Bijlage 1 rapport inventarisatie_Zwartgemaakt
Tekst van het document
Bodemgebruik
In paragraaf 6.1.2 is besproken dat op de bodemkaart geen vergraven of afgravingen zijn vermeld. Andere vormen van landgebruik op Vlieland met een verstorende werking zijn vooral de gemodificeerde natuur. Natuurontwikkelingen en het aanleggen van nieuwe natuur gaat vaak gepaard met afgravingen en egalisaties. De mate van verstoring is zeer variabel.186 Tenzij de exacte werkwijze voor aanleg van deze natuur vastgelegd is, is het effect op de archeologische verwachting lastig te bepalen. De grootste gemodificeerde gebieden op Vlieland betreffen de kampeerterreinen en de inrichting van vakantieparken. Bij de bouw van huisje kan uitgegaan worden van een verstoring van ca. 70 cm (egalisatie en vorstvrije aanleg van de fundering). In het geval van de kampeerterreinen is het erg afhankelijk van de mate van egalisatie of afgraving van velden en veldjes. Daarnaast kan de bodem gewijzigd worden door (intensieve) landbouw. Op Vlieland zijn slechts enkele percelen daarvoor in gebruik. Ze zijn gelegen aan de Postweg en zijn in gebruik als weiland. Diepploegen, omspuiten of drainagewerk zal hier niet zijn gedaan. Verandering in het archeologisch niveau is niet aan de orde. 6.8.3
Bouw
Uit het bodemloketbestand zijn een klein aantal bodemsaneringen op het eiland bekend. In het bodemloket is helaas niet aangegeven welke omvang of diepte deze sanering betroffen. Bij navraag bij de gemeente is de sanering ter plaatse van het Pad van Zes aan de noordzijde van het eiland met zekerheid uitgevoerd. Na de sanering is hier een kleine waterpartij ontstaan. Op het eiland staat een flink aantal dempingen aangegeven. Dempingen zijn van belang omdat hier sprake is van opvulling of egalisatie, soms in een al aanwezige laagte, of anders in voor het dempen gemaakte ontgraving. Het is meestal niet bekend wat op deze locaties is gedempt en of er al sprake was van een aanwezige afgraving voor het dempen. In sommige gevallen blijkt de demping samen te vallen met een zichtbare laagte, zoals de plas nabij het Pad naar Staatsschuur. Ook in het havengebied is een demping bij de Jachthaven zichtbaar. Omdat meestal niet duidelijk is wat precies heeft plaatsgevonden, zijn de meeste dempingen niet als verstoring opgenomen op de verwachtingskaarten.
185
Voor een overzicht van mogelijke bodemverstoringen en hun effecten op het bodemarchief en de archeologische resten wordt verwezen naar Lascaris 2019 A en B. 186
Brouwer / van der Werff 2014, 16.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
82
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
Bij nieuwbouw is de meest verstorende ingreep het bouwrijp maken van het bouwvlak. Dit kan door middel van afgraven gebeuren (tot in vorstvrije laag), maar afhankelijk van de ondergrond kan ook ophoging van het terrein een methode zijn. Het is niet altijd bekend welke methode gebruikt is bij de aanleg van nieuwe woonwijken op het eiland. De mate van verstoring is alleen te bepalen als de juiste gegevens aanwezig zijn. Binnen de gemeente is geen funderingsinformatie over de nieuwbouwwijken gevonden. Naast het bouwrijp maken is ook de funderingsmethode van grote invloed op het behoud van het bodemarchief. Strookfundering is bijvoorbeeld relatief invasief, terwijl heipalen een geringere verstoring opleveren.187 Vanzelfsprekend is de aanleg van kelders nog verstorender. De aanleg van kabels en leidingen kan ook via verschillende methoden gebeuren. Zo kan er sprake zijn van een open sleuf, waarbij op relatief geringe breedte een lange lijn wordt ontgraven. Of er kan sprake zijn van een gestuurde boring, waarbij de leiding wordt aangelegd vanuit een te graven starpunt en vervolgens door de bodem geperst worden naar het eindpunt. Bij deze methode vindt enkel verstoring plaats op intrede- en uittredepunt van de leiding (Afbeelding 23).
Afbeelding 23 Voorbeeld van doorpersing188
De locatie van de meeste kabels en leidingen is te achterhalen in KLIC-viewer (Kabels en Leidingen Informatie Centrum). Kabels en leidingen zijn meestal gelegen binnen 1.50 m onder maaiveld ( minimaal op vorstvrije diepte ca. 0.50 m onder maaiveld). De verstoring die de aanleg van kabels en leidingen op het bodemarchief heeft is daarmee beperkt tot de gegraven sleuf. Daarnaast vaak gelegen bebouwd gebied en onder andere infrastructuur (wegen). Omdat de verstoringen van kabels en leidingenstraten variabel zijn en vaak gelegen binnen andere verstoringen, zijn deze niet apart meegenomen in de verstoringenkaart. Wel opgenomen zijn de grote gastransportleidingen. Binnen de gemeentegrens van Vlieland zijn deze op of in de zeebodem gelegen. De leidingen zijn aangegeven in het Vergraven gronden bestand189 en op de verstoringskaart van de RCE. De pijpleidingen zijn in 2007 aangelegd door de Gasunie. De gasleiding ligt op een diepte van ca. -1,5 – 2,5 m NAP. Nabij Vlieland is de leiding onder de vaargeul aangelegd op ca. -5,0 m NAP. Aangezien uit de dwarsprofielen van de Gasunie blijkt dat de waterbodem op een hoogte van ca. - 0,5 – 1,0 gelegen was, heeft de aanleg van de leiding een verstoring
187
Lacaris 2019, 41-42
188
www.stalenbuispersen.nl
189
https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
83
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
van ca. 1,0 – 2,0 m opgeleverd. De leiding stopt abrubt ter plaatse van Postweg 1. Op basis van het onderzoek van de RCE kunnen we uitgaan van drie leidingen met een breedte van ca. 5 m per leiding. 190 6.8.4
Aangelegde waters
De waterbodems op het eiland zelf zijn ook beoordeeld op hun verstorende werking. Meestal gaat het om gegraven of natuurlijke meren en plassen. Onder de gegraven meren en plassen behoort bijvoorbeeld de Torenvijver. Ook de wedden en vangpijpen als gegraven water van de bekende eendenkooien, namelijk de oude en de nieuwe. Hoewel deze een verstoring voor de landbodem hebben opgeleverd, hebben deze waterbodems hun eigen cultuurhistorische waarde (zie paragraaf 8.2 en 8.3). Op basis van de AHN is bepaald hoe diep de gegraven watertjes zijn. Indien deze het archeologisch niveau verstoord hebben zijn ze verwerkt in de archeologische verwachtingskaart. De andere waterbodems, waarvoor op basis van de AHN een diepte kon worden afgeleid en welke met enige zekerheid gegraven zijn, zijn ook verwerkt in de archeologische verwachting. 6.8.5
Gebruik van de zeebodem
Op de zeebodem vinden zijn bepaalde andere bewerkingen plaats die bodemverstorend zijn. In de RCE inventarisatie worden mosselpercelen en schelpenwinning met name genoemd. Deze zouden plaatselijk leiden bodemroering tot ca. 1 meter onder de waterbodem. Daar waar deze percelen ook een verstoring zijn voor het begraven (pre)historisch landschap zijn ze opgenomen op de archeologische verwachtingskaart. Ook zijn enkele ophogingen geconstateerd. Deze zijn opgenomen voor zover ze archeologische resten in de land- of waterbodem afdekken en beschermen. 6.8.6
Vaargeulen
In 6.5.3 is reeds besproken dat binnen de vaargeulen een verhoogde kans is op het aantreffen van scheepswrakken. Derhalve zijn vaargeulen niet opgenomen als verstoorde gebieden. 6.8.7
Veranderingen grondwaterniveau en overige conserverende omstandigheden
Uit de beschikbare data blijkt tot op heden geen trend waarneembaar van vernatting of verdroging door grondwaterfluctuaties of -infiltraties op Vlieland. Als voorbeeld zijn de schommelingen van een peilwaterbuis ter plaatse van Badweg 2a weergeven (Afbeelding 24). Over het algemeen kan gesteld worden dat de conservering van organische materialen uit archeologische lagen optimaal is onder het gemiddelde grondwaterpeil. Op Vlieland lijken de meeste archeologisch vindplaatsen boven grondwater te liggen. Vindplaatsen in de lager gelegen delen van het eiland verdienen extra aandacht.
190
Manders / Brenk / Kosian 2014, kaartlaag: verstoringen_gecombineerd_region.mif.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
84
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
Afbeelding 24 Grafiek met grondwatermetingen Peilbuis B04F0039-001. Bron: DINO-loket.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
85
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
7
Archeologisch verwachtingsmodel
In hoofdstuk 6 is de volledige inventarisatie van de bekende landschappelijke, archeologische en historische gegevens besproken. In dit hoofdstuk worden de gegevens geïntegreerd tot een archeologisch verwachtingsmodel en een archeologische verwachtingskaart (Kaart 3).
7.1
Bekende archeologische waarden (archeologische monumenten)
Op Vlieland zijn een aantal van deze terreinen aanwezig. De archeologische monumenten betreffen de vastgestelde grenzen van de terreinen aangeduid op FAMKE en het AMK-terrein. Resten die hier kunnen worden aangetroffen hebben betrekking op de complex type bewoning, begraving, industrie en religie. Oost Vlieland is daarvan op het eiland de bekendste. Samenhangend met de bewoning in het dorp is de afvallaag Westerveld van belang als bekende waarde. Ter plaatse van deze afvallaag is o.a. een visfuik aangetroffen. Ook de vuilstort uit de 20e eeuw verder naar het oosten is opgenomen, aangezien deze mogelijk in de toekomst archeologisch interessant kan worden. Vanuit de historische kaarten zijn locaties van de verdwenen molen net ten noorden van het dorp, begravingen bij de Dodemansbol, het Posthuys en de bewoning bij de Kooiker nog van belang. Aan de hand van de bekende locaties uit het Bunkermuseum behoren ook de resten van de AtlantikWall, bunkers, stellingen met bijbehorende loopgraven tot deze categorie. In sommige gevallen zijn wel zoekgebieden aangeduid omdat de resten onder de huidige duinen aanwezig zijn en de volledige omvang van bijvoorbeeld loopgraven rondom de bunkers niet bekend zijn. De bekende scheeps- en vliegtuigwrakken behoren ook tot archeologische monumenten.
In verband met mogelijke vondstverspreiding zijn ook voor deze locaties buffers aangeduid, waarbinnen de resten aanwezig zijn.. Behoren bijna allemaal tot de staatssamenleving
Archeologische vindplaats – specifieke complexen De specifieke complexen hebben betrekking op bekende scheeps- of vliegtuigwrakken, militair erfgoed, en waterbeheersing. Gebaseerd op de analyse uitgevoerd in paragraaf 5.5 zijn de bekende locaties uit verschillende bronnen voorzien van een buffer van 25 m rondom de puntlocaties. Daarnaast zijn locaties aangeduid waar resten van bunkers behorend bij de Atlantikwall. Hoewel de resten van de Atlantikwall op het eiland veelal al bekend zijn, is het van belang om in de omgeving van de bekende resten rekening te houden met mogelijk nog onbekende resten. De bekende resten dienen daarmee als signalering. Ook zijn locaties aangeduid waar verdwenen of in ongebruik geraakte sluizen en duikers kunnen voorkomen. Daarbij behoort tevens een visfuik die recent op het wad is aangetoond. Archeologisch vindplaats - Verdronken Dorp Resten van West-Vlieland zijn helaas niet eenduidig vastgesteld. Deze kunnen mogelijk afgedekt zijn of al ge-erodeerd door de werking van de Noordzee. De contour, of liever zoekgebied, op de verwachtingskaart is overgenomen vanuit de inventarisatiekaart. Hierbij zijn resten van het mogelijke dorp en de omliggen bedijkingen meegenomen. Ook mogelijke offsite resten zoals infrastructuur of landgebruik vallen binnen het zoekgebied.
Het “verdronken” dorp West Vlieland is waarschijnlijk de oudste en meest omvangrijke middeleeuwse nederzetting geweest. De locatie en omvang ervan zijn af te leiden uit historische kaarten. Het meest recente onderzoek naar de ligging concludeert dat de resten zijn afgedekt door een laag zand en daardoor niet zichtbaar (zie 7.3.4). Archeologisch vindplaats – Wonen, begraven en religie In totaal zijn acht archeologische monumenten opgenomen met Complextype Wonen. Hierbij behoren het huidige Dorp Oost-Vlieland, de aanliggende afvallaag, begraafplaatsen en het posthuys.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
86
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
De aanduiding van het dorp is gebaseerd op het huidige AMK-terrein en de aanduidingen in FAMKE. Het Posthuys is de plaats die het westen en het oosten verbind. Het is ook de enige plek buiten de twee dorpen waar bewoning voorkomt aan het begin van deze periode. Daarnaast is nog een kleine begraafplaats midden op het eiland aanwezig bij de Dodemans Bol. De aanwezigheid van de afvallaag is recent vast gesteld door middel van een veldkartering en geofysisch onderzoek. Het betreft de eerste 15- 30 cm vanaf het maaiveld waarbinnen vooral losse vondsten verwacht kunnen worden. Scheepsresten kunnen hier niet volledig uitgesloten worden.
7.2 7.2.1
Te verwachten archeologische monumenten Jagers en Verzamelaars – Laat Paleolithicum t/m Vroeg Neolithicum (Top Pleisocene landschap en Basisveen laag)
De top van het pleistocene landschap in de ondergrond van de gemeente Vlieland bestaat, in intacte vorm, vooral uit dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Op verschillende plaatsen in de ondergrond is de oorspronkelijke top van het Pleistocene landschap later door natuurlijke erosie verdwenen; Hier vormen oudere afzettingen de periode voor de laatste ijstijd de top van het pleistocene pakket. Daar waar nog materiaal uit de Formatie van Boxtel aanwezig is, komt dit voor op een diepte van iets meer dan 2 meter tot ongeveer 21 meter beneden NAP. Dit landschap is opgebouwd uit vlakten, (uitblazings-)laagtes en ruggen; echter, over de precieze locatie, omvang en hoogte zijn gezien de beperkte hoeveelheid aan en dichtheid van informatie die tot dit niveau reikt, geen gebiedsdekkende uitspraken te doen. Op deze afzettingen kunnen resten voorkomen uit de perioden Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum. Hierbij kan gedacht worden aan basis- of jachtkampementen, die zich voornamelijk aftekenen in de vorm van vuursteenverspreidingen en (haard-)kuilen. Op kaart 9 is te zien dat de meeste verwachtingsgebieden gelegen zijn ter plaatse van de Waddenzee binnen het gemeentegebied. Hier is een onderscheid gemaakt tussen de gebieden waar mogelijk nog Neolithicum kan voorkomen. Deze scheiding is gemaakt op basis van de diepteligging van het Pleistocene dek.
Tijdens het Neolithicum neemt de invloed van de zee namelijk toe op het gebied en overstromen veel gebieden in het Waddengebied. Alle gebieden die op meer dan 10 m beneden NAP gelegen zijn, zullen in het Neolithicum onder water hebben gelegen en kunnen dus enkel resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum verwacht kunnen worden. Indien het Pleistocene dek boven de 10 m beneden NAP gelegen is kunnen naast resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum ook nog resten voorkomen uit het Neolithicum. De hoogte lijnen van het Pleistocene landschap weergegeven in NAP waarden, zodat de diepe ligging van deze resten inzichtelijk gemaakt kan worden. De waarden worden in NAP gegeven, omdat de waterbodem sterke fluctuaties vertoont en er dus geen gemiddelde diepte beneden dat peil gegeven kan worden. De Pleistocene afzettingen zijn nog aan te treffen op twee deelgebieden binnen de gemeente, namelijk ter plaatse van het oosten van het huidige eiland en in het zuiden van het gemeentegebied ter plaatse van het wad. Ter plaatse van het oosten van het huidige eiland is enkel een verwachting op Paleoliticum en Mesoliticum op zeer grote diepte ca. 15 tot 20 m beneden NAP (van ca. 15 – 20 m onder maaiveld in de laaggelegen delen en het dorp tot 45 m onder maaiveld ter plaatse van de duinen zoals de Vuurboetsduin).
Ter plaatse van het wad in de waterbodem is een verwachting op Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum vanaf ca. 3 m tot ca. 11 m beneden NAP. Afhankelijk van de diepte van de waterbodem, die hier nogal eens kan veranderen kan dit niveau ca. 1 -2 m onder de waterbodem aanwezig zijn.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
87
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
Het Basisveen bestaat veelal uit riet-/zeggeveen, maar kan ook houtresten bevatten. De dikte van het Basisveen kan variëren van een aantal decimeters tot wel 2 meter. Daar waar het basisveen nog aanwezig is, bevindt het zich op een diepte van ongeveer 2 tot 12 meter beneden NAP, direct op het pleistocene zand. De top van het veen kan echter tijdens de vorming van de getijde-afzettingen (Laagpakket van Wormer) of andere en latere mariene afzettingen (Laagpakketten van Walcheren / Zandvoort) nog geërodeerd zijn. Binnen de gemeente Vlieland is dit ook het geval: in een deel van de binnen de grenzen van het gebied beschikbare boorgegevens bevindt holocene (zandige) klei (Formatie van Naaldwijk) zich op veel plaatsen direct op het pleistocene zand. Het basisveen heeft zich hier óf niet kunnen vormen, óf is later geërodeerd. Deze laag heeft op zichtzelf geen archeologische verwachting. Echter is de aanwezigheid van dit veen wel indicatief voor de onderliggende pleistocene ondergrond. Daar waar nog basisveen aanwezig is, heeft deze het pleistocene landschap afgedekt en daardoor geconserveerd. Het is echter niet zo dat als er geen basisveen aanwezig is, het pleistocene landschap automatisch verstoord is. De kans op een onverstoord landschap is alleen wel kleiner.
Bij de analyse van de beschikbare gegevens blijkt dat het basisveen vooral nog aanwezig is ten zuiden van het eiland ter plaatse van de waterbodem. Ter plaatse van het oosten van het huidige eiland is, zijn geen gegevens bekend waarin het basisveen is aangetroffen. Ter plaatse van het wad in het zuiden is in de meerderheid van de boringen basisveen aangetroffen. De kans op een intact landschap is op het wad groter dan ter plaatse van het eiland. Deze analyse is ook verwerkt in kaart 9. Uit de archeologische inventarisatie blijkt dat er nog geen bekende vindplaatsen uit deze periode binnen het grondgebied van Vlieland aanwezig zijn, maar er zijn wel losse vondsten waargenomen. Deze vondsten worden voornamelijk verspoeld aangetroffen op de Vliehors. Een vindplaats kan daardoor niet uitgesloten worden. Hoewel er dus nog resten van de jagers verzamelaars en eerste boeren samenlevingen kunnen voorkomen binnen de gemeente Vlieland, zullen deze nauwelijks door nieuwe ingrepen bedreigd worden. Voor de delen van het Pleistocene landschap die zich nog onder het huidige eiland aanwezig kunnen zijn, gelden uiteenlopende dieptes van ca. 13 tot zelf 50 m beneden het maaiveld, ter plaatse van de duinen. De bodem van de huidige Waddenzee is ongeveer op NAP hoogte gelegen, waardoor een vindplaats hier dichter onder de huidige wadbodem voor kan komen.
De verwachtingskaart (kaart 3) geeft een scheiding weer tussen de verwachting op enkel de zeer vroege resten uit het Paleolithicum – Mesolithicum (dieper dan -10 m NAP) en de locaties waar naast deze perioden ook Vroeg Neolithische resten verwacht kunnen worden (tussen -3 tot -10 m NAP), gebaseerd op de landschappelijke analyse in kaart 9. Voor een paar kleine delen geldt dat de resten mogelijk al kunnen voorkomen vanaf -2 m NAP. Deze zijn nog apart weergegeven. 7.2.2
Vroege landbouwers – Midden t/m Laat Neolithicum (Laagpakket van Wormer)
De periode van het Midden en Late Neolithicum, de vroege landbouwers, worden voornamelijk aangetroffen op het Laagpakket van Wormer. Dit laagpakket is echter niet apart gedifferentieerd binnen de Formatie van Naaldwijk voor het grondgebied. De mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) - die dateren uit het midden Holoceen - komen mogelijk nog dieper in de ondergrond aan de Noordzee-zijde van Vlieland voor. De afzettingen van dit laagpakket worden in de oude literatuur ook wel ‘Oude Zeeklei’, ‘Oude Getijde Afzettingen’ of ‘Afzettingen van Calais’ genoemd. De zandige afzettingen zijn grotendeels gevormd in geul- of wadplaat-milieu, terwijl de kleien vooral ontstaan zijn in een wad- of kweldermilieu, of deels een lagunair milieu. De kleiige afzettingen verder van de geulen en kreken vandaan - de komafzettingen - zijn zwaar (ze hebben een hoger aandeel van de allerfijnste sedimentfractie), vaak kalkloos, humeus en doorworteld.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
88
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
Gekoppeld aan dit laagpakket zijn elders in Nederland, zoals bijvoorbeeld in Flevoland, archeologische resten uit het Midden en Late Neolithicum bekend. De conservering van het laagpakket en daarmee ook mogelijk archeologische resten uit deze periode is echter twijfelachtig door hoge mate erosie die ook heeft plaatsgevonden (zie ook overstroming West Vlieland). Slechts enkele losse vondsten zijn te koppelen aan deze periode. Voor deze periode is daarmee een onbekende verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Doordat niet bekend is of er sprake is van een archeologisch niveau uit deze periode, het beperkte aantal vondsten dat aan deze periode te koppelen is en er geen uitspraken gedaan kunnen worden over de vermoedelijke diepte ligging, en conservering van de top van het niveau, kan ook niet vastgesteld worden welke verstoringen van invloed zijn geweest op dit niveau. Op de verwachtingskaart heeft deze periode daarom geen weerslag gekregen. 7.2.3
Late landbouwers – Staatssamenleving A – Midden Bronstijd – Vroege Middeleeuwen (Hollandveen Laagpakket)
Onder het Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop) verstaan we al het Holocene veen, met uitzondering van het veen dat zich direct op het Pleistocene materiaal bevindt en als aparte veenlaag (Basisveen Laag) te onderscheiden is. Het Hollandveen kan uit meerdere lagen bestaan, zowel in als tussen de Laagpakketten van Wormer, Walcheren, Zandvoort en Schoorl. Hoewel over het voorkomen van veen op Vlieland weinig bekend is uit eerder archeologisch en geologisch onderzoek, zijn er toch een paar aanwijzingen voor tenminste het vroegere voorkomen van veen op het eiland, of zelfs dat er nog restanten van intact veen aanwezig zijn of kunnen zijn: -
Ten eerste op basis van toponiemen: Zie de ‘Vallei van het Veen’ en ‘Rug van het Veen’, centraal op de kern van het eiland, ongeveer halverwege tussen Kroon’s Polders en Oost-Vlieland.
-
Ten tweede op basis van fotomateriaal uit de jaren ’30 van de 20e eeuw (zie Afbeelding 25), waarbij een donkere, deels ingescheurde, band organisch materiaal met afgebroken brokken te zien is op het Noordzeestrand van Vlieland, ter hoogte van het nu slechts bij laagwater nog zichtbare ‘strandhoofd B’. Het lijkt hier te gaan om vrijgespoeld veen, iets boven de toenmalige gemiddeld hoogwater-lijn.
Binnen de huidige beschikbare gegevens is het Hollandveenpakket niet aangeduid. 191 Om een indruk te krijgen van de mogelijke maximale hoogteligging van het veen dat in de modellering wel tot het Hollandveen Laagpakket wordt gerekend zijn voor het gehele gemodelleerde gebied de celwaarden voor de top van dit pakket, geclassificeerd per hele meter, bevraagd. Met uitzondering van enkele uitschieters tot 6 meter boven NAP192, bevindt de top van dit veen zich over het algemeen niet hoger dan 1 meter boven NAP.193
191
Wanneer we het voor het gehele gemeentelijk gebied van Vlieland beschikbare GeoTOP model willen bevragen op het voorkomen van veen in en rond Vlieland, moeten we wel bedenken dat voor wat betreft het holocene veen slechts dat veen dat deel uitmaakt van ofwel het Basisveen of het Hollandveen als aparte eenheden binnen dit deel van het model onderscheiden worden. Het GeoTOP model geeft ter plaatse van Vlieland geen uitkomst, daar er geen veenvoorkomen op Vlieland in het model opgenomen is; veenvoorkomens in de duinen zijn niet als aparte eenheid gekarteerd, en het Hollandveen Laagpakket is volgens het model geheel afwezig op het eiland. 192
Aan de randen van het gemodelleerde gebied, of ter hoogte van snelwegen (A8 bij Zaandam, A10 Zuid bij Amsterdam (NoordHolland)) of veendijken (ten zuiden van Wilnis (Utrecht), of in het gebied van de Oost-Abtspolder (Zuid-Holland) 193
van de in totaal 543494 100x100 m gridcellen waarbinnen Hollandveen voorkomt in het model, is in slechts 0,14 procent van de gevallen (774 cellen) de waarde hoger dan 1 meter boven NAP. Berekening o.b.v. GeoTOP v1.4.1 (2022), Stafleu et al. 2020, Stafleu 2022.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
89
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
Het veen in de duinen, in dit verband het veen dat ingebed in het jonge duinzand voorkomt, wordt niet ondergebracht in het Hollandveen Laagpakket. Om enig zicht te krijgen op het mogelijk voorkomen van veen in de duinen nemen we eerder uitgevoerd onderzoek in met name de Noord-Hollandse duinen in beschouwing. Voor een deel van het Noordhollands Duinreservaat, ten westen van Castricum, is op basis van een 22-tal boringen een noord-zuid verlopend profiel opgezet, voornamelijk gericht op de opbouw van het Oer-IJ systeem.194 De top van het profiel laat echter ook interessante informatie zien over de variatie in opbouw binnen het pakket duinzand dat het bovenste deel van het profiel vormt: binnen dit bereik komt in meerdere boringen veen voor – een aantal van deze veenvoorkomens is ook gedateerd, met perioden van vorming uiteenlopend van de 3e eeuw v.Chr. schommelend rond NAP hoogte, tot de 10e eeuw n. Chr. op een hoogte van tussen de 3 en 4 meter boven NAP.
Hoewel de zeespiegelcurves voor west-Nederland en het waddengebied iets van elkaar verschillen, met name verder terug in de tijd, kan er in dit verband wel vanuit worden gegaan dat de waarden voor de oudste veenvoorkomens rond NAP binnen dezelfde bandbreedte vallen(Afbeelding 6).195 Voor wat betreft de geo-archeologische verwachting in het duingebied van Vlieland houdt dit in dat we voor het jonge duinzand (Laagpakket van Schoorl, Formatie van Naaldwijk) boven de grens van 5 meter boven NAP aannemen dat daarin geen ingebed veen te verwachten is. Deze begrenzing op hoogteligging is tevens te zien op Kaart 10, waar de holocene geologische eenheden zoals ze op het eiland gekarteerd zijn, staan weergegeven Hoewel veengebieden voorheen als te nat voor bewoning werden geacht hebben onderzoeksresultaten recent aangetoond dat binnen veengebieden wel degelijk bewoning en landgebruik verwacht kan worden. Voorbeelden hiervan zijn de onderzoeken in Flevoland en Vlaardingen.196 Daarnaast is bekend dat bewoning op terpen op het veen mogelijk is. In de top van het Hollandveen, indien aanwijzingen aanwezig zijn voor bodemvorming (veraarding), kunnen resten aangetroffen worden uit de Metaaltijden, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. De archeologische resten kunnen tot alle complexen behoren. .
Op basis van het veen, de kwelder en de strandwallen die zijn gemodelleerd in de paleogeografische kaarten (1500 v Chr. tot 800 n Chr.) en vermoedelijk ge-erodeerde delen op basis van de bathymetrische gegevens en overige verstoorde gebieden is een verwachtingslaag gemaakt, waar mogelijk resten uit deze periode kunnen voorkomen. Belangrijk voor deze periode is ook dat het grondgebied nog geen eiland was, maar dat de strandwallen aan de Noordzee-zijde aaneengesloten waren tot aan de kop van het huidige Noord-Holland met kwelders. In paragraaf 7.3.4.1 is het dorp West Vlieland gekarteerd en ook vergeleken met de nu bekende paleografische kaarten. Hieruit blijkt dat West Vlieland vermoedelijk ook op dit veenpakket is gebouwd.
194
Vos/van Eerden/de Koning 2010, Vos/de Koning/van Eerden 2015, fig. 10.
195
Meijles et al. 2018, fig. 10.
196
Van Popta et al 2020, Koot 2024 (in voorbereiding).
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
90
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
Afbeelding 25 geheel boven: Delen van een oude veenlaag/bodem die door erosie vrij zijn komen te liggen ter hoogte van strandhoofd B. Bron: Burgt 1936. Boven: locatie van strandhoofd B op de topografische kaart. Bron: pdok.nl VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
91
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
7.2.4
7.2.4.1
Staatsamenleving – Volle Middeleeuwen – Nieuwe tijd (Laagpakket van Walcheren, Zandvoort en Schoorl)
Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk)
De mariene afzettingen van het Laagpakket van Walcheren komen vrijwel in het gehele grondgebied van de gemeente Vlieland voor. De afzettingen van dit laagpakket worden in de oude literatuur ook wel ‘Jonge Zeeklei’ of ‘Afzettingen van Duinkerke’ genoemd. De diepteligging van de afzettingen uit dit laagpakket loopt uiteen van meer dan 25 meter beneden NAP, plaatselijk aan de rand van de Vliestroom, tot iets onder NAP ter hoogte van het eiland Vlieland zelf. Deze afzettingen komen voor naast en afdekkend op het Hollandveen en worden ook in verband gebracht met voornamelijk de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Specifieke archeologische resten op deze afzettingen zijn binnen de gemeente nog niet bekend. 7.2.4.2
Laagpakket van Zandvoort (Formatie van Naaldwijk)
In dit laagpakket komen zowel de morfologische eenheden ‘strandvlakte’ en ‘strandwal’, als de sedimenten die in de vooroever van de kust zijn gevormd, voor. De oudste strandzanden die in het gebied voorkomen zijn rond 4800 jaar geleden gevormd. Voor die tijd bevond de strandwal ter hoogte van het huidige Vlieland zich naar alle waarschijnlijkheid verder naar het noordwesten (zie Afbeelding 7 , 5500 en 3850 v.Chr.). Na een daarop volgende fase van beperkte uitbouw van de kust in noordwestelijke richting vindt vervolgens vanaf de Romeinse Tijd weer een omslag naar een landinwaarts verschuivende kustlijn plaats (Afbeelding 8). De strandafzettingen werden tot op stormvloedhoogte afgezet, waardoor ze tot boven het gemiddeld zeeniveau voor kunnen komen. Ook de strandwallen reiken gemiddeld tot grotere hoogte naarmate ze recenter gevormd zijn. Op deze strandwallen komen (plaatselijk) ook duinafzettingen voor, die over het algemeen een kalkarm karakter hebben. Deze afzettingen zijn ook wel bekend als de ‘Oude Duinen’. Deze afzettingen zijn in meerdere fasen gevormd. In de intervallen (tussen deze vormingsfasen) kunnen veenlagen of organische niveaus zijn gevormd. Deze zijn soms, maar zeker niet overal, nog aan te treffen in de nu nog aanwezige afzettingen.
Tijdens deze rustige fasen heeft de mens gebruik gemaakt van het landschap ter plaatse, terug te zien in de vondsten van aardewerk uit de IJzertijd, Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen in de West-Nederlandse oude duingebieden.197 Of dat ook op Vlieland het geval is, is uit het tot nu toe beschikbare archeologische vondstmateriaal nog niet bekend, maar wel is duidelijk dat er ten minste plaatselijk nog veen uit die perioden aanwezig kan zijn. 198 7.2.4.3
Laagpakket van Schoorl (Formatie van Naaldwijk)
In dit laagpakket zijn de jongste kustduinafzettingen opgenomen. Lokaal komen aan de basis van dit laagpakket schelpfragmenten of schelpenlagen voor. Het zand is in tegenstelling tot de duinzanden uit het laagpakket van Zandvoort kalkhoudend. Deze vroeger ook wel ‘Jonge Duinen’ genoemde jongste kustduinafzettingen zijn zich vanaf ongeveer 800 n.Chr. gaan vormen. Deze vorming heeft deels ook herkenbaar (maar lang niet overal!) in meerdere fasen (door scheidingen tussen de fasen in de vorm van humeuze niveaus, veenlaagjes of bodemvorming) plaats gehad. De jonge duinen kenmerken zich door de relatief grote hoogteverschillen. De afzettingen komen voor vanaf een diepte van ongeveer NAP, tot aan maaiveld, dat zich op een zeer sterk uiteenlopende hoogte kan bevinden: de hoogste duintoppen op Vlieland reiken zelfs tot ongeveer 45 meter boven NAP (Vuurboetsduin).
197
Zie onder meer Jelgersma et al. 1970, maar vooral ook Van Heeringen/Van der Velde (red.) 2017
198
Zie resp. 14C-dateringen Vlieland Strand I, IV en III, met dateringen 2785±55 jaar BP (= ‘Before Present’, waarbij dit ‘present’ op 1950 n. Chr. Is vastgelegd), 2370 ± 70 BP en 1500 ± 30 BP. Zie: De Jong 1984.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
92
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
Archeologische resten binnen dit laagpakket dateren vanwege de vormingsdatum tot de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. In de duinen dient ook rekening te worden gehouden met begraving van drenkelingen Daarnaast kunnen in de duinen vergeten jutterij vondsten aanwezig zijn. 7.2.4.4
Archeologische verwachting specifieke complexen
De vastgestelde archeologische monumenten behoren bijna allemaal tot deze periode (zie 8.1). Uit de inventarisatie blijkt daarnaast dat in deze periode bewoning op het eiland op slechts enkele locaties verwacht kan worden. De betreffende locaties worden hieronder verder toegelicht. Archeologische verwachting – Wonen, religie. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat Oost-Vlieland een grotere omvang of andere configuratie heeft gehad. Vanaf de 12e eeuw staat aan de oostkant van het eiland een kapel, waaromheen de nederzetting is gegroeid. In 1572 wordt de nederzetting grotendeels verwoest door de Spanjaarden onder leiding van Caspar de Robles, stadhouder van Friesland. Het aantal verwoeste huizen dat wordt genoemd is 450. Aanwijzingen voor die verwoesting zijn recent nog aangetoond bij een opgraving aan de Dorpstraat.199 Tussen de 12e en de 16e eeuw moet Oost-Vlieland dus flink zijn gegroeid. Op basis van de Zoutmankaart, waarnemingen van oude funderingen en archeologische vondsten is het aannemelijk dat de bewoning zich verder heeft uitgestrekt dan de huidige historische kern en het AMK-terrein.
De afvallaag Westerveld, zoals vastgesteld door de Hoop, en verder gekarteerd in het kader van de dijkversterking is hieraan gerelateerd.200 Op de verwachtingskaart is daarom een groter gebied aangeduid, waar de resten van de vroegere nederzetting van Oost-Vlieland kunnen worden verwacht. Buiten de huidige aanduiding van het archeologische monument kunnen dus nog steeds resten van bewoning en religie verwacht worden. Zoals blijkt uit recent archeologisch onderzoek en verschillende vondsten bevinden de resten van de voorgaande bebouwing in het dorp zich direct onder het huidige maaiveld in de verschillende Nieuwe tijdse ophogingslagen. Op basis van de vindplaats aan de rand van het dorp en de aanduiding van de afvallaag op het Westerveld, is de huidige aanduiding van het AMKterrein te beperkt voor de aanduiding van bewoningsresten in Oost Vlieland. Doordat geen enkele bron melding maakt van bewoning buiten de twee dorpen en het Posthuys, wordt aangenomen dat in en rondom deze drie plaatsen archeologische resten kunnen voorkomen van de Staatssamenlevingen A en B en daarbuiten worden geen bewoningsresten verwacht. Archeologische verwachting – Losse vondsten De noordelijke duinenrij is apart opgenomen op de kaart. Op basis van historische bronnen blijken hier (tijdelijk) drenkelingen te zijn begraven, die mogelijk niet weer zijn herbegraven.
Dit geldt ook voor tijdelijk verstopte juttersvondsten.
7.3
Geen archeologische verwachting
Een aantal gebieden kunnen uitgesloten worden van een archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden die verstoord zijn bepaalde of alle archeologische niveau’s. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van de gasleiding, schelpenwinings- of mosselpercelen. Deze zones zijn reeds tot ca. 1 m verstoord. Hier kunnen derhalve geen scheepswrakken meer worden aangetoond. Indien hieronder nog
199
Rapport wordt nog opgesteld. ZaakID: 4755368100 en 5134811100.
200
Hoop 2015.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
93
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
wel andere archeologische resten kunnen worden aangetroffen, blijft de archeologische verwachting van kracht. Vanuit de beheersverordening zijn voor deze gebieden echter wel al vergunningen afgegeven. 201 Een aantal verstoringen kan niet meegenomen worden. Voor een aantal verstoring is namelijk niet bekend tot welke diepte deze hebben plaatsgevonden. Er kan niet worden vastgesteld of de verstoringen, zoals bijvoorbeeld de bouw van de wederopbouwijken, tot in het archeologisch niveau hebben plaatsgevonden. Voor deze delen kan daardoor niet eenduidig aangetoond worden dat archeologisch relevante lagen al verstoord zijn. Daarnaast betreft het reeds onderzochte gebieden. Het reeds opgegraven perceel binnen het dorp bijvoorbeeld. Aangezien de jachthaven in 1979, 2006/2007 is vergroot, zullen er ter plaatse van het havenbekken geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Ook wordt de Vliehors vrijgegeven op basis van een reeds uitgevoerd bureauonderzoek en het intensieve militaire gebruik van het terrein (zie ook 6.3.2). Enkel mogelijke wraklocaties, de noordelijke duinen rij en een locatie van een onderdeel van de Atlantikwall zijn uitgezonderd van deze vrijstelling. De pleistocene ondergrond is vermoedelijk reeds verspoeld en ge-erodeerd, waardoor een intact archeologisch niveau hier niet wordt verwacht. 7.4
Onzekerheden in de verwachtingenkaart
Voor de archeologische verwachting geldt dat de aanwezigheid van de verschillende afzettingen niet overal is vastgesteld. Hierbij valt te denken aan de aanwezigheid en conservering van het Hollandveen en vooral op welke diepte deze voorkomt. Daardoor is er een zekere mate van onzekerheid voor wat betreft de archeologische verwachting op resten van de Late landbouwers. Hoewel er dus wel gesproken wordt van een archeologische verwachting op het Hollandveenpakket, kunnen hier beleidsmatig keuzes in gemaakt worden om de onzekerheid te reflecteren (zie 8.7.1.). Daarnaast kan deze onzekerheid meegenomen worden in een onderzoeksagenda, zodat deze kennislacune in de toekomst aangevuld kan worden. Daarbij kan de gemeente ook beslissen om met gericht booronderzoek meer inzicht te krijgen in de opbouw van de bodem ter plaatse van het huidige eiland. Daarnaast zijn een aantal verwachtingen niet in een model te vatten. Het gaat bijvoorbeeld over het mogelijk aantreffen van een oude vergeten jutterijschat of begraving in de noordelijke duinenrij of het mogelijk aantreffen van een scheepswrak in de waterbodem buiten de geulen. De aanwezigheid van deze resten kan niet vastgesteld worden of ruimtelijk ingevuld worden. Ze kunnen vooral ook niet uitgesloten worden, waardoor de bescherming vooral beleidsmatig zal worden ingegeven.
Deze vindplaatsen kunnen bij alle ingrepen in het betreffende gebied verwacht en aangetroffen worden, maar hier kunnen geen vrijstellingsgrenzen aangekoppeld worden.
7.5 7.5.1
Voorstel voor de Archeologische beleidskaart Van een archeologische verwachtingskaart naar archeologisch beleids(kaart): methodiek, afweging en keuzes.
De inventarisatie heeft duidelijk aangetoond dat er meer archeologisch erfgoed aanwezig is en verwacht mag worden dan in FAMKE en de huidige bestemmingsplannen is opgenomen. De noodzaak tot een samenhangend kaartbeeld en de vertaling naar omgangsregels in het ruimtelijk beleid is evident. Voor de verschillende soorten archeologische vindplaatsen (monumenten) en verwachtingszones (te verwachten monumenten) dienen in het Omgevingsplan passende regels opgenomen te worden gericht op
201
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0096.20153001-VG01/t_NL.IMRO.0096.20153001-VG01.pdf, p. 49
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
94
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
bescherming en/of opsporing en nadere waardering van dat archeologische erfgoed. In dit hoofdstuk wordt daarvoor een voorstel gedaan. De meeste van deze regels betreffen op de eerste plaats vergunningsvoorwaarden die de verplichting inhouden om bij een bepaalde bouwinitiatieven of andere grondroerende werkzaamheden eerst nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van archeologische resten. De grootte en ontgravingsdiepte van de voorgenomen grondwerkzaamheden zijn samen met de aard van de archeologische vindplaats of verwachting meestal bepalend of zo’n nader onderzoek nodig is. We noemen dat de vrijstellingsgrenzen voor onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ-cyclus) en de daaraan gekoppelde vergunningsverplichtingen. In onderstaande paragrafen worden deze nader toegelicht. Archeologisch beleid binnen de Omgevingswet De Omgevingswet stelt dat de Gemeente bij het maken van een Omgevingsplan regels moet opstellen
‘met het oog op het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’. Artikel 5.130 beschrijft nader dat binnen het Omgevingsplan rekening wordt gehouden met het ‘belang van behoud van het cultureel erfgoed met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’ . De gemeente is daarmee verplicht om regels op te nemen aanziende het cultureel erfgoed, maar bepaald zelf de maatvoering. De gemeente moet besluiten voor welke gebieden ze wel of niet een beschermingsregime of onderzoekseis wil opnemen in het Omgevingsplan. Vaak kan het wenselijk zijn om die regels te koppelen aan een gemeentelijke onderzoekagenda waardoor nog beter prioriteiten of accenten gelegd kunnen worden in de onderzoeken die voortkomen uit die verplichting, zodat deze maximaal bijdragen aan meer kennis over het bodemarchief. Gemeenten kunnen op het gebied van de archeologische monumentenzorg ook verdere stappen zetten door bijvoorbeeld het stimuleren van ‘behoud in situ’ – behouden is beter dan opgraven - , het leveren van financiële bijdragen aan bepaalde onderzoeken, of tijdig deskundigheid te mobiliseren in het vooroverleg voorafgaand aan vergunningsaanvragen om erfgoed en archeologie in te passen en beleefbaar te maken in het ontwerp.
In het voorgestelde beleid voor Vlieland zijn enkele voorstellen opgenomen die aansluiten bij de huidige kennis over de archeologie op het eiland en de noodzaak die eerst verder te laten groeien, en passen binnen de andere ruimtelijke doelstellingen. Archeologische Monumenten Zorg (AMZ)- Cyclus Een overschrijding van de vrijstellingsgrens betekent in de systematiek van een aanvraag Omgevingsvergunning, meestal de start van een traject volgens het proces van de Archeologische Monumenten Zorg. De gangbare stappen binnen dit traject zijn terug te vinden in Bijlage 1. Indien vrijstellingsgrenzen overschreden worden en archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden is de eerste stap het uitvoeren van een bureauonderzoek. Hoe secuur de archeologische inventarisatie- en verwachtingskaarten ook zijn opgesteld, ze zijn gemaakt voor een ander schaalniveau dan gewenst is bij een individuele planbeoordeling. Het bureauonderzoek zorgt voor een verdere precisering van de bodemopbouw, het historische grondgebruik en de archeologische verwachting en confronteert deze met de werkelijk geplande bodemingrepen. Op die manier kan bepaald worden of een plan potentieel wel of geen gevaar oplevert voor de archeologie en welke vervolgstappen eventueel nog nodig zijn. Vrijstellingsgrenzen Het archeologisch potentieel van Vlieland is gelaagd en wisselt qua voorkomen sterk in diepte.
Bij het opstellen van de beleidskaart wordt sterk geleund op de gereconstrueerde diepten van de verschillende archeologische niveaus (zie 7.2). Vrijstelling dan wel het besluit tot vervolgonderzoek wordt in het voorliggende voorstel vooral aan de hand van de diepte van de voorgenomen ingreep ten op zichtte van maaiveld en / of NAP-hoogte bepaald. Dit is een belangrijke verbetering ten opzichte van eerdere gemeentelijke beleidskaarten, waarbij de afweging omtrent wel of geen vooronderzoek meestal alleen gemaakt werd aan de hand van de omvang
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
95
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
van een initiatief aan de oppervlakte. Door een toegesneden dieptecriterium te hanteren wordt overbodig onderzoek vermeden, omdat ingrepen die niet tot in het relevante archeologische niveau reiken worden vrijgesteld. Een voorbeeld hiervan is de invulling van de archeologische verwachting voor bewoning op het Hollandveenpakket. Op basis van de voorkomens van veen, de kwelders en de strandwallen gemodelleerd in de paleogeografische kaarten (1500 v Chr. tot 800 n Chr.) en de vermoedelijk ge-erodeerde delen af te leiden uit de bathymetrische gegevens en andere verstoorde gebieden is een verwachtingslaag gemaakt van de voorkomens van dit veenpakket. Na een analyse van het hoogst mogelijke voorkomen van het Hollandveen in Nederland is duidelijk dit pakket niet hoger voorkomt dan 5 m +NAP. Deze hoogte is op de beleidskaart aangehouden om voor delen op het eiland die hoger gelegen zijn vrij te stellen van onderzoek tenzij de voorgenomen ontgraving tot in dat niveau reikt (zie ook 7.2.3) Het AHN bestand is gebruikt om deze gebieden te identificeren. Door een dergelijke analyse uit te voeren zijn kleine ‘eilandjes’ in de lager gelegen delen op het eiland aan te wijzen, die net boven de 5 m +NAP uitkomen. In delen die overwegend boven deze hoogte liggen komen kleine depressies voor die weer net iets lager gelegen zijn.
Om recht te doen aan de feitelijke verwachting is gekozen om die kleinere gebieden (<100 m2) niet op de beleidskaart op te nemen. De gemeente stelt voor om verder in het vrijstellingenbeleid de oppervlaktevrijstelling los te laten, om in de komende jaren beter zicht te krijgen op alle bodemingrepen op het eiland. Het loslaten van de vrijstellingsgrenzen op oppervlakte zal waarschijnlijk in eerste instantie wel leiden tot meer archeologisch bureauonderzoek dan nu het geval is. Vooral in het Dorp en in gebieden waar de bekende of te verwachten archeologische waarden vrij dicht onder het huidige oppervlakte voorkomen, zal dit het geval zijn. Er dient namelijk steeds te worden aangetoond of de relevante archeologische laag wordt geraakt. Om normaal bodemgebruik voor onderhoud en bewerking van de tuin niet te belemmeren wordt wel een vrijstelling voorgesteld voor ingrepen ondieper dan 30 cm. Onderzoeksdruk en financiële gevolgen De verwachtte onderzoekstoename betreft vooral bureauonderzoeken. Deze lastenverzwaring weegt relatief zwaar in kleinschalige (particuliere) initiatieven. De gemeente stelt daarom voor deze last over te nemen door de bureauonderzoeken zelf te laten uitvoeren. In samenspraak met de initiatiefnemer zal dan een partij worden aangezocht voor de uitvoering van dit onderzoek.
Het verdient de aanbeveling om de onderzoeken uit te laten voeren door een partij met gedegen kennis van de specifieke archeologische situatie op het eiland. Behalve dat dit een financiële tegemoetkoming is voor de kleine initiatiefnemers, dient dit ook het algemene belang. De onderzoeksvragen voor deze onderzoeken onder regie kunnen op gericht worden gebruikt om bestaande kennislacunes op te vullen. Door de onderzoeken zelf uit te laten voeren, beschikt de gemeente tevens direct over de verkregen nieuwe inzichten. Een andere tegemoetkoming in het beheersbaar houden van de kosten bij kleinere bodemingrepen gevonden worden in de gevallen dat besloten wordt tot een archeologische begeleiding. Hierbij spelen twee zaken: 1. Conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) dienen archeologische begeleidingen plaats te vinden op basis van een vooraf opgesteld Programma van Eisen (PvE) door een daartoe gecertificeerd bedrijf of instantie. Om niet voor iedere ingreep een PvE op te moeten stellen, kan voor de meest voorkomende situaties op het eiland een zogenaamd Raam-PvE worden opgesteld. Hierin worden de algemene methoden, vraagstellingen en strategieën alvast vastgelegd.
Als na een bureauonderzoek blijkt dat een archeologische begeleiding inderdaad nodig is voor de betreffende ingreep, hoeft dit RaamPvE alleen te worden aangevuld met enkele specifieke onderzoeksvragen en de maatwerkstrategie. 2. Bij de uitvoering van kleinschalige begeleidingen kan de inzet van vrijwilligers vanuit de historische vereniging of door archeologische vrijwilligers en metaaldetectoristen op Vlieland verlichting en efficiëntie meebrengen. Deze dienen dan wel (op afstand) begeleid te worden door een daartoe gecertificeerd archeologisch bedrijf. Een voorwaarde is wel dat deze personen voldoende worden opgeleid en bereid zijn te werken met, en onder de supervisie van zo’n professioneel bedrijf of instantie.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
96
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
Voor het doen van archeologische waarnemingen onder water bestaat al een enigszins vergelijkbare regeling, waarin amateurduikers aangesloten bij de LVAO werken onder supervisie van de RCE. Vergunningsvrije gebieden Op de voorgestelde beleidskaart zijn ook vergunningsvrije gebieden aangeduid. Voor deze terrein geldt geen archeologische verwachting meer, om redenen zoals bij onder de inventarisatie van de bekende waarden en verwachtingen is besproken. Ook terreinen waar al een archeologische opgraving is uitgevoerd vallen hieronder. Op basis van het uitgebreide bureauonderzoek en de bestaande beperkingen vanwege de natuurbestemming en het militair gebruik is ook de Vliehors vergunningsvrij. Een uitzondering hierop zijn de daar aangewezen, bekende wrak- of bunkerlocaties. Daar geldt wel de onderzoeksplicht. 7.5.2
Beleidscategorieën en regels
Uitgaande van het archeologische inventarisatie, het verwachtingsmodel en de overwegingen ten aanzien van de verantwoorde omgang met en bescherming van het archeologisch erfgoed, is de archeologische beleidskaart opgesteld (kaart 4). Hieronder worden de verschillende beleidscategorieën die daarop voorkomen nader toegelicht en voorzien van de voorgestelde regels, waarmee de archeologische waarden en verwachtingen worden beschermd. 1.
2.
3.
Wettelijk beschermde archeologische monumenten – geen vrijstellingen. (momenteel nog niet aangewezen en daardoor niet op de kaart zichtbaar, maar van toepassing op toekomstige aanwijzingen van Archeologische Rijks- Provinciaal of Gemeentelijke monumenten). Bij deze terreinen is de inzet gericht op Behoud in situ, dus voorkomen dat door eventuele nieuwe initiatieven het monument wordt verstoord of beschadigd. Bekende archeologische waarden (archeologische monument). – Binnen deze gebieden is door eerder onderzoek aangetoond dat hier gewaardeerde archeologische resten aanwezig zijn. Ter bescherming van de aanwezige waarden die zich veelal direct onder het maaiveld zullen bevinden geldt geen dieptevrijstelling. Bij voorgenomen bodemingrepen zal een archeologisch vooronderzoek moeten worden uitgevoerd. Dit zal in eerste instantie een bureauonderzoek betreffen, waaruit moet blijken of archeologische waarden verstoord zullen worden. Indien dit het geval is dan is de inzet op de eerste plaats gericht op Behoud in situ, dus voorkomen dat door eventuele nieuwe initiatieven het monument wordt verstoord of beschadigd. In de meeste gevallen zal eerst vervolgonderzoek moeten plaatsvinden om de aanwezige waarden precies vast te stellen. Indien behoud in situ door inpassing niet gerealiseerd kan worden, zal het nodig zijn vervolgonderzoek uit te voeren.
Vervolgonderzoek kan bestaan uit bijvoorbeeld een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Tot deze categorie behoren de terreinen reeds opgenomen in FAMKE, het AMK terrein binnen Oost-Vlieland, de aangetroffen visfuik op het wad en de vermoedde locatie van West-Vlieland. Specifieke complexen (archeologische monumenten). Deze categorie betreft vindplaatsen waarbinnen concrete archeologische waarden (monument) vrijwel zeker aanwezig zijn, maar nog niet gewaardeerd. Het gaat hier om (mogelijke) wraklocaties, verdwenen sluizen of duikers en de verschillende bunkercomplexen in de duinen. De omvang en de conservering van deze complexen is meestal nog niet precies bekend. Deze aanduiding heeft daarom ook een belangrijke signaleringsfunctie hebben. Dit geldt voor de mogelijk nog uitgestrekte gangenstelsels of loopgraven die tot de bunkercomplexen behoren. Al deze complexen kunnen direct onder maaiveld worden aangetroffen. Indien ingrepen plaatsvinden dieper dan 30 cm dient een vergunning aangevraagd te worden en dient archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. De inzet is op de eerste plaats gericht op Behoud in situ, dus voorkomen dat door eventuele nieuwe initiatieven het monument wordt verstoord of beschadigd. In de meeste gevallen zal eerst vervolgonderzoek moeten plaatsvinden om de aanwezige waarden precies vast
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
97
V21-4907: Archeologische Beleidskaart en Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Vlieland. Naar de verankering van waardevol erfgoed binnen de Omgevingswet
4.
5.
6.
7.
8.
te stellen. Dat onderzoek zal uitwijzen of er inderdaad sprake is van bedreiging van bestaande waarden. Indien behoud in situ door inpassing niet gerealiseerd kan worden, zal het nodig zijn vervolgonderzoek uit te voeren. Archeologische monument Afvallaag: Aan de wadzijde van Oost Vlieland is een afvallaag daterend uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd vastgesteld. Direct onder het oppervlak van de wadbodem bevinden zich archeologische vondsten die een bijdrage kunnen leveren aan de bewoningsgeschiedenis van het dorp. De vuilnisbelt aan de oostzijde van het dorp behoort ook tot deze categorie. Deze is voornamelijk toegevoegd vanwege de mogelijke archeologische potentie in de toekomst. Ter plaatse van de vuilnisbelt aan de oostzijde zou eigenlijk eerst nader onderzoek moeten plaatsvinden naar de precieze archeologische waarde. Indien sprake is van gravende werkzaamheden binnen de contouren van deze beide zones dient een archeologische vooronderzoek plaats te vinden. Vermoedelijk zullen graafwerkzaamheden enkel kunnen plaatsvinden onder archeologische begeleiding gezien de aard van het archeologisch monument. Te verwachten archeologische monument: Dorpsuitbreiding. Aan de hand van waarnemingen en historische kaarten blijkt Oost-Vlieland mogelijk groter te zijn geweest of een andere indeling te hebben gehad dan nu voor het AMK-terrein en in FAMKE is begrensd.
Indien ingrepen plaatsvinden dieper dan maximaal 30 cm is een bureauonderzoek verplicht. Indien een bureauonderzoek uitwijst dat vervolgonderzoek noodzakelijk is, zal een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) de meest opportune methode zijn om duidelijkheid te scheppen over mogelijke archeologische resten, gezien booronderzoek in historische kernen moeilijk interpreteerbare resultaten opleveren. Te verwachten archeologisch monument: Veenniveau: Op het eiland heeft veenvorming plaatsgevonden. Delen van het eiland waar het Hollandveenpakket intact en mogelijk veraard aanwezig kan zijn, kunnen resten voorkomen vanaf de IJzertijd tot en met de Middeleeuwen (Late Landbouwers). Momenteel is niet bekend op welke diepte en waar nog veen kan voorkomen. Op basis van de paleografische kaarten en het hoogste voorkomen van het Hollandveen in Nederlands kustgebied (5 m +NAP) is voor het veenniveau een afweging op diepte gemaakt waarvoor vrijstellingen gelden. Voor het veenniveau is gekeken waar dit laagpakket boven de 5 m +NAP kan voorkomen. Deze categorie is daarom opgesplitst in twee subcategorieën. a. Het maaiveld is op of onder 5 m +NAP gelegen (vergunningsplicht) b. Het Hollandveenlaagpakket is op grote diepte gelegen – Vergunningsvrij tot 5m +NAP.
Te verwachten archeologische monumenten: verspreide vondsten: Ter plaatse van de Noordelijke duinenrij kunnen mogelijk achtergelaten gejutte spullen of (vergeten) begraven drenkelingen voorkomen. De ruimtelijke verspreiding van deze resten is niet vast te stellen. Indien in deze zone ingrepen plaatsvinden, dient te worden gewerkt met een Protocol Toelvalsvondsten. In dit protocol wordt vermeld wat en hoe moet worden gemeld indien er sprake is van een archeologische vondst. Te verwachten archeologische monumenten alle complexen op variabele diepte: Het pleistocene landschap bevindt zich op het eiland in de diepere ondergrond, meestal wordt dit niveau afgedekt door jongere niveaus en uiteindelijk de Jonge Duinen. Onder de zeebodem is dit oppervlak meestal minder diep gelegen. Op basis van de bekende diepte van de Formatie van Boxtel en de inventarisatie van ge-erodeerde delen, zijn op de wadbodem een aantal grotere gebieden aan te duiden waar een dunne spreiding van vindplaatsen van de Jagers-Verzamelaars en de Vroege Boeren verwacht kunnen worden. Ingrepen tot maximaal 2 m, 3m of 10 m -NAP zijn vrijgesteld van onderzoek. Ingrepen dienen aan de hand van de diepte onder NAP te worden beoordeeld. In deze categorie zijn ook de terreinen met onbekende verwachting en diepte meegenomen. a. Max diepte van tot -2 m NAP b. Maximale diepte tot -3 m NAP c. Maximale diepte tot -10m NAP
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2566, definitief, versie 2.0, d.d. 7 februari 2025
98