CConstaterende datVlieland
Koppel je AI →
Document · PDF

08 Bijlage1 Chw bestemmingsplan Oosterseveld VO01 17-11-2020.pdf

Raadsvergadering 25 januari 2021, gemeente VlielandBij agendapunt: Voorontwerpbestemmingsplan Oosterseveld33.784 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Stedelijk (>200 m2 ) 5% 10 % Maatwerk mogelijk

Landelijk (>1.500 m2 ) 5% 10 % Maatwerk mogelijk

Toelichting tabel 5 % heeft alleen betrekking op de Friese boezem; de algemen regels keur zijn in de onderstaande tabel verwerkt; maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Meer informatie hierover is te vinden op De Friese Klimaatatlas. bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 28

5.10

20181658

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Toetsing Er is een risico-inventarisatie van de nabije omgeving van het plangebied uitgevoerd met behulp van de EV-Signaleringskaart. Uit de inventarisatie blijkt dat er in het westelijk deel van het plangebied een risicobron aanwezig is in de vorm van een gasflessendepot, waar onder andere brandbare gassen worden opgeslagen in een hoeveelheid die groter is dan 1000 liter. Rondom de gasflessenopslag geldt op grond van het huidige Activiteitenbesluit een veiligheidsafstand van 15 meter. Binnen deze afstand mogen geen woningen aanwezig zijn. De veiligheidsafstand ligt ruim 3 meter binnen de inrichtingsgrens van de waterzuivering. Binnen de veiligheidsafstand geldt volgens het bestemmingsplan de functie 'Natuur' en 'Waterzuiveringsinstallatie'. Binnen deze functies zijn geen woningen toegestaan. Het gasflessendepot is positief geregeld binnen de gronden die zijn aangewezen voor de activiteit 'Natuur'. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. In het plangebied en nabij het plangebied zijn verder geen risicobronnen aanwezig. In het bestemmingsplan worden geen nieuwe risicobronnen toegestaan. In de toekomst kan bij de verdere verduurzaming van motorbrandstoffen op Vlieland een afleverpunt voor waterstof nodig zijn. Waterstof afleverpunten zijn risicobronnen die nu volgens het bestemmingsplan niet toegestaan zijn.

Het voert nu te ver om hiervoor al ruimte te maken of een mogelijke locatie aan te wijzen, mede ook omdat verblijf van personeel wordt toegelaten en het in de toekomst dus onduidelijk is waar een meest geschikte locatie zich voor zal doen. Op het moment dat er in de toekomst sprake zal zijn van de wens om een afleverpunt te realiseren, zal het bestemmingsplan daarop aangepast moeten worden.

5.11

Kabels en leidingen

Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed

Rho Adviseurs B.V. ld

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

blz 29

functioneren van de straalpaden. Toetsing In en direct rondom het plangebied is geen sprake van kabels en leidingen die een planologische bescherming genieten en waar rekening mee gehouden moet worden in dit CHW bestemmingsplan. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

5.12

Licht

Om te zorgen dat de nachtelijke duisternis in het Waddengebied behouden blijft, hebben 43 partijen op 29 oktober 2016 een intentieverklaring getekend. Deze partijen streven naar een 'Dark Sky Werelderfgoed Waddengebied'. Mede door de lage bebouwingsdichtheid is er weinig verlichting op het eiland aanwezig. Dat is zichtbaar met name tijdens de nachtelijke (donkere) uren, omdat het dan op Vlieland behoorlijk donker is. De lichtvervuiling richting de Waddenzee is met een quickscan in kaart gebracht. Verder zijn diverse aanbevelingen gedaan. De gemeente heeft inmiddels een aantal acties ondernomen om tot vermindering van lichthinder te komen, bijvoorbeeld ten aanzien van de openbare verlichting. In het bestemmingsplan zijn hier vooreerst geen nadere regels voor gesteld.

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 30

Rho Adviseurs B.V. ld

20181658

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

Hoofdstuk 6

6.1

blz 31

Juridische toelichting

Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) bindende afspraken waarmee, bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. In de voorafgaande hoofdstukken zijn de planuitgangspunten voor het op te stellen CHW bestemmingsplan weergegeven. Deze uitgangspunten zijn (juridisch) vertaald naar het CHW bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt de doorvertaling van de plantoelichting naar planregels met de verbeelding verwoord. Voor Oosterseveld is sprake van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte in het kader van artikel 7c van het Besluit Uitvoering Crisis- en Herstelwet, de formele naam hiervoor is Chw bestemmingsplan. Door de pilotstatus kan worden afgeweken van de standaarden. In Hoofdstuk 2 is hier nader op ingegaan. Er is voor gekozen om al zoveel mogelijk te anticiperen op het omgevingsplan. Daarvoor is het casco Omgevingsplan van de VNG gebruikt. Dat betekent dat er geen sprake meer is van bestemmingen, maar dat het plan uitgaat van het benoemen van activiteiten.

Elke regel die daarover iets zegt, heeft een eigen werkingsgebied. Een regel die bijvoorbeeld ziet op de activiteit wonen heeft als werkingsgebied uitsluitend de woonhuizen binnen het plangebied. Als een regel iets regels over de een activiteit in de Waddenzee, dan beperkt die regel zich tot het werkingsgebied van de Waddenzee. Daarnaast zijn er ook vele activiteiten die betrekking hebben op alle gronden. Die regels hebben dan het hele plangebied als werkingsgebied. Per locatie ontstaat op die manier een opeenstapeling van werkingsgebieden en toegelaten activiteiten. Al die activiteiten heeft ertoe geleid dat gekomen is tot een evenredige toedeling van functies aan de gronden. Het casco is niet in zijn geheel gevolgd. Dat komt omdat het casco ziet op een omgevingsplan zoals dat na 1 januari 2022 wordt gemaakt. Daarin moeten veel meer zaken geregeld worden, dan nu onder de verbrede reikwijdte mag worden opgenomen. Vandaar dat niet alle onderdelen van het casco herleidbaar zijn, maar dat het CHW bestemmingsplan alleen die onderdelen uit het casco heeft meegenomen, die relevant zijn voor het CHW bestemmingsplan zoals dat nu gemaakt is.

6.2

Systematiek regels

De juridische regeling bestaat uit 7 hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de definities van begrippen die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn. In dit eerste hoofdstuk is ook een regel opgenomen over de wijze van

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 32

20181658

meten. Hoofdstuk 2 bevat de doelen die aan het plan ten grondslag liggen. Hier ligt een nauwe relatie met de omgevingsvisie. Omdat die visie nog niet klaar is, is hier vooral aangesloten bij hetgeen in de participatie is ingebracht. Daarnaast zijn er ook enkele algemene doelen, die zonder meer voor het hele eiland, en dus ook voor Oosterseveld, van toepassing zijn. Initiatieven binnen het plangebied mogen in beginsel niet strijdig zijn met de gestelde doelen. In Hoofdstuk 3 zijn alle activiteiten benoemd. Dit gaat enerzijds om de activiteiten die zien op de bouwwerken en het benutten daarvan en welke activiteiten voorheen deel van een bestemmingsplan uitmaakten. Anderzijds zien deze activiteiten op onderwerpen die tot voor kort in afzonderlijke gemeentelijke verordeningen waren opgenomen. Omdat die regels specifiek zien op activiteiten die betrekking hebben op en gevolgen met zich meebrengen voor de fysieke leefomgeving, zijn deze regels nu in het CHW bestemmingsplan opgenomen. In het toekomstige omgevingsplan komen hier ook milieu-activiteiten bij, welstandsregels, regels met betrekking tot veiligheid, en dergelijke. Omdat Oosterseveld welstandsvrij is en omdat de Wet pas op 1 januari 2022 in werking treedt, kunnen die regels nu nog niet meegenomen worden in dit CHW bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 bevat de regels die zien op het beheer en onderhoud van het gebied, alsmede op de handhaving van de regels. Hoofdstuk 5 zegt iets over het proces op het moment dat er van het CHW bestemmingsplan wordt afgeweken, waarbij ook participatie wordt gevraagd. Ook is een regel opgenomen om te komen tot een structureel overleg waarbij meerdere aspecten gerelateerd aan de doelen, het beheer en onderhoud, de toepassing van de regels, en dergelijke kunnen worden besproken, zodat het plan daar op bijgestuurd kan worden. De overgangs- en slotregels zijn opgenomen in Hoofdstuk 6 en 7.

6.3

Verbeelding

Voor de vormgeving van de verbeelding geldt een aantal uitgangspunten. Zo worden de kaarten in kleur opgezet, waarbij aangesloten is bij de kleuren die straks onder de Omgevingswet gaan functioneren. Dat kan nog veranderen, maar zo ver dat nu is ontwikkeld, wordt daar nu bij aangesloten. De werkingsgebieden zijn analoog niet herkenbaar. Alleen digitaal wordt de juiste informatie verstrekt en komen de regels naar voren die aan de werkingsgebieden gekoppeld zijn. Ten behoeve van de gebruiksvriendelijkheid en digitale raadpleegbaarheid wordt waar mogelijk informatie op de verbeelding gezet (afmetingen, aanduidingen).

Rho Adviseurs B.V. ld

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

6.4

Planregels

6.4.1

Inhoud en opzet

blz 33

Het CHW bestemmingsplan Oosterseveld bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting (met bijbehorende bijlagen). De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het CHW bestemmingsplan. Beide plandelen worden in onderlinge samenhang bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de werkingsgebieden aangewezen. Aan deze werkingsgebieden zijn regels voor activiteiten gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt een belangrijk onderdeel als de onderbouwing van het plan. De toelichting van dit CHW bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het CHW bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het CHW bestemmingsplan. 6.4.2

Hoofdstukgewijze toelichting

6.4.2.1 Hoofdstuk 1 Begrippen en wijze van meten In het eerste hoofdstuk zijn de begrippen en wijze van meten opgenomen die nodig zijn voor een goede uitleg van de regels. Het overgrote deel van de begrippen is overgenomen uit het voormalig bestemmingsplan Oosterseveld 2006 en geactualiseerd aan de hand van recent vastgestelde bestemmingsplannen op Vlieland. Een ander deel vloeit voort uit het feit dat nu regels uit de verordeningen zijn meegenomen. Bijbehorende begrippen uit die verordeningen zijn hier toegevoegd. De wijze van meten is de standaard wijze van meten zoals die al geruime tijd op Vlieland wordt toegepast. 6.4.2.2 Hoofdstuk 2 Doelen De meeste geformuleerde doelen zijn in beginsel voor het hele eiland van toepassing. Deze doelen spreken voor zich en vloeien voort uit hetgeen de gemeente eerder ook al hanteerde bij het toepassen van haar regels en de bescherming van de fysieke kwaliteit van het eiland. Twee doelen vloeien rechtstreeks voort uit hetgeen in de participatie is opgehaald. In de eerste plaats is dat het feit dat er geen welstandsregels gelden voor het terrein. Een meerderheid vindt het niet nodig dat er alsnog welstandsregels worden opgesteld voor Oosterseveld. Dat betekent niet dat er geen aandacht moet zijn voor de kwaliteit van de bouwwerken en de relatie van bouwwerken met de directe omgeving.

Daar wordt al geruime tijd aandacht aan besteed en het terrein heeft daarmee een eigen karakter gekregen. Dat wil men graag behouden. Daarnaast is er het 'eiland eigen' karakter. In hoofdstuk 2 is dat beschreven. Het doel is om het bedrijventerrein zo te beheren en in te richten dat het 'eiland eigen' blijft qua uitstraling, maar ook qua gebruik in de eerste plaats voor de eilander ondernemers zelf, omdat die afhankelijk zijn van de ruimte op dit terrein. In de tweede plaats is dat het versterken van de groenstructuur. Op dit moment is er weinig groen op het bedrijventerrein. Gezien de omstandigheden is de ontwikkeling van groen ook geen eenvoudige opgave. Desalniettemin heeft een meerderheid zich uitgesproken om toch te kijken of dat op enige manier versterkt kan worden, waarbij tevens aandacht moet zijn voor een relatie met de biodiversiteit. De doelen leiden niet tot rechtstreekse regelgeving, maar zijn een toetsingskader voor ontwikkelingen. In beginsel mag en kan een ontwikkeling niet in strijd zijn met de doelen die de raad met dit CHW bestemmingsplan heeft. 6.4.2.3 Hoofdstuk 3 Activiteiten 6.4.2.3.1 Algemeen In dit hoofdstuk zijn alle activiteiten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen. bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 34

20181658

In de eerste plaats zijn dat de regels die voortvloeien uit het bestemmingsplan Oosterseveld 2006. Deze regels zijn vereenvoudigd en waar nodig als gevolg van de participatie verruimd of aangevuld. In de tweede plaats zijn dat regels die voortvloeien uit enkele verordeningen van de gemeente. Deze regels zijn herschreven op een manier dat deze toegepast kunnen worden in het CHW bestemmingsplan. Daarbij is opnieuw geprobeerd de regels te vereenvoudigen en te versoberen. 6.4.2.3.2

Artikel 4 Activiteiten met betrekking tot de bruikbaarheid en het aanzien van wegen

4.1. Oogmerken De regels met betrekking tot de wegen hebben bepaalde oogmerken. Die oogmerken geven de reikwijdte van de regels aan. Het zijn de oogmerken op basis waarvan deze regels zijn gesteld en worden toegepast. Bij de uitleg van de regels moeten de oogmerken dan ook telkens in beeld zijn en zijn zij het kader waarbinnen de regels worden uitgelegd en toegepast. 4.2. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het moet gaan om voorwerpen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving en bedoeld zijn daarin permanent te functioneren. Het gaat niet om kleine zaken die tijdelijk en eenvoudig verwijderbaar zijn. Er wordt vanuit gegaan dat tijdelijke bouwwerken, zoals stortcontainers of steigers, ook echt tijdelijk aanwezig zijn. De gemeente ziet daar samen met de betrokkenen op toe. Net als een gedetailleerde regel kan een vergunning met de daarbij gestelde voorschriften voor duidelijkheid zorgen: de houder van de vergunning weet waar hij aan toe is, net als de gemeentelijke toezichthouder. De vergunning wordt in beginsel voor een onbeperkte periode wordt verstrekt. 4.3.

Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg De vergunningplicht is hier gehanteerd, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Specifiek maatwerk vraagt om een specifieke vergunning. De vergunningplicht ontstaat doordat de activiteit verboden is in dit CHW bestemmingsplan. Aan de regel ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor -door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting- de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders.

Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. De vergunning is vereist voor de aanleg, verandering, enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ en verbindingswegen op het openbaar wegennet die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance, e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte, e.d.

Rho Adviseurs B.V. ld

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

blz 35

Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. 4.4. Maken of veranderen van een uitweg In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het algemeen belang. De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse. Daarnaast kan worden gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats. Uit de jurisprudentie blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. De regel beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. 6.4.2.3.3

Artikel 5 Activiteiten met betrekking tot de Waddenzee

5.1. Droogvallen c.q. ligplaats innemen van schepen Dit artikel bevat een verbod tot het droogvallen van vaartuigen c.q. het ligplaats innemen op het wad. Jachthavens en andere aanleginrichtingen vallen hier niet onder. Tevens wordt een uitzondering gemaakt voor een gebied van 200 meter ter weerszijden van betonde en beprikte vaargeulen, omdat het effect van het droogvallen op deze plaatsen zeer beperkt is. Vaartuigen die binnen deze norm vallen, maar wel droogvallen worden niet geacht te verstoren. Buiten de genoemde gebieden is het droogvallen eveneens niet toegestaan in gebieden die door burgemeester en wethouders tijdelijk worden aangewezen. 5.2. Snelvaren met motorschepen Het snelvaren met motorschepen is uitsluitend toegestaan in hoofdvaarroutes en veerbootroutes als dat overdag gebeurd. Buiten die route mag de maximale snelheid van mechanisch voortbewogen vaartuigen niet meer bedragen dan 20 km per uur. Het derde lid van dit artikel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het snelvaren eveneens is toegestaan. Op deze wijze kan deze activiteit naar plaats en tijd worden geregeld. Gedacht kan worden aan plaatsen nabij de jachthaven en ankerplaatsen (bijvoorbeeld twee uur voor tot twee uur na hoog water).

Wel dient daarbij nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de belangen van rustige vormen van recreatie en het scheepvaartverkeer. 5.3. Afstand van schepen tot kwetsbare gebieden Schepen met weinig diepgang zoals surfplanken en kano's kunnen door hun geringe diepgang doordringen in kwetsbare gebieden. Teneinde verstoring van gevoelige plaatsen te vermijden is een minimumafstand voorgeschreven ten opzichte van hoogwatervluchtplaatsen, broedgebieden, foerageergebieden en zeehonden-ligplaatsen. Deze gebieden zijn bekend vanuit verschillende instanties die de dynamiek van deze gebieden volgen. Daarmee is er op ieder moment actuele informatie van deze gebieden voor een ieder te achterhalen. Het verbod is niet van toepassing op bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 36

20181658

anderszins beschermde gebieden alsmede de gebieden die door burgemeester en wethouders zijn aangewezen, omdat deze gebieden voor alle activiteiten zijn afgesloten. Het derde lid geeft een uitzondering aan voor geulen die binnen de genoemde afstand van 250 meter liggen. 5.4. Vliegbewegingen Dit artikel bevat voorschriften ter zake van vliegbewegingen in het Waddengebied. Omdat aan deze regeling een ander motief ten grondslag ligt dan de Luchtvaartwet, wordt deze regeling bestaanbaar geacht naast de Luchtvaartwet. 5.5. Maatregelen ter bescherming van de natuurlijke waarden Dit artikel bevat een viertal regels ter bescherming van de natuurlijke waarden. Overwogen is om hierin ook regels op te nemen inzake het produceren van al of niet door mechanische installaties voortgebracht lawaai. Dit is evenwel nog in de provinciale omgevingsverordening (stiltegebieden) geregeld, zodat een regeling in dit plan overbodig wordt geacht. 5.6. Steken van pieren Het met de hand steken van pieren vindt voornamelijk plaats in de buurt van aanlegdammen en de zeedijk. Hierdoor vindt nauwelijks verstoring plaats. Het kan echter ook voorkomen dat men met een boot pierenstekers afzet op een afgelegen plaat om daar te gaan steken. Juist op deze platen vinden foeragerende vogels vaak de meeste rust. Binnen de beschermde gebieden is verstoring niet toegestaan.

Mocht het pierensteken, buiten de beschermde gebieden, tot onaanvaardbare verstoring leiden dan hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar het steken van pieren niet is toegestaan. Het machinaal winnen van pieren is anderszins al verboden. 5.7. Houden van evenementen, rondvaarten en excursies Het houden van evenementen, tochten, rondvaarten en excursies buiten de betonde en beprikte vaargeulen is verboden. Het is niet ondenkbaar dat men buiten de vaargeulen in meer kwetsbare gebieden komt. 5.8. Afwijkingen Soms zal de behoefte bestaan om in een aantal gevallen afwijking te verlenen van de in dit artikel gestelde verboden. Via deze bevoegdheid kan de gewenste afwijking worden verleend. Het dient dan wel te gaan om vrij incidentele gevallen (bijvoorbeeld onderzoek) die de uitgangspunten van de regeling niet ondermijnen. Van geval tot geval zullen verzoeken om afwijking worden beoordeeld en getoetst aan de uitgangspunten. In het tweede lid wordt aangegeven dat een algemene afwijking is verleend ten aanzien van de instanties die zijn belast met de uitvoering van de beheersplannen. 6.4.2.3.4 Artikel 6 Activiteiten met betrekking tot geluid en geur In de voorheen geldende bestemmingsplannen was de inrichting van het bedrijventerrein en de toelaatbaarheid van nieuwe bedrijvigheid gebaseerd op de VNG richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'.

Onder de Omgevingswet bestaat de wens om deze categorisering van bedrijvigheid te laten vervallen. Er is een milieuzonering nieuwe stijl geïntroduceerd die meer aansluit bij de milieuregelgeving en die uitgaat van de individuele gebruiksruimte van bedrijven in relatie tot milieugevoelige functies. Zie ook paragraaf 5.3. In dit plan is deze milieuzonering nieuwe stijl toegepast, waarbij de leidraad van de VNG is gevolgd. Die indeling gaat zoals gezegd uit van een gebruiksruimte per bedrijf gebaseerd op de geur- en geluidbelasting die een bedrijf kan en mag veroorzaken. Bij de toepassing daarvan is de woonfunctie in de zuidoosthoek van het plangebied maatgevend voor de beschikbare gebruiksruimte van de bedrijven. Rho Adviseurs B.V. ld

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

blz 37

Ook in de voorheen geldende bestemmingsplannen was de categorisering gebaseerd op mogelijkheden die er bestonden in relatie tot de bestaande woonfuncties. Daarnaast is er sprake van een bedrijventerrein dat voorziet in de behoefte die er op het eiland ligt. Veel bedrijvigheid zal nooit naar het eiland komen simpelweg omdat de behoefte er niet is dan wel omdat het eiland veel te klein is voor de bedrijvigheid. De nieuwe manier van zoneren houdt in dat er in beginsel zwaardere bedrijvigheid is toegelaten dan er onder de geldende bestemmingsplannen mogelijk was. Dit is omdat de gebruiksruimte afhangt van de afstand tot milieugevoelige functies. In dit geval is er voor een deel van het terrein sprake van een ruime afstand op grond waarvan zwaardere bedrijvigheid aanvaardbaar is. Dat is zoals hiervoor geschetst vooral een theoretische ruimte, omdat zwaardere bedrijvigheid niet naar Vlieland zal komen omdat Vlieland daarvoor veel te klein is. Komt er toch wat zwaardere bedrijvigheid naar Vlieland, omdat de toekomstige ontwikkelingen daarom vragen, dan zal dat altijd in een omvang zijn dat er nauwelijks nog sprake zal zijn van zware bedrijvigheid. Los daarvan biedt de nieuwe zonering bestaande bedrijvigheid enige ruimte en mogelijk toekomstige gewenste bedrijvigheid enige ruimte om een plek op het terrein te vinden.

In de regels is wel vastgelegd dat zekere categorieën zware bedrijvigheid zonder meer zijn uitgesloten. Daarmee is een nadere nuancering aangebracht binnen de beschikbare gebruiksruimte. Al met al is er een evenwichtige toedeling van functies gerealiseerd die zorgdraagt voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 6.4.2.3.5

Artikel 7 Activiteiten met betrekking tot het houden van dieren

7.1. Loslopende honden Dit artikellid beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen, e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; het voorkomen van hinder voor fiets- en voetgangers; het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren naar het leven staan. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden. Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kan op basis van andere wetgeving worden opgetreden of in het uiterste geval een hond worden gedood. 7.2. Verontreiniging door honden Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook kan via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, voor honden dodelijke virussen worden verspreid.

De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken. Een goed overzicht van mogelijke maatregelen en een goed overzicht van literatuur op dit terrein is te vinden in de publicatie 'Gemeentelijk hondenbeleid. Een handleiding ter bestrijding van de overlast door hondenpoep in Nederland’ van het Multidisciplinair onderzoeksinstituut in Utrecht. 7.3. Gevaarlijke honden bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 38

20181658

In de loop van de tijd is onderscheid gemaakt tussen drie categorieën van gevaarlijke honden: 1. Groepen honden met morfologisch overeenkomstige karakteristieken (gelijke lichaamsbouw), waarmee wordt gefokt op agressief gedrag. Tot deze categorie rekent de commissie het type pitbullterriër. 2. Gebruikshonden, dat wil zeggen: honden die geheel of gedeeltelijk zijn opgeleid voor bewakings-, opsporings- of verdedigingswerk. 3. Individuele honden die niet vallen onder de vorige twee categorieën en waarvan in de praktijk door het toebrengen van letsel of het uiten van een dreiging daartoe - is gebleken dat zij gevaarlijk zijn voor mens of dier. De gemeente kan, tenzij in andere wetgeving anders is bepaald, vanuit deze categorisering verplichtingen opleggen aan eigenaren van honden om gevaarlijke honden op een zekere wijze aangelijnd te houden. 7.4. Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Door de zinsnede buiten een inrichting op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. 7.5. Loslopend vee Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid.

Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. 7.6. Bijen Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de ‘aanvliegbanen’ hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het zal echter vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn. Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand ‘op de openbare weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats’ valt aan te wijzen, kan men toch van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op ‘openbare belangen’. 6.4.2.3.6

Artikel 8 Activiteiten met betrekking tot het stoken van vuur

De aanvullende werking van artikel 8 op de Wet milieubeheer Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen altijd een ontheffing nodig is op grond van de Wet milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische argumenten. Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak ook veiligheidsaspecten van belang. De Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het belang van het milieu. Artikel 8 vult daarom voor wat betreft dit aspect de Wet milieubeheer aan. Rho Adviseurs B.V. ld

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

blz 39

Voor artikel 8 betekent dit concreet het volgende. Artikel 8 biedt de mogelijkheid om -naast de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer- een ontheffing te verlenen, waarin het aspect van veiligheid wordt geregeld. Er ligt dus een ander motief aan ten grondslag . Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de veiligheid beogen te beschermen. Indien de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer wordt geweigerd, wat betekent dit voor artikel 8? Indien de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een vergunning op grond van artikel 8. Dit volgt uit het systeem van de wet. Een vergunning op grond van artikel 8 kan in dit geval niet worden verleend wegens strijd met de Wet milieubeheer. De aanvraag voor een vergunning hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. Uitzonderingen artikel 8 In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren -waarbij geen afvalstoffen worden verbrand-, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.

Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De laatste zinsnede van het tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden. De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1 regelt namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen). 6.4.2.3.7

Artikel 9 Activiteiten met betrekking tot het verstrooien van as

9.1. Verboden plaatsen Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden. Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.

De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 40

20181658

De gemeente kan, uiteraard gemotiveerd, plaatsen aanwijzen waarvan zij zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen het openbare water of delen daarvan. Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien. 9.2. Hinder of overlast Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten. Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.

Overigens is uit de toelichting bij de Wet op de Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing. 6.4.2.3.8

Artikel 10 Activiteiten met betrekking tot het vellen van houtopstanden

Bescherming van groen kan vanuit veel verschillende invalshoeken belangrijk zijn. Om die reden zijn oogmerken opgenomen om aan te geven binnen welke reikwijdte de regels van toepassing zijn. Het gaat in dit kader om de waarde van de houtopstand zelf, om de betekenis die de houtopstand heeft in relatie tot gezondheid en tot behoud en versterken van biodiversiteit. Bij het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning kunnen geen andere oogmerken worden toegevoegd. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand is alleen vereist als de houtopstand door het college is opgenomen op de bomenlijst. De bomenlijst kan met enige regelmaat aangepast/vernieuwd worden. De lijst die geldt op het moment dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd of een boom wordt gekapt, is bepalend voor de vraag of het kappen van deze boom vergunningplichtig is. Met deze regeling is de instandhouding van de aangewezen houtopstanden beoogd. Een vergunning om een aangewezen houtopstand te vellen, kan daarom alleen in uitzonderingssituaties worden verleend. Van een uitzonderingssituatie is o.a. sprake als de houtopstand gevaarlijk voor de omgeving is. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een boom op korte termijn dreigt om te vallen. Het rapport van een deskundige waaruit het gevaar blijkt, moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden gevoegd.

In spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld na stormschade, kan in overleg met een deskundige medewerker van de gemeente een noodkap worden toegestaan (zonder deskundigenrapport). De vergunning wordt dan achteraf ambtshalve verleend. Als een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand wordt gevraagd ten behoeve van het bouwen van een tuinberging, zal deze op grond van een belangenafweging doorgaans geweigerd worden. Als een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand wordt gevraagd om een woning aan te kunnen passen aan de behoefte van een gehandicapte bewoner, zou een weging van belangen wel kunnen leiden tot het verlenen van de vergunning.

Rho Adviseurs B.V. ld

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

blz 41

Aan het verlenen van de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, waaronder het opleggen van een herplantplicht. Dat de te kappen boom voorkomt op de bomenlijst, betekent niet dat de herplante boom op deze lijst is of wordt geplaatst. De door de raad in de bomenlijst vastgestelde criteria blijven voor plaatsing onverkort van kracht. Bij het opleggen van de herplantplicht behoort een inspanningsverplichting tot het in stand houden van de houtopstand. 6.4.2.3.9 Artikel 11 Activiteiten met betrekking tot natuur Dit artikel is als een extra waarborg opgenomen om er zorg voor te dragen dat de kwaliteit van de beschermde natuurgebieden niet wordt verslechterd. Onder de kwaliteit van de natuur wordt ook de intrinsieke waarde van de natuur begrepen. In beginsel is er bij het benutten van de bestaande ruimte binnen het plan geen sprake van een relatie dan wel invloed op het natuurgebied anders dan in de bestaande situatie al het geval is. Op het moment dat er wezenlijke veranderingen plaatsvinden, kan die invloed ten opzichte van de bestaande situatie wijzigen. Dit artikel zorgt er voor dat de gevolgen voor de natuur altijd deel van de afweging zijn. Op Vlieland vinden al enige tijd ontwikkelingen plaats met betrekking tot duurzame energiewinning, maar ook het duurzaam omgaan met afval, het verminderen van de CO2 uitstoot en het gebruik van duurzame brandstof in voertuigen.

Deze ontwikkelingen zetten zich voort en zullen zich nog uitbreiden daar waar de kansen zich voordoen. Een en ander levert een significante verbetering op van de emissies die van invloed zijn op de kwaliteit van de natuur. Die ontwikkelingen vinden ook op het bedrijventerrein plaats, zowel voor het terrein in zijn geheel als bij individuele bedrijven, zodat er ook vanuit het bedrijventerrein, in vergelijking met de situatie van de afgelopen jaren, sprake is en zal zijn van een significante verbetering. 6.4.2.3.10

Artikel 12 Activiteiten met betrekking tot parkeren

12.1. Parkeren van voertuigen ten behoeve van een autobedrijf e.d. Regelmatig is in het verleden de vraag gerezen of rijschoolhouders en taxibedrijven die in de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg parkeren ook onder het verbod van dit artikel vallen. De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28 september 1984, nr. R03.83.7524 (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit artikel. Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder ‘verhuren’, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden. Het woord ‘vergen’ is gebezigd in plaats van ‘duren’ ten einde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten.

Bij het gebruik van de term ‘vergen’ beschikt men over een meer objectieve maatstaf. De gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant. Het bepaalde in 12.1. kan niet als een soort ‘escape’ fungeren ten opzichte van de andere in artikel 12 opgenomen verbodsbepalingen. Artikellid 12.1. mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere artikelleden in artikel 12, in die zin dat de ‘faciliteit’ die in 12.1. is besloten -garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan- ook impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is aangewezen dezelfde blijft. bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 42

20181658

Immers, in 12.1. bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld andere leden bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt, even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen. Voor dit artikel is van belang dat het telkens gaat om het oogmerk dat ziet op het doelmatig gebruik van de weg en het beperken van hinder. De bepaling in het derde lid beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren, transportbedrijven en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk.

Deze bepaling heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg. Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg. Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet -met het oog op de vorengenoemde bezwaren- hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene ‘toebehoren of zijn toevertrouwd’. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer middels andere regels is verboden. Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een ‘parkeerexcesbepaling’ in de strikte betekenis van het woord worden aangemerkt.

Gezien het verband met de andere in dit artikel opgenomen bepalingen is het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in dit lid op te nemen. Met de hier bedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden tegen met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en stankoverlast en verontreiniging van de weg. Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg als werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze mogelijkheid. Het verlenen van een ontheffing zal in het algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere wijze de beschikking te krijgen.

Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband mag worden gewezen op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over Rho Adviseurs B.V. ld

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

blz 43

het voorzien in vervangende parkeergelegenheid. 12.2. Defecte voertuigen Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. Veelal degenereert een dergelijk voertuig dat op de weg is achtergelaten na verloop van tijd tot autowrak. Dit lid richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen. Deze bepaling ziet slechts op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg. Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te verbieden. 12.3. Voertuigwrakken Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt.

Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod. Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling aan te merken. De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken op de weg. Het elders in de openlucht opslaan van wrakken vindt reeds regeling op andere plekken. De delictsomschrijving bevat derhalve niet tevens het bestanddeel ‘van de weg af zichtbaar’. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling. 12.4. Kampeermiddelen, aanhangwagens, trailers, en naar de aard daarmee gelijk te stellen voertuigen Dit lid richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie, speciaal vervoer, e.d. worden gebruikt.

Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens, trailers, e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden ‘te plaatsen of te hebben’ gehanteerd om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede ‘andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt’ is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet ‘dagelijks’ worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis op te ruimen. De bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseveld Rho Adviseurs B.V. Status: voorontwerp / 11-11-2020

blz 44

20181658

of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg. Het begrip ‘parkeren’ wordt zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig. 12.5. Parkeren van reclamevoertuigen Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt ‘met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken’, maar vooral als vervoersmiddel. Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt.

In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. In deze bepaling gaat het om een ‘eigenlijk’ parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg. Het hebben van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is elders geregeld. Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7 vierde lid van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Onder omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het maken van reclame, waardoor gedachten of gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet) of een mening wordt geuit (artikel 10 EVRM) aan beperkingen onderwerpen. Men spreekt wel van ‘ideële reclame’. De wenselijkheid en mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te worden bezien. Het begrip ‘parkeren’ wordt zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig. 12.6. Parkeren van grote voertuigen Het wordt als noodzakelijk ervaren dat het parkeren van grote voertuigen -in het bijzonder vrachtwagens- op wegen zoveel mogelijk wordt tegengegaan.

Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente, enz. De bepaling beoogt het doen of laten staan van bepaalde grote voertuigen tegen te gaan op wegen gelegen binnen de bebouwde kom, omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg en het uiterlijk aanzien van de gemeente. Met betrekking tot het buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de subjectieve redactie van de onderhavige bepaling. Rho Adviseurs B.V. ld

bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Oosterseve Status: voorontwerp / 11-11-2020

20181658

blz 45

De werking van het verbod is beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen. Naast de genoemde uitzonderingen op het verbod, kent dit lid aan het college de bevoegdheid toe ter zake van het in het eerste lid omschreven verbod een vergunning te verlenen. Verzoeken om vergunning zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven -ongeacht de aard- kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen vergunning. Van de mogelijkheid tot het verlenen van vergunning zal onder meer gebruik dienen te worden gemaakt: voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk worden geparkeerd; voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen, waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder ontheffing in moeilijkheden zou komen.

Verder zou een soepel vergunningenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het gaat om bij voorbeeld: rijdende winkels; wagens van kermisexploitanten; wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het wegverkeer terstond moeten kunnen ‘uitrukken’ (sleepwagens e.d.); voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de parkeerplaats moeten worden gesteld. Aan een vergunning kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden. 12.7. Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Door opneming van de bestanddelen ‘of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan’ zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vlieland&id=3ecf4290-f9ee-4119-8e91-b85ad5119d74