CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte Vlaardingen 2021-2026

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Transitievisie Warmte 2021-202514.677 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Enkele transitieopgaven: • continu groenblauw netwerk ­­creëren groenoppervlak vergroten • verharde oppervlakken • vergroenen (gevels, daken) • kruidenrijke bermen creëren • waterkwaliteit verbeteren

MOBILITEIT

VERSTEDELIJKING

SOCIAALECONOMISCH

• systeemsprong naar schone, slimme en andere mobiliteit

• systeemsprong naar een teokomst­ bestendige, duurzame gebouwde omgeving

• (systeem)sprong naar een leefbare, veilige, gezonde, sociale opmgeving

Mogelijke aanleidingen: • sectoraal spoor: fysieke wijkaan­ passing/-vernieuwing • link met beheer: wegdek vernieuwen Enkele transitieopgaven: • autoluw gebied realiseren • logistiek (de)centraliseren • parkeer- en mobiliteitshubs creëren, incl laadpalen • deelmobiliteit stimuleren • fietsnetwerk voltooien meer ruimte voor voetgangers

Mogelijke aanleidingen: • sectoraal spoor: versterking sociale structuur • link met beheer: aanpak openbare ruimte

Mogelijke aanleidingen: • sectoraal spoor: fysieke wijkaan­ passing/-vernieuwing (incl. ­verdichtingsopgave) • link met beheer: onderhoud ­gebouwen Enkele transitieopgaven: • woningen renoveren, bouwen • gebouwen transformeren • voorzieningenstructuur verbeteren/ uitbreiden woningen levensloop­ bestendig maken

Figuur 3 - Zes stedelijke transitieopgaven (TNO & POSAD Maxwan, 2020)

Enkele transitieopgaven: • sociale cohesie versterken • gezondheid bevorderen en ­beweging stimuleren • werkegelegenheid vergroten • veilige omgeving creëren

Eén van de denkrichtingen om de

slagingskans te vergroten, is door de verschillende opgaven van de buurten slim te combineren in een integrale gebiedsgerichte aanpak. Het koppelen van opgaven leidt namelijk tot grotere maatschappelijke baten en biedt dus ook kansen voor de realisatie van de energietransitie. Naast de energieopgave zijn volgens TNO & POSAD Maxwan (2020) nog vijf andere grote stedelijke transitieopgaven: klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit, mobiliteit, verstedelijking en sociaal economisch (zie figuur 3) Om gemeenten handvatten te bieden bij het slim koppelen van deze opgaven is ‘Transform’ ontstaan. Transform is een aanpak die ontwikkeld is om de stap te maken van ‘plannen maken’ naar ‘realisatiekracht’. Daarnaast wil het oplossingen vinden voor huidige barrières voor de uitvoering, zoals de betaalbaarheid van de transitie voor groepen inwoners. Kortom: Transform biedt handvatten voor het “Hoe dan?”. Transform brengt kennis en ervaring vanuit andere gebiedsgerichte aanpakken samen in één methodiek. Gelet op de meerwaarde en de positieve ervaringen met Transform gaan wij in onze Startbuurten aan de hand van deze methodiek aan de slag om tot een Wijkuitvoeringsplan te komen. Deze aanpak moet leiden tot een ‘gestandaardiseerde’ aanpak met per buurt ruimte voor maatwerk, omdat iedere buurt toch net weer

Figuur 4 - De stappen voor een integrale aanpak volgens Transform

en

m Sa

Besluit om aan de slag te gaan in een wijk

ar

st

• Belanghebbenden bijeen brengen • DNA en leefwereld vaststellen

ten

n ere d ris ebie e t k ra et g Ka n h va

• Individuele opgaven identificieren • Verkenning combinaties opgaven

n ieë n eg cere t a Str entifi id

• Uitwerken combinaties opgaven • Verkennen geldstromen (KT+LT)

Ke u

ze s

ma

ke n Vo o

rb

• Koppelopgaven selecteren en borgen

ere

idi

ng

• Fasering van de koppelopgaven bepalen

Re & n alis az atie or g • Realisatie en beheer van koppelopgaven

Laatste gebouw is verduurzaamd en de wijk is verbeterd

MIA TREX

anders is. Met deze aanpak willen wij de eerste jaren vooral leren en ervaring opdoen waardoor de aanpak van volgende buurten steeds efficiënter gaat plaatsvinden. De provincie Zuid-Holland is bereid ons hierbij te ondersteunen met de inzet van experts van Transform en de koppeling aan een lerend netwerk van gemeenten. Transform gaat uit van een stapsgewijze aanpak om tot een Wijkuitvoeringsplan te komen en na vaststelling de uitvoering te organiseren. Per stap

is er een besluit en een evaluatie- en leermoment. Gedurende dit proces vindt al in een zeer vroeg stadium participatie met de bewoners, vastgoed­ eigenaren en andere belanghebbende plaats. In Figuur 4 is dit proces weergegeven: 5.2.2 Stadsbrede aanpak gericht op ‘no regret’ energiebesparingsmaatregelen Energiebesparingscampagnes In de buurten waar nog niet gestart wordt met een gebiedsaanpak gaan we - aansluitend op

Transitievisie Warmte VLAARDINGEN [2022-2026]

29.

landelijke campagnes - met energiebesparingscampagnes bewoners en gebouweigenaren actief stimuleren ook daar alvast ‘no regret’ stappen te zetten op weg naar aardgasvrij. Bijvoorbeeld door te isoleren, over te stappen op elektrisch koken of door tijdelijk een hybride warmtepomp of leaseketel te gebruiken in plaats van een nieuwe cv-ketel. Voor zowel gebouweigenaren als huishoudens en bedrijven loont het om op natuurlijke momenten verduur­ zamingsmaatregelen te treffen. Denk aan een ver­huizing, een grote verbouwing of aan het einde van de levensduur van een cv-ketel. Op die momenten zijn de kosten van verduur­ zaming aan­zienlijk lager en blijft de overlast beperkt. Energieloket Het informeren, adviseren en ontzorgen van woningeigenaren wordt uitgevoerd door het gemeentelijk energieloket de WoonWijzerWinkel in samenwerking met het Servicepunt Woning­ verbetering (voornamelijk gericht op VvE’s). Met hun informatie en advies sluiten zij aan bij het te verwachte duurzame alternatief voor ­aardgas dat in deze Transitievisie per buurt is aangegeven: bijvoorbeeld een warmtenet of een all-electric oplossing zoals een warmtepomp. Informatie en advies is zoveel mogelijk maatwerk en waar mogelijk worden collectieve acties uit­ gevoerd. Om zoveel mogelijk woningeigenaren 30.

aan de slag te laten gaan met energiebesparende maatregelen en aardgasvrij verbeteren we het huidige systeem van informatie, advies en ondersteuning o.a. door dit beter te laten aansluiten bij de wensen en de klantreis van woningeigenaren. De markt dagen wij uit om met aantrekkelijke pro­ducten en dienstverleningsconcepten te ko­­­men, zodat woningeigenaren in één pakket goede informatie en advies krijgen, een kwalita­ tief goed, betrouwbaar en betaalbaar aanbod krijgen en gedurende de klantreis ontzorgd wor­ den. Wij willen het woning­eigenaren hiermee zo mak­kelijk mogelijk maken om aan de slag te gaan. Aanpak energie-armoede Stijgende energiekosten zijn een probleem voor een groeiende groep huishoudens. Er wordt van

WoonWijzerWinkel (bron: www.woonwijzerwinkel.nl)

‘energie-armoede’ gesproken als huishoudens met lage inkomens meer dan 10 procent van hun besteedbaar inkomen kwijt zijn aan hun energierekening. Zowel met de gebiedsaanpak als met de stadsbrede aanpak willen wij onze maatregelen hierop toespitsen. Wij zijn voor­nemens hier energiecoaches op in te zetten. Prestatie-afspraken met woningcorporaties Jaarlijks maken of actualiseren de gemeente, woningcorporaties Waterweg Wonen en Samenwerking en hun bijbehorende huurdersraden prestatieafspraken. Prestatieafspraken zijn afspraken over de bijdrage van de corporaties aan de woonvisie van de gemeente. Onderdeel hiervan zijn afspraken over een energiezuinige woningvoorraad, duurzaam bouwen en slopen

en bewustwording en het stimuleren van duurzaam en energiebewust gedrag. 5.2.3 Aanpak van verschillende vastgoedtypen Commercieel vastgoed Een aanzienlijk deel van de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving komt van bedrijven, kantoren en ander commercieel vastgoed. Deze moeten in 2050 eveneens aardgasvrij zijn, zowel voor verwarming als in de productieprocessen. De gemeente kiest voor een ondersteunende en toezicht en handhavende rol. Bedrijven en instellingen met een groot­ener­­ gie­verbruik zijn verplicht om alle energiebe­­­spa­­ rende maatregelen meteen terugverdien­­­tijd van 5 jaar of minder uit te voeren. Dit is de energie­­ besparingsplicht van de wet Milieubeheer. Zij hebben hierover ook informatieplicht: ze moeten aangeven wat hun energieverbruik

is en of energiebesparende maatregelen al dan niet genomen zijn. De DCMR controleert, namens Vlaardingen, bedrijven op het naleven van de informatieplicht en steekproefsgewijs op de uitvoering van de energiebesparende maatregelen. In 2020 heeft ongeveer 41% van de bedrijven aan de informatieplicht voldaan. Door een combinatie van communicatie en aanschrijvingen, willen we er zorg voor dragen dat alle inrichtingen daar als­nog aan voldoen, met als streven 95% in 2024. Op grond van het huidige Bouwbesluit (straks het BBL) moeten in 2023 ongeveer 132 kantoorgebouwen in Vlaardingen voldoen aan de Label C verplich­­ting. Op dit moment hebben 67 kantoorgebouwen het Label C of beter. Het toetsen hierop is een verplichte taak van de gemeente per 1 januari 2023. Een voorbeeld van onze ondersteunen­de rol is­het mede subsidiëren van het initiatief van de Green Business Club Waterweg. Bedrijventerreinen ’t Scheur/Koggehaven en Deltaweg/KW Haven ontvangen gemeentelijke en provinciale subsidie voor collectieve verduurzaming waar de thema’s energietransitie, circulariteit, mobiliteit en klimaat­adaptatie centraal staan. Naast samenwerking met de Green Business Club Waterweg ondersteunt de gemeente in samenwerking met RVO en de provincie ondernemers met kennis en informatie over wet- en regelgeving en subsidiemogelijkheden en biedt

inspirerende voorbeelden. Daar waar mogelijk werken we mee aan een aanpak die bedrijven helpt om aan landelijke besparingsnormen te voldoen en die ze helpt om de overstap naar aardgasvrij te maken. Maatschappelijk en gemeentelijk vastgoed In het Klimaatakkoord hebben twaalf secto­ren in het maatschappelijk vastgoed (Rijksvast­ goedbedrijf, gemeenten, provincies, Politie, PO en VO, MBO, HBO en WO, zorg- en sportvastgoed en monumenten) afgesproken ieder een Sectorale Routekaart op te stellen waarin duidelijk wordt op welke wijze het vastgoed in die sector CO2-arm en aardgasvrij wordt gemaakt richting 2050. Vermindering van het energie­ gebruik is daar een eerste stap in. Een deel van dit maatschappelijk vastgoed is niet in eigendom van de gemeente. Daarvoor geldt dat wij de betreffende vastgoedeigenaren willen stimuleren en ondersteunen bij hun verduurzamingsopgave. Dat hebben we de afgelopen jaren al gedaan voor meerdere sportaccommodaties in Vlaar­ dingen. In de Kadernota Sport en Bewegen (2020) hebben we afgesproken dat we gaan voor duurzame en toekomstbestendige sport­ accommodaties. Met inzet van expertise blijven wij amateursportverenigingen ondersteunen bij het aanvragen van regelingen (o.a. regeling

Transitievisie Warmte VLAARDINGEN [2022-2026]

31.

‘stimulering bouw en onderhoud sportaccom­ modaties’ (BOSA) waarmee duurzame maat­ regelen worden gestimuleerd. In samenwerking met de schoolbesturen voe­ r­en we ons Integraal Huisvestingsplan (IHP) uit, een plan om de komende 10 jaar voldoende capaciteit te hebben om alle leerlingen die in Vlaardingen naar school gaan te huisvesten. Daarin zijn pakketten van maatregelen opgenomen om onder andere de energieprestaties te verbeteren middels isolatie, ledverlichting en warmteterugwinning. Hiermee willen we tevens voldoen aan onze wettelijke zorgplicht. Een deel van het maatschappelijk vastgoed is in eigendom van de gemeente Vlaardingen. Dit betreft ambtelijke huisvesting, sportaccommodaties, monumenten en cultureel vastgoed. De Sectorale Routekaart Maatschappelijk Vast­goed voor gemeenten geeft op hoofdlijnen de aanpak hoe gemeenten in een periode van 30 jaar de ambitie uit het Klimaatakkoord kunnen realiseren en vormt ons startpunt. We stellen een routekaart op waarin staat op welke wijze we ons vastgoed CO2-arm en aardgasvrij maken richting 2050. We benoemen verschillende scenario’s betreffende de verduurzaming, variërend van wat wettelijk nodig is tot een meer ambitieuze variant. Daarbij brengen we kosten in beeld en geven we tevens een doorkijk naar de baten. We hebben al geïnventariseerd welke daken qua constructie geschikt zijn om te 32.

Warmtetransportleiding (bron: www.warmtelinq.nl)

vergroenen en/of zonnepanelen op te plaatsen. Zo is onlangs het dak van het Havenkantoor binnen bestaand budget vergroend. Voor alle dienstpanden geldt dat op het moment dat de daken vervangen moeten worden, er gekeken wordt of zo’n dak binnen het budget MJOP verduurzaamd kan worden. In het MJOP nemen we ook LED-verlichting en andere energiebesparende maatregelen mee. In MVS-verband werken we aan groene inkoop van gemeentelijke

energie. We zijn ook scherp op hoeveel kantoorruimte we nodig hebben. Onze routekaart biedt een lange termijnperspectief dat richting geeft aan de keuzes die we op de korte termijn maken. In de routekaart Sport worden de volgende hoofdambities benoemd: 1. Alle sportaccommodaties CO2-arm; 2. Gebruik van circulaire materialen; 3. Milieuvriendelijk terreinbeheer en 4. Klimaatadaptieve sportomgeving.

5.2.4 Regionale infrastructuur warmte: WarmtelinQ In de regio Rotterdam Den Haag is het poten­­­ tiële aanbod van restwarmte en geothermie bijna twee­maal zo groot als de warmtevraag. De ideale uitgangspositie om warmte zowel binnen, als met aangrenzende regio’s uit te wisselen. Een regionale warmte-infrastructuur en een betrouwbaar warmtesysteem voor het verdelen en opslaan, zijn dus noodzakelijk. Hoe dit eruit komt te zien leggen we vast in de Regionale Structuur Warmte die we tevens verankeren in de instrumenten vanuit de Omgevingswet. Ons vertrekpunt is om gebruik te maken van wat er in de regio al gebeurt, zoals het verder ont­wikkelen van warmtenetten. We werken samen met andere gemeenten om de gezamenlijke vraag en de (potentiële) beschikbaarheid van bronnen te bepalen. Dit vormt regionale input om ­in­­ves­­teringsbeslissingen te maken over de nood­­­­­­­za­kelijke transportstructuur. De bronnen­strategie geeft richting aan de

inzet, ver­de­ling en verduurzaming van regio­ nale warmte­­­bronnen, zowel binnen de regio als met de nabijgelegen energieregio’s. Gasunie legt een warmtetransportleiding aan van Rotterdam, via Vlaardingen naar Den Haag en mogelijk Leiden en Westland (WarmtelinQ). Deze leiding sluit vooralsnog aan op de bestaande Leiding over Noord in Vlaardingen en krijgt later ook nog voeding van­af de Vondelingenplaat met een geprojecteerde leiding langs de Marathonweg. Vlaardingen heeft een bijzondere geogra­­ fische positie in het netwerk omdat de lei­dingen richting de grote afzetgebieden (Den Haag en Rotterdam) gaan. Dit biedt kansen om ook in Vlaardingen woningen aan te sluiten. Met Gasunie worden afspraken gemaakt over de samenwerking voor de aan­ leg van de leiding. In deze Transitievisie Warmte is onderzocht (maar nog niet besloten) waar en welke woningen mogelijkerwijs worden aangesloten op deze warmteleidingen.

5.3 Nieuwbouw Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG-eisen, Bouwbesluit). Er vindt toezicht plaats op deze eisen en waar nodig verwijzen we partijen naar goede informatie­bronnen over CO2-arme nieuwbouw. Vanaf 1 juli 2018 dient nieuwbouw aardgasvrij te zijn.

5.4 Omgevingswet Bij al ons beleid en projecten denken we na hoe we duurzaamheid en de warmtetransitie naar aardgasvrij een plek geven. Dit is een vast com­ponent in onze bestuurlijke voorstellen. We borgen duurzaam beleid en plannen in de instrumenten van de omgevingswet en geven daarmee richting aan duurzame gebiedsontwikkeling. Bij ruimtelijke planvorming houden we zowel bovengronds als ondergronds rekening met de toekomstige energie- en warmte-infrastructuur. Concreet betekent dit dat we de Regionale Energiestrategie (RES), de Regionale Structuur Warmte (RSW), deze Transitievisie Warmte en de Wijkuitvoeringsplannen gaan verankeren in de instrumenten vanuit de omgevingswet.

Transitievisie Warmte VLAARDINGEN [2022-2026]

33.

5.5 Programmatische aanpak De warmtetransitie is ingewikkeld en vindt niet van de ene op de andere dag plaats. De gebou­ wen en de infrastructuur moeten aangepast­ wor­den en er zijn duurzame energiebronnen nodig. Om dat te realiseren zijn grote investe­­ ringen nodig door professionele partijen, zo­als de woningcorporaties en Stedin, en door be­­wo­ ners. De transitie vraagt om nieuwe vor­men van samenwerken met al die partijen. Die samen­­werking gaat verder dan het naast elkaar uit­­­­­­­­­­­­­­­­­­voeren van projecten of het afstemmen van planningen. Een gebiedsgerichte aanpak en coördinatie is nodig om de samenhang tussen specifieke projecten en opgaven in een gebied te bevorderen en te bewaken. Daarnaast liggen er stevige uitdagingen op samenwerking, strategie, communicatie en participatie en financiering. Bovendien is de warmtetransitie een opgave waarvan we nog niet exact weten hoe die gaat lopen. We moeten flexibel zijn voor verandering. Deze aspecten maken dat de warmtetransitie vraagt om sturing via een programmatische aanpak.

34.

Het doel van het programma is om de warmtetransitie in goede banen te leiden en tegelijkertijd aan te sluiten bij andere opgaven en thema’s in de gemeente en de buurten, zoals de woningbouwopgave, opgaven in het sociaal domein, veiligheid e.d. De gemeente is regisseur van de warmtetransitie en richt als vervolg op deze visie samen met de belangrijkste partners een programmastructuur in met bijbehorende uitvoeringsorganisatie, om de ambities te gaan realiseren. Omdat nog veel onzeker is in de warmtetransitie vraagt de uitvoering van een programma continue aandacht, regie, monitoring en bijsturing. Gelet op de enorme opgave vergt het programma ook een aanzienlijke investering in capaciteit vanuit zowel de gemeentelijke organisatie als haar partners. We willen op een zorgvuldige manier stappen maken in de warmtetransitie. Het programma is gericht op het daadkrachtig werken aan de eerste projecten in de buurten, het c­ oördineren van de warmtetransitie op ge­meente­niveau en het continu opdoen van leererva­ringen voor het vervolgproces.

5.6 Subsidies en financiering Zoals aangegeven, vindt de definitieve invulling van deze uitvoeringsstrategie pas plaats als er duidelijkheid van het Rijk is welke vergoeding wij als gemeente krijgen voor de uitvoering van extra taken uit het Klimaatakkoord, waar­onder deze warmtetransitie. Naast deze geld­stroom zetten we maximaal in op het benutten van Europese, landelijke en provin­ciale subsidies en financieringsregelingen. Het gaat daarbij ­bijvoorbeeld om Europese gelden uit de Green Deal en de Renova­tion Wave en om bestaande en aan­gekondigde landelijke sub­­si­­dies voor energie­besparende maatrege­ len zoals de Investeringssubsidies Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) en laag­ rentende­­leningen uit het Warmtefonds. Daarnaast gaan we vanuit het uitgangspunt dat iedereen mee moet kunnen doen aan de warmte­transitie, de wenselijkheid en haalbaarheid van een eigen gemeentelijk revolverend fonds onderzoeken waaruit laagrentende­ leningen worden verstrekt aan doelgroepen die niet in aanmerking komen voor één van de landelijke laagrentende leningen.

BIJLAGE 1 - Methodiek analyse voorkeursoplossingen Deze bijlage beschrijft de methode die bureau Ecorys heeft toegepast in hun studie in opdracht van de gemeente Vlaardingen om tot de voorkeursoplossingen voor de buurten in Vlaardingen te komen. Het bevat de teksten uit de rapportage van Ecorys die is aangeleverd aan de gemeente. Om inzicht te krijgen in het technische-economisch potentieel van aardgasvrije technieken in de gebouwde omgeving van Vlaardingen is in de eerste helft van 2021 een modelanalyse uitgevoerd.

Uitgangspunten modelanalyse De modelanalyse wordt uitgevoerd met het Vesta MAIS model van het Planbureau voor de Leefomgeving. Dit model berekent de optimale aardgasvrije warmtetechniek op basis van de laagste nationale meerkosten in 2030, binnen de gegeven technische mogelijkheden van de gemeente. Er zijn drie belangrijke uitgangspunten in het model die invloed hebben op de interpretatie van de resultaten: 1. Allereerst gaat het model uit van een aardgasvrije toekomst. Dat betekent dat het model ervan uitgaat dat in 2030 geen aardgas meer beschikbaar is en dus een nieuwe warmtetechniek gevonden dient te worden. In de realiteit is er wel de mogelijkheid om in 2030 nog

aardgas te gebruiken. Het model geeft geen voorspelling van hoe de toekomst eruit ziet, maar schetst een handelingsperspectief voor het aardgasvrij maken van buurten; indien ik buurt x aardgasvrij wil maken, wat is dan de optimale oplossing? 2. Ten tweede selecteert het model de aardgasvrije warmtetechniek voor een buurt op basis van de laagste nationale meerkosten1. De nationale meerkosten van aardgasvrije warmtetechnieken zijn de directe kosten die de maatschappij draagt ten opzichte van de situatie waarbij ‘niets ondernomen’ (dus nog gebruikt zou worden gemaakt van aardgas) zou worden in 2030. De nationale meerkosten geven dus aan welke kosten extra gemaakt moeten worden door de maatschappij om een buurt aardgasvrij te maken ten opzicht van de kosten voor het huidige aardgassysteem. Hierbij dient benadrukt te worden dat de nationale kosten afwijken van de eind­ gebruikerskosten. De kosten die bijvoorbeeld een woningeigenaar betaalt, zijn afhankelijk van het beleid wat gevoerd wordt; welke subsidies ontvangt de woningeigenaar en welke belastingen moeten er betaald worden? Hoe het beleid er in de toekomst precies uitziet, is nog onzeker. Het begrip ‘nationale

kosten’ kijkt niet naar dit herverdelingsvraagstuk. Het model optimaliseert hoe de maatschappij zo min mogelijk kosten maakt, ongeacht de herverdeling van de kosten en baten. In onze analyse geven we wel inzicht in de gemiddelde eindgebruikerskosten per warmtetechniek. De eindgebruikerskosten worden gepresenteerd op basis van de optimalisatie van aardgasvrije warmtetechnieken met de laagste nationale meerkosten. Om deze eindgebruikerskosten te benaderen dient een aanname genomen te worden over het gehanteerde beleid in 2030. Omdat dit nog onzeker is, gaan we uit van het huidige gehanteerde beleid (zie tabel 1 voor een overzicht van de belangrijkste beleids­kenmerken in het model). 3. Ten derde kijkt het model ook naar het technisch-economisch potentiaal voor het isoleren van de gebouwen. Standaard werkt het model met isolatie-eisen (zoals in de Startanalyse). Het model kijkt dan of alle gebouwen binnen een buurt isoleren naar energielabel D of energielabel B in combinatie met een aardgasvrije warmtetechniek een optimale optie is. Dit betekent dat alle gebouwen dezelfde isolatie-eis krijgen opgelegd in een buurt, terwijl 1 Hierbij worden de kosten inzichtelijk gemaakt van; opwekking-, infrastructuren en gebouwgebonden investeringen

Transitievisie Warmte VLAARDINGEN [2022-2026]

35.

Modelanalyse

In het model worden verschillende warmtetechnieken in overweging genomen (elektrische warmtepompen, midden-temperatuurwarmtenetten en hoog-temperatuurwarmtenetten). Om zo nauwkeurig mogelijk het technisch-­ economisch potentieel van de warmtevoorziening in Vlaardingen te benaderen, wordt het model verrijkt met lokale databronnen. Tabel 1

Vervolgens schetsen we hoe de warmtevoorziening in de gemeente Vlaardingen eruit zou kunnen komen te zien in 2030 wanneer de warmtetransitie zich voltrekt volgens de vier scenario’s die gepresenteerd staan in paragraaf 4.1. De gemeentelijke warmtevoorziening die per scenario geconstrueerd is, toont aan welke duurzame warmtetechnieken het meest aantrekkelijk zijn om te implementeren in termen van technisch-economische potentie.

Verrijkte component

Locatie

Bron

Bouweigenschappen

Modelberekening

BAG, Kadaster. Opgehaald mei 2021

Energielabels gebouwen

Modelberekening

EP-online, RVO. Opgehaald mei 2021

Potentie Warmtelinq

Modelberekening

Gesprekken met Gemeente Vlaardingen/Gasunie

Potentie Leiding over Noord

Modelberekening

Gesprekken met Eneco

Potentie RWZI

Modelberekening

Gesprekken met HH Delfland

Potentie geothermie

Modelberekening

Gesprekken met HH Delfland

Verrijkte databronnen

Tabel 1 - Verrijkte componenten in de modelanalyse

36.

De technisch-economische optimalisatie is uitgevoerd met behulp van het Vesta-MAIS model. Figuur 1 laat per scenario zien welke warmte­ techniek er per buurt het hoogste technisch-­ economisch potentieel vertoont. Conform ver­wachting is te zien dat MT-restwarmte relatief vaak als meest aantrekkelijke warmteoptie wordt aangemerkt in scenario’s waarin de gemeente een hoge beschikbaarheid van warmtelevering geniet uit de LON en WLQ (i.e. Scenario 2 en 4). Wanneer uitgegaan wordt van een situatie met een lage beschikbaarheid van restwarmte uit de LON en WLQ dan valt het op dat de elektrische warmtepomp (eWP) en geothermie vaker uit de bus komen als meest aantrekkelijk warmteopties. Uit onderzoek is gebleken dat het theoretisch maximum van de warmteleveringscapaciteit van de LON en WLQ gecombineerd 175 MWth bedraagt. Het Vesta-MAIS heeft berekend dat de gemeente Vlaardingen slechts ~34% (60 MWth) van deze capaciteit nodig heeft om te voldoen aan haar warmtevraag. In het kader van de huidige analyse is 60 MWth dus aangemerkt als een ‘hoge’ beschikbaarheid van restwarmte. Voor het bepalen van de warmteleveringscapaciteit in de scenario’s waarbij er een ‘lage’ beschikbaarheid van restwarmte uit de LON en WLQ bestaat is gekozen voor een 50% reductie. Dit betekent dat de warmteleveringscapaciteit in Scenario 1 en 3 uit de LON en WLQ 30 MWth bedraagt.

In de scenario’s met een hoge beschikbaarheid

1: geen groen gas, lage restwarmte

€40.000.000

2: geen groen gas, hoge restwarmte

Nationale meerkosten (€/per jaar)

presenteert een overzicht van de componenten in de studie die verrijkt zijn. Per component wordt de locatie waar de verrijking plaats vindt aangeven. Bepaalde componenten worden verrijkt in de modelberekening. Het berekende resultaat is een direct gevolg van de verrijking in de modelberekening. Daarnaast zijn er componenten verrijkt in de analyse naar de mogelijke mee­koppelkansen in de warmtetransitie.

30 30

25

25 25

19

20 20 15 15

13

10 10

5

12

55

2

1

2

00

4: SA allocatie groen gas, hoge restwarmte

24

25 25 20 20 15 15

13

10 10

5 2 s1a s1b

1 s2a

s2b

s3a

3

3

55

5 2

00

s4a

s4b

s1a s1b

1 s2a

s2b

s3a

3 s4b

5

s4b

Warmteoplossing s1a: eWP - lucht

s2a: MT - restwarmte s3a: LT - restwarmte

s1b: eWP - bodem s2b: MT - geothermie s4a: hWP met groen gas Figuur 1 - Aantal buurten met warmtetechniek

€36.505.391 €36.541.143

€35.000.000

€34.992.365

€30.000.000 €25.000.000 €20.000.000 €15.000.000 €10.000.000 € 5.000.000 1

1

30 30

13

€38.096.782

2

scenario

3

4

Figuur 2 - Meerkosten per scenario

3: SA allocatie groen gas, lage restwarmte

aantal

de optimale energielabelsprong van individuele gebouwen kan verschillen. Daarom hebben we het model zo ingesteld dat voor elke woning individueel kan worden afgewogen welk isolatieniveau het meest optimaal is (op basis van laagste nationale meerkosten), met de voorwaarde dat de woning minimaal energielabel D of hoger is. De voorwaarde voor utiliteitsgebouwen is verhoogd naar minimaal energielabel B of hoger, omdat utiliteitsbouw moet voldoen aan een energielabelverplichting in 2030.

s4b: HR-ketel met groen gas

van groen gas valt op dat de hybride-warmte­ pomp (hWP) en de HR-ketel op groen gas ­vaker worden aangemerkt als aantrekkelijke warmte­­ optie. Dit ligt ook in lijn der verwachting ­om­dat de beschikbaarheid van groen gas een belang­ rijke determinant is van het technisch-­econo­ misch potentieel van deze warmteopties. Op basis van de door het Vesta-model aangeleverde verdeling van warmtetechnieken per scenario kan er berekend worden wat hiervan de jaarlijkse nationale meerkosten zijn. De ge­­ presenteerde meerkosten betreffen de kosten die bovenop de kosten komen die momenteel ­ge­maakt worden met betrekking tot het garanderen van een stabiele warmtelevering in de gemeente Vlaardingen. De gemiddelde jaarlijkse nationale meerkosten over de scenario’s heen bedragen circa € 36,5 miljoen. Figuur 2 laat zien wat deze meerkosten bedragen per scenario.

Transitievisie Warmte VLAARDINGEN [2022-2026]

37.

Strategievariant

Strategievariant

s1a: eWP - lucht s1b: eWP - bodem s2a: MT - restwarmte s2b: MT - geothermie s3a: LT - restwarmte

s1a: eWP - lucht s1b: eWP - bodem s2a: MT - restwarmte s2b: MT - geothermie s3a: LT - restwarmte

Figuur 3 t/m 6 presenteren de uitkomsten van deze model­ analyse voor de vier scenario’s.

BIJLAGE 2 - Methodiek selecteren Startbuurten Samen met de in de colofon genoemde samenwerkingspartijen hebben we gewerkt aan een Afwegingskader dat als middel helpt om de buurten in Vlaardingen te prioriteren. Het doel was om hiermee te komen tot drie buurten waarin we de komende 5 jaar aan Wijkuitvoeringsplannen gaan werken.

Criterium

Wijze van scoren

Weging

Lage nationale meerkosten

Uitkomsten onderzoek van Ecorys. Hoe lager de kosten hoe hoger de score van 1-10

2

Afstand met tweede voorkeurs­oplossing

Verschil voorkeursoplossing en tweede oplossing. Hoe groter het verschil hoe hoger de score van 1-10

2

Eindgebruikerskosten

Modelberekening Gesprekken met Gemeente Vlaardingen/Gasunie

3

Robuustheid van de resultaten

Alle 4 de scenario’s hetzelfde: 10 punten 3 van de 4 scenario’s hetzelfde: 7 punten 2 van de 4 scenario’s hetzelfde: 4 punten Alle vier verschillend: 1 punt

2

Investeringsagenda herbestrating

Gepland voor 2030: 1 punten Nog niet gepland: 10 punten

1

Investeringsagenda woningcorporaties

Aantal woningen in de buurt dat aangepakt wordt tussen 2030 en 2035. Hoe meer woningen hoe hoger de score van 1-10

1

Buurtontwikkeling

Interessante buurtontwikkelingen, zoals integrale aanpak aandachts­ gebieden: 10 punten

2

Lokale buurtinitiatief

Aanwezigheid van buurtinitiatief: 10 punten. Aandachtsgebieden 5 punten

1

Sociale karakteristieken

Gemiddeld inkomen in de wijk

0

Contracteerbaarheid

Aandeel woningcorporatiebezit. Hoe hoger het aandeel hoe hoger de score van 1-10

1

Onderhoud gasleidingen

Wel onderhoud voorzien voor 2030: 1 punt. Geen onderhoud voorzien: 10 punten

1

Afwegingskader Figuur 3 - Voorkeursoplossingen scenario 1 Strategievariant

Strategievariant

s1a: eWP - lucht s1b: eWP - bodem s2a: MT - restwarmte s2b: MT - geothermie s3a: LT - restwarmte s4a: hWP met groen gas s4b: HR-ketel met groen gas

s1a: eWP - lucht s1b: eWP - bodem s2a: MT - restwarmte s2b: MT - geothermie s3a: LT - restwarmte s4a: hWP met groen gas s4b: HR-ketel met groen gas

Figuur 5 - Voorkeursoplossingen scenario 3

38.

Figuur 4 - Voorkeursoplossingen scenario 2

Figuur 6 - Voorkeursoplossingen scenario 4

Allereerst hebben we met elkaar 11 criteria geformuleerd die we belangrijk vinden om buurten te prioriteren. Vervolgens hebben we per criterium aangegeven of we deze een weging 0, 1, 2 of 3 meegeven. De criteria (voor toelichting, zie Bijlage A), wijze van scoren en wegingen zijn als volgt:

Transitievisie Warmte VLAARDINGEN [2022-2026]

39.

De toelichting op de criteria is als volgt: Criteria

Toelichting

Lage nationale meerkosten

De nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om in een buurt een strategie uit te voeren. De kosten zijn inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het is bedoeld als indicatie van de kosten die in Nederland gemaakt worden door alle partijen gezamenlijk voor de uitvoer van een strategie. Het maakt bij de nationale kosten namelijk niet uit wie het betaalt, dus ook niet als de Rijksoverheid een deel van de kosten op zich neemt. De nationale kosten van de verschillende strategieën zijn een verstandig uitgangspunt voor het maken en eventueel bijstellen van de afweging. Hierbij geldt over het algemeen: hoe lager de nationale kosten en/of eindgebruikerskosten, hoe gemakkelijker een buurt aardgasvrij te maken is. Voor dit criterium is gekeken naar het scenario waarin er voldoende warmte en groen gas aanwezig is (scenario 4).

Afstand met tweede voorkeurs­oplossing

Bij dit criterium wordt gekeken hoeveel duurder de nationale meerkosten zijn van de tweede voorkeursoplossing (dus de een-na-goedkoopste) in scenario 4. Hoe groter deze afstand, hoe robuuster de uitkomst van de voorkeursoplossing.

Eindgebruikerskosten

De eindgebruikerskosten zijn de kosten die een huishouden jaarlijks maakt voor de verduurzaming van een woning ten opzichte van de startsituatie, minus de jaarlijkse baten die hier tegenover staan. Bij deze berekening spelen belastingen, heffingen en subsidies wel een belangrijke rol. Hoe lager deze kosten, hoe gemakkelijker een buurt aardgasvrij te maken is.

Robuustheid van de resultaten

De robuustheid van de resultaten bepaal je door te analyseren hoe zeker je kunt zijn dat de technische oplossing die je kiest de juiste is voor de buurt. Mocht je van bepaalde buurten heel zeker zijn dat een bepaalde strategie de meest logische en betaalbare keuze is, dan kan dit een goede reden zijn om in die buurten als eerste aan de slag te gaan. Dit criterium is gemeten door de vier scenario’s van de technisch-economische analyse met elkaar te vergelijken. Hoe vaker dezelfde technische oplossing eruit komt, hoe robuuster deze is.

Investeringsagenda herbestra­ De natuurlijke investeringsmomenten van vervanging/uitbreiding van bestaande infrastructuur (waaronder herbestrating, ophoging en riolering) of inrichting van de openbare ruimte. ting en rioleringsvervanging

De weging voor sociale karakteristieken (gemiddeld inkomen) hebben we op 0 gezet, waardoor dit criterium in het afwegingskader nog niet mee telt. In dit stadium van de warmtetransitie acht de gemeente het nog niet verstandig om te bepalen of er gestart wordt in de “draagkrachtiger” buurten of juist niet. Voor maatschappelijke kosten is als uitgangspunt scenario 4 genomen vanuit het rapport van Ecorys. In dit scenario is de aanname dat in de toekomst voldoende duurzame warmte en groen gas aan­ wezig is.

Uitkomsten afwegingskader De top 10 buurten uit het Afwegingskader zijn: Nr.

NB: Voor deze top 10 zijn bedrijventerreinen of natuur/sportgebieden niet meegenomen. Dit zijn immers gebieden met weinig ­wo­ningen. Diversiteit in de Startbuurten is van belang om een optimaal leereffect te creëren. De Pro­ject­ groep stelt daarom voor om in ieder geval een buurt met veel particulier bezit en een buurt met veel woningcorporatiebezit te kiezen als Startbuurten. Vanuit deze diversiteit valt de Drevenbuurt en de Hoofdstedenbuurt op. De Drevenbuurt met vooral particulier bezit komt hoog in het Afwegingskader (met name vanwege relatief lage maatschappelijke kos­ten en eindgebruikerskosten) en bevat een bewo­ nersinitiatief (Duurzaam op Dreef ) dat al actief

Buurt

Score

1

Hoofdstedenbuurt

6,51

2

Zuidbuurt

5,44

3

Vettenoordse Polder Oost

5,27

4

Drevenbuurt

5,09

5

Loper Noord

4,85

6

Vogelbuurt Zuid

4,78

Investeringsagenda woning­ corporaties

De natuurlijke herinvesteringsmomenten van de woningcorproraties met betrekking tot het renoveren van vastgoed

Buurtontwikkeling

De gemeentelijke agenda voor aanpak van verschillende buurten. Bijvoorbeeld starten in één van de vier aandachtsgebieden. In welke buurten wordt begonnen om deze te herontwikkelen, op te waarderen en toekomstbestendig te maken?

Lokaal buurtinitiatief

De burgerinitiatieven in bepaalde buurten die je als vliegwiel kunt gebruiken voor de warmtetransitie in de gehele gemeente.

Sociale karakteristieken

Deze gegevens kunnen inzicht geven in de mate waarin bewoners in de buurt ontvankelijk zijn om van het aardgas af te gaan, en de eindgebruikerskosten daarvan te dragen. Voor dit criterium hebben we gekeken naar het gemiddeld inkomen van de buurt.

Contracteerbaarheid

In buurten waar een relatief beperkt aantal partijen een groot deel van het vastgoed bezit, wordt het contracteren van de warmtevraag eenvoudiger, omdat de gemeente maar met een beperkt aantal partijen afspraken hoeft te maken.

7

Vogelbuurt Noord

4,73

8

Kruidenbuurt

4,72

De vervangingsagenda van de bestaande gasnetten van Stedin. Wanneer gasnetten nog niet vervangen hoeven te worden, maakt dit een gebied kansrijker in de prioritering. De af te schrijven waarde van het gasnet is dan immers lager dan dat er net een nieuw gasnet is aangelegd.

9

Babberspolder Oost

4,71

10

Maasboulevard

4,55

Onderhoud gasleidingen

40.

is met de verduurzaming van de wijk. De Hoofd­ stedenbuurt is geëindigd als hoogste buurt in het Afwegingskader. Deze buurt valt op vanwege de lage maatschappelijke kos­ten en is volledig woningcorporatiebezit. NB: Het is van be­lang om bij de demarcatie van dit gebied in het Wijkuitvoeringsplan ook te bezien of het in­te­ ressant is om ook een deel van de omliggende buurten (zoals de Hoevenbuurt en de Vogelbuurt) te betrekken wegens soortgelijke bebouwing. Voor wat betreft de derde Startbuurt stelt de gemeente voor om hier in 2024 een keuze over te maken. Het Afwegingskader laat geen duidelijke derde buurt zien. Veel buurten scoren heel dicht bij elkaar. We achten het op dit moment te prematuur om een derde Startbuurt hiervoor te benoemen. We vinden het wel van belang dat er een derde startbuurt in dit tijdvak komt.

Transitievisie Warmte VLAARDINGEN [2022-2026]

41.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10872062/1