CConstaterende datVlieland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke Onderbouwing.pdf

Raadsvergadering 15 mei 2023, gemeente VlielandBij agendapunt: Ontwerp verklaring voor geen bedenking dijkversterking14.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORT Ruimtelijke Onderbouwing Dijkversterking Waddenzeedijk Vlieland

Klant:

Rijkswaterstaat Noord Nederland

Referentie: BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002 Status:

Definitief/1.0

Datum:

30 maart 2023

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Jonkerbosplein 52 6534 AB Nijmegen Mobility & Infrastructure Trade register number: 56515154 +31 88 348 70 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Ruimtelijke Onderbouwing Dijkversterking Waddenzeedijk Vlieland Sub titel: Referentie: BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002 Status: 1.0/Definitief Datum: 30 maart 2023 Projectnaam: Dijkversterking Waddenzeedijk Vlieland Projectnummer: BF4938 Auteur(s): R.S. Opgesteld door: Gecontroleerd door: M.K. Datum: 17 maart 2023 Goedgekeurd door: M.L. Datum: 30 maart 2023

Classificatie Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderzins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

ii

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1

Aanleiding en doel

1

1.2

Locatie

1

1.3

Planologische regeling

2

1.4

Afwijken van het bestemmingsplan

6

1.5

Leeswijzer

7

2

Gebieds- en projectbeschrijving

8

2.1

Beschrijving huidige situatie plangebied

8

2.2

De voorgenomen ontwikkeling

9

3

Beleidskader

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.1.1

Conclusie Rijksbeleid

14

3.2

Provinciaal beleid

14

3.2.1

Conclusie provinciaal beleid

17

3.3

Gemeentelijk beleid

17

3.4

Conclusie gemeentelijk beleid

17

4

Omgevingsaspecten

18

4.1

Bodem

18

4.1.1 4.1.2 4.1.3

Wettelijk kader Beschouwing Conclusie

18 18 19

4.2

Ecologie

19

4.2.1 4.2.2 4.2.3

Wettelijk kader Beschouwing Conclusie

19 20 21

4.3

Water

22

4.3.1 4.3.2 4.3.3

Wettelijk kader Beschouwing Conclusie

22 25 27

4.4

Archeologie & Cultuurhistorie

28

4.4.1 4.4.2 4.4.3

Wettelijk kader Beschouwing Conclusie

28 28 33

4.5

NGE

34

4.5.1 4.5.2

Kader Beschouwing

34 35

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

iii

Projectgerelateerd

4.5.3

Conclusie

36

4.6

Kabels en leidingen

36

4.6.1 4.6.2 4.6.3

Kader Beschouwing Conclusie

36 38 40

4.7

Verkeer

40

4.8

M.e.r.-beoordeling

40

5

Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

41

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

41

5.1.1

Conclusie maatschappelijke uitvoerbaarheid

42

5.2

Economische uitvoerbaarheid

42

5.2.1

Conclusie economische uitvoerbaarheid

42

6

Conclusie

43

Figuren Figuur 1: Plangebied Dijkversterking Waddenzeedijk, Oost-Vlieland, Gemeente Vlieland.

2

Figuur 2: Bestemmingsplan Vlieland kom.

3

Figuur 3: Bestemmingsplan Buitengebied Vlieland.

3

Figuur 4: Beheersverordening Waddenzee en Noordzee.

4

Figuur 5: Bestemmingsplan Vlieland kom.

4

Figuur 6: Bestemmingsplan Buitengebied Vlieland.

5

Figuur 7: Beheersverordening Waddenzee en Noordzee.

6

Figuur 8: Beheersverordening Waddenzee en Noordzee - Bestemming Water.

6

Figuur 9: Huidige situatie plangebied.

8

Figuur 10: Locatie van de dijkversterking met dijkvakken.

9

Figuur 11: Huidige dijkprofiel Waddenzeedijk Vlieland.

10

Figuur 12: Principeprofiel dijkversterking (maatgeving indicatief i.v.m. variatie per locatie).

10

Figuur 13: Nationale belangen Barro.

12

Figuur 14: Natuurnetwerk Nederland.

16

Figuur 15: Kustverdediging.

17

Figuur 16: Trits voor vasthouden (1), bergen (2) en afvoeren (3).

22

Figuur 17: Hoogteligging van het projectgebied (bron: AHN-viewer.nl).

25

Figuur 18: Situering van het projectgebied langs oppervlaktewater (duiker bij benadering in geel aangegeven) (bron: Wetterskip Fryslân). 26 Figuur 19: Plangebied ten behoeve van archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek.

33

Figuur 20: Onderzoeksgebied NGE.

35

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

iv

Projectgerelateerd

Figuur 21: KLIC-melding plangebied.

37

Figuur 22: Legenda behorend bij figuur 13.

37

Figuur 23: Uitsnede kaart met riool parallel aan de dijk.

38

Figuur 24: Kabels en leidingen ter hoogte van de kruising van de dijk met de Postweg.

38

Figuur 25: Kabels en leidingen ter plekke van de coupure.

39

Bijlagen Lijst met bijlagen.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

v

Projectgerelateerd

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

De Waterwet schrijft voor dat de primaire waterkeringen regelmatig moeten worden getoetst om te onderzoeken of deze voldoen aan de wettelijke normen voor de waterveiligheid. Indien de waterkering niet meer aan de norm voldoet, moeten er verbetermaatregelen worden gerealiseerd. De Waddenzeedijk op Vlieland is afgekeurd in de derde toetsronde (Provinciaal verslag Derde toetsing op veiligheid Friese Waddeneilanden Dijkring 1, 2, 3 en 4, februari 2011), omdat is gebleken dat de steenbekleding niet voldoet en versterking behoeft. Uit de herbeoordeling is gebleken dat naast een opgave voor de verbetering van de steenbekleding op basis van de nieuwe normering en nieuwe randvoorwaarden tevens een opgave bestaat voor de verhoging van de dijk en de verbetering van de grasbekleding. Op basis van deze ontwikkelingen bereidt Rijkswaterstaat Noord-Nederland als beheerder van deze dijk een integrale versterking van de Waddenzeedijk voor. Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Vlieland’ en de beheersverordening ‘Waddenzee en Noordzee’ laten het planvoornemen niet zonder meer toe. Met de omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 3° Wabo) kan worden afgeweken van het genoemde bestemmingsplan en de genoemde beheersverordening.

In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd dat afwijken van het genoemde bestemmingsplan en de genoemde beheersverordening verantwoord is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

1.2

Locatie

De Waddenzeedijk op Vlieland bevindt zich aan de zuidelijke (Waddenzee)zijde van het dorp OostVlieland. Aan de westzijde gaat de dijk over in een zandige waterkering gelegen in het Vuurboetsduin (45 meter hoog) en aan de oostkant gaat de dijk over in een duin ter plaatse van de Willem de Vlamingweg (18 meter hoog). Deze aansluiting bestaat uit een constructieve oplossing met L-wanden. De dijk wordt doorkruist door 2 kunstwerken. Aan de oostkant bevindt zich een coupure in de Dorpsstraat en sluit aan op het hogere deel van de waterkering tussen de bebouwing richting de Willem de Vlaminghweg. Ongeveer halverwege het dijktraject bevindt zich een uitwateringsduiker in de dijk. In figuur 1 is het plangebied weergegeven.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

1

Projectgerelateerd

Figuur 1: Plangebied Dijkversterking Waddenzeedijk, Oost-Vlieland, Gemeente Vlieland.

1.3

Planologische regeling

Ter plaatse van het plangebied vigeren twee bestemmingsplannen en een beheersverordening: 

Bestemmingsplan Vlieland kom (onherroepelijk, vastgesteld op 17-10-2011) (figuur 2)

Bestemmingsplan Buitengebied Vlieland (onherroepelijk, vastgesteld op 27-05-2013) (figuur 3)

Beheersverordening Waddenzee en Noordzee (onherroepelijk, vastgesteld op 13-07-2015) (figuur 4)

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

2

Projectgerelateerd

Figuur 2: Bestemmingsplan Vlieland kom.

Figuur 3: Bestemmingsplan Buitengebied Vlieland.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

3

Projectgerelateerd

Figuur 4: Beheersverordening Waddenzee en Noordzee.

In de huidige situatie ligt de dijk binnen de bestemmingsplannen ‘Vlieland kom’ en ‘Buitengebied Vlieland’. De beoogde dijkversterking betekent dat het planvoornemen tevens binnen de contouren van de beheersverordening ‘Waddenzee en Noordzee’ valt. Het planvoornemen is niet in strijd met het bestemmingsplan ‘Vlieland kom’. In het bestemmingsplan geldt de aanduiding ‘Enkelbestemming Water – Waterkering’ (figuur 5). De voor ‘Water – Waterkering’ aangewezen gronden zijn bestemd voor werken ten behoeve van de waterkering en watergeleiding.

Figuur 5: Bestemmingsplan Vlieland kom.

Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vlieland’ (figuur 6) laat het planvoornemen niet zonder meer toe. In het bestemmingsplan geldt de aanduiding ‘Enkelbestemming Natuur’ en de ‘Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – duin’. De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en de landschappelijke waarden en in beperkte 30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

4

Projectgerelateerd

mate voor ‘zeedefensie’. Hoewel een dijk kan worden aangemerkt als zeedefensie, wordt het uitbreiden van de dijk in dit geval als een aparte activiteit aangemerkt en is daarmee niet zonder meer toegelaten. Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - duin' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de primaire waterkering. De ‘Natuur’- en ‘Vrijwaringszone – duin’-bestemming laten een dijkversterking niet toe.

Figuur 6: Bestemmingsplan Buitengebied Vlieland.

De beheersverordening ‘Waddenzee en Noordzee’ (figuur 7) laat het planvoornemen niet zonder meer toe. De voor ‘Water’ aangewezen gronden (figuur 8) zijn bestemd voor het behoud en het herstel van de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het getijdengebied Waddenzee en Noordzee, waaronder normaal onderhoud is begrepen; de ontwikkeling van de natuurlijke waarden van het getijdengebied Waddenzee en Noordzee, waaronder kwelderherstel en normaal onderhoud is begrepen. De Waterbestemming laat een dijkversterking niet toe.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

5

Projectgerelateerd

Figuur 7: Beheersverordening Waddenzee en Noordzee.

Figuur 8: Beheersverordening Waddenzee en Noordzee - Bestemming Water.

Dit betekent dat voor de realisatie van het initiatief een omgevingsvergunning voor afwijking bestemmingsplan (art. 2.1, lid 1, sub c Wabo) is vereist. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd dat afwijken van het vigerende bestemmingsplan verantwoord is.

1.4

Afwijken van het bestemmingsplan

Voor de gevallen, zoals het beoogde planvoornemen, waarbij afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 1°of 2° Wabo niet mogelijk is, biedt artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo de mogelijkheid om van het bestemmingsplan af te wijken met een omgevingsvergunning, als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing komen alle relevante

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

6

Projectgerelateerd

aspecten vanuit de ruimtelijke ordening voor dit project aan de orde. Er wordt aangetoond dat het project in overeenstemming is met de beginselen van een goede ruimtelijke ordening.

1.5

Leeswijzer

Hoofdstuk twee geeft de beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie en het project weer. Het derde hoofdstuk gaat in op het van toepassing zijnde beleidskader van het Rijk, provincie en gemeente. Hoofdstuk vier behandelt de omgevingsaspecten. Hoofdstuk vijf gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk zes is de conclusie opgenomen.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

7

Projectgerelateerd

2

Gebieds- en projectbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie weergegeven en wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven.

2.1

Beschrijving huidige situatie plangebied

Het plangebied (figuur 5, blauw omkaderd, bij benadering) bevindt zich op Vlieland in de gelijknamige gemeente Vlieland, aan de zuid-oostzijde van het eiland in het dorp Oost-Vlieland. Het betreft de Waddenzeedijk. Deze dijk meet ongeveer 1 kilometer in lengte van oost naar west, tussen de Postweg en de Havenweg.

Figuur 9: Huidige situatie plangebied.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

8

Projectgerelateerd

2.2

De voorgenomen ontwikkeling

In figuur 10 en is de locatie van de planlocatie met dijkvakken aangegeven. In figuur 11 is het huidige dijkprofiel weergegeven. In figuur 12 is het principeprofiel van de voorgenomen dijkversterking weergegeven. Om de dijk te versterken worden de volgende maatregelen genomen: • Bij het buitentalud wordt rond de ontwerpwaterstand (circa 4 m NAP) in het buitentalud een berm aangelegd. Deze voldoet aan de eisen vanuit de onderhoudsfunctie en is ten gevolge daarvan minimaal 3 m breed. De buitendijkse berm wordt daarnaast zoveel mogelijk toegankelijk en geschikt gemaakt voor medegebruik (fietsers, bankjes, toegankelijkheid vanaf de kruin via bijvoorbeeld trappen). Door deze berm wordt het talud opgedeeld in een onderbeloop (benedentalud) en een bovenbeloop (boventalud). Beiden hebben een helling van 1:4. Dit betekent dat het talud verflauwd wordt ten opzichte van huidige situatie. Het onderbeloop wordt tijdens maatgevende omstandigheden aangevallen door relatief hoge golven en is daarom uitgevoerd met een nieuw aan te brengen zetsteen bekleding. Het bovenbeloop bestaat in de basis uit een bekleding van opensteenasfalt, die tot aan de kruin wordt aangebracht, waarover een grasbekleding wordt aangebracht. Daarmee ontstaat een zogenaamde verborgen bekleding. • Het binnentalud wordt naar 1:3 verflauwd ten opzichte van de huidige situatie, de berm aan binnenzijde wordt verwijderd.

Op maaiveld niveau blijft/komt ruimte voor een binnendijks pad met een breedte van 2,65 m tussen de nieuwe binnenteen en de percelen.

Figuur 10: Locatie van de dijkversterking met dijkvakken.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

9

Projectgerelateerd

Figuur 11: Huidige dijkprofiel Waddenzeedijk Vlieland.

Figuur 12: Principeprofiel dijkversterking (maatgeving indicatief i.v.m. variatie per locatie).

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

10

Projectgerelateerd

3

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid dat betrekking heeft op het plangebied en het voorgenomen initiatief beschreven. Het wordt benaderd vanuit het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Het voorgenomen initiatief wordt getoetst aan dit beschreven beleid.

3.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (WRO). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI biedt een kort, middellang en langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Nationale belangen Met de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de overige. Deze nationale belangen zijn: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13.

Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

11

Projectgerelateerd

19. 20. 21.

Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Ontwikkelen van een duurzame visserij.

Het voorgenomen initiatief raakt aan de nationale belangen 1, 2, 4, 8 en 14 uit het NOVI. Het voorgenomen initiatief draagt bij aan deze belangen en is daarmee niet in strijd met de nationale belangen uit het NOVI. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De borging van de uitspraken uit de SVIR heeft in juridische zin plaatsgevonden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De uitwerking ervan in het Barro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitwerking in regelgeving van het beleid dat in de NOVI staat. In het Barro zijn de verschillende nationale belangen vastgelegd die doorwerking moeten krijgen bij lagere overheden. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, project Mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van universele waarden, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeer-gebied. Het voorgenomen initiatief raakt aan de volgende twee nationale belangen van het Barro, namelijk: 

‘Kustfundament’ (figuur 13, gele arcering);

‘Waddenzee en waddengebied’ (figuur 13, rode arcering).

Figuur 13: Nationale belangen Barro.

Kustfundament Artikel 2.3.4 (algemene regels ter zake van gronden behorend tot een primaire waterkering met inbegrip van de beschermingszones)

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

12

Projectgerelateerd

Met betrekking tot gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering hebben, of beschermingszones, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor: 

de instandhouding of versterking van het zandige deel van het kustfundament, of

het onderhoud, de veiligheid of mogelijkheden voor versterking van de primaire waterkering.

Het voorgenomen initiatief is juist bedoeld voor versterking van de primaire waterkering. Het voorgenomen initiatief conflicteert daarmee niet met de regels uit het Barro onder ‘Kustfundament’. Waddenzee en waddengebied Artikel 2.5.2 (landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten Waddenzee) 1. Als landschappelijke kwaliteiten van de Waddenzee worden aangemerkt de rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid met inbegrip van de duisternis. 2. Als cultuurhistorische kwaliteiten van de Waddenzee worden aangemerkt: a. de in de bodem aanwezige archeologische waarden, en b. de overige voor het gebied kenmerkende cultuurhistorische structuren en elementen, bestaande uit: 1°. historische scheepswrakken; 2°. verdronken en onderslibde nederzettingen en ontginningssporen, waaronder de dam Ameland-Holwerd; 3°. zeedijken en de daaraan verbonden historische sluizen, waaronder het ensemble Afsluitdijk; 4°. landaanwinningswerken; 5°. systeem van stuifdijken; 6°. systeem van historische vaar- en uitwateringsgeulen, en 7°. kapen. Artikel 2.5.4 (beoordeling) 1.

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de Waddenzee en dat gebruik of bebouwing mogelijk maakt, die afzonderlijk of in combinatie met ander gebruik of andere bebouwing significante gevolgen kan hebben voor de landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten, bedoeld in artikel 2.5.2, wordt een beoordeling gemaakt van de gevolgen voor die kwaliteiten van het gebied. 2. De beoordeling kan onderdeel uitmaken van een voor dat bestemmingsplan voorgeschreven milieueffectrapportage of van een passende beoordeling als bedoeld in het artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien voor het gebruik of de bebouwing waarop dat voorgenomen bestemmingsplan betrekking heeft, reeds eerder een beoordeling is gemaakt en voor zover een nieuwe beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de desbetreffende significante gevolgen. Voor het voorgenomen initiatief is een MER-beoordeling (RHDHV, d.d. 23-02-2021, kenmerk: Wp 2.3.2 p1) en een Passende Beoordeling (d.d. 2 juli 2021, referentie: Wp 2.3.3 p1) gemaakt. Hieruit blijkt dat er geen significante effecten op landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten plaatsvinden. De regels uit het Barro onder ‘Waddenzee en waddengebied’ vormen geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

13

Projectgerelateerd

3.1.1

Conclusie Rijksbeleid

De voorgenomen dijkversterking is in overeenstemming met het Rijksbeleid, zoals opgenomen in het NOVI en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Er mag worden geconcludeerd het Rijksbeleid geen belemmering vormt voor de voorgenomen dijkversterking.

3.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele (Provincie Fryslân, structuurvisie, vastgesteld op 23-09-2020) De provincie Friesland heeft in haar visie vier ambities geformuleerd: • • • •

Vitaal: Streven naar een brede welvaart door slimme economische groei, om te investeren in leefbare steden en dorpen. Veerkrachtig: Ingrijpende ontwikkelingen, zoals veranderingen in het klimaat, kunnen opvangen. Karakteristiek: Behouden van de Friese identiteit en het karakter van met onder andere terpen, de Wadden en het coulisselandschap. Gezond: Een goede kwaliteit van de bodem, het water en de lucht, vruchtbare landbouwgronden, kenmerkende natuurgebieden en veel verschillende soorten planten en dieren. Daarnaast het beschermen van de rust, de stilte en het donker in delen van de provincie Fryslân.

Om de ambities te kunnen realiseren dient de basis op orde zijn. De Friese ruimte heeft veel kwaliteiten die men wil behouden en versterken. Dat moet op een slimme manier gebeuren: niet door verandering tegen te houden maar door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. Om deze kwaliteiten op orde te hebben en te houden, voert men haar wettelijke taken uit en neemt men als provincie verantwoordelijkheid. Er zijn acht doelstellingen voor de bestaande kwaliteit gerealiseerd: 

Samenhangend netwerk van steden en dorpen

Slimme groei van de gastvrijheidseconomie

Duurzame landbouw

Karakteristieken van het landschap zijn beleefbaar

Behoud van het Friese erfgoed

Natuur beschermen en ontwikkelen

Verbeteren en schoonhouden van het milieu

Kwaliteit en kwantiteit van (grond)water zijn op peil

In dialoog met de samenleving zijn vier opgaven benoemd die men actief willen aanpakken. Het zijn urgente vraagstukken waarvoor men nú al alles op alles wil zetten om met de samenleving oplossingen te vinden: 

Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar

Fryslân zet de energietransitie met kracht voort

Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht

Fryslân versterkt de biodiversiteit

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

14

Projectgerelateerd

Het voorgenomen initiatief raakt aan het urgente vraagstuk ‘Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht’. Het doel is om Friesland klimaatbestendig in te richten en met de veranderingen in het klimaat mee te bewegen. Het betreft in het geval van het voorgenomen initiatief de waterveiligheid. In de visie wordt onder waterveiligheid het volgende beoogd: 

Kust veilig houden met sterkere multifunctionele dijken, benutten koppelkansen, ‘building with nature’

Waar dat nodig is, borgen reserveringszones voor toekomstige dijkversterking

Secundaire waterkeringen, boezemkades en polderdijken op sterkte houden

Voldoende hoog of klimaat-adaptief bouwen

De voorgenomen dijkversterking sluit aan bij het urgente vraagstuk om Friesland klimaat-adaptief in te richten. Samenhang Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening De Omgevingsvisie bindt alleen de provinciale overheid. De uitvoering van de Omgevingsvisie gebeurt via programma’s en plannen, naar thema of gebied. Juridische doorwerking wordt mogelijk gemaakt door het opnemen van regels in de Omgevingsverordening. Omgevingsverordening - Romte Fryslân 2014 (Provincie Friesland, provinciale verordening, geconsolideerd op 23-03-2021) In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen in het plangebied. Hieronder worden de relevante regels die betrekking hebben op de dijkversterking uiteengezet. De thema’s (en onderhavige regels) die niet zijn opgenomen in deze ruimtelijke onderbouwing ter relevantie, maar wel gelden in plangebied, zijn: ‘Kernenstructuur en netwerkverbinding’ en ‘Glastuinbouwlocaties Noordwest Fryslân’. Natuur (figuur 7) 7.1 Ecologische hoofdstructuur (tegenwoordig Natuurnetwerk Nederland) 7.1.1 1. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur zoals begrensd op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gronden. 2.

Een ruimtelijk plan voor gronden zoals bedoeld in het eerste lid maakt geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. 3. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij de ecologische hoofdstructuur kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur. De voorgenomen dijkversterking leidt niet tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en ook niet tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Daarnaast is er reeds in het kader van de dijkversterking een Wnbvergunning verleend (d.d. 16 mei 2022, kenmerk: DGNVLG-NV / 22197091).

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

15

Projectgerelateerd

Figuur 14: Natuurnetwerk Nederland.

Kustverdediging (figuur 8) 8.3 Kustfundament Waddeneilanden 8.3.1 1. Ter zake van de herbouw en verbouw van een bestaand bouwwerk in het kustfundament, al dan niet gepaard gaande met een uitbreiding van het grondoppervlak, geldt dat bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht of ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening in werking is getreden en onherroepelijk is, mogen worden benut met dien verstande dat een uitbreiding van het bestaande grondoppervlak met ten hoogste 10% in ieder geval is toegestaan. 2. In afwijking van het eerste lid mogen in een ruimtelijk plan voor gronden die in het kustfundament liggen nieuwe en uitbreiding van bestaande bebouwing met meer dan 10% worden toegestaan, mits in de plantoelichting is gemotiveerd dat hierdoor geen belemmering kan ontstaan voor de instandhouding of versterking van het zandige deel van het kustfundament, hierover advies is gevraagd aan de waterkeringbeheerder en de overige bepalingen van deze verordening voor het oprichten van bebouwing in acht worden genomen. Herbouw of verbouw van een bestaand bouwwerk is geen onderdeel van de voorgenomen dijkversterking. De regels behorende bij het thema ‘Kustverdediging’ uit de Omgevingsverordening zijn daarmee niet van toepassing en vormen geen belemmering voor de voorgenomen dijkversterking.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

16

Projectgerelateerd

Figuur 15: Kustverdediging.

3.2.1

Conclusie provinciaal beleid

De voorgenomen dijkversterking is in overeenstemming met de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Er mag worden geconcludeerd het provinciale beleid geen belemmering vormt voor de voorgenomen dijkversterking.

3.3

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Vlieland – Langzaam meebewegen (Structuurvisie, vastgesteld op 24-05-2022) De voorgenomen dijkversterking is opgenomen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) van het Rijk. In de Omgevingsvisie van de gemeente Vlieland wordt klimaatverandering genoemd als een ontwikkeling die de aandacht van de gemeente heeft, maar op dit moment, naast de duurzaamheidsdoelstelling waarmee de gemeente actief bezig is en de relatie met veiligheid die vooral bij Rijkswaterstaat (HWBP) ligt, geen aanleiding geeft tot specifiek beleid.

3.4

Conclusie gemeentelijk beleid

Veiligheid in relatie tot klimaatverandering is geen onderwerp in het gemeentelijke beleid, omdat deze taak bij het Rijk ligt. Er mag worden geconcludeerd dat het gemeentelijke beleid geen belemmering vormt voor de voorgenomen dijkversterking.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

17

Projectgerelateerd

4

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten en planologische aspecten verantwoord die samenhangen met de voorgenomen dijkversterking. Voor elk omgevingsaspect is een korte omschrijving opgenomen, waarbij (indien van toepassing) is verwezen naar uitgevoerde onderzoeken. Indien er onderzoeken zijn uitgevoerd zijn deze als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing.

4.1

Bodem

4.1.1

Wettelijk kader

In verband met de uitvoerbaarheid van de voorgenomen dijkversterking dient onderzoek te worden verricht naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het gebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe gebruiksfunctie mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste gebruiksfunctie. Bij (bouw- en) aanlegactiviteiten is in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het versterken van de dijk is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe (bouw- en) aanlegactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) (bouw- en) aanlegactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de (bouw- en) aanlegwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken.

4.1.2

Beschouwing

Voor het project Dijkversterking Vlieland is een Vooronderzoek Bodem en Water uitgevoerd (als onderdeel van de Omgevingsanalyse Dijkversterking Vlieland - Verkenningsfase, d.d. 22 februari 2018, referentie: Wp 1.3.2 p1). De bodemrisico’s zijn inzichtelijk gemaakt door het te verwachten grondverzet met de daarop van toepassing zijnde wetgeving (het Besluit bodemkwaliteit) te relateren aan de milieuhygiënische bodemsituatie. De milieuhygiënische bodemsituatie is inzichtelijk gemaakt door de relevante delen van de normdocumenten NEN 5725 (landbodem) en NEN 5717 (waterbodem) te volgen. De grondwerkzaamheden zijn zeer gering en vinden plaats op een korte strook in de bovengrond. In het vooronderonderzoek zijn er op voorhand 4 potentiële risico’s benoemd: • Er is puin onder de zetsteen (de vlijlaag) aangebracht. Puin is verdacht voor de aanwezigheid van asbesthoudende materialen. Op basis van het onderzoek is het risico dat de grenswaarde en de hergebruikswaarde wordt overschreden zeer klein. • Er is waarschijnlijk nog puingranulaat aanwezig onder de bestaande steenzettingen. Dit is wel een oude puinlaag waarin geen asbesthoudend materiaal te verwachten is. Het risico dat er puingranulaat aanwezig is in dit deel van het dijklichaam is groot maar het risico dat dit asbest bevat is gering.

• De teenschotten en de perkoenpalen zijn waarschijnlijk geïmpregneerd met creosoot olie waardoor lokaal de bodemkwaliteit negatief is beïnvloed. Het onderzoek heeft laten zien dat de bodem hierdoor beperkt beïnvloed is. In het huidige dijkontwerp verliezen de teenschotten hun functionaliteit en dienen daarom verwijderd te worden.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

18

Projectgerelateerd

•

De fundering van de weg op het binnentalud bevat mogelijk fosforslakken. Deze mogen alleen hergebruikt worden als deze voldoen aan wet- en regelgeving. Hierbij dient tevens de Regeling basisveiligheidnormen stralingsbescherming in acht te worden genomen.

Gunstige of slechte effecten op de bodemkwaliteit zijn er niet. Bouwstoffen kunnen onder voorwaarden worden hergebruikt, bij verdenking van asbestverontreiniging dient de aanwezigheid hiervan eerst te worden vastgesteld. Bij grondverzet voor de dijkverbetering (af- en aanvoer) mag de bodemkwaliteit wettelijk niet verslechteren. Asbest In navolging van de hierboven genoemde resultaten is er een nader asbestonderzoek (RHDHV, d.d. 25 november 2022, kenmerk: BF4938-MI-RP-221123-1458) uitgevoerd. Bij de versterkingswerkzaamheden wordt de zetsteenconstructie aan de zeezijde van de dijk eerst verwijderd, hierna wordt klei aangebracht en vervolgens wordt de zetsteenconstructie weer opgebouwd. De zetsteenconstructie bestaat uit zetsteen met daaronder een zetlaag van een puin op de oorspronkelijke vlijlaag van baksteen. In 2017 is een onderzoek (DVS Vlieland B&W, Referentie: T&PBF4938R001F1.0, Datum: 9 oktober 2017, Projectnummer: BF4938) uitgevoerd naar de hergebruiksmogelijkheden van de materialen in de zetsteenconstructie. Daaruit bleek dat de puinlaag en de vlijlaag niet op alle meetpunten van elkaar te onderscheiden waren en dat op één van de vijf meetpunten een stukje asbesthoudend materiaal (golfplaat) is aangetroffen. Hieruit is geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat asbest in de puinlaag de hergebruiksnorm van 100 mg/kg overschrijdt.

Om meer zekerheid te krijgen en meer inzicht krijgen van de hoeveelheid asbest in de puinlaag door een asbestonderzoek heeft Rijkswaterstaat dit onderzoek laten uitvoeren conform de NEN 5897+C2:2017nl (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: 

Op alle meetpunten bestaat de zetsteen uit basalton met daaronder een zetlaag van puin. De zetlaag is aangebracht op een vlijlaag van klinkers/bakstenen en in een enkel geval keien die variëren in dikte. De puinlaag is onderzocht op asbest en hieruit blijkt dat asbest in lage concentraties aanwezig is. De norm voor nader onderzoek van 50 mg/kg en de hergebruikswaarde van 100 mg/kg is niet overschreden. Het puin is herbruikbaar onder artikel 29c Besluit bodemkwaliteit.

4.1.3

Conclusie

Op basis van het bodemonderzoek mag er worden geconcludeerd dat de voorgenomen dijkversterking op basis van het thema bodem kan worden uitgevoerd.

4.2

Ecologie

4.2.1

Wettelijk kader

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora-en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de 30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

19

Projectgerelateerd

bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De aangevraagde activiteit kan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Duinen Vlieland en Noordzeekustzone significant gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Daarom geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, lid 2, Wnb.

4.2.2

Beschouwing

Eerder uitgevoerde ecologische toetsingen In de rapportage ‘Natuurtoets Verkenning Dijkversterking Vlieland’ (d.d. 22 februari 2018, kenmerk: BF4938-101-102) is een toetsing aan de Wet natuurbescherming uitgevoerd voor tien oplossingsrichtingen. Deze toetsing is gebruikt voor de alternatievenafweging voor de dijkversterking en om een eerste inschatting te krijgen in de effecten op de natuurwaarden. Aan de hand van deze natuurtoets en andere beoordelingscriteria is een selectie gemaakt van zes kansrijke alternatieven. Rijkswaterstaat Noord-Nederland heeft RHDHV gevraagd om oor deze zes kansrijke alternatieven een toetsing aan de Wet natuurbescherming uit te voeren. Deze toetsing is uitgevoerd in de rapportage ‘Globale verkenning van de ecologische gevolgen per alternatief voor de dijkversterking op Vlieland’ (d.d. 26 maart 2018, kenmerk: Wp 2.3.3 p1), beter bekend als de ‘passende beoordeling light’. Deze toetsing is gebruikt in de afweging van de verschillende alternatieven om te komen tot een voorkeursalternatief (VKA). Anderzijds is de toetsing gebruikt om bevoegd gezag (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) tussentijds aangehaakt te houden bij het vergunningsproces. Wnb-vergunning Op basis van de eerder uitgevoerde ecologische toetsingen is er door RHDHV een Passende Beoordeling (d.d.

2 juli 2021, referentie: Wp 2.3.3 p1) opgesteld voor de aanlegfase van het VKA, ten behoeve van een vergunning Wet natuurbescherming. Uit de Passende Beoordeling komt naar voren dat er door het nemen van mitigerende maatregelen geen sprake is van het overtreden van de Wet natuurbescherming en er geen ontheffing nodig is voor beschermde soorten. Deze vergunning is, gepaard met enkele voorschriften (en mitigerende maatregelen), verleend op basis van onderstaande bevindingen, door de Minister van Natuur en Stikstof in het ‘Besluit Wnb-vergunning dijkversterking Vlieland’ (d.d. 16 mei 2022, kenmerk: DGNVLG-NV / 22197091). Gebied De dijkversterking en de activiteiten die hier direct mee samenhangen (zoals het inrichten van een tijdelijk werkterrein en een tijdelijke losvoorziening) vinden plaats in de nabijheid van Natura 2000-gebieden Duinen van Vlieland en Noordzeekustzone en in de nabijheid van en deels ook in het Natura 2000-gebied Waddenzee. Gevolgen Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de Passende Beoordeling welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen kunnen optreden. Dit zijn: • ruimtebeslag (alleen v.w.b. het Natura 2000-gebied Waddenzee); • verandering hydromorfologie (alleen v.w.b. het Natura 2000-gebied Waddenzee); • geluid, licht en trillingen.

Natuurwaarden De natuurwaarden die door de genoemde gevolgen beïnvloed kunnen worden, zijn: • Habitattypen: “slik- en zandplaten” en “schorren en zilte graslanden (buitendijks)”; • Habitatrichtlijnsoorten: grijze en gewone zeehond; 30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

20

Projectgerelateerd

• Vogelrichtlijnsoorten: • Broedvogels: meerdere soorten, benoemd in de Passende Beoordeling; • Niet-Broedvogels: meerdere soorten, benoemd in de Passende Beoordeling Conclusie afbakening De Minister voor Natuur en Stikstof heeft beoordeeld dat de afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van het project op de natuurwaarden in de Passende Beoordeling op een juiste wijze hebben plaatsgevonden. Voorschriften Ter bescherming van de in het Natura 2000-gebied Waddenzee, Duinen Vlieland en Noordzeekustzone aanwezige beschermde natuurwaarden, zijn aan de vergunning voorschriften en beperkingen gebonden. Stikstof Ten aanzien van stikstofdepositie wordt er in het ‘Besluit Wnb-vergunning dijkversterking Vlieland’ (d.d. 16 mei 2022, kenmerk: DGNVLG-NV / 22197091) het volgende opgemerkt: “Op 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Deze wet wijzigde de Wet natuurbescherming (Wnb) waarbij artikel 2.9a werd toegevoegd. Hierin is bepaald dat de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing blijven voor de vergunningplicht. In artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) is hier invulling aan gegeven.

Artikel 2.5 Bnb bepaalt dat (onder meer) het aanleggen, veranderen en verwijderen van een werk als activiteit wordt aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt. Voor het project dijkversterking Vlieland betekent deze wetswijziging dat stikstofdepositie veroorzaakt door de aanlegwerkzaamheden, omdat er sprake is van het veranderen van een werk als bedoeld in artikel 2.5 Bnb, buiten beschouwing blijft bij de beoordeling van de aanvraag.” Conform de wet op 16 mei 2022 was er een zogenaamde bouwvrijstelling en is er een Passende Beoordeling betreffende de aanlegfase opgesteld ten behoeve van de Wnb-vergunning. De aanlegfase is destijds conform de wet vergund middels een Wnb-vergunning. Deze vergunning maakt starten met werkzaamheden tot maximaal twee jaar na het besluit mogelijk en is daarmee op dit moment rechtsgeldig. Daarmee behoeft er (gelet op de recente uitspraak van de Raad van State in de zaak Porthos, d.d. 2 november 2022) geen nieuw onderzoek naar stikstofdepositie in de aanlegfase.

4.2.3

Conclusie

Met de uitgevoerde Passende Beoordeling betreffende het VKA, de vergunningvoorschriften en mitigerende maatregelen is de zekerheid verkregen dat het project/de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000gebieden. Een onderzoek naar stikstofdepositie in de aanlegfase is niet van toepassing omdat de beschouwing van de aanlegfase middels een Passende Beoordeling en een bouwvrijstelling in mei 2022 heeft geresulteerd in een Wnb-vergunning conform de wet. Deze Wnb-vergunning maakt starten met de werkzaamheden mogelijk tot maximaal twee jaar na het besluit en is daarmee op dit moment rechtsgeldig.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

21

Projectgerelateerd

4.3

Water

4.3.1

Wettelijk kader

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets omvat het gehele proces van het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van wateraspecten in plannen en besluiten. Dit resulteert uiteindelijk in de waterparagraaf. De waterparagraaf is ‘een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding’. In de waterparagraaf neemt de initiatiefnemer het wateradvies op van de waterbeheerder, motiveert de eventuele afwijkingen hiervan en stelt eventuele compenserende of mitigerende maatregelen voor. De waterbeheerder, in dit geval het Wetterskip Fryslân, stelt in dit proces normaal gesproken de kaders voor onder andere de wateropgave vast. De wateropgave houdt in dat voldoende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd voor compensatie van het verharde oppervlak of het dempen van sloten. Daarnaast geeft het waterschap aan welk beleid en welke criteria aangehouden moeten worden voor bijvoorbeeld het bergen en lozen van regenwater op de riolering en/of het oppervlaktewater.

Deze waterparagraaf beschrijft het voornemen en afspraken met betrekking tot water op hoofdlijnen. Het voornemen van Rijkswaterstaat voor de dijkversterking Vlieland is uitgebreid beschreven in het projectplan ‘Definitief besluit Projectplan Waterwet Dijkversterking Waddenzeedijk Vlieland (d.d. 14 april 2022). Landelijk en Europees beleid De basisprincipes van het nationale beleid, Waterbeheer 21e eeuw (WB21) en het Europese beleid, de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn uitgewerkt in een drietrapsstrategie voor waterkwaliteit en -kwantiteit: • waterkwantiteit: vasthouden, bergen, afvoeren (figuur 9); • waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden, zuiveren.

Figuur 16: Trits voor vasthouden (1), bergen (2) en afvoeren (3).

Daarbij geldt als uitgangspunt dat meer ruimte voor water nodig is, niet afgewenteld mag worden in plaats en tijd en geen achteruitgang mag plaatsvinden van de huidige chemische en ecologische waterkwaliteit.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

22

Projectgerelateerd

Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is een verdere uitwerking van het WB21 beleid. In het NBW hebben het rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zich als taak gesteld om de wateropgave in beeld te brengen en oplossingsrichtingen uit te werken. Het NBW-actueel is een actualisatie van het NBW uit 2003. Het NBW-actueel benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren. De afspraak is ook dat kan worden vastgehouden aan de wateropgave zoals die volgens het WB21-middenscenario in beeld is gebracht. De KRW (Kaderrichtlijn Water) is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. De KWR is een Europese richtlijn die voorschrijft dat de waterkwaliteit van de Europese wateren vanaf 2015 aan bepaalde eisen moet voldoen. Op zowel onderhoud als aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder is de vergunningplicht voor het gebruik van het waterstaatswerk niet van toepassing. Dit is voor rijkswaterstaatswerken geregeld in de artikelen 6.12 t/m 6.14 Waterbesluit en voor regionale waterstaatswerken in de keur van het waterschap.

Beleid Wetterskip Fryslân Het beleid van Wetterskip Fryslân is vastgelegd in: • Keur Wetterskip Fryslân 2013 In de keur, oftewel de waterschapverordening staan onder andere: o Regels om schade aan dijken en oevers te voorkomen. o Regels voor onderhoud van onder andere sloten en beken. o Regels om watertekort, wateroverlast en vervuiling te voorkomen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient voldaan te worden aan het beleid van het waterschap. Conform artikel Artikel 2.2 Gewoon onderhoud. De onderhoudsplichtigen van waterkeringen dragen zorg voor een goede toestand van de waterkeringen door het bestrijden van schadelijk wild, met uitzondering van muskus- en beverratten, het herstellen van beschadigingen en het in stand houden van begroeiingen en materialen, dienstig aan de waterkering. Artikel 2.3 Buitengewoon onderhoud De onderhoudsplichtigen van waterkeringen zijn verplicht tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie. Artikel 2.4 Onderhoud ondersteunende kunstwerken en werken 1. De onderhoudsplichtigen van ondersteunende kunstwerken of werken die in, op, aan of boven waterkeringen of de beschermingszone zijn aangebracht en (mede) een waterkerende functie hebben, zijn verplicht deze waterkerend te houden. 2.

De middelen bestemd tot afsluiting van kunstwerken dienen door de onderhoudsplichtigen in goede staat te worden onderhouden en zo vaak als dat door of namens het bestuur nodig wordt geoordeeld te worden getoond. Het in goede staat houden betreft zowel de instandhouding als het functioneren van het werk. Artikel 3.2 Watervergunning waterstaatswerken en beschermingszones 1. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

23

Projectgerelateerd

2. 3.

4.

5.

de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen of te behouden. Het bestuur kan aan een watervergunning het voorschrift verbinden dat de houder van de vergunning een betaling of een andere compensatie verricht vanwege de voor het waterschap toegenomen kosten van onderhoud. Voor waterstaatwerken, waarvoor het vaststellen van een legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet is voorgeschreven en die op grond van een projectplan of een watervergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, geldt, zolang vaststelling van een legger of een wijziging van de legger niet heeft plaatsgevonden, het volgende: a. voor de verbodsbepalingen op grond van dit artikel worden de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatwerk aangehouden zoals aangegeven in het projectplan of de watervergunning; b. de beschermingszone bij regionale of lokale waterkeringen is 5 meter; c. de beschermingszone bij hoofdwateren is 5 meter.

Artikel 3.3 ‘Aanbrengen verhard oppervlak’ van de keur van het waterschap is het verboden zonder watervergunning meer dan 200 m² verhard oppervlak aan te brengen voor zover van dat verhard oppervlak neerslag versneld tot afvoer komt op oppervlaktewaterlichamen. Artikel 3.6 Grondwaterlichamen: watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren hoeveelheden water in de bodem: Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. Artikel 3.10 Vrijstelling watervergunningplicht voor het waterschap 1. Geen watervergunning krachtens de artikelen 3.2 tot en met 3.6 en artikel 3.11 is vereist voor handelingen die plaats hebben door of in opdracht van het bestuur ten behoeve van de aan het waterschap op grond van artikel 2 van de Waterschapswet opgedragen taken. 2. Van de vrijstelling, bedoeld in lid 1, zijn uitgezonderd de handelingen waarmee de waterstand van oppervlaktewaterlichamen op een ander peil wordt gebracht of gehouden dan door het waterschap is vastgesteld.

Hieronder de belangrijkste toetsingscriteria vanuit de beleidsregels van het waterschap: • De maximale afvoer van water uit het plangebied mag niet meer zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke afvoernorm). Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met twee ontwerpbuien namelijk: a. De T=10+10% neerslag. Afhankelijk van het gebied mag het peil niet meer dan 20 of 30cm stijgen. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak. b. De T=100+10%-neerslag; Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak. •

Bij hemelwaterlozing van een verhard oppervlak groter dan 200 m² moet de aanvrager voorzieningen treffen om de afvoer te realiseren door middel van: a. Het creëren van extra waterberging op het eigen terrein door middel van het graven of vergroten van een oppervlaktewaterlichaam, en/of b. Het creëren van extra retentie in het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd door vergroten van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, en/of

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

24

Projectgerelateerd

c.

Het graven van nieuw oppervlaktewaterlichaam binnen hetzelfde peilgebied en aangesloten op bestaande A- of B-wateren, en/of d. Het creëren van extra berging door het aanleggen van wadi’s. • Indien compensatie in hetzelfde peilvak niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilvak plaatsvindt. Beleid gemeente Vlieland Vanuit de gemeente Vlieland worden er geen aanvullende eisen gesteld anders dan de randvoorwaarden en eisen zoals gesteld door het waterschap.

4.3.2

Beschouwing

Hoogteligging In figuur 10 is een overzicht gegeven van de hoogteligging van het maaiveld. Het dijklichaam is met name van belang en ligt op de kruin op NAP +5.50 m. Binnendijks ligt de woonwijk circa 2.50 m lager. Achter de laaggelegen woonwijk zijn duidelijk de natuurlijke strandwallen te zien die tot circa NAP +40.00 m reiken. Het hoogteverschil in het plangebied zorgt niet versneld oppervlakkige afvoer over het dijklichaam. Met de huidige gegevens is niet bekend of er sprake is van kwel in het gebied.

Figuur 17: Hoogteligging van het projectgebied (bron: AHN-viewer.nl).

Bodem en grondwater De regionale bodemopbouw bestaat uit een circa 5 meter dikke deklaag, bestaande uit zandige afzettingen uit de grove categorie. Vanaf circa 5 meter -mv ligt een circa 2 meter dikke zandige kleilaag boven op een 7 meter dikke zandlaag. Dieper wisselen met name een enkele leemlaag zich af met zandige afzettingen uit de grove en zeer grove categorie (bron: Dinoloket.nl). Vanuit een peilbuis in de buurt (in de Achteromweg) is af te leiden dat het grondwater tussen de 3.00 en 4.50 m -mv ligt, deze gegevens zijn echter niet actueel.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

25

Projectgerelateerd

De regionale bodemopbouw in combinatie met grondwaterstand maakt infiltratie hoogstwaarschijnlijk mogelijk. In de huidige situatie binnendijks is aan de teen drainage gerealiseerd, afstromend water van het onderhoudspad wordt hiermee gedraineerd. Oppervlaktewater Het plangebied loopt volledig parallel aan de Waddenzee, zie figuur 11 (bron: vastgestelde legger 2019 Wetterskip Fryslân). Bij aanpassingen aan watergangen en bijbehorende beschermingszones of bij aanbrengen van ‘werken’ anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies’, is een watervergunning nodig. Dit is niet het geval voor de dijkversterking Vlieland Het voorgestelde dijkprofiel is breder dan het huidige dijkprofiel. Door de aanleg van een breder binnendijks pad en om de verflauwing van het binnentalud te realiseren, is een buitendijkse asverschuiving nodig. Hierbij wordt gestreefd naar minimalisatie van het extra ruimtegebruik buitendijks; het totale buitendijkse ruimtebeslag zal nergens meer dan 10m bedragen. In het midden van het dijktraject is in de huidige situatie een duiker aanwezig. Deze duiker loost regenwater onder vrij verval op de Waddenzee. In de verkenningsfase is onderzoek gedaan naar de duiker en is geconcludeerd dat er weinig restlevensduur aanwezig is (<20 jaar).

Dit gecombineerd met de wijzigingen in het dijkprofiel, met name de buitendijkse verbreding, leidt ertoe dat de huidige duiker (figuur 18) in zijn geheel vernieuwd zal worden. De oude duiker wordt verwijderd om geen zwakke plek in de dijk te vormen. De nieuwe duiker zal ongeveer op dezelfde locatie aangelegd worden. Het ontwerp van de duiker is nog niet uitgewerkt, er zijn wel functionele specificaties opgesteld. De bouw van de duiker zal gelijktijdig met de dijkversterking uitgevoerd worden. De capaciteit van de duiker wordt vergroot. Hier is ook al rekening mee gehouden in het ontwerp. Het functioneren van het watersysteem zal dus niet verslechteren.

Figuur 18: Situering van het projectgebied langs oppervlaktewater (duiker bij benadering in geel aangegeven) (bron: Wetterskip Fryslân).

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

26

Projectgerelateerd

Verhard oppervlak Het is verboden om zonder watervergunning meer dan 200 m² nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Onderdeel van het voornemen is de vervanging van het huidige pad op het binnentalud door een weg aan de teen van de dijk. Het pad heeft een breedte van 2,65 m. Dit pad wordt op zo’n manier aangelegd dat deze een natuurlijk afschot richting drainage vormt, zowel vanaf de dijk als vanaf de percelen. Deze drainage is gelegen tussen de weg en de achterzijde van de tuinen. Het veerplein is in 2015 gerenoveerd. Er zijn destijds een aantal betonnen elementen in het dijktalud aangebracht die als zitbanken dienen. Deze blijven behouden. De dijkversterking sluit met het bovenbeloop aan op deze elementen. Het stuk buitentalud tussen de elementen en de coupure blijft behouden gelijk aan de huidige situatie. Het aangepaste binnentalud sluit vloeiend aan op de bestaande situatie en de aansluiting op de duiker. In het huidige binnentalud zijn trappen aanwezig om vanaf het pad de kruin te kunnen bereiken. In de nieuwe dijk zullen de dijktrappen worden teruggebracht die van de binnendijkse weg over de kruin naar de buitenberm leiden (verdiept aanleggen zoals in de huidige situatie het geval is). Het onderbeloop van het buitentalud bestaat uit gladde steenbekleding. Daarnaast is er een 3 meter brede buitenberm van asfalt.

Deze is geschikt voor recreatief medegebruik. Op het buitentalud zullen tevens een aantal bankjes en prullenbakken geplaatst worden. Het bovenbeloop van het buitentalud bestaat uit grasbekleding en een verborgen asfaltbekleding. Het totale verhard oppervlak neem ten opzichte van de huidige situatie niet toe. Wel verandert de ligging en indeling van de fiets- en wandelpaden zodat beheer geoptimaliseerd kan worden en de dijk ook zijn recreatieve functie kan behouden. Afspraken en contacten Er is regelmatig overleg gevoerd met belanghebbende partijen. Op bestuurlijk en ambtelijk niveau heeft Rijkswaterstaat een stuurgroep en een ambtelijke begeleidingsgroep (ABG) ingesteld. In beide overleggen zijn de volgende instanties vertegenwoordigd: • Rijkswaterstaat • Provincie Fryslân • Wetterskip Fryslân • Gemeente Vlieland. Voor deze partijen zijn een goede beheerbaarheid, de aansluiting bij het beleid van de structuurvisie Grutsk op‘e Romte (waarin staat dat de uiterlijke kenmerken zoveel mogelijk gerespecteerd dienen te worden) en goede landschappelijke inpasbaarheid van belang. Afvloeiend hemelwater vloeit oppervlakkig af in de berm of in de Waddenzee. Er is geen sprake van rechtstreekse lozing op oppervlaktewater.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot water is er geen reden om aan te nemen dat het voorgenomen initiatief niet voldoet aan de eisen en voorwaarden van het waterschap of andere belanghebbende partijen met betrekking tot water.

4.3.3

Conclusie

Op basis van de watertoets mag er geconcludeerd worden dat de voorgenomen dijkversterking voldoet aan de in de watertoets gestelde eisen.

30 maart 2023

BF4938-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0002

27

Projectgerelateerd

4.4

Archeologie & Cultuurhistorie

4.4.1

Wettelijk kader

In de Erfgoedwet (2016) is bepaald dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. In dit verband dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan een inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. In het kader van de modernisering van de Monumentenwet tot de Erfgoedwet is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat in een bestemmingsplan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.4.2

Beschouwing

In 2017 is er ten behoeve van de Omgevingsanalyse Dijkversterking Vlieland - Verkenningsfase (RHDHV, d.d. 22 februari 2018, kenmerk: Wp 1.3.2 p1) een archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek verricht door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie (documentnummer: V1546). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de verkenningsfase voor de dijkversterking van de Waddenzeedijk ter hoogte van Oost-Vlieland. Op basis van de bij de start van de verkenningsfase geformuleerde oplossingsrichtingen, en het specifiek voor het plangebied opgestelde archeologisch verwachtingsmodel, zijn destijds een aantal adviezen gegeven met betrekking tot het ontzien van het bodemarchief of de noodzakelijk geachte vervolgonderzoeken bij bodemverstorende ingrepen. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een actualisatie van het bureauonderzoek uit 2017 conform de huidige KNA-richtlijnen opgesteld (documentnummer V2417, d.d. 8 maart 2023). Hierin is de laatste stand van zaken van de gemeentelijke archeologische en cultuurhistorische inventarisatie meegenomen en worden de effecten van de ingrepen van de inmiddels opgestelde voorkeursoplossing meegenomen. Het plangebied is ook licht gewijzigd ten opzichte van het bureauonderzoek uit 2017: het Westerveld en een veldje naast Vuurboetsduin 2 zijn toegevoegd als potentiële depotlocatie (Figuur 19).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vlieland&id=473c3254-740c-4e7d-b093-4f5f524015f0