CConstaterende datVlieland
Koppel je AI →
Document · PDF

12 Bijlage 1 Voorontwerpbestemmingsplan.pdf

Raadsvergadering 12 september 2022, gemeente VlielandBij agendapunt: Voorontwerpbestemmingsplan Oost-Vlieland - Dorpsstraat 108 en 11026.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Circa 925 m2 (incl. huidige bebouwing van 480 m2) Circa 85 m2

Bevoegde overheid

Gemeente Vlieland Dorpsstraat 127, 8899 AE Vlieland 0562-452700 / j.kleefstra@vlieland.nl Dhr. J. Kleefstra

Opdrachtgever

Rho Adviseurs BV Druifstreek 72-C, 8911 LH Leeuwarden 0562-452700 / j.kleefstra@vlieland.nl Vertegenwoordigd door dhr. S. Latuputty

OM-nummer

5134811100

AMK-terrein

15057

Waarnemingsnummers

n.v.t.

Bestemmingsplan:

Bestemmingsplan Vlieland Kom, dubbelbestemming waarde wonen/archeologie

Archeoregio:

7. Fries-Gronings kleigebied

ISSNnr.

1871 - 269X

Uitvoerder

De Steekproef bv

Steekproef projectcode

2021-10/08

NAP-hoogte maaiveld

ca. 3,2 meter +NAP

Huidig grondgebruik

Tuin en bebouwd

Uitvoering veldwerk

25 november 2021

Beheer en plaats van documentatie

De Steekproef bv / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) / DANS / Noordelijk Archeologisch Depot te Nuis

1.

Inleiding (KNA 4.1: LS01) In opdracht van Rho Adviseurs heeft De Steekproef op 25 november 2021 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd aan de Dorpsstraat 108-110, te Vlieland, gemeente Vlieland, provincie Fryslân (Figuur 1). Aanleiding voor het archeologisch onderzoek aan de Dorpsstraat 108-110 is de uitbreiding van supermarkt COOP, die nu is gevestigd aan Dorpsstraat 108. De bestaande gebouwen zullen worden vervangen door een grotere nieuwbouw. In het plangebied is archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureau- en booronderzoek (Tulp 2020). In vier boringen die in het noordelijke deel van nummer 110 werden uitgevoerd, werden in de bovenste, verstoorde laag en/of in vermengde delen van de C-horizont fragmenten baksteen en scherven aardewerk gevonden, daterend vanaf 1550 tot heden. De adviseur voor de gemeente heeft geadviseerd een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te laten uitvoeren in het onbebouwde deel van het plangebied, voorafgaand aan de sloop van de opstallen (Van Leeuwen 2020, 5). De gemeente heeft dit advies overgenomen. Het doel van het archeologische proefsleuvenonderzoek is om te bepalen of er een archeologische vindplaats aanwezig is en of deze behoudenswaardig is. Indien een vindplaats aanwezig is dan wordt de behoudenswaardigheid hiervan bepaald door middel van een scoretabel.

In de scoretabel wordt de vindplaats gewaardeerd op belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit (Hoofdstuk 5). Het onderzoek is uitgevoerd conform het voor dit onderzoek opgestelde Programma van Eisen (PvE) (Tulp 2021) en de SIKB-BRL 4000, KNA 4.1 protocol 4003: inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Het veldwerk is uitgevoerd door dhr. J.S. Van der Heul (KNA-archeoloog) en dhr. J.B. Veenstra MA (senior KNA-archeoloog en projectleiding). Tijdens het veldwerk is assistentie verleend door dhr. F. Janssens uit Vlieland, in de vorm van metaaldetectie. In de conclusie zal getracht worden de onderzoeksvragen die zijn opgesteld in het PvE te beantwoorden. Deze onderzoeksvragen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Wat is de stratigrafie en graad van gaafheid van de bodem? Wat is de aard en ouderdom van de sporen; zijn er structuren te herkennen? Zijn er funderingen van eerdere gebouwen zichtbaar in de proefsleuven? Zijn er resten van de weg in het noorden van het plangebied weergevonden? Wat is de gaafheid van de sporen? Wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke vondsttypen of vondstcategorieën behoren zij? 7. Is er sprake van verschillende gebruiks- en bewoningsfasen? 8. Wat is de relatie van aangetroffen sporen, structuren en vondstmateriaal tot de omgeving? 9. Indien er een vindplaats wordt aangetroffen, wat is de behoudenswaardigheid hiervan en wat is het aangewezen vervolgtraject? 10. Indien er geen vindplaats wordt aangetroffen, hoe kan dit worden verklaard? 11. Aan de beantwoording van welke NOaA 2.0-onderzoeksvragen kan dit onderzoek een bijdrage leveren? Wat is deze bijdrage, per onderzoeksthema?

1

Figuur 1:

1.1

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Uitsnede van de topografische kaart met de locate van het plangebied rood omlijnd en aangewezen door een zwarte pijl (opentopo.nl).

Locatie (KNA 4: LS01, LS02) Het plangebied omvat de percelen Dorpsstraat 108 en 110, grenzend aan de noordzijde van de Dorpsstraat en aan de zuidzijde van de Middenweg, in het centrum van Vlieland (Figuur 1).

2

2.

Vooronderzoek (KNA 4.1: LS06) Het vooronderzoek voor het proefsleuvenonderzoek in plangebied Vlieland Dorpsstraat 108110 bestond uit een verkennend booronderzoek (Tulp 2020), het advies archeologie van Steunpunt Monumentenzorg Fryslân (Van Leeuwen 2020) en het Programma van Eisen dat is opgesteld voorafgaand aan het onderzoek (Tulp 2021). De overgenomen gegevens uit deze voorgaande onderzoeken zijn cursief weergegeven. De gebruikte bronnen voor het bureauonderzoek zijn opgenomen in de literatuurlijst aan het einde van het rapport. Voor de archeologische periode-indeling wordt verwezen naar Appendix I.

2.1

Fysische geografie (KNA 4.1: LS04) “Geologisch gezien bestaat Vlieland grotendeels uit duinen. Deze duinen zijn afgezet op marien zand dat weer op geërodeerde pleistocene afzettingen ligt. De mariene afzettingen onder het duinzand bestaan, net als bij Ameland, hoogstwaarschijnlijk ten dele uit resten van een vroegere strandwal. Rond 2300 vC lagen er enkele strandwallen ter hoogte van de huidige Waddeneilanden waarop duinen zijn gevormd. De bodem op de bodemkaart is niet gekarteerd wegens de ligging binnen de bebouwde kom. Direct ten noorden bestaat de bodem uit een kalkloze duinvaaggrond gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand (classificatie bodemkaart Zd21). Deze gronden bestaan meestal tot grote diepte uit kalkloos zand en betreffen vaak de oudste nog bestaande duinen. “Door de droge ligging verteert het strooisel van de vegetatie slechts langzaam en vaak is een zeer dus strooisellaagje aanwezig, dat meestal moeilijk te scheiden is van de dunne tot zeer dunnen A1-horizont. Zowel de dikte van het strooisellaagje (A0-horizont) als die van de A1-horizont wisselt met het type vegetatie en de expositie. Op weinig begroeide plekken kunnen beide vrijwel afwezig zijn. (…) Het zand onder de A1 heeft een iets bruinere tint dan het nog kalk bevattende zand in de jongste duinen of het kalkarme zand in de ondergrond (…).

Bij wat oudere gronden is in het iets gelere materiaal direct onder de A1 vaak een enkele centimeters tot enkele decimeters dikke, bleekbruine laag aanwezig. Deze is als een Bv-horizont aangeduid (…).” (Van Oosten 1986, 98) "De globale bodemopbouw voor deze grond is als volgt: een vijf centimeter dikke donker grijsbruin, matig humusarm kalkloos fijn zand (A1); een centimeter dunne laag licht grijsbruin kalkloos fijn zand (A2); een tien centimeter dikke laag bruin kalkloos fijn zand; een ongeveer dertig centimeter dikke laag licht geelbruin kalkloos fijn zand (C11) en als laatste een laag licht grijsgeel kalkloos fijn zand dat naar beneden geleidelijk grijs wordt met op 90-110 centimeter diepte enkele zeer kleine roestspikkels" (Van Oosten 1986, 98) In DINO (ondergrond gegevens) is tijdens een geologisch booronderzoek in 1951 langs de Middenweg een boring beschreven. Het is boornummer B04F0010 (RD-coördinaten 133.710 / 590.020). De bodem bestaat uit matig fijn zand, dat tot 24,75 meter diepte behoort tot de Formatie van Naaldwijk (afgezet tijdens het Holoceen), waarvan tot 6,25 meter diep tot het laagpakket van Schoorl (dit wordt gekenmerkt door zeer fijn tot matig fijn zand, kalkrijk tot kalkloos, grijs tot wit of lichtgeel van kleur; het zijn kustduin-afzettingen). Tussen 13,40 en 13,95 is een zandige kleilaag aangetroffen.

Dieper dan 24,75 meter bestaat de bodem uit zandig, kleiig leem dat tot de Formatie van Drenthe (glaciale en periglaciale afzettingen uit de voorlaatste ijstijd), laagpakket van Gieten (keileem dat is afgezet in grondmorenes onder de ijskap) behoort.” (Tulp 2020, 5-6) 3

"Volgens de geomorfologische kaart bevindt het plangebied zich in een vlakte van getijafzettingen (classificatie geomorfologische kaart 2M72)." (Tulp 2021, 7) 2.2

Archeologie (KNA 4.1 LS04) “Het plangebied bevindt zich in het Archeologische MonumentenKaart (AMK)-terrein 15057. Dit is de oude dorpskern van Vlieland met sporen van bewoning vanaf de late middeleeuwen. In het plangebied zelf zijn geen archeologische vondsten gedaan, maar er zijn vondsten en archeologische onderzoeken gemeld in de omgeving. Voor het overzicht van de genoemde zaaknummers en de locatie wordt verwezen naar Figuur 2 en Tabel 1.” (Tulp 2021, 7). Tabel 1:

Oost-Vlieland, Dorpsstraat: Overzicht van de ARCHIS-meldingen (voor dateringen en ligging van de archeologische meldingen wordt verwezen naar Appendix I en Figuur 2).

Zaaknummer

Omschrijving

AMK-15057

Dorpskern Oost-Vlieland, late middeleeuwen – late nieuwe tijd

2442525100 2014 onderwaterarcheologie RCE: klein schip uit midden 16e eeuw (Opdebeeck & Koehler 2017) 2475630100 Publicatie over Waddenzee RCE (Manders et al. 2014) 3279450100 2013 losse vondst maalsteen uit periode romeinse tijd – late middeleeuwen. 3289949100 2014 losse vondst maalsteen uit nieuwe tijd 4565674100 2017 bureauonderzoek door Vestigia BV ten behoeve van de dijkversterking 4609219100 2018 losse vondst kleine kruik van steengoed

“In 2013 kwam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) een melding binnen van een lokale amateurarcheoloog over een scheepswrak op Vlieland (zaaknummer 2442525100). Op grond van de toegezonden informatie en vanwege de acute bedreiging van de vindplaats besloten archeologen van het Maritiem Programma een waarderend veldonderzoek te verrichten. Het waarderend onderzoek in 2014 bracht de restanten van een betrekkelijk klein, goed bewaard bunschip uit het midden van de zestiende eeuw aan het licht (...). Behalve resten van het schip zijn ook ballaststenen, zowel uit het voor- als het achterschip, gevonden, evenals drie scherven roodbakkend geglazuurd aardewerk, drie geglazuurde plavuizen, fragmenten van houten tonduigen (gevonden tussen de spanten op de kiel), verscheiden turfblokken die werden gevonden in de buurt van de haardplaats en die mogelijk onderdeel waren van de kookplaats of lading, vier ijzeren spijkers, een fragment van een tinnen lepel en een stuk leer (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). (...). Zaakmelding 3279450100 beschrijft de losse vondst van een maalsteen (ligger) die door wadlopers is gevonden in 2013 langs de vaargeul op het wad. Nummer 3289949100 meldt de losse vondst van een fragment van een andere maalsteen met bewerkingssporen uit de nieuwe tijd. Een derde losse vondst is beschreven in nummer 4609219100.

In 2018 is een kleine, complete kruik van steengoed gevonden. Deze kruik is aangetroffen op het wad en dateert in de vroege tot midden nieuwe tijd (...). Verder is er nog een zaaknummer van een bureauonderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van de dijkversterking van de Waddendijk ter hoogte van Oost-Vlieland (4565674100). Het rapport is in ARCHIS niet opvraagbaar.” (Tulp 2020, 7-8)

4

Figuur 2:

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Archeologische kaart van de omgeving van de plangebieden. De stippen zijn locaties van archeologische vondsten, het paarse terrein staat op de archeologische monumentenkaart, de gele terreinen zijn in het verleden archeologisch onderzocht. De cijfers verwijzen naar Tabel 1. Bron: ARCHIS 3.

“In 2019 is door De Steekproef een bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor het noordwestelijke kwart van het plangebied. Hier zijn vier boringen uitgevoerd (Tulp 2019; onderzoeksmeldings-nummer 4755368100). Boringen 9 en 10 zijn ter hoogte van het voormalige pad (Hoofdstuk 2.3) uitgevoerd en boringen 8 en 11 ten noorden ervan. Boring 11 kon niet dieper dan 60 centimeter worden doorgezet vanwege weerstand. Een tweede poging een halve meter verder gaf hetzelfde beeld. Deze bovenste 60 centimeter bevatte veel baksteenpuin en een stuk PVC buis. “Boring 8 is tussen de twee bomen uitgevoerd. De bodem ligt hier ongeveer een halve meter boven het straatniveau. In de bovenste 80 centimeter is de bodem opgebracht en bevat de laag onder andere resten touw en plastic. Na deze laag wordt de bodem wat homogener (oorspronkelijke bouwvoor) en gaat op 110 centimeter diep over in de Chorizont, die nog steeds vermengd is door boomwortels. In de C-horizont zijn nog archeologische vondsten gedaan; deze zijn hierin terechtgekomen door bioturbatie veroorzaakt door de boomwortels. Tussen 150 en 153 centimeter diepte is een dunne humuslaag waargenomen. Boring 9 is op het laagste punt van het perceel gezet, naast de stelconplaten. Tot 75 centimeter is de bodem hier vermengd met onder andere kleibrokken. Daarna is de overgang naar de C-horizont. Bovenin deze laag is nog wat baksteenpuin aangetroffen.

Boring 10 laat een opgebrachte laag zien van ongeveer 80 centimeter dik, hieronder is een overgang naar de C-horizont. Deze lagen zijn niet intact en tot grote diepte komen puin en scherven aardewerk voor.” (Tulp 2020, 15) De vondsten zijn afkomstig uit vermengde lagen en dateren tussen halverwege de zestiende tot en met de achttiende eeuw.

5

Tot slot zijn in 2020 tijdens de sloop en de daarop volgende nieuwbouw op het terrein van een voormalige basisschool (De Zeester) talrijke vondsten gedaan in de vorm van musketkogels, loodverzegelingen, aardewerk en maar liefst 214 munten (Janssens 2021). De datering van de munten loopt uiteen van de vijftiende tot en met het eurotijdperk en de herkomstgebieden variëren van overal uit Nederland, maar uit andere landen: onder andere Frankrijk, Engeland, Duitsland, Rusland en Schotland. De vondst van deze munten onderstrepen de intensieve internationale contacten die Vlieland had door middel van zeevaart. 2.3

Historische geografie (KNA 4.1: LS03) Vlieland wordt al in 1317 vermeld (Haartsen z.d.: 2). “Het plangebied ligt in Oost-Vlieland. Op een kaart van het dorp uit ca. 1676 is op de locatie van het plangebied al bebouwing zichtbaar aan de Dorpsstraat (Figuur 3). Het dorp was in deze periode groter en dichter bebouwd dan op de eerste exacte kaarten uit de vroege 19de eeuw (...). Zichtbaar is dat het pad direct ten westen van het plangebied (nu het Alef P. Hoede-makersglop) direct doorliep naar de middenweg en dat hieraan gebouwen stonden. Ook aan de kant van de Middenweg stonden gebouwen in deze periode. In de 19de eeuw nam de welvaart in Nederland af. Dit is ook op Vlieland zichtbaar. Op de kadastrale minuutkaart uit 1828 (Figuur 4) is nog maar ca. de helft van de bebouwing zichtbaar die in de 17de eeuw het dorp vulde. De inrichting van het plangebied is in de 19de en 20ste eeuw een aantal keer gewijzigd. Op de oudste exacte kaart van de locatie, de kadastrale minuutkaart uit 1828, is op beide percelen bebouwing zichtbaar. In 1892 wordt het achterste deel van nummer 108 gesloopt. In 1938 wordt de woning op nummer 110 herbouwd. In 1970 vindt de eerste grote uitbreiding van de winkel op nummer 108 plaats. In 1986 wordt ten slotte de laatste uitbouw gerealiseerd (vijfde kaart).

Het achterste deel van het plangebied is in recente tijden voor zover bekend nooit bebouwd geweest.” (Van Leeuwen 2020, 2)

Figuur 3:

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Het plangebied bij benadering zoals weergegeven op een kaart van Jan Dirksz Zoutman uit 1676 (bron: www.uvaerfgoed.nl). 6

Figuur 4:

2.4

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Vlieland weergegeven op de kadastrale minuutkaart uit 1828, het plangebied is rood omlijnd (bron: beeldbank.cultureelergoed.nl).

Archeologische verwachting (KNA 4.1: LS05; Tulp 2021)

Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Vlieland wordt al in het begin van de veertiende eeuw vermeld. Het plangebied ligt in de historische kern van Vlieland en is en was deels bebouwd. Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Het plangebied maakt deel uit van de historische kern van Vlieland. Structuren en sporen De sporen die verwacht worden zijn funderingen van eerdere huizen, uitbraaksleuven, brandlagen, afvalkuilen en waterputten. Artefacten: anorganisch Vondsten uit het plangebied dateren uit de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Verwachte anorganische artefacten kunnen bestaan uit scherven aardewerk (inclusief bouwmateriaal), metaal, natuursteen artefacten (bijvoorbeeld maalstenen, slijpstenen, stukken daklei), en glas.

7

Artefacten: organisch Organische artefacten kunnen bestaan uit hout, houtskool, leer, (verbrand en onverbrand) botmateriaal. Archeozoölogische, botanische en fysisch-antropologische resten Menselijk en/of dierlijk bot en macroresten (bv. verkoolde zaden en granen) kunnen worden gevonden in grondsporen zoals beerputten, waterputten, afvalkuilen, greppels en (gedempte) sloten. Motivatie Er zijn in de boringen geen funderingen aangetroffen. Het baksteenpuin uit boring 11 zat in dezelfde verstoorde laag als een fragment PVC buis. De adviseur archeologie voor de gemeente adviseert een proefsleuvenonderzoek op de onbebouwde delen van het terrein vanwege historische bebouwing op het perceel. De archeologische sporen en vondsten die aangetroffen kunnen worden, kunnen archeologische informatie geven over de historie van het dorp. Archeologische stratigrafie en diepte van de vondstlagen Archeologische waarden kunnen worden verwacht vanaf het maaiveld. Gaafheid en conservering Doordat het grootste deel van het terrein is bebouwd, is over de gaafheid en conservering weinig bekend. De boringen in het noordwesten lieten een opgebrachte laag grond en een verstoorde bodem tot in de C-horizont zien.

8

3.

Methode (KNA 4.1: VS01 en VS08) Het onderzoek is uitgevoerd conform KNA 4.1 (Leidraad Inventariserend Veldonderzoek BRL 4000 protocol 4003) en het Programma van Eisen (Tulp 2021). Bij aankomst bleek het in het PvE opgenomen puttenplan (Figuur 5) niet uitvoerbaar omdat het gedeelte behorende tot Dorpsstraat 108 actief in gebruik was door de eigenaar en voor dit doel was afgesloten met hekwerk (Figuur 6). De enige locatie waar een proefsleuf kon worden aangelegd was aan de achterkant van het perceel Dorpsstraat 110. De proefsleuf is vanwege de aanwezigheid van bomen en de beperkte mogelijkheden om de vrijkomende grond kwijt te kunnen (de stort), aangelegd in drie fasen (Figuur 5). Om toch voldoende dekkingsgraad te krijgen is de breedte van de proefsleuf verbreed naar 5 meter in plaats van de 4 meter zoals vastgelegd in het PvE. In totaal kon een oppervlak van circa 85 m 2 worden onderzocht. Hiermee is een dekkingsgraad van ruim 9% van het circa 925 m 2 tellende plangebied bereikt.

Figuur 5:

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Links de ligging van de proefsleuven zoals voorgesteld in het PvE en rechts de uiteindelijk in drie fasen aangelegde proefsleuf.

De proefsleuven zijn aangelegd met behulp van een graafmachine met een gladde bak. De graafwerkzaamheden zijn uitgevoerd op aanwijzing van een senior KNA-archeoloog. De bovengrond is in lagen van vijf tot tien centimeter afgegraven, waarbij gelet is op vondstconcentraties en (doorschemerende) grondsporen. Er is één goed leesbaar vlak aangelegd in de top van de C-horizont. Het vlak is ingemeten met een rtk-GPS. Vlakhoogtes en maaiveld hoogtes zijn iedere vijf meter gemeten met een rtk-GPS. In de proefsleuf zijn twee profielkolommen afgestoken en gedocumenteerd. Tijdens het onderzoek is een in het veld gemaakte selectie van de sporen gecoupeerd en gedocumenteerd. Het doel hiervan was om informatie te krijgen over de aard, ouderdom en gaafheid van de sporen. Deze informatie draagt bij aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Gecoupeerde sporen zijn niet afgewerkt.

9

Figuur 6:

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Het plangebied voorafgaand aan het veldwerk. Het hekwerk en blauwe container verhinderden het aanleggen van de proefsleuven zoals voorgesteld in het PvE.

10

4.

Resultaten (KNA 4.1: VS05, OS11, OS14, OS15, OS16, SP02) Een overzicht van de datering van genoemde perioden staat weergegeven in Appendix I. Een allesporenkaart staat weergegeven in Appendix II (en Figuur 10). De sporenlijst en vondstenlijst staan weergegeven in respectievelijk Appendix III en IV.

4.1

Bodemopbouw De bodemopbouw bestond uit humeuze/homogene verstoorde toplagen op duinzand (Figuur 7). De dikte van het pakket verstoorde toplagen varieerde van circa 0,5 tot 0,8 meter. Hieronder was overal grijsgeel, matig fijn duinzand aanwezig (de C-horizont). Hierin waren lokaal humeuze vlekken aanwezig waren als gevolg van boomwortels en bioturbatie. In het zuidelijk deel was recentelijk circa een halve meter grond opgebracht.

Figuur 7:

4.2

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: De bodemopbouw in het plangebied. Verstoorde toplagen op grijsgeel duinzand.

Sporen In de top van het duinzand, direct onder de verstoorde toplagen, waren archeologische sporen aanwezig bestaande uit kuilen, paalgaten (Figuur 8), een mogelijke greppel en een sloot (Figuur 9). Weergegeven op de kadastrale minuutkaart uit circa 1828 lijkt de sloot (spoor 1) min of meer parallel te liggen met het deel van de Achteromweg dat destijds door het plangebied liep (Figuur 10). Aardewerk uit spoor 1 dateert het spoor vanaf de eerste helft van de achttiende tot en met halverwege de negentiende eeuw. De mogelijke greppel (spoor 2) ligt hier min of meer op de perceelgrens van Dorpsstraat 108 en 110. De precieze duiding van de overige sporen kan op basis van de projectie op de kadastrale minuutkaart geen uitspraak worden gedaan. Aardewerk dat is gevonden in de sporen 6 en 8 (paalgaten) dateren deze sporen in respectievelijk de late zestiende/vroege zeventiende eeuw en de zeventiende eeuw. Mogelijk heeft de rij paalgaten (sporen 6 tot en met 10) deel uitgemaakt van bebouwing die staat afgebeeld op de kaart van Zoutman uit 1676 (Figuur 3). Spoor 4, een paalgat, liep door de vullingen van spoor 1 (Figuur 9) en is

11

Figuur 8:

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Coupe spoor 8, een paalgat.

Figuur 9:

Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Coupe door spoor 1 (sloot) en spoor 4 (paalgat): 1=verstoorde toplaag, 2 tot en met 4=slootvullingen spoor 1, 5=spoor 4 (paalgat) en 6=duinzand.

12

Figuur 10: Vlieland, Dorpsstraat 108-110: De sporen weergegeven op de kadastrale minuutkaart uit 1828.

13

daarom jonger dan spoor 1. Mogelijk maakte spoor 4 deel uit van een afrastering van de noordelijke perceelgrens van Dorpsstraat 110. De aard van de kuilen is onduidelijk. De kuilen spoor 3, 11 en 13/14 (is één spoor) kunnen op basis van aardewerk gedateerd worden in de late zestiende/zeventiende eeuw. De aard van de sporen 11 en 13/14 lijkt op basis van het verschil in vorm af te wijken van spoor 3. Spoor 3 overlapt met de ligging van de Achteromweg in de situatie van 1828 (Figuur 10). Mogelijk houdt spoor 3 verband met de aanleg of verwijdering van het deel van de weg door het plangebied. Tot slot is een afvalkuil gevonden in de noordoostelijke hoek van de proefsleuf: spoor 5. Op basis van aardewerk en glas in de vulling (vondstnummer 8) kan deze kuil gedateerd worden tussen 1870 en 1920. 4.3

Vondstmateriaal Tijdens het onderzoek zijn vondsten gedaan in de categorieën aardewerk, metaal, glas en natuursteen (een vondstenlijst is opgenomen in Appendix IV). Alle vondsten zijn gewassen, per vondstcategorie gesplitst en gedroogd. Voor de uitwerking is conform het Plan van Aanpak (PvA) (Veenstra 2021) en de SIKB-BRL4000, protocol 4006: specialistisch onderzoek, een PvA Specialistisch Onderzoek (PvA SO) opgesteld waarin de gehanteerde uitwerking is beschreven (Appendix V). De algemene vraagstelling van het onderzoek is vastgelegd in het PvE (Tulp 2021): wat is de aard, ouderdom, gaafheid en conservering van de archeologische resten? De vraagstelling van het specialistisch onderzoek naar de vondsten luidt: in hoeverre kan het specialistisch onderzoek naar de vondsten bijdragen aan het beantwoorden van de algemene vraagstelling en tot het beantwoorden van de in het PvE opgestelde onderzoeksvragen. Naar verwachting zal het specialistisch onderzoek bijdragen aan het beantwoorden van vraagstukken met betrekking tot de aard, ouderdom en gaafheid van de vindplaats. Voor dit onderzoek is geen evaluatierapport met selectieadvies opgesteld vanwege de geringe aantal sporen en vondsten. Alles sporen en vondsten worden uitgewerkt.

Methoden/Werkwijze Er zijn in totaal 53 stuks aardewerk, 5 stuks bouwkeramiek, 7 stuks metaal, 5 stuks glas en 1 stuk natuursteen gevonden. Ondanks dat alle vondsten gefragmenteerd bewaard zijn gebleven, bevat met name het aardewerk en metaal genoeg informatie om bij te kunnen dragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen. De vondsten zijn in eerste instantie gewaardeerd waarbij wordt gelet op gaafheid, zeldzaamheid, representativiteit, informatiewaarde en de mate waarin verder onderzoek kan bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Een selectie van de vondsten komt in aanmerking voor deponering in het provinciaal depot voor bodemvondsten. Een selecti van het metaal zal hiervoor eerst een conservatie moeten ondergaan. Het selectievoorstel is opgeniomen in Hoofdstuk 6.3. Tijdens de uitwerking is het aardewerk, bouwkeramiek en glas gedetermineerd en beschreven waarbij gebruik is gemaakt van een determinatie tabel (Appendix VI). Per scherf is waar mogelijk het vormtype, bakseltype en oppervlaktebehandeling beschreven. Bij het vaststellen van het baksel is gekeken naar de wijze waarop een pot is gebakken (zuurstofrijk of -arm) en de toegepaste magering. Op basis van één of meerdere van deze kenmerken is getracht per vondstnummer een datering en functie vast te stellen.

Tijdens het onderzoek is het aardewerk vergeleken met aardewerk dat is gevonden in dezelfde regio en dateert uit dezelfde periode. Hierbij is gekeken naar overeenkomsten en/of afwijkingen.

14

Tijdens de uitwerking zijn de metalen voorwerpen geanalyseerd en beschreven in een determinatietabel (Appendix VII). De voorwerpen zijn visueel en waar nodig microscopisch bestudeerd en gedetermineerd waarbij is getracht de functie en datering te achterhalen. Voor indelingen op type en datering is gebruik gemaakt van standaardliteratuur, (deel)rapportages, wetenschappelijk verantwoorde overzichten en vondstdatabases. Het natuursteen wordt macroscopisch met de loep en indien noodzakelijk met de binoculair, gedetermineerd naar steensoort en mogelijk aanwezige gebruikssporen. Er wordt gelet op de aan- of afwezigheid van bewerkingssporen. Ook wordt gelet op soort, type en genese. Waar haalde men het natuursteen vandaan? Is het mogelijk om op basis van kleur, textuur en mineralogische samenstelling het opgegraven natuursteen te koppelen aan een herkomstgebied? Op basis hiervan zal geprobeerd worden uitspraken te doen over aanvoer en herkomst van het natuursteen. De resultaten zijn vastgelegd in een determinatietabel (Appendix VI). Resultaten aardewerk en bouwkeramiek De gevonden typen aardewerk en aantallen staan weergegeven in Tabel 2. Tabel 2:

Oost-Vlieland, Dorpsstraat: De gevonden categorieën aardewerk en aantallen.

Categorie

Aantal

Roodbakkend aardewerk

34

Steengoed, geglazuurd

1

Majolica

2

Mineraalwaterfles (steengoed)

12

Porselein

1

Weser aardewerk

2

Witbakkend aardewerk

1

Totaal

53

De grootste categorie aardewerk bestaat uit roodbakkend aardewerk. Dit type aardewerk komt tot ontwikkeling vanaf halverwege de dertiende eeuw. Voor die tijd bestond het grootste deel van het gebruiksaardewerk uit kogelpotaardewerk: handgevormd aardewerk dat voornamelijk lokaal voor eigen gebruik werd geproduceerd. Roodbakkend aardewerk nam vanaf de veertiende eeuw de rol over als meest gebruikte kook- en tafelaardewerk. Roodbakkend aardewerk werd geproduceerd in gecentraliseerde productiecentra. Naast de rode kleur van het baksel en het oppervlak is de toepassing van loodglazuur kenmerkend. In eerste instantie werd dit spaarzaam toegepast in de vorm van druppels en vlekken. Later werd met name de binnenzijde (eerste vooral de bodem en de binnenzijde van de rand) voorzien van loodglazuur en vanaf halverwege de vijftiende eeuw de gehele binnenzijde. Dit leverde namelijk een waterdicht product op. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw werd steeds meer het gehele product voorzien van loodglazuur. De voorkomende vormen nam met name vanaf de zestiende eeuw sterk toe. Het tijdens dit onderzoek gevonden roodbakkend aardewerk bestaat uit grapen (potten op drie pootjes), bakpan, kommen, potten, borden en vuurtesten. Op een randfragment van een vuurtest na (vondstnummer 7) is al het roodbakkend aardewerk voorzien van loodglazuur.

Hierbij komen zowel vormen voor die van binnen zijn geglazuurd (soms met aan de buitenzijde vlekken en spetters) als geheel geglazuurde vormen. Het 15

grootste deel van het roodbakkend aardewerk dateert uit de (tweede helft van de) zestiende en zeventiende eeuw (vondstnummers 1 tot en met 4 en 7, Figuur 11). Op basis hiervan kunnen paalgaten spoor 6 en 8 en kuilen 3, 11 en 13/14 worden gedateerd in deze periode. Een handvat van een bakpan is ouder en dateert uit de vijftiende tot en met eerste helft van de zestiende eeuw (vondstnummer 13). Deze vondst kan niet aan een spoor worden gerelateerd.

Figuur 11: Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Randfragment van een laat zestiende/zeventiende eeuws bord, links de bovenzijde, rechts de onderzijde (vondstnummer 7).

Witbakkend aardewerk werd al vanaf de middeleeuwen geïmporteerd vanuit het Belgische Ardennen gebied (Maaslands wit, of Andenne aardewerk). Vanaf halverwege de zestiende eeuw werd witbakkend aardewerk ook in Nederland geproduceerd, hoofdzakelijk in dezelfde pottenbakkerijen als waar ook roodbakkend aardewerk werd geproduceerd. Ook de vormen komen sterk met elkaar overeen. Het enige fragment witbakkend aardewerk dat is gevonden is vermoedelijk afkomstig van een kom (vondstnummer 1). Het fragment is geheel geglazuurd waarbij aan de buitenzijde koperoxyde is toegepast, waardoor een groene kleur is ontstaan. Het fragment kan niet nader worden gedateerd dan vanaf halverwege de zestiende tot en met de achttiende eeuw. Ook steengoed komt tot ontwikkeling vanaf de late middeleeuwen, namelijk vanaf de late dertiende eeuw. Het werd met name geproduceerd in het Duitse Eifel- en Rijngebied. Van daaruit werd het geïmporteerd. Kenmerkend voor steengoed is dat het op dusdanig hoge temperatuur werd gebakken dat het baksel volledig versinterde. Het enige fragment steengoed dat is gevonden is een bodem van een kan op standvoet (vondstnummer 1). Nog net zichtbaar is dat de onderste helft van de buik opgedeeld was in vakken onderling van elkaar gescheiden door een lijnenpatroon.

De buitenzijde is voorzien van een dik zoutglazuur, waarop ook een blauwe kleur zichtbaar is als gevolg van gebruik van kobaltoxyde. Het dateert uit de late zestiende/vroege zeventiende eeuw en is vermoedelijk geproduceerd in Raeren, dat ligt in de Belgische Eifel.

16

Twee bordfragmenten behoren tot zogenaamd Weser aardewerk (vondstnummers 1 en 4, Figuur 12). Zoals de naam doet vermoeden werd dit aardewerk geproduceerd in het stroomgebied van de rivier deWeser in Duitsland. Het aardewerk kenmerkt zich door het harde geel/witte tot roze baksel. Voorkomende vormen bestaan uit borden, koppen en kommen. Met name de borden zijn vaak voorzien van slibversiering in de vorm de roodbruine concentrische cirkels, waartussen groene en bruin/rode parallelle golvende lijnen, ook wel 'bibbers' genoemd. Weser aardewerk dateert uit de late zestiende/vroege zeventiende eeuw.

Figuur 12: Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Fragmenten van borden van Weser aardewerk (links vondstnummer 1, rechts vondstnummer 4).

Vanaf de late zestiende eeuw wordt tinglazuur aardewerk geproduceerd (vooral borden) naar voorbeeld van aardewerk uit het mediterane gebied. De borden zijn aan de binnenzijde voorzien van tinglazuur en aan de buitenzijde van loodglazuur. Het aardewerk staat bekend als majolica. Aan de binnenzijde is vaak versiering aanwezig in blauw op wit of meerkleurig. Vondstnummer 1 bevat een blauw op wit versierd fragment dat dateert vanaf de late zestiende tot en met de zeventiende eeuw. Vondstnummer 7 bevat een meerkleurig fragment dat dateert uit de late zestiende/vroege zeventiende eeuw. Naast tinglazuur aardewerk is één fragment porselein gevonden. Porselein werd in eerste instantie als luxewaar geïmporteerd vanuit China en Japan. Pas vanaf de achttiende eeuw lukte het Europese pottenbakkers om ook porselein te produceren. Het fragment porselein dat is gevonden tijdens het onderzoek is een rand van een kop, van zogenaamd Europees porselein en kan worden gedateerd tussen 1730 en 1850. Het is versierd met een blauwe florale motief dat bekend staat als 'Zwiebelmuster-decor'. Ook van steengoed, maar van aanzienlijk jongere datum zijn de resten van tenminste zes mineraalwaterflessen, waarvan twee (nagenoeg) complete exemplaren (vondstnummer 8, spoor 5). Eén exemplaar is voorzien van een stempel bestaande uit de gekroonde letters 'VB' in een cirkel.

Langs de binnenzijde van de cirkel staat geschreven: VICTORIA BRUNNEN, OBERLAHNSTEIN. De flessen bevatten dan ook mineraalwater uit een bron te Oberlahnstein, nabij Koblenz in het Duitse Rijngebied. De flessen dateren tussen 1870 en 1920.

17

Het bouwkeramiek bestaat uit twee niet nader te determineren fragmenten dakpan, twee fragmenten van roodbakkende plavuizen met loodglazuur en een wandtegel (Figuur 13). Het betreft een fragment van een roodbakkende wandtegel met tinglazuur met daarop de afbeelding van een tulp geplaatst in een ruit. In één hoek is een Frans lelie zichtbaar. De wandtegel dateert uit de eerste helft van de zeventiende eeuw en is vermoedelijk geproduceerd in (Noord of Zuid) Holland.

Figuur 13: Vlieland, Dorpsstraat 108-110: Majolica wandtegel van roodbakkende klei.

Resultaten metaal (drs. C. Tulp) Tijdens het veldwerk zijn zeven metalen voorwerpen gevonden: drie munten, een zegellood, een schroefdop, een ring en een ijzeren staaf. De best bewaarde munt is een zilveren munt uit Engeland (vondstnummer 12, Figuur 14). Op de munt staat het jaartal 1561. Op de voorzijde is het hoofd van koningin Elizabeth I afgebeeld die naar links kijkt. Achter haar hoofd is een Engelse roos te zien, omgeven door een parelkrans en de woorden ELIZABETH D G ANG FR RY HIB REGINA (Elizabeth by the Grace of God Queen of England, France and Ireland). De keerzijde laat een schild over een lang kruis zien met twee kwadranten met drie Franse lelies en twee kwadranten met drie leeuwen, en de woorden POSUI DEU ADIUTOREM MEU (I have made God my helper). Vondstnummer 11/1 is hoogstwaarschijnlijk een duit. De beeltenis en inscriptie is echter niet leesbaar door de slechte conservering. De derde munt, vondstnummer 11/2, is een kleinere munt en eveneens slecht bewaard. Mogelijk zijn deze munten na conservering te determineren. Merkloden zijn loden objecten die vastgemaakt werden aan textiel, verpakte waren of documenten. De op het lood aangebrachte stempel gaf informatie over de kwaliteit, herkomst, productiefase en/of verzender van het product. Veel keurloden bestaan uit twee ronde delen die met een kleine lip met elkaar zijn verbonden.

Deze delen werden met een stempeltang samengeknepen en voorzien van een indruk. De datering is vanaf de dertiende eeuw (Lugthart & Leenheer 2017, 179-184). Vondstnummer 10/1 heeft een late datering. Het is een handelslood oftewel merk- of eigendomslood dat uit één dik stuk lood bestaat met aan de boven- en onderkant een brede opening en bovenaan een oog. Voor de letters VH en HR op de voorzijde is geen parallel gevonden. Op de keerzijde staat *ARN..M 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vlieland&id=1593d9eb-2efe-4366-bed4-83ace8521c7e