CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsmemo Warmteprogramma NRD voor plan-MER

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Warmteprogramma NRD voor plan MER15.291 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De mogelijke verstorende effecten van bijvoorbeeld de ventilatoren op nachtdieren als vleermuizen hoeven niet in de NRD meegenomen te worden. Dit vormt mogelijk later een onderdeel van een volgend SMP en/of van vergunningverlening. Er worden geen negatieve effecten verwacht - door bijvoorbeeld aantasting – op de natuurgebieden in de Natuurnetwerk Nederland (NNN). In Vlaardingen liggen deze gebieden aan de buitenranden van de gemeente en daar zijn geen warmteleidingen voorzien.

3.3.9 Circulariteit In de effectenstudies op het thema circulariteit brengen we de effecten in beeld aan de hand van de materiaalgebonden impact van het warmtesysteem uitgedrukt in de Milieukostenindicator (MKI) en de uitstoot van CO2-equivalenten in de aanlegfase. Bij het circulair materiaalgebruik wordt onderzocht hoeveel secundaire materialen worden gebruikt en het hergebruik van de materialen na de levensduur. Hierbij wordt alleen gekeken naar het materiaal dat binnen de gemeente Vlaardingen hergebruikt kan worden. Industriële warmtebronnen kunnen de circulariteit bevorderen door het hergebruik van industriële restwarmte, maar het totaal materiaalgebruik blijft hoog door de benodigde infrastructuur.

22

3.3.10 Ruimtelijke kwaliteit De impact op ruimtelijke kwaliteit wordt in kaart gebracht aan de hand van de zichtbaarheid en beleving van de hoeveelheid individuele technieken die zichtbaar is vanuit de openbare ruimte en wat dat doet met de beleving van deze ruimte. Denk hierbij bijvoorbeeld aan warmtepompen die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Daarbij wordt de impact op de ruimtelijke kwaliteit in kaart gebracht van de oplossingen voor respectievelijk netcongestie en leveringszekerheid.

3.3.11 Ruimtegebruik Ten eerste gaat het hier om het bovengrondse ruimtegebruik en inpasbaarheid in de openbare ruimte van de technieken. Specifiek om het totale bovengrondse benodigde ruimtegebruik in m² van de technieken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ruimte die nodig is voor een nieuw warmteoverdrachtstation. Vervolgens is voor inpasbaarheid in de openbare ruimte de vraag of en hoe de benodigde m² voor de technieken passen in de openbare ruimte. Oftewel, past het benodigde aantal m2 in de beschikbare ruimte. Specifiek wordt gekeken naar de impact op de bestaande hoeveelheid groen en in hoeverre dat ten koste gaat van de nieuwe energie-infrastructuur. Ten tweede gaat het hier om ruimtegebruik vanuit de netcongestie Netcongestie houdt in dat er meer elektriciteit opgewekt of gevraagd wordt, dan het elektriciteitsnet aankan. In Vlaardingen hebben we in lichte mate te maken met netcongestie. Op dit moment (zomer 2025) ligt Vlaardingen wat de afname van elektriciteit betreft in een gebied ‘in onderzoek met wachtrij’.6 Een MER is gericht op het beoordelen van milieueffecten, of breder gezegd leefomgevingseffecten. Netcongestie is niet te zien als een milieu- of leefomgevingseffect dat een gevolg is van het Warmteprogramma.

Maar, de onderzochte technieken hebben wel gevolgen op de netcapaciteit en de netcongestie, en de oplossing van de netcongestie vraagt om ruimte (denk aan transformatorhuisjes en opslag). Dit ruimtebeslag kan ook weer milieugevolgen hebben. Daarom willen we het aspect netcongestie wel meenemen. Per techniek willen we daarom de kans op netcongestie beschrijven, de oplossing die dat vraagt en het ruimtebeslag dat daarmee gepaard gaat. Ten derde gaat het hier om ruimtegebruik vanuit leveringszekerheid. We zijn in Nederland gewend (en verwend) geraakt aan een energievoorziening die altijd en overal betrouwbaar is. Maar dat gaat veranderen en heeft effect op twee andere energienetwerken. Niet alleen neemt de belasting van het electriciteitsnetwerk toe (zie hiervoor bij netcongestie), maar ook de betrouwbaarheid komt in het geding. Simpel gezegd: teveel is niet goed, maar te weinig ook niet. Tot en met 2030 blijft de leveringszekerheid van elektriciteit hoog, mede door goede verbindingen met het buitenland. Na 2030 neemt de leveringszekerheid af, want in Nederland en in de meeste landen in Europa is de ontwikkeling ingezet van verdere elektrificatie van de samenleving, een afname van elektriciteitsproductie uit kolen- en gascentrales en een toename van het aandeel zon- en windenergie. Hiermee wordt het Europese en Nederlandse elektriciteitssysteem in

6

23

Zie voor de laatste stand: https://data.partnersinenergie.nl/capaciteitskaart/totaal/afname .

toenemende mate weersafhankelijk. De combinatie van deze ontwikkelingen leidt op termijn tot een afname van de leveringszekerheid7. Bij een collectief warmtenetwerk is de gemeente actief betrokken als het gaat om leveringszekerheid. Warmtebedrijven zijn verplicht de levering van warmte te verzekeren. De gemeente toetst of een warmtebedrijf dat in een gebied (warmtekavel) een collectieve warmtevoorziening wil exploiteren de leveringszekerheid kan borgen. Het warmtekavel wordt door de gemeente vastgesteld en de omvang zal zodanig moeten zijn dat de leveringszekerheid verzekerd is. Net als hiervoor bij netcongestie, is leveringszekerheid niet te zien als een milieu- of leefomgevingseffect dat een gevolg is van het Warmteprogramma. Maar, de onderzochte technieken hebben wel gevolgen op en te maken met de leveringszekerheid en ook hier vraagt de garantie van leveringszekerheid om ruimte (denk aan opslag). Dit ruimtebeslag kan ook weer milieugevolgen hebben. Daarom willen we het aspect leveringszekerheid wel meenemen. Daarbij komt onze nieuwe rol als gemeente om te toetsen op leveringszekerheid van warmte, waardoor we meer kennis en grip op dit onderwerp willen hebben. Per techniek willen we de afhankelijkheid van leveringszekerheid beschrijven, de oplossing die dat vraagt en het ruimtebeslag dat daarmee gepaard gaat.

3.3.12 Archeologie en cultuurhistorie Voor archeologie en cultuurhistorie wordt gekeken naar de effecten van de plannen in het Warmteprogramma op aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden, waarbij specifiek aandacht is voor de impact van bodemenergie (zie ook hiervoor bij bodem).

3.3.13 Verkeer De aanleg en het gebruik van de technieken zal verkeersbewegingen met zich meebrengen. De impact op verkeer in de aanleg- en gebruiksfase kan verschillen voor type verkeer (gemotoriseerd, fietsers en voetgangers) afhankelijk van de gebruikte techniek. Daarbij wordt gekeken naar de verkeersintensiteiten. Het gaat hier met name om de plaats van de benodigde infrastructuur in het straatprofiel.

3.3.14 Sociale omgeving en gezondheid Voor een gemeente als Vlaardingen waar energiearmoede speelt en de sociale cohesie onder druk kan komen te staan, zijn de sociale effecten van het warmteprogramma relevant. Sociale effecten worden ook door de Commissie mer gezien als een relevant onderdeel van een mer. Vandaar dat we de sociale effecten van het warmteprogramma meenemen. De Omgevingsvisie van Vlaardingen signaleert uitdagingen op het gebied van gezondheid en legt de ambitie vast van een gezonde, veilige en uitnodigende openbare ruimte. De ambitie is nog niet concreet gemaakt. In de uitwerking van de Omgevingsvisie (zie pag. 146) wordt dan ook aandacht gevraagd voor een verdieping van de gezondheidseffecten, door inzicht te krijgen in huidige en toekomstige effecten van industrie en consequenties van energietransitie en transitie naar een circulaire economie.

7

24

Bron: Monitor Leveringszekerheid 2024 van TenneT

Voor het warmteprogramma is met name het tegengaan van hittestress relevant waarmee extra sterfte bij hittegolven kan worden voorkomen. Verder spelen het beperken van bijvoorbeeld luchtverontreiniging en geluidhinder, maar ook de inrichting van de leefomgeving. Een gezonde leefomgeving nodigt immers uit tot bewegen, andere mensen ontmoeten en is prettig om in te wonen. Deze aspecten zijn hiervoor aan de orde gekomen, maar worden onder de noemer gezondheid bijeengebracht.

3.4

Beoordelingskader

Tabel 3.2 geeft een overzicht van de onderzoeksthema’s die in het MER aan bod komen en de aspecten waarnaar wordt gekeken per thema. De indicatoren laten vervolgens zien aan de hand van welke aspecten deze beoordeeld worden. In de NRD wordt een aanzet gedaan voor de verschillende indicatoren. Als nodig, wordt gaandeweg in het MER een verdere uitwerking van de indicatoren bepaald. Het benodigde type onderzoek is per indicator op hoofdlijnen bepaald (kwalitatief of kwantitatief). Doordat het gaat over een abstracter programma voor de hele gemeente en niet over een ontwerp van een techniek voor een wijk, buurt of straat, is het niet realistisch de alternatieven volledig door te rekenen. Desondanks wordt bij verschillende thema’s zoals bijvoorbeeld lucht, geluid en trillingen, verkeer en natuur en biodiversiteit ook bij kwalitatief onderzoek gebruik gemaakt van onderbouwde schattingen en kentallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de benodigde hoeveelheid verkeersbewegingen voor het aanleggen van een warmtenet of de verwachte hoeveelheid geluidbelasting als gevolg van een warmtepomp in de gebruiksfase.

25

Tabel 3.2 Beoordelingskader Thema Aspect Indicator

Geluid Trillingen

Cumulatieve geluidshinder Trillingen Bodemkwaliteit

Bodem

Lucht

Ondergronds ruimtegebruik Aardkundige waarden Luchtkwaliteit Koelte

Koelte en hitte Hitte

Oppervlaktewater Grondwater Water Drinkwater Duurzaamheid

CO2 Beschermde gebieden

Natuur

Circulariteit

Ruimtelijke kwaliteit

Ruimtegebruik

Archeologie en cultuurhistorie Verkeer

Beschermde soorten Circulair materiaalgebruik Zichtbaarheid en beleving

Bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte Archeologische waarden Cultuurhistorische waarden Verkeersintensiteit Sociale effecten

Mens

Gezondheid

26

Merkbare toename geluidsbelasting door benoemde technieken in dB Hinder of schade door trillingen bij de aanleg Impact benoemde technieken en het gebruik van bodembedreigende stoffen op biologische en chemische bodemkwaliteit en zetting Impact en inpasbaarheid benoemde technieken op het ondergronds ruimtegebruik en op aardkundige waarden Behoud van aardkundige waarden (indien van toepassing) Uitstoot van fijnstof (PM10 en PM2,5) Effect van maatregelen gericht op warmte voor de koelte in de stad, voorzover deze effecten nadelig kunnen zijn voor mens en milieu. Effect van maatregelen gericht op koelte voor de hitte in de stad, voorzover deze effecten nadelig kunnen zijn voor mens en milieu. Thermisch effect op waterleven De hydrologische en thermische impact op grondwaterkwaliteit Impact op de kwaliteit van het drinkwater in nabijgelegen leidingen van benoemde technieken. CO2 uitstoot per hoeveelheid gebruikte warmte

Type onderzoek (PM nog nader te bepalen i.o.m. onderzoeksbureau) Kwalitatief o.b.v. openbare data Kwalitatief Kwalitatief

Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief

Kwalitatief

Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwantitatief

Impact op instandhoudingsdoelstellingen van Natura2000-gebieden. (direct effect) Stikstofdepositie op stikstof-gevoelige habitattypen in Natura2000 gebieden (indirect effect) Effecten op beschermde soorten

Kwalitatief

Materiaalgebonden impact van het warmtesysteem uitgedrukt in de Milieukostenindicator (MKI) en de uitstoot van CO2-equivalenten. Verrommeling van de buitenruimte door de techniek Verrommeling van de buitenruimte door de oplossing voor netcongestie Verrommeling van de buitenruimte door de oplossing voor leveringszekerheid Ruimtebeslag van de techniek Ruimtebeslag door de oplossing voor netcongestie Ruimtebeslag door de oplossing voor leveringszekerheid Behoud archeologische waarden

Kwalitatief

Behoud cultuurhistorische waarden

Kwalitatief

Mate van verkeershinder (gemotoriseerd, fietsers en voetgangers. Dit is een tijdelijke situatie tijdens aanleg. Gevolgen voor de sociale cohesie, de sociale veiligheid, de toegankelijkheid, gevarieerdheid, betaalbaarheid van publieke ruimten en voorzieningen, en de gevolgen voor kwetsbare bevolkingsgroepen zoals kinderen, ouderen en zieken. Bovenstaande indicatoren voor hitte, lucht, geluid en leefomgeving bijeengenomen.

Kwalitatief

Kwalitatief

Subjectief

Kwantitatief mbv netcongestietool

Kwalitatief

Kwalitatief

3.5

Punten die buiten de scope van het MER vallen

3.5.1 Isolatie gebouwen Isolatie maakt integraal deel uit van het Warmteprogramma en vormt een uitgangspunt van de warmtestrategie. De isolatiegraad van wijken en gebouwen bepaalt in belangrijke mate de haalbaarheid en betaalbaarheid van technieken en is daarmee medebepalend voor zowel de techniekkeuze als de milieueffecten. Daarom zal de gemeente, eigenaren en coöperaties blijven stimuleren om slecht geïsoleerde woningen (Label E-G) te blijven isoleren. Het Warmteprogramma inventariseert de isolatiegraad van wijken en gebouwen en onderzoekt de verbetermogelijkheden, aangezien deze een randvoorwaarde kunnen vormen voor de gekozen techniek. Isolatie is echter woningafhankelijk, terwijl het MER op gemeente- en buurtniveau opereert. Ecologische effecten van isolatie op beschermde soorten worden geborgd via het gemeentelijke Soortenmanagementplan. Gezien het detailniveau en de beperkte vergelijkbaarheid worden deze effecten niet in het MER beoordeeld; wel wordt het effect van isolatie op gasverbruik, haalbaarheid en betaalbaarheid betrokken.

3.5.2 Warmtedragers Waterstof en groen gas worden in Vlaardingen niet als optie beschouwd voor vervanging van het aardgas in de gebouwde omgeving, in lijn met het advies van het ministerie van IenW. Waterstofgas en groen gas zijn wel in beeld voor piekvermogen, bijvoorbeeld bij de elektriciteitsopwekking (als er veel stroom nodig is de warmtepomp-vraagpieken) en ook voor de piekketels die worden ingezet voor de piekvraag van warmtenetten.

3.5.3 Netcongestie en niet-duurzame opwek De toename in stroomvraag bij een all-electric (warmtepomp-) oplossing en het risico dat deze elektriciteit niet duurzaam wordt opgewekt en over een vol stroomnet vervoerd moet worden naar de gemeente Vlaardingen, vallen buiten de scope van de effectbeoordeling. Deze toename en dit risico zijn weliswaar niet uit te sluiten, maar de gemeente Vlaardingen heeft er zelf geen grip op en vanuit het nationale beleidskader wordt er alles aan gedaan om de opwekking duurzaam te maken, de netcongestie te verminderen en de collectieve warmtenetten te stimuleren. Deze nationale inzet is een belangrijke randvoorwaarde voor het succes van alle warmteprogramma’s, voor de MER veronderstellen we dat de nationale inzet succesvol is en dat de netcongestie op termijn wordt opgelost. De opwekking van zonthermie, wind- en zonenergie maakt geen onderdeel uit van het Warmteprogramma en vallen daarom buiten de scope van het MER voor het Warmteprogramma. Wel zal de overstap van aardgas naar sommige warmtetechnieken zorgen voor een additionele vraag naar elektriciteit. In het MER is relevant om een inschatting te maken van de mate waarin er vanuit een bepaalde techniek behoefte is aan extra duurzame elektriciteit en welke ruimte daarvoor nodig is (zie hiervoor). Omdat kernenergie niet in Vlaardingen ruimte zal gaan vragen, valt deze techniek hier evenmin onder. 27

3.6

Referentiesituatie

In het MER worden de milieueffecten van het Warmteprogramma van de gemeente Vlaardingen beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie: Dat is de huidige situatie inclusief de autonome ontwikkeling. Voor Vlaardingen wordt als referentiesituatie de huidige situatie van het plangebied en omgeving beschreven en wordt aangegeven wat de zogenaamde autonome ontwikkelingen zijn. Dit zijn de ontwikkelingen die hier de komende 20 à 25 jaar plaats zullen vinden, waar al een besluit over is genomen, zonder dat de voorgenomen activiteit (in dit geval dus het Warmteprogramma) wordt uitgevoerd. Voor Vlaardingen is dat de situatie in 2024. Dit houdt de voortang in van bestaand beleid waaronder de Transitievisie Warmte (TVW) en de Regionale Energie Strategie (RES). Deze beleidsdocumenten bevatten doelen en plannen voor het stimuleren van duurzame energie en het verminderen van CO₂-uitstoot. De uitvoering van dit beleid zal bijdragen aan de autonome verduurzaming van de warmtevoorziening in Vlaardingen. In de TVW zijn twee proefbuurten benoemd die collectief van het gas af gaan; de Drevenbuurt en de Hoofdstedenbuurt. De Drevenbuurt is een buurt in de wijk Holy en loopt als proefbuurt uit de TVW voor op de andere buurten van Vlaardingen. In samenspraak met de bewoners en het warmtebedrijf heeft de gemeente een voorkeur in de Drevenbuurt voor een bronnet (of: ZLT-warmtenet).

Hier krijgen de woningen ook een individuele warmtepomp water/water) om het water uit het bronnet op de gewenste temperatuur te krijgen in huis. Er is nog geen besluit genomen voor de Drevenbuurt, maar we denken dat het ZLT-net door kan gaan. De Hoofdstedenbuurt wordt niet meer als een opzichzelfstaande buurt beschouwd voor een collectief warmtenet met het oog op de te kleine schaal voor een zo’n warmtenet. Deze buurt wordt meegenomen in de plannen voor de gehele wijk Holy. Voor de referentiesituatie nemen we voor de Drevenbuurt de huidige plannen mee, d.w.z. een ZLT-net in de Drevenbuurt met als bron aquathermie, en voor de Hoofdstedenbuurt een MT-warmtenet als onderdeel van de gehele Holy. Er wordt bij de referentiesituatie verder uitgegaan van de volgende uitgangspunten en autonome ontwikkelingen: • Alle huidige warmte-infrastructuur blijft behouden (bijvoorbeeld het aardgasnet, bestaande warmtenetten (er is reeds een klein warmtenet in Park Holy) en bestaande warmtepompen); • De verwachting is dat de komende jaren de mate van isolatie in de pas blijft lopen met het landelijke gemiddelde. De bestaande gebouwen zullen richting 2050 gemiddeld 35 % energie besparen op hun warmtevraag in lijn met de landelijke daling van de warmtevraag voor particulier bezit door isolatie van gemiddeld 1,4% per jaar.

• Binnen de zichtperiode (2026-2036) is verwachting dat de huidige label E, F en G huizen uit de buurten verdwijnen. • De temperatuurstijging door klimaatverandering. Hiervoor worden de KNMI’23klimaatscenario’s als leidend gezien. Voor het vergelijken van de referentiesituatie wordt uitgegaan van 2031 als eindjaar van het warmteprogramma met een 28

doorkijk naar 2050. In de autonome ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de mogelijke uitbreiding van woonwijken, wat een bijhorende toename van de warmtevraag met zich mee zal brengen. In Vlaardingen zijn, naast de Rivierzone en een deel van de binnenstad, nu geen nieuwe woonwijken bekend. MUWI, in de buurt Babberspolder-Oost, telt ook mee in de autonome ontwikkeling. Hier worden ruim ca. 450 sociale huurwoningen gerenoveerd, 250 woningen gesloopt en vervangen door 450 nieuwe woningen (koop en sociale huur. Naast nieuwe woningen, zal een deel van de woningen autonoom kiezen voor aardgasvrij wonen door de ontwikkeling van individuele systemen zoals warmtepompen. Deze autonome keuze draagt bij aan de vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en de toename van duurzame warmteoplossingen. Tevens wordt er verwacht dat de warmtevraag afneemt door autonome isolatie en energiebesparende maatregelen, evenals door gedragsverandering. Ook aan de bronnenkant worden autonome ontwikkelingen voorzien, zoals de verduurzaming van potentiële warmtebronnen en de ontwikkeling van nieuwe hernieuwbare bronnen. Voor Vlaardingen hebben we hier geen zicht op en zullen we moeten terugvallen op een inschatting van nationale autonome ontwikkelingen.

3.7

Voorkeursoptie

3.7.1 Waarom een voorkeursoptie? In de mer wordt onderzocht wat de milieueffecten zijn van verschillende alternatieven. Eén van die alternatieven is onderstaande voorkeursoptie. Het gaat hier om een voorkeursoptie op dit moment en op basis van de huidige beleidsmatige inzichten. Het milieuonderzoek moet nog plaatsvinden en kan de keuze voor en/of de vorm van de voorkeursoptie beïnvloeden. Ook kunnen ontwikkelingen in de omgeving, in beleid of organisatie nog een rol spelen. De voorkeursoptie wordt in de loop van de tijd wel steeds ‘vaster’, maar is nog niet definitief bepaald. Dat laatste gebeurt pas bij de definitief vaststelling van het Warmteprogramma. Het warmteprogramma geeft langdurige duidelijkheid aan bewoners en bedrijven, dat is de grondslag waar we het voor doen. Deze voorkeursoptie is de eerste stap naar die duidelijkheid. Met de voorkeursoptie willen wij richting geven aan het denken en handelen van de gemeente en haar partners. Met name voor ander warmtebeleid (denk aan isolatie) en voor andere omgevingsprogramma’s zoals de gebiedsprogramma’s voor de Westwijk en het Centrum geeft een voorkeursoptie vanuit het warmteprogramma houvast en richting. Ook de woningbouwcorporaties moeten plannen maken en kunnen niet wachten tot het warmteprogramma eind 2026 wordt vastgesteld.

De warmtetransitie gaat immers gewoon door, terwijl we de mer uitvoeren en het warmteprogramma schrijven.

3.7.2 Warmtetechnieken in de voorkeursoptie We zijn tot deze voorkeursoptie gekomen vanuit het samen met de woningbouwcorporaties opgestelde eindbeeld voor Vlaardingen (Vlaardingen in 2050, met de kennis en inzichten van 29

nu). We hebben een voorkeur voor collectieve warmtenetten, voornamelijk ingegeven door de stedelijke dichtheid en de ruime beschikbaarheid van meerdere bronnen in onze omgeving. In onze afweging staan betaalbaarheid voor afnemers en minimalisering van maatschappelijke kosten centraal. Onze koers sluit aan bij de regionale RES-strategie (ERDH). Met collectieve warmtenetten kunnen we de gewenste versnelling bereiken in het aardgasvrij maken van de beoogde 1200 woningen per jaar, een concreet doel dat we hebben vastgelegd in het Stadsprogramma Nieuwe Energie bij het Coalitieakkoord. Voor een collectief warmtenet zijn verschillende warmtebronnen beschikbaar. Onze ligging is gunstig voor (diepe en ondiepe) geothermie en er zijn kansen voor warmte uit water, zoals TEO in de Drevenbuurt en riothermie in de Westwijk vanuit de AWZI. Ook restwarmte uit het havengebied, ontsloten via twee afkoppelstations op WarmtelinQ, is beschikbaar. Lokale bedrijven zijn in potentie ook een bron van restwarmte, maar voor zover bekend is die niet beschikbaar. Voor winterse piekbelasting kan een bioketel nodig zijn, de nieuwe Wet Collectieve Warmte (Wcw) biedt hiervoor de ruimte. In lijn met de ambitie aardgasvrij wordt inzet van gasketels vermeden. Het type warmtenet verschilt per wijk en hangt af van de gebouwtypologie, de beschikbare warmtebron en de voorkeur van bewoners.

In Vlaardingen zijn collectieve warmtenetten op hoge, midden en lage temperatuur goed mogelijk. De RES-regio zet in op de optimale regionale warmtestructuur met de laagst maatschappelijke kosten. Hierbij wordt een mix gekozen waarbij hoogwaardige en schaarse bronnen worden ingezet voor toepassing die daar het meeste profijt van hebben. Hierbij nemen we de onzekerheden over de daadwerkelijke potentie van deze bronnen en het afnamepatroon in acht. Een nadere uitwerking van de inzet van de bronnen volgt in de bronnenstrategie binnen het warmteprogramma.

3.7.3 Wat, wanneer in welke wijk op de korte termijn? Terwijl er in Vlaardingen veel wijken kunnen worden aangesloten op een warmtenet, kunnen we niet alle wijken tegelijkertijd aanpakken. In de eerste tien jaar van het warmteprogramma 2026-2031 zetten we daarom gericht stappen in die wijken die niet alleen voor de hand liggen om ze aardgasvrij te maken via een warmtenet, maar vooral omdat zich daar beleidsmatige kansen voordoen. De komende tien jaar staan de volgende ontwikkelingen op stapel die we willen benutten. In de wijk Holy (dus los van de Drevenbuurt), met veel gestapelde woningen en oudere gebouwen met een lagere isolatiegraad, krijgt een MT-warmtenet de voorkeur. De bron van dit warmtenet is één van de twee aansluitpunten op de warmteleiding van Warmtelinq. De tweede grote wijk die in het vizier komt is de Westwijk omdat daar vanuit het volkshuisvestingsfonds grote subsidies beschikbaar worden gesteld voor grootschalige gebiedsontwikkeling. Dit maakt de Westwijk een interessant gebied om vanuit de integrale aanpak energietransitie vorm te geven, het biedt een kans om te verzilveren. Voor de Westwijk gaan we uit van een MT-warmtenet, omdat het nog niet zeker is of het voor een LT-net - vereiste hoge isolatieniveau van de woningen gehaald gaat worden. De warmtebron voor dit warmtenet is riothermie; dat is hier de restwarmte van de nieuw te bouwen afvalwaterzuivering.

Ook deze kans willen we verzilveren. De restwarmte uit deze warmtebron dient op een hogere temperatuur naar de woningen te worden gebracht. Om dat te bereiken wordt in de mer gerekend met een collectieve warmtepomp. In de komende tien jaar wordt ook een deel van het centrum aangepakt, waar een verbouw/nieuwbouw project gaat starten. Ook in de Rivierzone gaat een nieuwbouwproject starten. Voor deze twee ver/nieuwbouwprojecten gaat de voorkeur uit naar een LT30

warmtenet. In het buitengebied verwachten wij dat collectieve warmtenetten niet aan de orde zijn of gaan komen, door de grote afstand tussen de huizen. Daar kunnen we nu al een mix voorzien van individuele oplossingen zoals warmtepompen, bioketels en zonthermie, al dan niet gecombineerd (‘hybride’) per gebouw. Figuur 3.1: Toekomstbeelden aardgasvrij Vlaardingen; met elk warmteprogramma wordt het alternatief concreter:

NB: In het beeld rechtsboven moet een deel van het centrum en de Rivierenzone paars zijn omdat daar wordt gewerkt aan een aardgasvrij alternatief. De aanwijsbevoegheid die we als gemeente van de wetgever hebben gekregen, willen we gaan inzetten. En wel zo vroeg als nodig en gewenst is om duidelijkheid te bieden aan de inwoners. Het is formeel aan de gemeenteraad om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. We willen de aanwijsbevoegdheid niet alleen inzetten voor de wijken waar een collectieve warmteoplossing voorzien is, maar ook voor de wijken waar dat zeker nooit het geval zal zijn. Zo’n ‘all-electric wijk’ kan dan bijvoorbeeld worden aangewezen om in 2040 van het aardgas af te gaan. Tegelijk willen en kunnen we de bewoners in die aangewezen wijken maximaal ondersteunen via het isolatieprogramma en met collectieve acties en informatie van het Woon- en Energieloket. Zo maken we het aardgasvrij-maken van woningen haalbaar en betaalbaar. In de mer wordt een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd op de voorkeursoptie en de alternatieven voor het wel of niet inzetten van de aanwijsbevoegdheid. We zoeken het optimum tussen het warmteprogramma en het isolatieprogramma. We 31

streven naar de maximale isolatiewaarde. De gekozen warmteoplossing moet ook goed zijn voor bewoners die niet aan deze isolatiewaarde voldoen. Bijvoorbeeld: Voor een collectieve warmteoplossing kan een lage temperatuur van het water i.p.v. een midden- of hogetemperatuur aantrekkelijk zijn, maar als (te veel) bewoners hun huis niet voldoende hebben geïsoleerd, is een lage temperatuur voor hen niet voldoende om hun huis te verwarmen. Dan zal een hogere temperatuur voor de gehele wijk gekozen moeten worden. Anderzijds, kunnen we met de keuze voor de temperatuur en de uitrol van het warmtenet ook niet wachten op de laatste bewoner die zijn huis heeft geïsoleerd. Vandaar het zoeken naar het optimum. Voor deelname aan collectieve oplossingen gaan we uit van 70% van de bewoners die gebruikt maakt van de voorkeursoptie en 30% van de ‘opt-out’, d.w.z. die kiest voor een individuele oplossing. Hoewel bewoners kunnen kiezen uit meerdere individuele opties en combinaties daarvan (mits duurzaam en fossiel-loos, maar de exacte omschrijving in de Bgiw is nog onderhevig aan discussie) nemen we voor de eenvoud van het rekenwerk in de planMER aan dat ze kiezen voor één individuele optie: een all-electric lucht/water warmtepomp.

Tabel 3.3: Samenvatting van de voorkeursoptie Wijk Vlaardingen Aantal woningVoorkeursoplossing aansluitingen voor >70% van de woningen met de kennis van nu Centrum 8.000 Collectieve warmte Westwijk 6.200 MT Collectieve warmte Vettenoordse 1.500 All-electric Polder Oostwijk 3.600 Collectieve warmte Vlaardingen 5.500 Collectieve warmte Ambacht Holy 12.000 MT en ZLT Warmte Broekpolder 5 All-electric

3.8

Tijdlijn van huidig Warmteprogramma en de volgende (in 2031) ’31 – ‘40 ’26 – ‘36 ’26 – ‘50 ’31 – ‘40 ’31 – ‘40 ’26 – ‘36 ’26 – ‘50

Alternatieven

In paragraaf 2.1 is de voorgenomen activiteit van het Warmteprogramma besproken. Het doel is de gemeente Vlaardingen in 2050 op een volledig aardgasvrije manier te verwarmen. De ambities die de gemeente heeft (zoals omschreven in hoofdstuk 2) is vertaald naar een voorkeursoptie voor het MER. De vier alternatieven voor die voorkeursoptie zijn geformuleerd om inzicht te krijgen in de milieueffecten van de technieken en bronnen, en hoe die uiteenlopen. • Alternatief 1: Geen MT-net maar een LT-net in Westwijk; • Alternatief 2: Een hoge participatiegraad van 90%; • Alternatief 3: Vlaardingen ‘all-electric’; • Alternatief 4: LT-warmtenet in de Holy. Met name gelet op de aard van de bebouwing vragen we in de MER niet alleen aandacht 32

voor de milieueffecten, maar ook voor de sociaal-economische en financiële aspecten onder de haalbaarheid en betaalbaarheid van een LT-net voor de Holy en de Westwijk in relatie tot een MT-net.

3.8.1 Alternatief 1: Geen MT-net maar een LT-net in Westwijk Het kan zijn dat na de grootschalige renovatie van de Westwijk de isolatiewaarde van de woningen en het afgiftesysteem in de woningen een LT-warmtenet mogelijk maken.

3.8.2 Alternatief 2: Een hoge participatiegraad van 90%. Dit alternatief beschouwt de voorkeursoptie, maar dan niet met een deelname percentage van 70% aan de warmtenetten, maar met een deelname percentage van 90%.

3.8.3 Alternatief 3: Vlaardingen ‘all-electric’ In dit alternatief wordt onderzocht wat de milieueffecten zijn als in alle wijken de grondgebonden woningen overgaan op een individuele warmtepomp op elektriciteit. Deze warmtepomp onttrekt warmte uit natuurlijke warmtebronnen, zoals de lucht, bodem of het grondwater en maakt hier bruikbare warmte van. Naast de warmtepomp is er een boiler voor warm tapwater nodig, omdat de warmtepomp niet direct voldoende warm tapwater kan leveren. De gestapelde woningen zullen in dit alternatief niet overgaan op individuele warmtepompen, maar op het vervangen van de bestaande centrale verwarming op gas door een centrale verwarming met als voeding een collectieve bodemwarmtepomp of een luchtwaterwarmtepomp. Gestapelde woningen die nu een individuele verwarming op gas hebben, gaan in dit alternatief over op een individuele lucht/water warmtepomp. Het gebruik van duurzame gassen, warmtenetten of WKO-systemen wordt in dit alternatief dus buiten beschouwing gelaten, afgezien van het LT-net in de Drevenbuurt dat al onderdeel is van de referentiesituatie.

3.8.4 Alternatief 4: LT-warmtenet in de Holy. Voor de Drevenbuurt was in de TVW een MT-warmtenet voorzien, maar op basis van de voorkeur van bewoners heeft een LT-warmtenet nu de voorkeur. Vandaar dat we nu op voorhand een alternatief willen onderzoeken waarbij een LT-warmtenet voor de gehele Holy wordt beschouwd i.p.v. een MT-warmtenet.

3.9

Beoordelingsmethodiek

In het MER worden de effecten van de voorgenomen activiteit en de bandbreedte van het programma in beeld gebracht. De effecten worden met plussen en minnen op een vijfpuntschaal beoordeeld van ++ naar -- (zie tabel 3.4) ten opzichte van de referentiesituatie (zie paragraaf 3.4). Voor de indicatoren waarvoor een (zeer) negatief effect verwacht wordt, zal in het MER ook een beoordeling worden gegeven na mitigerende en/of compenserende maatregelen. 33

Tabel 3.4: Beoordelingsmethodiek Score Betekenis ++ Zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie + Positief effect ten opzichte van referentiesituatie 0 Geen effect ten opzichte van referentiesituatie _ Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie __ Zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie Naast de effectbeoordeling wordt ook het doelbereik in beeld gebracht in het MER. Bij deze beoordeling wordt bepaald of de doelen of ambities uit de uitgangspunten (zie paragraaf 2.3) ook gehaald worden met de keuzes in het Warmteprogramma.

3.9.1

Detailniveau

Als aanvulling op de verschillende alternatieven wordt in het MER onderzocht waar milieugerelateerde lokale knelpunten ontstaan. Er is gekozen om de knelpunten per wijktype inzichtelijk te maken, omdat de gemeente verschillende wijken heeft die op elkaar lijken. Daarnaast sluit dit aan bij het abstractieniveau van het Warmteprogramma. Daarbij zijn namelijk voorkeurstechnieken per wijk bekend, maar geen ontwerp per wijk, buurt of straat van de voorkeurstechnieken. Per wijktype wordt inzichtelijk gemaakt welke knelpunten hier kunnen spelen. De wijktypen die worden onderzocht zijn: historische binnenstad, volkswijk, tuindorp, naoorlogse woonwijk, tuinstad hoogbouw, hoogbouw, bloemkoolwijk, Vinex-wijk, villawijk, vernieuwde wijk en bedrijventerrein.

34

Figuur 3.1 Wijktypologieën Vlaardingen (Bron: Wijktypekaart 2023)

4 De mer-procedure Dit hoofdstuk beschrijft de vervolgstappen in het proces. Ook wordt een toelichting gegeven op de betrokken partijen bij de procedure.

4.1

Vervolgstappen

De NRD ligt vanaf november 2025 zes weken ter inzage. Tijdens deze termijn kan eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze omtrent de reikwijdte en het detailniveau van de informatie, die in het MER moet worden opgenomen, kenbaar maken bij de gemeente Vlaardingen via de DCMR.

4.2

Reageren op NRD

Het college van BenW van de gemeente Vlaardingen vraagt als bevoegd gezag aan u om een reactie op de NRD in te dienen bij de gemeente. U kunt gedurende 5 weken, vanaf begin november 2025 t/m 11 december 2025 reageren op de NRD. In deze periode kunt u de NRD digitaal bekijken via het digitale publicatieblad op www.officielebekendmakingen.nl. Het document hangt als ‘Bekijk documenten’ aan deze publicatie (zie linker kolom). U kunt de NRD alleen op afspraak inzien. Afspraken kunt u maken door het sturen van een email aan milieuregie@vlaardingen.nl U kunt op twee manieren reageren: • Digitaal via zienswijze@dcmr.nl onder vermelding van zienswijze ontwerp-NRD Warmteprogramma. • Schriftelijk naar DCMR Milieudienst Rijnmond, Parallelweg 1, 3112 NA te Schiedam 35

Uw brief moet ondertekend zijn en tenminste uw naam, adres en woonplaats bevatten, en indien mogelijk ook uw telefoonnummer. Hulp nodig? De overheid vindt het belangrijk dat iedereen mee kan doen. Daarom zijn er informatiepunten Digitale Overheid in bibliotheken. Vraag ernaar bij de bibliotheek bij u in de buurt. Voor meer informatie kunt terecht op de website www.informatiepuntdigitaleoverheid.nl Wat gebeurt er met uw reactie? De binnengekomen reacties worden, waar mogelijk gebruikt bij het bepalen van de inhoud en aanpak van de onderzoeken in het mer. De gemeente raadpleegt ook de wettelijke adviseurs, betrokken bestuursorganen en de onafhankelijke commissie voor de milieueffectrapportage over de reikwijdte en het detailniveau. Voor de NRD is inschakelen van de Cie MER niet verplicht maar een keuze. Het ontwerp warmteprogramma dienen we wel aan de Cie MER voor te leggen en het advies van de Cie MER dienen we daarna te verwerken in het definitieve programma. Wanneer de zienswijzeperiode is afgelopen onderzoeken we welke adviezen en reacties op de NRD worden meegenomen bij het opstellen van het MER. Dit vindt zijn weerslag in de reactienota. Uw reactie wordt betrokken bij het opstellen van de definitieve Notitie van Reikwijdte en Detailniveau. Deze stellen burgemeester en wethouders van Vlaardingen vast als startsein voor de planMER en het ontwerp-Warmteprogramma.

Naast deze ter inzagelegging van de NRD, wordt later het MER vervolgens gelijktijdig met het ontwerp-Warmteprogramma ter inzage gelegd. Iedereen mag dan een zienswijze geven op het MER en het ontwerp-Warmteprogramma. Het ontwerp-Warmteprogramma wordt ook voor advies voorgelegd aan de commissie-MER. Na verwerking van de zienswijzen en het advies van commissie MER wordt het definitieve Warmteprogramma met het MER ter besluitvorming aangeboden aan het college van BenW. Nadat het Warmteprogramma is vastgesteld zullen opvolgende besluiten nodig zijn voor de vervolgontwikkelingen. Voorafgaand aan de vaststelling van deze besluiten moet nagegaan worden of deze passen binnen de kaders en adviezen uit dit MER.

36

Tabel 4.1: Planning van het besluitvormingsproces Maand / Activiteit kwartaal Oktober 2025 Feedbackronde concept-NRD 4 November November

Vastellen concept NRD Ter inzage leggen concept-NRD

November

Feedbackronde concept Warmteprogramma Vaststellen concept Warmteprogramma Vaststellen reactienota van beantwoording NRD Raad informeren over participatieresultaten en reactienota Opstellen ontwerp Warmteprogramma Uitvoeren MER Feedbackronde MER en ontwerpWarmteprogramma Ter inzage leggen ontwerp Warmteprogramma en MER

Januari Januari Q1 2026 Q1 en Q2 2026 Q1 en Q2 2026 Q2 2026 Medio 2026

4.3

Actor Ambtelijk en stakeholders BenW Eenieder. Inclusief Gemeenteraad voor wensen en bedenkingen Ambtelijk en stakeholders BenW BenW Gemeenteraad Ambtelijk Onderzoeksbureau Ambtelijk en stakeholders Eenieder

Partijen betrokken bij de mer-procedure

In deze paragraaf worden de partijen belicht die bij de mer-procedure zijn en/of worden betrokken. Bij een mer is sprake van drie formele rollen: een bevoegd gezag, een initiatiefnemer en adviseurs. • Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat het besluit waarvoor de mer wordt uitgevoerd vaststelt. In de context van het Warmteprogramma is dat het College van BENW van de gemeente Vlaardingen. De gemeenteraad wordt in de zienswijzeperiode van deze NRD gevraagd om haar wensen en bedenkingen aan te geven. • De initiatiefnemer is degene die het voornemen heeft een activiteit te ondernemen. Dit is ook BenW van de gemeente Vlaardingen. • De belangrijkste stakeholders, de twee woningbouwcorporaties en Stedin, worden gevraagd om hun zienswijze op de NRD en op het MER. • Daarnaast zijn er diverse adviseurs, die adviseren over de inhoud van het MER. De commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) is daarbij het belangrijkst. De DCMR adviseert de gemeente over zowel het proces als de inhoud van de MER en deze notitie. De gemeente Vlaardingen is voornemens om de uitvoering van de MER door een extern adviesbureau te laten verzorgen • Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) werkt aan verschillende producten die gemeenten ondersteunen bij het opstellen van de milieueffectrapportage (MER) bij het warmteprogramma.

Met deze producten kunnen gemeenten sneller, eenvoudiger en goedkoper voldoen aan hun merplicht en mer-beoordelingsplicht. Daarnaast draagt het bij aan zorgvuldige 37

besluitvorming door gemeenten, wat het risico op vertraging in latere fasen in het planproces verkleint. Het NPLW streeft er naar om begin 2026 de volgende producten gereed te hebben. - Bouwstenen voor de MER: De bouwstenen bieden inzicht in de verwachte milieueffecten per wijktype, in combinatie met verschillende warmtealternatieven. Ze kunnen worden aangevuld met lokale informatie, zoals milieuverontreiniging, monumenten en Natura 2000-gebieden. - Standaard opdrachtomschrijvingen: Er wordt een standaard opdrachtomschrijving ontwikkeld voor het aanbesteden en opstellen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en de MER bij het warmteprogramma. - Inzicht in reikwijdte en detailniveau per stap in het planproces: Er komt helderheid over welk detailniveau en welke reikwijdte passend zijn bij elke fase van het gemeentelijke planproces, zoals de omgevingsvisie, het warmteprogramma, het uitvoeringsplan en het omgevingsplan. De bouwstenen bij de eerste bullet hierboven willen we meenemen in de mer, die om die reden niet eerder dan begin 2026 zal starten. De bouwstenen bij de laatste twee bullets komen voor Vlaardingen te laat gereed omdat wij de NRD dan al gereed willen hebben.

4.4

Uitvoeren van de mer

Een onderzoeksbureau wordt gevraagd een offerte op te stellen o.b.v. deze NRD, het plan van aanpak en bouwstenen vanuit NPLW. De wijze van onderzoeken (bijvoorbeeld verkennend onderzoek, quickscan of op basis van openbare data zoals bepaalde kaarten) bepalen het onderzoeksbureau en de gemeente Vlaardingen in samenspraak. De lijn van de gemeente Vlaardingen is om de wijze van onderzoek zo eenvoudig mogelijk te houden.

38

5 Bijlagen Bijlage 1 Begrippenlijst Begrip Aquathermie

Bronnet

Commissie mer Duurzame gassen

Elektrolyse

39

Uitleg Aquathermie is een methode om warmte te halen uit water. Dit kan bijvoorbeeld uit oppervlaktewater, zoals rivieren en meren, of uit grondwater. Met behulp van een warmtepomp wordt de warmte uit het water gehaald en kan deze gebruikt worden om water te verwarmen of een ruimte te verwarmen. Aquathermie kan zowel gebruikt worden voor het verwarmen van woningen als voor industriële toepassingen. Het is een duurzame manier van verwarmen, omdat er geen fossiele brandstoffen nodig zijn. Een bronnet is vergelijkbaar met een warmtenet. Het bestaat uit een bron en een ondergronds buizennetwerk met water om warmte (en koude) aan te voeren naar meerdere gebouwen. Het verschil is dat een bronnet op een kleinere schaal lokaal wordt ingezet. Een lokaal bronnet wordt dan ook vaak ontwikkeld door een energiecoöperatie of een lokaal collectief van bewoners en/of bedrijven. Dat is een verschil met een warmtenet dat soms regionaal ontwikkeld wordt door een samenwerking van energieleveranciers, netbeheerders en verschillende energieproducenten. Ook maakt een lokaal bronnet gebruik van kleinere bronnen die alleen zeer lokaal beschikbaar zijn. Denk aan oppervlaktewater (rivier of meer), een datacenter of WKOsysteem (Warmte Koude Opslag in de grond).

De Commissie mer adviseert, als onafhankelijke organisatie, over de inhoud van milieueffectrapporten Waterstof en groen gas zijn beide duurzame gassen die kunnen worden toegepast als alternatieve energiebronnen. Waterstof is een gas dat kan worden geproduceerd uit duurzame bronnen, zoals elektrolyse van water met behulp van hernieuwbare elektriciteit. Groen gas, ook wel bekend als biomethaan, is een hernieuwbare vorm van aardgas die wordt geproduceerd uit organisch materiaal, zoals biomassa en organisch afval. Het kan worden gebruikt als vervanging voor aardgas in verwarmingssystemen, industriële processen en in voertuigen die zijn aangepast voor gebruik met aardgas. Groen gas wordt beschouwd als klimaatneutraal omdat de CO2-uitstoot die vrijkomt bij verbranding gelijk is aan de CO2 die door de biomassa is opgenomen tijdens de groei. Elektrolyse is een proces waarbij water wordt gesplitst in waterstofgas en zuurstofgas met behulp van elektriciteit. Dit gebeurt in een speciale cel met een positieve en negatieve kant, gescheiden door een vloeistof. Als er elektrische

Energieneutraal

Geothermie

Mer-beoordeling

Mer-procedure Milieueffectrapportage (mer) 40

stroom door de cel wordt gestuurd, worden de watermoleculen uit elkaar gehaald en ontstaan er waterstof- en zuurstofgas. Het waterstofgas kan vervolgens gebruikt worden als een duurzame energiebron. Elektrolyse is een manier om waterstofgas te maken. Energieneutraal betekent dat een gebouw, stad of woning evenveel energie opwekt als dat het verbruikt. Dit betekent dat er geen extra energie van buitenaf nodig is om te verwarmen, te koelen of van elektriciteit te voorzien. Er wordt gebruik gemaakt van duurzame energiebronnen, zoals zonnepanelen of windturbines, om de benodigde energie op te wekken. Hierdoor wordt er geen gebruik gemaakt van fossiele brandstoffen en wordt de uitstoot van CO2 verminderd. Er is meestal wel een duurzame manier van energieopslag nodig omdat vraag en aanbod van duurzame energie in de tijd uit elkaar kunnen lopen. Geothermie is een methode om warmte te halen uit de aarde. Bij geothermie wordt er diep in de grond geboord naar een warmwaterbron, ook wel een geothermisch reservoir genoemd. Het warme water of de stoom die naar boven wordt gehaald, kan gebruikt worden om bijvoorbeeld gebouwen te verwarmen of elektriciteit op te wekken. Geothermie is een duurzame vorm van energie, omdat het gebruik maakt van de natuurlijke warmte van de aarde. Het is een hernieuwbare energiebron die vrijwel onbeperkt beschikbaar is.

Het verschil tussen diepe en ondiepe geothermie zit hem in de diepte waarop de warmte wordt gewonnen. Bij ondiepe geothermie wordt de warmte gewonnen op een diepte tot ongeveer 500 m. Dit wordt voornamelijk gebruikt voor het verwarmen van gebouwen en het leveren van warm water. Bij diepe geothermie daarentegen wordt de warmte gewonnen op een veel grotere diepte, vaak enkele kilometers onder de grond. Dit wordt gebruikt voor grotere installaties, zoals het opwekken van elektriciteit. Diepe geothermie maakt gebruik van hogere temperaturen en kan daardoor meer energie leveren. Beide vormen van geothermie zijn duurzaam en maken gebruik van de warmte van de aarde, maar de toepassingen en dieptes verschillen. Een beoordeling om te achterhalen of er negatieve effecten verwacht kunnen worden van een plan of project. Als het antwoord nee is, dan ben je klaar. Als het antwoord ja is, dan is het nodig om een mer-procedure te doorlopen en dus een MER te maken. Voor sommige gevallen is een mer-beoordeling verplicht. Voor welke gevallen dat geldt, staat in het Omgevingsbesluit. Zie milieueffectrapportage (mer). De procedure om te komen tot een MER.

(red: met kleine letters) Milieueffectrapport (MER) (red: met hoofdletters) Netcongestie

Het rapport met de onderzoeksresultaten van de mer.

Netcongestie is het overbelast raken van het elektriciteitsnet door te veel vraag of te veel aanbod van elektriciteit. PlanMER Het rapport met onderzoeksresultaten van de mer, specifiek voor een plan. Primaire Energie Factor De PEF van elektriciteitsopwekking betreft het gemiddelde (PEF) voor Nederland en geeft de verhouding weer tussen de inzet van primaire energie uit fossiele bronnen en de totale elektriciteitsproductie (eenheid: MJprim/MJ). Bij een duurzamere productiemix hoort een lagere PEF. Warmteoverdrachtstation Een warmteoverdrachtstation draagt de warmte van een hoofdtransportleiding over naar het lokale warmtenet in de wijk. Zonthermie Zonthermie is een manier om warmte te halen uit zonlicht. Dit wordt gedaan door middel van zonnecollectoren. Deze collectoren vangen het zonlicht op en zetten het om in warmte. De warmte kan vervolgens gebruikt worden om water te verwarmen of om een ruimte te verwarmen. Zonthermie wordt vooral gebruikt voor het verwarmen van water in huishoudens en bedrijven.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16176924/1