstrekking bewerkte gegevens
De minister en het college
Bijdrage en kosteloos
1.14 lid 1 en 3.17 lid 3
Artikel 1.14 Definities In artikel 1.14 van de tarieventabel is geregeld wat onder één verstrekking moet worden verstaan. Doel hiervan is problemen over de invulling van dat begrip te voorkomen. Van belang hierbij is dat tot één verstrekking wordt gerekend alle verstrekte gegevens over één persoon. Artikel 1.15 Verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen Onderdeel a In onderdeel a is voor het verstrekken van gegevens een tarief opgenomen per verstrekking. Ook zouden nog tarieven opgenomen kunnen worden voor het doen van meer dan één verstrekking. Daarbij kan dan een degressief tarief gelden. In de modelverordening hebben wij geen afzonderlijke tarieven opgenomen voor het doen van meer dan één verstrekking. Reden hiervan is dat in die situatie de aanvrager vermoedelijk toch gebruik zal maken van de mogelijkheid van het afsluiten van abonnement, nu een abonnement betrekking heeft op de periode van een jaar. Naar onze mening ligt het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de mogelijkheid van het afsluiten van een abonnement indien dit voor hem goedkoper is. Onderdeel a is ook van toepassing op een aanvraag tot het verstrekken van een bewijs van in leven zijn. Dat is namelijk een uittreksel uit de Brp waarin staat vermeld dat een bepaalde persoon in leven is.
Het bewijs van in leven zijn is gratis als iemand kan aantonen dat het voor pensioen is. Dit bewijs van in leven zijn moet worden onderscheiden van de (internationale) attestatie de vita bedoeld in artikel 19k van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, welk artikel sinds 1 juli 2011 geldt. Deze attestatie de vita wordt afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hiervoor is in het Legesbesluit akten burgerlijke stand, dat is gebaseerd op de Wet rechten burgerlijke stand, een tarief opgenomen (zie het slot van de toelichting op paragraaf 1.1 van de tarieventabel). Onderdeel b In onderdeel b zijn tarieven opgenomen voor het afsluiten van een abonnement tot het doen van verstrekkingen gedurende een bepaalde periode. Het ligt voor de hand daarbij degressieve tarieven op te nemen. Daaraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat het doen van verstrekkingen in die gevallen minder kosten met zich mee kan brengen dan bij incidentele verzoeken om verstrekkingen. Een gemeente kan zelf bepalen op hoeveel verstrekkingen een abonnement betrekking heeft. In zoverre moeten de aantallen die in de subonderdelen 1 tot en met 5 zijn opgenomen als voorbeelden worden gezien. Uitgaande van de modelverordening zal iemand die 400 verstrekkingen vraagt kunnen kiezen of hij vier abonnementen van 100 verstrekkingen afsluit of één van 500.
Ook hier ligt het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de voordeligste constructie. Onderdeel c In onderdeel c is een tarief opgenomen voor het afsluiten van een abonnement tot het periodiek verstrekken van opgave van verhuizingen binnen de gemeente, vertrekken uit de gemeente en vestigingen in de gemeente. Onderdeel d In onderdeel d is een tarief opgenomen voor het verstrekken van een meertalig modelformulier woonen/of verblijfplaats als bedoeld in artikel 7 van de Europese verordening overlegging openbare Pagina 34 van 93
documenten (Verordening EU nr. 2016/1191, PbEU 2016, L 200). Sinds 16 februari 2019 zijn er meertalige modelformulieren met betrekking tot geboorte, overlijden, huwelijk, geregistreerd partnerschap, woon- en/of verblijfplaats. Hiermee kunnen kosten voor vertaling worden bespaard. In het Legesbesluit akten burgerlijke stand zijn voor de meertalige modelformulieren betreffende de burgerlijke stand tarieven vastgesteld (zie het slot van de toelichting op paragraaf 1.1 van de tarieventabel). Voor het meertalige modelformulier woon- en/of verblijfplaats is geen wettelijke tarief vastgesteld. Gemeenten kunnen hiervoor dus zelf een tarief vaststellen. Op grond van artikel 11 van genoemde Europese verordening is de vergoeding voor het verkrijgen van een meertalig modelformulier niet hoger dan de productiekosten van het meertalig modelformulier of, indien die lager zijn, van het openbaar document waaraan het formulier is gehecht. Geen teruggaaf In paragraaf 1.4 is geen regeling opgenomen voor een teruggaaf van een deel van het voor het abonnement verschuldigde bedrag, indien in de desbetreffende periode minder verstrekkingen zijn gedaan dan waarop het abonnement ziet.
Reden hiervan is dat bij het opnemen van een dergelijke teruggaafbepaling vermoedelijk in de meeste gevallen een abonnement zal worden afgesloten voor het hoogste aantal verstrekkingen omdat bij een degressief tarief het tarief per inlichting dan het laagst is. Een dergelijke regeling is weliswaar denkbaar, maar daarbij zal dan het legesbedrag beperkt moeten worden tot het bedrag dat verschuldigd is voor een abonnement voor het aantal verstrekkingen dat in feite is gedaan. Men kan zich echter ook op het standpunt stellen dat het niet afnemen van het aantal verstrekkingen waarvoor het abonnement is afgesloten voor risico komt van degene die het abonnement heeft afgesloten. Artikel 1.16 Verstrekken van aangehaakte gegevens In dit artikel zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van persoonsgegevens die niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen zelf. Het betreft de zogenaamde aangehaakte gegevens. Een gemeente kan voor het op verzoek verstrekken van aangehaakte gegevens leges heffen, tenzij de aanvrager op grond van bijzondere wetgeving recht heeft op kosteloze inlichtingen. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de Belastingdienst op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 1.17 Schriftelijke verstrekkingen In dit artikel zijn leges opgenomen voor het aan betrokkenen verstrekken van schriftelijke gegevens als bedoeld in artikel 17 van het Besluit brp. In artikel 10, tweede lid, van de Regeling basisregistratie personen is hiervoor een maximumtarief opgenomen van € 7,50. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit tarief moet wijken voor de vrijstelling van artikel 41 van de Wet Uitkeringen vervolgingsslachtoffers en artikel 52 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, waarin staat dat de gevraagde inlichtingen kosteloos moeten worden verstrekt. In dat geval kunnen deze leges dus niet worden geheven (HR 10 juni 2005, nr. 39814, LJN: AT7214). Artikel 1.18 Op aanvraag doornemen basisregistratie personen De in artikel 1.18 opgenomen regeling is bedoeld voor gevallen waarin aan de gemeente wordt verzocht de basisregistratie personen, inclusief de aangehaakte gegevens, door te nemen voor het verkrijgen van bepaalde inlichtingen, bijvoorbeeld hoeveel geregistreerde honden er in de gemeente zijn. Deze bepaling geeft de mogelijkheid leges te heffen naar rato van de tijd die met het doornemen is gemoeid, ongeacht of dit leidt tot het daadwerkelijk verschaffen van de gevraagde inlichtingen. Naast een bedrag voor het doornemen van de basisregistratie is de aanvrager eventueel een bedrag Pagina 35 van 93