CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsmemo Warmteprogramma NRD voor plan-MER

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Warmteprogramma NRD voor plan MER15.291 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAADSMEMO Aan

De gemeenteraad van Vlaardingen Portefeuillehouder

K. Kegel Onderwerp

Wensen en bedenkingen voorkeursoptie warmte Datum

Registratienummer

Aantal bijlagen

4 november 2025

2040756

1

Geachte leden van de raad, Het college van B&W heeft de Notitie reikwijdte en Detailniveau (NRD) vastgesteld. De NRD markeert de start van de Milieueffectrapportage (MER) bij het warmteprogramma. Wij verzoeken de raad om uw wensen en bedenkingen kenbaar te maken op de voorkeursoptie. De NRD In de startnotitie warmteprogramma gingen we er vanuit dat er geen versoepeling van de MER-plicht aan zou komen en dat het warmteprogramma als omgevingsprogramma MER-plichtig is. Beide zijn inderdaad het geval. Het warmteprogramma werkt toe naar een aardgasvrij Vlaardingen in 2050 en concretiseert de in de Transitievisie Warmte (TVW) geformuleerde doelen en randvoorwaarden. Daar hoort een MER bij. Het doel van de MER is om de relevante milieueffecten van het warmteprogramma tijdens de aanleg- en de gebruikersfase inzichtelijk te maken. De NRD bakent de scope en reikwijdte van de MER af en legt vast welke milieueffecten beoordeeld gaan worden voor welke warmte-opties als alternatief voor aardgas. Alternatieven Er wordt onderzocht wat de milieueffecten zijn van verschillende alternatieven. In totaal laten we vier alternatieven en één voorkeursoptie doorrekenen. De vier alternatieven zijn geformuleerd om inzicht te krijgen in de milieueffecten van de technieken en bronnen.

We willen hiermee (1) de milieueffecten in beeld brengen van de temperatuur in het warmtenet; LageTemperatuur (LT) of MiddenTemperatuur (MT); (2) van een hogere deelname aan het warmtenet en (3) van het verschil tussen een warmtenet en geen warmtenet (‘all-electric’).  Alternatief 1: Geen MT-net maar een LT-net in Westwijk;  Alternatief 2: Een hoge participatiegraad van 90%;  Alternatief 3: Vlaardingen ‘all-electric’;  Alternatief 4: LT-warmtenet in de Holy.

Voorkeursoptie De voorkeursoptie wordt beschreven in paragraaf 3.7 van de NRD. Het is het alternatief waarvan wij op dit moment denken dat deze goed past in het komende warmteprogramma. Het gaat hierbij nadrukkelijk over ons denken op dit moment en op basis van de huidige inzichten. Het milieuonderzoek moet immers nog plaatsvinden en kan de keuze voor en/of de vorm van de voorkeursoptie beïnvloeden. We gaan met bewoners in gesprek en ook kunnen ontwikkelingen in de omgeving, in beleid of organisatie nog een rol spelen. De voorkeursoptie wordt in de loop van de tijd steeds ‘vaster’, maar is dus nog niet definitief bepaald. Dat laatste gebeurt bij de definitieve vaststelling van het warmteprogramma. Het warmteprogramma geeft langdurige duidelijkheid aan bewoners en bedrijven, dat is de grondslag waar we het voor doen. Deze voorkeursoptie is de eerste stap naar die duidelijkheid. Na het warmteprogramma zal de raad uitvoeringsplannen per wijk gaan vaststellen. We zijn tot deze voorkeursoptie gekomen vanuit het samen met de woningbouwcorporaties opgestelde eindbeeld voor Vlaardingen (Vlaardingen in 2050, met de kennis en inzichten van nu). Hierin zien we een belangrijke toekomstige rol voor warmtenettten. Vlaardingen is zeer geschikt voor collectieve warmtenetten, voornamelijk door de stedelijke dichtheid van de bebouwing en de ruime beschikbaarheid van meerdere warmtebronnen.

Onderweg daarnaartoe willen we kansen benutten en aansluiten bij (regionale) ontwikkelingen. In onze afweging staan betaalbaarheid voor afnemers en minimalisering van maatschappelijke kosten centraal. Onze koers sluit aan bij de regionale RES-strategie (ERDH): de RESregio zet in op een optimale regionale warmtestructuur tegen de laagst maatschappelijke kosten. Met collectieve warmtenetten kunnen we de gewenste versnelling bereiken in het aardgasvrij maken van de beoogde 1200 woningen per jaar, een concreet doel dat we hebben vastgelegd in het Stadsprogramma Nieuwe Energie bij het Coalitieakkoord. De wijk Holy (dus los van de Drevenbuurt), met veel gestapelde woningen en oudere gebouwen met een lagere isolatiegraad, krijgt in de voorkeursoptie een MT-warmtenet. De tweede grote wijk die in het vizier komt is de Westwijk omdat daar vanuit het volkshuisvestingsfonds grote subsidies beschikbaar worden gesteld voor grootschalige gebiedsontwikkeling. Dit maakt de Westwijk een interessant gebied om vanuit de integrale aanpak energietransitie vorm te geven, het biedt een grote kans om te verzilveren. Voor de Westwijk gaan we uit van een MT-warmtenet, omdat het nog niet zeker is of het - voor een LT-net - vereiste hoge isolatieniveau van de woningen gehaald gaat worden. Als warmtebron voor dit warmtenet voorzien we vooralsnog de restwarmte van de nieuw te bouwen afvalwaterzuivering.

Ook deze kans willen we namelijk verzilveren. In de komende tien jaar wordt ook een deel van het centrum aangepakt, waar een verbouw/nieuwbouw project gaat starten. Ook in de Rivierzone gaat een nieuwbouwproject starten. Voor deze twee ver/nieuwbouwprojecten gaat de voorkeur uit naar een LT-warmtenet. Tenslotte zien we in het buitengebied een mix van individuele oplossingen voor ons, zoals warmtepompen, bioketels en zonthermie, al dan niet gecombineerd (‘hybride’) per gebouw. Met de voorkeursoptie geven wij richting geven aan het denken en handelen van onszelf en onze partners. Denk aan warmtebeleid (isolatie) en andere omgevingsprogramma’s zoals de gebiedsprogramma’s voor de Westwijk en het Centrum. De woningbouwcorporaties zijn niet alleen onze belangrijkste samenwerkingspartner bij de ontwikkeling van het warmteprogramma, zij moeten hun eigen plannen maken in aansluiting op het warmteprogramma en kunnen niet wachten tot het warmteprogramma eind 2026 wordt vastgesteld. De warmtetransitie gaat immers gewoon door, terwijl we de mer uitvoeren en het warmteprogramma schrijven.

De voorkeursoptie is het alternatief waaraan wij op dit moment de voorkeur geven, o.a. op basis van de samenwerking met de woningbouwcorporaties, opgedane kennis en ervaring, technische ontwikkelingen en kansen die zich voordoen. Wij vragen uw aandacht voor deze voorkeursoptie en verzoeken u daarop uw wensen en bedenkingen aan te geven. Die zijn in deze fase het meest bruikbaar wanneer deze het karakter hebben van concrete onderzoeksvoorstellen. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Vlaardingen,

de secretaris drs. E. Stolk

de burgemeester drs. B. Wijbenga - van Nieuwenhuizen

Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Warmteprogramma Gemeente Vlaardingen

Versie 05.03 van 251027

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

Inleiding ..............................................................................................................3 1.1

Aanleiding en achtergrond ............................................................................................ 3

1.2

Wat is een Warmteprogramma? ................................................................................... 3

1.3

Waarom een mer-procedure?....................................................................................... 4

1.4

Samenhang met andere gemeenten ............................................................................ 5

1.5

Leeswijzer ..................................................................................................................... 5

Warmteprogramma gemeente Vlaardingen ......................................................5 2.1

Voorgenomen activiteiten ............................................................................................. 5

2.2

Bronnen en technieken ................................................................................................. 5

2.3

Plangebied .................................................................................................................. 14

2.4

Uitgangspunten Warmteprogramma .......................................................................... 15

Aanpak Milieuonderzoek .................................................................................17 3.1

Fasering binnen het plan-MER ................................................................................... 17

3.2

Relevante beleidskaders ............................................................................................ 17

3.3

Onderzoeksthema’s .................................................................................................... 20

3.4

Beoordelingskader ...................................................................................................... 25

3.5

Punten die buiten de scope van het MER vallen ....................................................... 27

3.6

Referentiesituatie ........................................................................................................ 28

3.7

Voorkeursoptie ............................................................................................................ 29

3.8

Alternatieven ............................................................................................................... 32

3.9

Beoordelingsmethodiek .............................................................................................. 33

De mer-procedure ............................................................................................35 4.1

Vervolgstappen ........................................................................................................... 35

4.2

Reageren op NRD ...................................................................................................... 35

4.3

Partijen betrokken bij de mer-procedure .................................................................... 37

4.4

Uitvoeren van de mer.................................................................................................. 38

Bijlagen .............................................................................................................39 Bijlage 1 Begrippenlijst.......................................................................................................... 39

2

1 Inleiding Dit is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) om te komen tot een Milieueffectrapport (het MER) voor het Warmteprogramma (het plan) van de gemeente Vlaardingen. Doel van het MER is om de relevante milieueffecten van het Warmteprogramma tijdens de aanleg-en de gebruikersfase inzichtelijk te maken. De NRD beantwoordt de vraag: welke milieueffecten worden in het plan-MER onderzocht, wat wordt de reikwijdte (scope of afbakening) waarover de milieueffecten in beeld worden gebracht en op welk detailniveau gebeurt dit? De NRD is de eerste stap in de mer-procedure1. Het doel van deze notitie is om betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de inhoud en diepgang (de reikwijdte en het detailniveau) van het nog op te stellen MER. Daarnaast willen we in dit stadium betrokkenen en belanghebbenden raadplegen en hun reacties meenemen in de uit te voeren onderzoeken. De reacties (zienswijzen) en adviezen worden betrokken bij het MER. De reacties op de concept NRD worden in een nota van beantwoording opgenomen en beantwoord. Met het vaststellen van de Nota van Beantwoording stelt het college van Burgermeester en Wethouders (BenW) ook de definitieve NRD vast.

1.1

Aanleiding en achtergrond

De gemeente Vlaardingen stapt de komende jaren over op een nieuwe manier van verwarmen. Daarvoor heeft de gemeente in december 2021 de Transitievisie Warmte (TVW) 2022-2026 vastgesteld. De TVW geeft richting en invulling aan de warmtetransitie in Vlaardingen. Sinds de TVW is de gemeente voortvarend verdergegaan met de uitvoering van deze visie, door onder andere een wijkaanpak te starten voor de overstap op hernieuwbare energie in de Drevenbuurt. Nu is het tijd om de Transitievisie Warmte te actualiseren en om te zetten naar het Warmteprogramma Vlaardingen 2026-2031. De planning is om het Warmteprogramma in het derde kwartaal van 2026 op te leveren en vast te laten stellen door het College van Burgemeesters en Wethouders (BenW). Volgend uit de Omgevingswet ziet BenW voor het Warmteprogramma een MER-plicht. Op deze NRD kan gereageerd worden (zie paragraaf 4.1) en later ook op het ontwerp Warmteprogramma en het MER.

1.2

Wat is een Warmteprogramma?

In een Warmteprogramma zet de gemeente uiteen hoe alle woningen en gebouwen in de hele gemeente aardgasvrij worden. Het Warmteprogramma werkt uit welk gebied, wanneer, en met welke warmteoplossing aardgasvrij gaat worden. Ook staat in het Warmteprogramma beschreven wat daarvoor nodig is in termen van besparen en bronnen. In het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie, dat naar verwachting per 1 januari

Het MER met hoofdletters staat voor het rapport en de mer met kleine letters staat voor de procedure om tot het rapport te komen. 1

3

2026 in werking treedt, worden de verschillende onderdelen van een Warmteprogramma nader beschreven.

1.3

Waarom een mer-procedure?

Een milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat de overheid daar een besluit over neemt. Het kijkt hierbij zowel naar de aanleg- als gebruikersfase. Dit heeft tot doel ervoor te zorgen dat het milieubelang volwaardig in de besluitvorming wordt meegenomen. Een mer is dus geen doel op zich, maar is altijd gekoppeld aan een te nemen besluit. De onderzoeksresultaten staan in het milieueffectrapport (MER). De afkorting ‘mer’ gaat dus over de procedure, terwijl met de afkorting ‘MER’ (met hoofdletters) het uiteindelijke milieueffectrapport wordt bedoeld. Het Warmteprogramma wordt een verplicht programma onder de Omgevingswet op het moment dat de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) in werking treedt. Naar verwachting is dit op 1 januari 2026. Een programma is mer-plichtig wanneer: • Het gaat om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven programma (zie ook Omgevingswet artikel 16.34, eerste lid); • het programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (zie ook Omgevingswet artikel 16.36). Alle mer-beoordelings(plichtige) projecten staan in bijlage V van het Omgevingsbesluit.

De volgende concrete projecten en de daarvoor benodigde besluiten zijn onderdeel van het Warmteprogramma én zijn mer-beoordelingsplichtig: • B4 Geothermische boring; • C1 Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water; • J9 Buisleiding voor warmtetransport; • K1 Onttrekken/aanvullen van grondwater (dit is nodig voor een warmtekoudeopslag). Riothermie wordt niet genoemd, wel een rioolwaterzuivering voor meer dan 150.000 woningen. In het Warmteprogramma worden nog geen concrete projecten of besluiten opgenomen. Wel wordt het kader vastgesteld en worden projectvoornemens beschreven, zonder precieze locatieaanduiding. De gemeente Vlaardingen neemt in haar Warmteprogramma een deel van bovenstaande warmtetechnieken op. Ook legt ze het voornemen neer voor gebieden die verplicht van het aardgas afgaan en waarin de bewoners op een redelijke termijn (8-10 jaar) de overstap naar duurzame energie kunnen maken. Dat maakt dat het Warmteprogramma aan allebei de eisen voldoet. Het Warmteprogramma is dus mer-plichtig, waardoor een merprocedure gevolgd moet worden. Een derde reden om een mer-procedure te starten is de nabijheid van Natura 2000 gebieden (≤25 km). Vlaardingen ligt binnen deze afstand van de Oude Maas bij Spijkenisse en OudBeijerland.

Dit natuurgebied is geen stikstof-overbelast gebied, waardoor er waarschijnlijk geen sprake is van een passende beoordeling n.a.v. stikstofdepositie. Toch is het goed om hier de mogelijkheid van een passende beoordeling te benoemen, omdat andere significante milieueffecten niet op voorhand zijn uit te sluiten. Daarom zien we het als derde reden voor een mer-plicht. Ongeacht de wettelijke verplichting, wil de gemeente ten vierde inzicht in de milieu-impact 4

van de voorgestelde technieken, om een zorgvuldige onderlinge afweging te kunnen maken. De gemeente wil met zekerheid kunnen stellen wat de eventuele milieueffecten zijn, zowel negatieve als positieven effecten.

1.4

Samenhang met andere gemeenten

Iedere gemeente in Nederland dient een Warmteprogramma op te stellen. Meerdere gemeenten in Nederland zullen in het Warmteprogramma ook kaderstellend zijn voor te nemen besluiten over projecten, zoals warmtenetten. Voor meerdere gemeenten in Nederland geldt daarom de plan-mer plicht en meerdere gemeenten hebben de merprocedure al opgestart. Waar mogelijk zorgt de gemeente Vlaardingen voor samenhang met de Warmteprogramma's en het MER van andere gemeenten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het meenemen van eerdere adviezen van de Commissie mer, maar ook om het gebruiken van goede voorbeelden.

1.5

Leeswijzer

Op de volgende pagina’s beschrijven we de diepgang en reikwijdte van het MER. Hoofdstuk 2 behandelt het Warmteprogramma, hoofdstuk 3 de onderzoeksaanpak en hoofdstuk 4 de vervolgstappen in de mer-procedure. Bijlage 1 bevat de begrippenlijst.

2

Warmteprogramma gemeente Vlaardingen

Dit hoofdstuk beschrijft de voorgenomen activiteit en het plangebied waarvoor het Warmteprogramma na vaststelling geldt. Ook staan in dit hoofdstuk de uitgangspunten die gemeente Vlaardingen gebruikt bij het opstellen van het warmteprogramma.

2.1

Voorgenomen activiteiten

Het MER wordt opgesteld voor het Warmteprogramma van de gemeente Vlaardingen. Dit programma werkt toe naar een aardgasvrij Vlaardingen in 2050 en concretiseert de in de Transitievisie Warmte (TVW) geformuleerde doelen en randvoorwaarden. De bronnen en technieken worden hieronder en in de bijlage toegelicht. Alle wijken zijn in de TVW in kaart gebracht. De route naar aardgasvrij verschilt per wijk. Het programma legt per wijk de beoogde duurzame warmtebron, de warmtetechniek en het tijdpad vast.

2.2

Bronnen en technieken

Alle technieken gebruiken verschillende warmtebronnen. Voor de definitie van duurzame bronnen sluit de gemeente aan bij de NTA 8800: “Hernieuwbare energie is energie van een bron die niet wordt uitgeput door onttrekking, zoals zonne-energie (thermisch en zonnestroom), wind, waterkracht, hernieuwbare biomassa”. Biogas, waterstof en groen gas worden beschouwd als energiedragers. Restwarmte is als zodanig geen bron maar energieafval. We beschouwen het als duurzaam, ook als het van een niet-hernieuwbare energiebron afkomstig is. Op hoofdlijnen is er een keuze tussen een collectief warmtenet en oplossingen waarbij 5

woningen individueel voorzien worden van warmtepompen en WKO-systemen. Daarbinnen is er bijvoorbeeld een verschil tussen all-electric en hybride warmtepompen, zowel in randvoorwaarden m.b.t. haalbaarheid als milieueffecten. Voor een warmtenet maakt het nogal uit van welke bron de warmte afkomstig is en op welke temperatuur het water rondgaat. Voor zorgvuldige besluitvorming worden per wijk de alternatieven vergeleken op effecten voor mens en milieu. Doel is een integraal overzicht van alle relevante warmtebronnen en technieken (o.a. geothermie, warmtepompen, aquathermie), inclusief eigenschappen, milieueffecten en netimpact. Deze NRD, in samenhang met de concept-bronnenstrategie en concept-kavelstrategie, markeert de huidige stand van uitwerking. Het MER completeert en onderbouwt dit overzicht. In onderstaande paragrafen geven we een overzicht van alle mogelijk kansrijke warmtetechnieken.

2.2.1

Overzicht van oplossingsrichtingen

Figuur 2-1 laat schematisch zien welke mogelijke warmtebronnen en warmtedragers denkbaar zijn voor een duurzame warmtetechniek. Sommige warmtebronnen zijn (vrijwel) enkel aan individuele warmtesystemen te koppelen. Daarbij gaat het om luchtwarmtepompen die voor individuele woningen aangelegd worden. Sommige warmtebronnen zijn enkel inzetbaar voor grootschalige warmtesystemen waarbij honderden of zelfs duizenden woningen gevoed worden vanuit dezelfde warmtebron. Dit betreft warmte die Figuur 2-1; schematisch overzicht van warmtebronnen en warmtedragers gewonnen wordt uit afvalwater (riothermie) of oppervlaktewater (TEO2), industriële restwarmte en warmte die diep onder de grond gewonnen wordt (geothermie). Tot slot zijn er twee warmtebronnen die zowel individuele woningen als clusters van woningen kunnen voorzien van warmte. Dit zijn ondiep grondwater waaruit in een warmte koude opslagsysteem (WKO-systeem) warmte (en kou) gewonnen wordt, en biomassa. Het schema in Figuur 2-1 laat de mogelijke combinaties zien, waarbij het schaalniveau van de warmtebron naar onderen toe oplopend weergegeven is. Onderstaande tabel geeft een

2

6

TEO staat voor Thermische Energie uit Oppervlaktewater

overzicht van het speelveld aan mogelijke warmteoplossingen als alternatief voor aardgas. Op basis van het schema in Figuur 2-1 is in Tabel 2-1 het speelveld aan mogelijke warmtetechnieken als alternatief voor aardgas samengevat. Tabel 2-1: Mogelijke warmtetechnieken Warmtedrager Warmtebron

Individuele warmtetechnieken Lucht-water warmtepomp (hybride) Lucht Lucht-water warmtepomp (allLucht electric) Water-water warmtepomp Grondwater (WKO) Biomassa Bioketel Collectieve warmtetechnieken Warmtenet Grondwater (WKO) Warmtenet Biomassa Warmtenet Afvalwater (riothermie) Warmtenet Oppervlaktewater (TEO) Warmtenet Industriële restwarmte Warmtenet Geothermie

Lage/midden/ hoge temperatuur

Hoog (>70°C) Midden (40-70°C) Midden (40-70°C) Hoog (>70°C)

Midden (40-70°C) Hoog (>70°C) Laag (<40°C) Laag (<40°C) Hoog (>70°C) Hoog (>70°C)

De temperatuur kan collectief of per huis worden opgeschaald met een warmtepomp. Ook kan de temperatuur worden afgeschaald, door bijvoorbeeld te werken met eerst een HT-ring en daarna een MT-ring.

2.2.2 Nadere toelichting per warmtetechniek In deze paragraaf beschrijven we de belangrijkste kenmerken van de verschillende beschikbare warmtetechnieken. We beschrijven hoe de configuratie eruitziet, aan welke randvoorwaarden een wijk/buurt en woning moet voldoen om de warmtetechniek inzetbaar te maken, en of er specifieke aandachtspunten gelden voor de warmtetechniek. Omdat alle collectieve warmtetechnieken gebaseerd zijn op hetzelfde type warmtedrager (warmtenet) en ook de individuele warmtetechnieken gebruik maken van vergelijkbare warmtedragers, beschrijven we separaat de warmtedragers en de warmtebronnen.

2.2.3 Nadere toelichting individuele warmtetechnieken Individuele warmtetechnieken Bij individuele warmtetechnieken wordt iedere woning voorzien van zijn eigen warmtebron die op het erf of onder de grond wordt geplaatst. De CV-ketel in bestaande, op gas gestookte woningen wordt vervangen door een warmtepomp, boiler, of bioketel, indien nodig aangevuld met een buffervat voor warm water. In alle in Tabel 2-1 beschreven warmtetechnieken wordt de verwarming namelijk nog steeds verzorgd door warm water dat door leidingen in de woningen loopt en op die wijze de lucht opwarmt. Voor lage temperatuur oplossingen kan het nodig zijn om radiatoren e.d. in de woning aan te passen zodat ze uit het relatief koele water voldoende warmte de woning in kunnen sturen. Voor alle oplossingen met uitzondering van de hybride warmtepomp wordt de woning na ingebruikname van de warmtetechniek afgesloten van het gasnet.

7

Lucht-water warmtepomp Tabel 2-2 geeft de relevant kenmerken van een lucht-water warmtepomp systeem weer. Een warmtepomp onttrekt warmte aan de lucht en brengt die via een gesloten koudemiddelcircuit naar een hoger temperatuurniveau voor ruimteverwarming en tapwater. Na verdamping en compressie geeft het koudemiddel warmte af, koelt weer af en circuleert opnieuw. Er zijn twee typen warmtepompen: all-electric pompen die de volledige warmtevraag invullen, en hybride warmtepompen die de mogelijkheid tot bij stoken hebben met behulp van de gasgestookte cv-ketel. Individuele warmtepompen zijn een goede optie in gebieden waar woningen relatief ver van elkaar liggen en waar woningen vrij goed geïsoleerd (minimaal energielabel B/C) zijn tegen warmteverlies. Tabel 2-2: Kenmerken van verwarming met behulp van lucht-water warmtepompen Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Lucht Warmtedrager Warmtepomp (+ aardgas in geval van hybride warmtepomp) Opnametemperatuur Niet van toepassing Afgiftetemperatuur • 30-40 °C voor vloerverwarming • 45-55 °C voor lage temperatuur radiatoren • 60-65 °C voor hoge temperatuur radiatoren • 50-60 °C voor tapwater Isolatiewaarde woningen • Lage temperatuur: min. energielabel B • Hoge temperatuur: min.

energielabel C Woningdichtheid Geen vereisten Beschikbaarheid nabijgelegen Niet relevant warmtebron Warmte koude opslag (WKO) Bij een WKO-systeem (Warmte- en Koudeopslag) wordt in de zomer warm water opgeslagen in de bodem, meestal in een watervoerende laag, door middel van het circuleren van koud water. Dit water wordt in de winter weer opgepompt om te worden gebruikt voor verwarming. Een water-water warmtepomp onttrekt warmte aan het grondwater en brengt die via een gesloten koudemiddelcircuit naar het geschikte temperatuurniveau voor ruimteverwarming of -verkoeling en tapwater. WKO-systemen worden vooral toegepast bij grotere gebouwen, woonwijken en kantoren, en bieden een hoger rendement dan lucht-lucht warmtepompen doordat de bodem een constantere temperatuur heeft dan de lucht.

8

Tabel 2-3: Kenmerken van verwarming met behulp van warmte koude opslag Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Grondwater Warmtedrager Warmtepomp Opnametemperatuur 10-25 °C Afgiftetemperatuur • 30-40 °C voor vloerverwarming • 45-55 °C voor lage temperatuur radiatoren • 60-65 °C voor hoge temperatuur radiatoren • 50-60 °C voor tapwater Isolatiewaarde woningen • Lage temperatuur: min. energielabel B • Hoge temperatuur: min. energielabel C Woningdichtheid Geen vereisten Beschikbaarheid nabijgelegen Geschikte watervoerende laag op enkele tientallen tot warmtebron ca. 150 m diepte Bioketel Een bioketel is een verwarmingsinstallatie die biomassa zoals houtpellets of -snippers als brandstof gebruikt in plaats van aardgas of olie. De warmte die bij de verbranding van het organische materiaal vrijkomt, wordt via een warmtewisselaar overgedragen aan het verwarmingswater voor het gebouw en aan het tapwater. De rookgassen die ontstaan bij de verbranding worden via een schoorsteen afgevoerd, waarbij moderne bioketels vaak filters gebruiken om schadelijke stoffen te beperken. Het systeem wordt geregeld met een thermostaat en schakelt automatisch in en uit naar gelang de warmtevraag. Tijdens het proces ontstaat as, dat periodiek moet worden verwijderd.

Tabel 2-3: Kenmerken van verwarming met behulp van een bioketel Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Biomassa Warmtedrager Verbrandingsketel Opnametemperatuur Niet van toepassing Afgiftetemperatuur 60-80 °C Isolatiewaarde woningen Geschikt voor alle energielabels Woningdichtheid Geen vereisten Beschikbaarheid nabijgelegen Niet van toepassing warmtebron

2.2.4 Nadere toelichting collectieve warmtetechnieken Warmtenet Een warmtenet transporteert warmte van een warmtebron naar verschillende afnemers, zoals woningen, bedrijven en instellingen. Het warmtenet bestaat uit leidingen waardoor warm water (of soms stoom) wordt getransporteerd van een centrale warmtebron naar de gebruikers. De warmte wordt gebruikt voor verwarming van gebouwen en voor warm tapwater.

9

Warmtenetten kunnen opereren op verschillende temperaturen; HT, MT of LT3. Bij een bronnet en LT-warmtenet is per woning een individuele warmtepomp (water/water) nodig om de aanvoertemperatuur tot het vereiste niveau te verhogen. Technisch gesproken kan de verhoging ook collectief gebeuren. Warmtenetten zijn kansrijk onder de volgende omstandigheden: - Er is beschikking over een nabijgelegen warmtebron; - Er kan een groot aantal woningen verwarmd worden, waarbij de woningdichtheid hoog is. Gestapelde bouw is het meest gunstig, maar ook wijken met grondgebonden gebouwen kunnen kansrijk zijn; - Het maatschappelijke draagvlak voor het warmtenet is groot waardoor de participatiegraad hoog is. Wijken waar een groot deel van de woningen eigendom is van een woningcorporatie zijn bijvoorbeeld kansrijk voor de aanleg van een warmtenet. - De meeste warmtenetten geven een temperatuur af die lager is dan op gas gestookte cv-ketels. Dat maakt woonwijken met relatief hoge energielabels (C of hoger) kansrijker voor warmtenetten. Een belangrijk onderdeel van het warmtenet zijn de warmteoverdrachtstations, ook wel bekend als een warmtewisselaar. Deze hebben als functie om warmte over te dragen van een warmtenet naar een gebouw of een woning. Het fungeert als een tussenstation waarbij de warmte van het warmtenet wordt gebruikt om water te verwarmen.

Dat water wordt vervolgens gebruikt voor verwarming en warm tapwater in het gebouw. De ruimtelijke inpassing van een warmtenet is een relevant MER-aspect. Een voetafdruk van 15 bij 30 meter is reëel, mede vanwege gewenste warmtebuffers. Relevante afwegingspunten zijn: - Hoe is de ligging t.o.v. infrastructuur? Zijn er warmtebronnen in de nabije omgeving aanwezig, zijn ze bereikbaar? Wat is de afstand van bron tot buurt, is er elektra voor pompen en ruimte voor eventuele back-up verwarming? - Zijn er in de nabije omgeving één of meer warmtebronnen beschikbaar en bereikbaar? - Zijn er al andere werkzaamheden gepland waar afstemming mee gewenst is?; - Is een gas- of bioketel acceptabel voor back-up doeleinden en/of gedurende de transitiefase? Hoeveel verwachte draaiuren zijn acceptabel om de gas-oplossing "gasloos" te kunnen bestempelen? - Kan er worden afgestemd met reeds geplande werkzaamheden (kabels/leidingen, riolering, herinrichting) of andersom; kunnen deze werkzaamheden afgestemd worden op de aanleg van de warmte-infrastructuur?

3 HT (Hoge Temperatuur (ongeveer 70–90 °C aanvoer). MT = Midden Temperatuur (ongeveer 50–70 °C). LT = Lage Temperatuur (ongeveer 30–50 °C)

10

Tabel 2-5: Kenmerken van een warmtenet Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Variabel Warmtedrager Warmtenet Opnametemperatuur Variabel, hangt af van warmtebron Afgiftetemperatuur Variabel, hangt af van warmtebron Isolatiewaarde woningen Variabel, hangt af van warmtebron Woningdichtheid Hoge bebouwingsdichtheid: • Gestapelde bouw is het meest gunstig: in het gebouw is slechts één aansluiting op het warmtenet nodig • De kosten voor grondgebonden bebouwing zijn hoger doordat er meer distributieleidingen en aansluitingen nodig zijn Beschikbaarheid nabijgelegen Variabel, hangt af van warmtebron warmtebron Warmte koude opslag (WKO) Dit is hetzelfde systeem als dat beschreven is in paragraaf 2.2.3. Water met een temperatuur van tussen 10 en 25 °C wordt gewonnen uit ondiepe watervoerende bodemlagen en met behulp van een water-water warmtepomp opgewaardeerd in het gebouw. Het verschil met de in paragraaf 2.2.3 beschreven individuele warmteoplossing is dat het gewonnen water met behulp van een warmtenet gevoed wordt aan een groot aantal woningen.

Tabel 2-6: Kenmerken van verwarming met behulp van warmte koude opslag Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Grondwater Warmtedrager Warmtenet Opnametemperatuur 10-25 °C Afgiftetemperatuur • 30-40 °C voor vloerverwarming • 45-55 °C voor lage temperatuur radiatoren • 60-65 °C voor hoge temperatuur radiatoren • 50-60 °C voor tapwater Isolatiewaarde woningen • Lage temperatuur: min. energielabel B • Hoge temperatuur: min. energielabel C Beschikbaarheid nabijgelegen Geschikte watervoerende laag op enkele tientallen tot warmtebron ca. 150 m diepte Biomassa Bij deze warmtetechniek wordt biomassa (meestal houtsnippers, houtpellets of resthout) verbrand in een biomassacentrale. Met de hitte die hierbij vrijkomt, wordt water verwarmd, dat vervolgens via een warmtenet gevoed wordt aan nabijgelegen gebouwen. Het voordeel van een biomassacentrale is dat het een hoge temperatuur warmtenet kan voeden waardoor ook relatief slecht geïsoleerde woningen in aanmerking komen voor aansluiting op het warmtenet.

11

Tabel 2-7: Kenmerken van verwarming met behulp van een biomassacentrale Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Biomassa Warmtedrager Warmtenet Opnametemperatuur Niet van toepassing Afgiftetemperatuur 60-80 °C Isolatiewaarde woningen Geschikt voor alle energielabels Beschikbaarheid nabijgelegen Niet van toepassing warmtebron Riothermie Een warmtenet dat gevoed wordt door riothermie maakt gebruik van warmte die wordt teruggewonnen uit afvalwater in het rioolstelsel. Via een warmtewisselaar in of nabij het riool wordt de thermische energie uit het relatief warme afvalwater gehaald. Deze warmte wordt vervolgens via een warmtenet getransporteerd naar woningen, kantoren of andere gebouwen. Hier wordt het water met behulp van een water-water warmtepomp verder opgewaardeerd. Omdat rioolwater het hele jaar door een stabielere temperatuur heeft dan bijvoorbeeld buitenlucht, is het een betrouwbare en duurzame bron. Tabel 2-8: Kenmerken van verwarming met behulp van riothermie Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Rioolwater Warmtedrager Warmtenet Opnametemperatuur 10-20 °C Afgiftetemperatuur • 30-40 °C voor vloerverwarming • 45-55 °C voor lage temperatuur radiatoren • 60-65 °C voor hoge temperatuur radiatoren • 50-60 °C voor tapwater Isolatiewaarde woningen • Lage temperatuur: min. energielabel B • Hoge temperatuur: min.

energielabel C Beschikbaarheid nabijgelegen Geschikt rioolstelsel en voldoende warm water warmtebron Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) is een warmtetechniek waarbij warmte wordt gewonnen uit oppervlaktewater zoals rivieren, meren, kanalen of vijvers. Stromend water is het meest gunstig voor TEO. Een waterlichaam met stilstaand water kan echter ook kansrijk zijn, mits er voldoende water beschikbaar is om geen ‘kortsluiting’ te krijgen tussen de pomp die het water onttrekt en de uitlaat die het gewonnen water teruglevert aan het waterlichaam. Door middel van warmtewisselaars wordt warmte uit het gewonnen water gehaald en vervolgens via een warmtepomp opgewaardeerd tot een bruikbare temperatuur voor het verwarmen of koelen van gebouwen. TEO-systemen zijn met name efficiënt voor systemen die gebaseerd zijn op lage temperatuurverwarming, zoals vloerverwarming of lage temperatuur radiatoren. Het systeem is afhankelijk van de temperatuur van het oppervlaktewater, die varieert met het seizoen, maar door de inzet van warmtepompen kan het hele jaar door duurzame warmte worden geleverd.

12

Tabel 2-9; Kenmerken van verwarming met behulp van oppervlaktewater Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Oppervlaktewater Warmtedrager Warmtenet Opnametemperatuur 5-25 °C, afhankelijk van seizoen Afgiftetemperatuur • 30-40 °C voor vloerverwarming • 45-55 °C voor lage temperatuur radiatoren • 60-65 °C voor hoge temperatuur radiatoren • 50-60 °C voor tapwater Isolatiewaarde woningen • Lage temperatuur: min. energielabel B • Hoge temperatuur: min. energielabel C Beschikbaarheid nabijgelegen Waterlichaam van voldoende grootte warmtebron Industriële restwarmte Bij deze warmtetechniek wordt warmte die vrijkomt bij industriële processen hergebruikt voor het verwarmen van gebouwen of het leveren van warm water via een warmtenet. In fabrieken en productiebedrijven ontstaat vaak een aanzienlijke hoeveelheid overtollige warmte, bijvoorbeeld bij het koelen van machines, het opwarmen van materialen of in rookgassen. In plaats van deze warmte te laten verdwijnen in de lucht of het oppervlaktewater, kan deze via warmtewisselaars worden afgevangen en getransporteerd naar woningen, kantoren of andere gebouwen in de omgeving. Indien de opnametemperatuur van het water onvoldoende hoog is, is een warmtepomp nodig om de temperatuur verder op te waarderen. Industriële restwarmte wordt in veel gevallen gezien als een duurzame warmtebron.

Echter, de warmtetechniek is minder duurzaam dan warmtenetten die gevoed worden door geothermie of aquathermie. Dat komt doordat in veel gevallen de industriële warmte opgewekt is door de verbranding van fossiele brandstoffen. De koppeling aan een warmtenet zorgt voor een afhankelijkheidsrelatie tussen de warmtevoorziening en de industrie, en dit kan leiden tot een lock-in effect waarbij industriële productieprocessen langzamer of niet verduurzaamd worden. De afhankelijkheid van (het voortbestaan van enkele grote) warmteleverende bedrijven kan worden verlaagd door warmte te betrekken van meerdere bedrijven. Tabel 2-10: Kenmerken van verwarming met behulp van industriële restwarmte Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Industriële restwarmte Warmtedrager Warmtenet Opnametemperatuur 60-120 °C Afgiftetemperatuur 65-90 °C Isolatiewaarde woningen Geschikt voor alle energielabels Beschikbaarheid nabijgelegen Industriegebied met voldoende afneembare productie warmtebron van restwarmte Geothermie Bij deze warmtetechniek wordt warm water uit poreuze ondergrondse gesteentelagen gewonnen. De opnametemperatuur van het water hangt af van twee factoren: de diepte van de gesteentelaag waaruit het water gewonnen wordt, en de geothermale gradiënt (de 13

temperatuurstijging per kilometer diepte). In de regel onderscheiden we voor de combinatie met warmtenetten twee typen geothermie: - Middentemperatuur, met diepten van 500 tot 1.500 m en 30 tot 60 °C warm water - Hoge temperatuur, met diepten van 1.500 tot 3.000 m en 60 tot 100 °C warm water. Hoge temperatuur geothermie warmtenetten zijn veel effectiever en kansrijker dan midden temperatuur warmtenetten omdat voor deze oplossing de warmte niet opgewaardeerd hoeft te worden op de plek van aflevering. We gaan daarom uit van hoge temperatuur geothermie. Het op diepte gewonnen water wordt via een boorgat naar het aardoppervlak getransporteerd waar warmtewisselaars warmte uit het water onttrekken. Het afgekoelde water wordt in een separaat boorgat elders in dezelfde gesteentelaag teruggepompt. Met de onttrokken warmte wordt water verwarmd dat met een warmtenet verspreid wordt door het verzorgingsgebied van het warmtenet. Belangrijke randvoorwaarden voor een door geothermie gevoed warmtenet zijn de beschikbaarheid van een geschikte, poreuze gesteentelaag op een geschikte diepte en een stabiele ondergrond zonder risico op grondwaterverontreinigingen en aardbevingen. Ook mogen verschillende aardwarmtebronnen niet te dicht bij elkaar in de buurt liggen om te voorkomen dat putten teveel uit dezelfde bron gaan putten.

Als aan deze randvoorwaarden voldaan wordt en er voldoende afgiftepotentieel is, is geothermie een duurzame warmteoplossing die kan voorzien in de warmtevoorziening van een groot aantal gebouwen. Tabel 2-11: Kenmerken van verwarming met behulp van geothermie Aspect Vereiste / toelichting Warmtebron Grondwater uit diepe gesteentelagen Warmtedrager Warmtenet Opnametemperatuur 60-100 °C, afhankelijk van diepte en geothermale gradiënt Afgiftetemperatuur 70-90 °C, af te waarderen voor goed geïsoleerde gebouwclusters Isolatiewaarde woningen Geschikt voor alle energielabels Beschikbaarheid nabijgelegen Geschikte poreuze gesteentelaag op een diepte van warmtebron 1.500 tot 3.000 m

2.3

Plangebied

Het studiegebied is het gebied waar effecten van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen optreden. Dit betreft het plangebied én de omgeving daarvan. Het is afhankelijk van het milieuaspect tot hoever de grenzen van het studiegebied reiken. Het studiegebied kan voor een specifiek thema ook buiten de gemeentegrenzen reiken. In de milieuonderzoeken die worden uitgevoerd ten behoeve van het MER is per milieuthema het studiegebied bepaald. Het plangebied voor de NRD en daaropvolgende MER is de hele gemeente Vlaardingen. De gemeente bestaat voornamelijk uit stedelijk gebied met een wisselende stedenbouwkundige structuur. Denk hierbij aan uiteenlopende kenmerken, zoals het bouwjaar van de woningen, de bouwhoogte, de woningdichtheid, het percentage groen in de wijk en de functie van de gebouwen. Zie voor een kaart met wijktypologieën van Vlaardingen figuur 3.1 op bladzijde 28.

14

Het Warmteprogramma geldt voor alle bestaande woningen en (utiliteits-)gebouwen in de gemeente. Nieuwbouw valt buiten het programma. Bedrijven en bedrijventerreinen volgen een eigen verduurzamingsroute; wanneer een wijk aardgasvrij wordt, wordt de warmtevraag voor ruimteverwarming van bedrijven(terreinen) in die wijk meegenomen. Op bedrijventerreinen zitten grote warmtevragers zoals Vopak. Bedrijven die warmte nodig hebben voor hun ruimteverwarming, maar ook voor het bedrijfsproces (bij onder andere de metaal-, chemische en voedingsmiddelenindustrie). Naast warmtevragers zitten er ook aanbieders van grote hoeveelheden warmte, zoals bijvoorbeeld de afvalwaterzuiveringsinstallatie van Delfland. Voor de verduurzaming van de bedrijventerreinen ligt het voor de hand de restwarmte op de bedrijventerreinen zo veel als mogelijk her te gebruiken door de nabij gelegen bedrijven. Vlaardingen kent 13 bedrijventerreinen. Per bedrijventerrein moet nog in beeld worden gebracht wat de meest duurzame en opportune oplossing is voor gasloos verwarmen. De opportuniteit is afhankelijk van kosten/baten, wil om samen te werken en timing (vervanging van installaties). De specifieke aanpak per terrein volgt in en bij de wijkaanpakken of kavelstrategie.

De milieueffecten van bronnen buiten de gemeentegrenzen worden alleen indirect meegenomen via de Primaire Energie Factor (PEF) van de gebruikte elektriciteit. De restwarmte van de fossiele industrie wordt als duurzaam beschouwd. Op termijn zal de fossiele industrie via haar eigen transitiepad van fossiele energie afstappen, waarbij wij aannemen dat voldoende restwarmte zal blijven overschieten, en zullen nieuwe duurzame technieken (denk aan Electrolysers) een nieuwe bron van restwarmte vormen.

2.4

Uitgangspunten Warmteprogramma

De gemeente Vlaardingen werkt aan duurzame alternatieven voor verwarming met aardgas en andere fossiele bronnen. De bronnenstrategie verkent de inzetbaarheid van beschikbare bronnen in relatie tot de toekomstige vraag naar warmte. De kavelstrategie laat zien waar en wanneer welke alternatieven komen. Per wijk zullen mogelijke alternatieven besproken worden en wordt uitgelegd welke alternatieven kansrijk zijn. De bronnenstrategie en de kavelstrategie zijn nu nog losse documenten, maar worden integraal opgenomen in het warmteprogramma. De uitgangspunten en randvoorwaarden uit de TVW gelden ook voor het Warmteprogramma, de bronnenstrategie en de kavelstrategie. De gemeente vindt het belangrijk dat: 1. De gemeente duidelijkheid geeft; 2. De gekozen warmteoplossing en de bijbehorende uitvoering aansluit bij de behoeften van de buurt en betaalbaar, haalbaar, duurzaam en betrouwbaar is; 3. Er ruimte blijft voor eigen initiatief. Het warmteprogramma concretiseert de duurzame uitgangspunten uit de TVW en de rol van de gemeente. In de loop van de tijd kregen (en krijgen) deze uitganspunten een nadere invulling, met name in de gesprekken met de Woningbouwcorporaties. Het gaat dan onder andere over: • ‘Lokale bronnen zoveel mogelijk benutten'; • Rechtvaardigheid; • Kostensocialisatie; 15

•

Niet Meer Dan Nodig (NMDN)– principe vervangt geleidelijk aan het Niet Meer Dan Anders (NMDA)-principe4.

In de onderbouwing van de TVW zijn de Vlaardingse wijken gewogen aan de hand van een afwegingskader van elf criteria, zoals de investeringsagenda van de woningbouwcorporaties, het aandeel woningbezit van de woningbouwcorporaties, de contracteerbaarheid en aanwezigheid van lokale buurtinitiatieven.5 In het warmteprogramma gebruiken we hetzelfde afwegingskader voor het tekenen van de WAT- en WANNEER-kaarten. We houden daarbij zoveel mogelijk rekening met: • de bestaande en toekomstige energie-infrastructuur, waaronder het te verwachten warmte aanbod; • de kwaliteit en leeftijd van bestaande woningbouw; • de lange termijn bouwontwikkelingen in Vlaardingen op gebied van woningbouw; bedrijfsmatig en maatschappelijk; • wijzigingen in wet- en regelgeving. Milieueffecten waren nog geen expliciet onderdeel van het afwegingskader. Het plan-MER gaat hierin voorzien en dient zoals onderbouwing (of bijstelling) van onze keuzes. Het past binnen het hierboven genoemde tweede uitgangspunt uit de TVW: “De gekozen warmteoplossing en de bijbehorende uitvoering aansluit bij de behoeften van de buurt en betaalbaar, haalbaar, duurzaam en betrouwbaar is” De Wgiw schrijft voor dat de laagste kosten (laagste maatschappelijk kosten en laagste kosten voor de gebruiker) de keuze voor een warmteoplossing in hoofdzaak bepalend zijn.

Een warmteoplossing is duidelijk de goedkoopste als deze minimaal 20% goedkoper is dan het alternatief. Afstemming met andere beleidsterreinen Energie en warmte zijn voor Vlaardingen relatief nieuwe beleidsterreinen. Naarmate het energiebeleid dieper ingrijpt in de stad, neemt de samenhang met andere domeinen toe: armoede en betaalbaarheid (impact op kwetsbare huishoudens), onder- en bovengrondse ruimte, wonen, financiën, economie, sociaal beleid en klimaatadaptatie. Dat vraagt om nauwe afstemming binnen het Warmteprogramma. We sluiten specifiek aan op het nog op te stellen thematische omgevingsprogramma Volkshuisvesting en de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s voor de Westwijk en de Binnenstad. Deze raakvlakken beïnvloeden het WAT, WAAR en WANNEER. Een praktisch voorbeeld daarvan is het combineren van rioolvernieuwing met de aanleg van een warmtenet en een actueel voorbeeld is het voorzien in koelte.

4 Deze principes gaan over de betaalbaarheid van de warmtetarieven. Onder de oude warmtewet mocht de prijs van warmte niet hoger zijn dan de prijs van een cv-ketel op aardgas; het Niet Meer dan Anders-principe. O.a. omdat aardgas als alternatief verdwijnt en kostentransparantie belangrijk wordt gevonden, volgt uit de nieuwe wet dat de prijs van warmte niet meer mag zijn dat wat er benodigd is vanuit de kosten, met een redelijke marge daarop; het Niet Meer Dan Nodig-principe. 5 Vlaardingen van het aardgas. Transitievisie Warmte Vlaardingen, Ecorys, 17 september 2021.

16

3 Aanpak Milieuonderzoek Dit hoofdstuk behandelt achtereenvolgens: de relevante beleidskaders, de onderzoeksthema’s, de referentiesituatie, de te onderzoeken alternatieven en het beoordelingskader.

3.1

Fasering binnen het plan-MER

De looptijd van het warmteprogramma is vijf jaar (2026-2031) en de zichtperiode van het warmteprogramma is tien jaar (2026-2036). Het aardgasvrij maken van de eerste wijken duurt minimaal zo’n 8-10 jaar. De eerste wijken zijn het meest concreet uitgewerkt en worden concreet benoemd in het warmteprogramma. In het warmteprogramma wordt vooruitgekeken naar de andere wijken die nu nog niet uitgewerkt kunnen worden en waar nu nog geen beslissing over genomen kan worden. Deze wijken vallen al wel binnen de scope van het plan-MER. Het is voor de beschrijving van de effecten het meest helder als de effecten in de eindsituatie 2050 worden beschreven in het plan-MER, met een aanname over de fasering. Het plan-MER hanteert daarom als tijdhorizon 2050 en beschrijft de cumulatieve effecten van de uitvoering van het warmteprogramma tot die periode. Logischerwijs hebben de laatste wijken die aardgasvrij worden minder effect op de eindsituatie.

3.2

Relevante beleidskaders

Op Europees, Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau zijn er diverse (beleids)kaders die relevant zijn voor de ontwikkeling en het gebied waarin de activiteiten gaan plaatsvinden. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste randvoorwaarden uitgewerkt. Tabel 3.1 Overzicht relevante beleidskaders Beleidskader Relevantie Wereldwijd Klimaatakkoord van Parijs

Europees Europese Klimaatwet/ Green deal

Nationaal Nationaal Klimaatakkoord

17

Om de mondiale klimaatverandering tegen te gaan hebben 195 landen in 2015 het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Al deze landen, waaronder Nederland, maakten afspraken om de CO2-uitstoot terug te dringen. Het Nationaal klimaatakkoord en daarmee de warmtetransitie vinden hun oorsprong bij het Klimaatakkoord van Parijs.

Met de Green Deal, ook wel de Europese klimaatwet, heeft Europa vastgelegd klimaatneutraal te zijn in 2050. De uitstoot van broeikasgassen moet in 2030 met 55 % zijn afgenomen ten opzichte van 1990.

Het Klimaatakkoord is een pakket van maatregelen en afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om gezamenlijk de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 ongeveer te halveren (vergeleken met 1990). In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95 %

Omgevingswet

Omgevingsbesluit

Klimaatwet

Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw).

Wet collectieve warmte (Wcw)

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Nationaal plan energiesysteem

Provinciaal 18

afgenomen zijn. Een van de afspraken die daarvoor is gemaakt, is dat dat Nederland uiterlijk in 2050 volledig aardgasvrij is. De Omgevingswet bevat wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving op het vlak van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Hierbij gaat het om de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op duurzame ontwikkeling. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het omgevingsbesluit bevat regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). In de Klimaatwet heeft Nederland wettelijk vastgelegd dat we in 2030 55 % minder broeikasgassen moeten uitstoten en in 2050 95 % minder ten opzichte van 1990. De wet volgde op het Klimaatakkoord. De warmtetransitie draagt voor Nederland in grote mate bij aan het behalen van deze doelstelling. Deze wet en het bijbehorende besluit (Bgiw) geven gemeenten meer bevoegdheden om de warmtetransitie in de gemeente vast te leggen. Na de zomer van 2025 volgt naar verwachting het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie, (Bgiw).

Pas als het besluit in werking is getreden weten gemeenten welke bevoegdheden ze erbij hebben gekregen om de nieuwe manieren van verwarmen in de gemeente vast te leggen. De wet beoogt de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen door het gebruik van collectieve warmtevoorziening te faciliteren en tegelijkertijd de publieke belangen, duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid beter te borgen. Ook worden er met de wet eisen gesteld voor CO2uitstoot aan de te leveren warmte voor collectieve systemen. Ook voor de gemeente Vlaardingen geldt dat ze met deze wet de publieke belangen kan borgen. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet. In deze nieuwe aanpak wordt als uitgangspunt gesteld dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Op deze manier komt de gemeente Vlaardingen in gebieden tot betere en meer geïntegreerde keuzes. Het Nationaal Plan Energiesysteem is de kabinetsvisie voor het energiesysteem tot 2050. In dit plan geeft het kabinet aan hoe we kunnen bouwen, besparen, verdelen en verbinden voor een duurzaam en rechtvaardig energiesysteem - nu en in de toekomst.

Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

Omgevingsvisie Uitvoeringsprogramma ‘Schone energie voor iedereen’

Regionaal Regionale Energie Strategie (RES)

De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) bevat de regels van de provincie over de leefomgeving. Daarin staat wat wel en niet is toegestaan: mag bijvoorbeeld op een bepaalde locatie een bedrijf worden uitgebreid of kan dat niet vanwege een grondwaterbeschermingsgebied. Ook staan er instructieregels in voor omgevingsplannen van gemeenten en taken van waterschappen. De Provinciale omgevingsvisie van Zuid-Holland beschrijft de 50 beleidsdoelen van de provincie. In het Uitvoeringsprogramma 'Schone Energie voor Iedereen' staat wat de provincie de komende periode gaat doen om bij te dragen aan een duurzame, betaalbare en betrouwbare energievoorziening voor Zuid-Holland. Met duurzame warmte voor de gebouwde omgeving als een van de centrale onderwerpen.

De Regionale Energiestrategie (RES) geeft regionale doelen en plannen voor duurzame energieopwekking en -gebruik. In de regio Rotterdam-Den Haag werken 21 gemeenten en 4 waterschappen samen aan de energie- en warmtetransitie. De eerste focus voor de warmtetransitie ligt op vraagreductie door isolatie, met een regionale doelstelling van minimaal 20% besparing in de gebouwde omgeving. De RES-gemeenten streven ernaar om de beschikbare rest- en aardwarmte te benutten in een toekomstige energiemix, gecombineerd met lokale warmtebronnen zoals aquathermie, zonthermie en warmte-koudeopslag. De regio zet in op de optimale regionale warmtestructuur met de laagst maatschappelijke kosten. Hierbij wordt een mix gekozen waarbij hoogwaardige en schaarse bronnen worden ingezet voor toepassing die daar het meeste profijt van hebben. Er is nog geen MER gedaan voor de warmtevraag en -aanbod in de RES.

Lokaal Omgevingsvisie 2025

Transitievisie Warmte 2021

Stadsprogramma Nieuwe Energie

19

De kernambities zijn: Vlaardingen is sociaal, aantrekkelijk en gezond; Vlaardingen is toekomstbestendig; Vlaardingen is innovatief De Transitievisie Warmte geeft richting en invulling aan de warmtetransitie in Vlaardingen. Dit document beschrijft de overstap naar een aardgasvrije manier van verwarmen. De warmtetransitie verloopt in stappen en begint met isoleren. Het Stadsprogramma is samen met het coalitieakkoord vastgesteld in mei 2022. Vlaardingen wil een stad zijn die minder afhankelijk is van fossiele energiebronnen en in zijn energie en warmte voorziet door middel van duurzame bronnen.

Uitvoeringsplannen

3.3

Daarvoor worden acties en doelen vastgesteld in deze collegeperiode. De (wijk-)uitvoeringsplannen zijn er nog niet. Deze gaan op wijkniveau gedetailleerde stappen en acties beschrijven om het Warmteprogramma te realiseren. In het uitvoeringsplan concretiseert de gemeente de plannen uit warmteprogramma voor een dorpskern, wijk of buurt. Het uitvoeringsplan kan als een onderbouwing dienen van de wijziging van het omgevingsplan, die noodzakelijk is als Vlaardingen de aanwijsbevoegdheid wilt inzetten. Het is ook mogelijk om de onderbouwing van de wijziging van het omgevingsplan een andere vorm te geven dan een uitvoeringsplan.

Onderzoeksthema’s

Het milieueffectenonderzoek richt zich vooral op de ruimtelijke activiteiten en gebieden waar wezenlijke milieueffecten op de fysieke leefomgeving worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan de ligging van buisleidingen voor warmtenetten, maar niet aan de milieueffecten van elektriciteitsaansluiting in huis. Doel van het MER is om de relevante milieueffecten van het Warmteprogramma tijdens de aanleg-en de gebruikersfase inzichtelijk te maken. Gelet op de complexiteit van zowel de bronnen als de leefomgeving waar de milieuaspecten neerdalen, hanteren we als uitgangspunt dat we eerder kiezen voor een simpele weergave geven van de milieueffecten dan voor een complexe. Dit uitgangspunt is leidend tijdens de onderzoeken, omdat door voortschrijdend inzicht in de loop van het project mogelijke aanvullingen of aanscherpingen zich kunnen opdringen vanuit de complexiteit van de materie. Deze paragraaf geeft inzicht in de (milieu)aspecten die worden onderzocht in het MER, tot slot vindt u een tabel met deze aspecten, die bij elkaar het beoordelingskader vormen.

3.3.1 Geluid Geluid kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, ze kan met name effect hebben op het welzijn van bewoners. De verschillende mogelijke technieken produceren ieder in meer of mindere mate geluid als deze technieken in werking zijn. De totale hoeveelheid geproduceerd geluid per type geluidsbron in relatie tot geluidgevoelige functies wordt onderzocht.

3.3.2 Trillingen Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn van bewoners of schade aan gebouwen veroorzaken. De verschillende mogelijke technieken produceren ieder in meer of mindere mate trillingen als deze technieken in werking zijn. De totale hoeveelheid geproduceerd trillingen per type geluidsbron in relatie tot trillingsgevoelige functies wordt onderzocht. 20

3.3.3 Bodem Voor bodem worden vier aspecten onderzocht in het MER; de kwaliteit, het ruimtegebruik, de aardkundige waarden en bodemdaling. De bodemkwaliteit hangt samen met de biologische en chemische kwaliteit van de bodem. Ook het gebruik van bodembedreigende stoffen (bij bijvoorbeeld de bodem-warmtepomp) wordt onderzocht. Voor het ondergrondse ruimtegebruik wordt gekeken naar: de riolering, kabels, leidingen, boomwortels en ondergrondse containers, waterberging door infiltratiekratten of waterbergende wegfunderingen en parkeergarages. Het ondergronds ruimtegebruik wordt steeds intensiever, het risico hierbij is dat toekomstige ontwikkelingen bemoeilijkt worden. Het behoud van aardkundige waarden (indien van toepassing) komt als laatste aan bod. Tenslotte wordt het effect van geothermie op de daling van de bodem beoordeeld in algemene zin. Vlaardingen heeft op diverse plekken een slappe bodem (met name Holy Noord) en er wordt in onze omgeving naar gas geboord, wat ook invloed zou kunnen hebben op de bodem. Verder zijn er gebieden in Vlaardingen met huizen die op staal zijn gefundeerd. Deze woningen zijn in het bijzonder kwetsbaar voor de gevolgen van zettingen. Specifiek wordt aandacht gevraagd voor de kwetsbaarheid van deze woningen voor toepassing van een techniek als geothermie.

3.3.4 Lucht Bij het thema lucht gaat het om de uitstoot van fijnstof (PM10, PM2,5) en stikstofdioxiden (NOx) die vrijkomen bij de aanleg van nieuwe technieken en bij de inzet van hernieuwbare energiebronnen (bijvoorbeeld wanneer een warmtenet op biogas draait). De gevolgen van stikstofdepositie op de natuur wordt meegenomen onder het thema natuur.

3.3.5 Koelte/hitte Als we denken aan hitte - als milieuaspect - dan gaat het er om of de technieken gevolgen hebben voor de omgeving en of er meer of minder hittestress door ontstaat. Dat is vaak doordat er minder groen is omdat er meer ruimte voor gebouwen/installaties in de openbare ruimte nodig is of omdat installaties hun warmte kwijt moeten. De komende jaren neemt door klimaatverandering de vraag naar koeling toe. Dit tweede aspect - de vraag naar koeling als gevolg van de hitte – willen we eveneens meenemen in het onderzoek. Per techniek willen we kijken of die daarvoor geschikt is en of dat wel of niet meer gevolgen heeft voor de omgeving. Dat kan met een gevoeligheidsanalyse. Dit aspect staat bewust los van het voorgaande aspect ‘lucht’ omdat koelte en hitte mogelijk ook spelen in water of bodem.

3.3.6 Water Het thema water wordt meegenomen aan de hand van drie aspecten: 1) oppervlaktewater, 2) grondwater en 3) drinkwater. Voor oppervlaktewater betreft het de impact die temperatuurverschillen hebben op het waterleven, bij de aanleg en gebruik van een aquathermiesysteem. Bij grondwater wordt bekeken wat de impact is van bodemenergiesystemen op functioneren van het (grond)watersysteem, met name de hydrologische en thermische impact van bodemenergie op de grondwaterkwaliteit en kwantiteit. In Vlaardingen hebben wij een eigen 21

grondwatermeetnet en is uitvoerig onderzoek gedaan naar de grondwaterstanden in de stad. Daarbij zien wij dat er gebieden zijn die kwetsbaar zijn voor hoge of lage grondwaterstanden. Welk effect hebben de warmte-technieken op die specifieke gebieden? Bij het aspect drinkwater gaat het om de impact van warme buisleidingen op de kwaliteit van het drinkwater.

3.3.7 Duurzaamheid Hoewel alle nieuwe technieken CO2-neutraal moeten zijn, wordt CO2 toch meegenomen als thema in het milieuonderzoek omdat de elektriciteitsvoorziening nog niet CO2-neutraal is.

3.3.8 Natuur Onder dit onderdeel wordt met een ecologische voortoets globaal in beeld gebracht of plannen uit het Warmteprogramma leiden tot depositie van stikstofdioxiden (NOx) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en wat dit betekent voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Een globale toets volstaat voor dit warmteprogramma omdat het betreffende Natura2000 gebied niet stikstofgevoelig is. Daarvoor gebruiken we kentallen en aannames voor de gegevens die als input voor de berekening nodig is en brengen we een worst-case situatie in beeld. Concreet betekent dat dat we alleen een berekening uitvoeren voor de wijk die het dichtst bij het meest nabij de gemeente liggende stikstofgevoelige Natura 2000 gebied ligt. Voor deze situatie beoordelen we in hoeverre dit tot nadelige effecten kan leiden. Onder dit thema wordt ook geïnventariseerd welke beschermde soorten mogelijk in het gebied voorkomen en verstoord worden door de warmtetechniek. Voor wat betreft het mogelijke verstorende effect van individuele technieken zoals o.a. isolatie en zonnepanelen op vogels is de globale inventarisatie al gedaan in de quickscan voor het SoortenManagementPlan (SMP) (zie ook paragraaf 3.4.1). Voor wat betreft warmtepompen kent Vlaardingen geen aanvullende regels bovenop het Bouwbesluit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16176924/1