CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota bodembeheer 2016-2026

Gemeenteraad 14 oktober 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Nota bodembeheer 2016-202636.008 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Wonen # Landbouw ##

Nvt. Nvt.

Nvt. Nvt.

Nvt. Nvt.

Bodemlaag 0-1 m-mv

Landbouw #

Nvt.

Landbouw @

Nvt.

Landbouw @

Nvt.

Landbouw @ Landbouw @

Nvt. Nvt.

Bodemlaag 1-2m-mv

Landbouw ##

Nvt.

Alkeet- en Holypolder

Bodemlaag 0-1 m-mv Bodemlaag 1-2m-mv

Nvt. Nvt.

Bebouwing en weilanden

Bodemlaag 0-1 m-mv

Landbouw # Landbouw ## Wonen #

Wonen @@ Landbouw @ Wonen @@ (zie § 4.4.3 nota bodembeheer) Nvt. Nvt.

Nvt.

Nvt.

Landbouw* @

Nvt.

Bodemlaag 1-2m-mv Bodemlaag 0-1 m-mv Bodemlaag 1-2m-mv Bodemlaag 0-1 m-mv Bodemlaag 1-2m-mv Bodemlaag 0-1 m-mv Bodemlaag 1-2m-mv

Landbouw ## Industrie # Landbouw ## Industrie # Industrie ## Industrie # Landbouw ##

Nvt. Wonen* @@ Landbouw* @ Nvt. Nvt. Wonen @@ Landbouw @

Landbouw @ Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt.

Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt. Nvt.

Bodemlaag 0-1 m-mv

Landbouw #

Nvt.

Nvt.

Nvt.

Bodemlaag 1-2m-mv

Landbouw ##

Nvt.

Nvt.

Nvt.

Bodemlaag 0-1 m-mv

Niet gezoneerd $ ##

Nvt. Nvt. Nvt. Industrie @@ Industrie @@ Industrie @@ Landbouw @ Industrie @@ (zie § 4.4.4 nota bodembeheer) Industrie @@ (zie § 4.4.4 nota bodembeheer) Industrie @@ (zie § 4.4.5 nota bodembeheer)

Wonen @@ (zie § 4.4.5 nota bodembeheer)

Nvt.

Natuur @@ (zie § 4.4.5 nota bodembeheer)

2e Ring

Centrum Industrie na 1945 Rivierzone

Vergulde Hand West

Broekpolder

Bodemlaag 1-2m-mv Overig Uitgesloten gebied7 Oppervlaktewaterlichaam

Nvt. * $

#

##

@ @@

-

Niet gezoneerd $ #/##

Neem contact op met de DCMR

-

Nvt.

Neem contact op met de waterkwaliteitsbeheerder

Deze bodemfunctie komt niet voor in de bodemkwaliteitszone. Grond uit het betreffende gebied mag niet worden toegepast in hetzelfde gebied (vanwege de strengere toepassingseis ten opzichte van de ontgravingskwaliteit). Deze bodemkwaliteitszone is niet gezoneerd voor de stoffen arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). De 80-percentielwaarde van PFOA en PFOS zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar PFOA boven de toepassingswaarden voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater. Dit leidt tot beperkingen voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater (neem hiervoor contact op met de waterkwaliteitsbeheerder) en mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit leidt mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.

De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden Het gehalte aan PFOA moet voldoen aan 7,0 μg/kg ds en de gehalten aan de andere PFAS-verbindingen moeten voldoen aan 3,0 μg/kg ds.

7

De ontgravingskwaliteit voor PFAS-verbindingen geldt niet voor de locaties die vanwege (bedrijfs)activiteiten verdacht zijn voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

12 / 56

3

Maatschappelijke opgave De gemeenten Maassluis en Vlaardingen verwachten de komende 5 tot 10 jaar dat continu grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Voorbeelden hiervan zijn het regulier onderhoud aan weg(berm)en, rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen en (vervangende) nieuwbouwprojecten. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten blijkt dat het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond (met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’) beperkt is (zie hoofdstuk 2, tabel 2.1). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeenten willen invulling geven aan een duurzamer en kosten effectiever bodembeheer. Grond vrijkomend uit het ene project willen de gemeenten kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoeksen grondverwerkingskosten nodig, er hoeft minder grond te worden aangekocht (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet, de uitstoot van schadelijke stoffen zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af.

Het gebiedsspecifiek beleid van de gemeenten is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifiek beleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

13 / 56

4

De uitwerking van het grondstromenbeleid

4.1

Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik van grond Bij het nuttig toepassen van grond hanteren de gemeenten Maassluis en Vlaardingen het ‘standstill’ principe op gebiedsniveau (zie § 4.2). Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit op gebiedsniveau gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Op het niveau van bodembeheergebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: • met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (zie § 4.2); • als de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.4) niet worden overschreden; • als elders in het bodembeheergebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op gebiedsniveau wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: • Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. • In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het vastgestelde bodembeheergebied (zie § 4.2) gelden de generieke, landelijke (toepassings)eisen.

Als dit van toepassing is, is dat in deze nota aangegeven. Om knelpunten bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond in de praktijk op te lossen binnen de regels van het Besluit én om meer gebiedseigen licht verontreinigde grond (met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’) te kunnen hergebruiken, is gebiedsspecifiek beleid geformuleerd. Dit is in de hierna volgende paragrafen uitgewerkt. In eerste instantie zijn de beperkingen van het generiek beleid ten aanzien van hergebruik van grond aangegeven. Vervolgens is het gebiedsspecifiek beleid verder uitgewerkt. Dit beleid is er op gericht de beperkingen zo veel mogelijk weg te nemen binnen de kaders van wet- en regelgeving en beleid én voor zover risico’s voor het (toekomstig) bodemgebruik dit toelaten. Voor een aantal situaties is strenger beleid geformuleerd. Naast het gebiedsspecifiek beleid is ook algemeen beleid voor het hergebruik van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart in dit hoofdstuk uitgewerkt.

4.2

Uitbreiding van het bodembeheergebied Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

14 / 56

Met deze nota wordt het bodembeheergebied van de gemeente voor het grondstromenbeleid vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van de gemeenten Goeree-Overflakkee, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. De geldige bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten mogen gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische (stedelijke) kwaliteit van de toe te passen, te hergebruiken grond. 4.3

Toetsnormen classificering bodemkwaliteit De gemeenten Maassluis en Vlaardingen hanteren de toetsnormen die overeenkomen met die van de gemeenten Lansingerland, Nissewaard, Rotterdam en Schiedam (zie tabel 4.1). Deze blijven de voorkeur krijgen boven de generieke toetsnormen van de centrale overheid. Bij het vaststellen van toetsnormen die de voornoemde gemeenten in de Rijnmondregio hanteren, zijn keuzes gemaakt in de mate waarin op lokaal niveau mens, plant en dier worden beschermt en in de mate waarin binnen het gemeentelijke grondgebied ruimte wordt gecreëerd voor grondverzet. Voor het afwegingskader, de gemaakte keuzes en de totstandkoming van de LMW wordt verwezen naar bijlage C van de hoofdnota van het Rotterdamse beleid[13] (zie ook bijlage 6). Tabel 4.1: Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org.stof 10%-)

Stof

*

Maximale waarden

Maximale waarden

Maximale waarden

Maximale waarden

Natuur

Landbouw

Wonen

Industrie

(landelijke

(landelijke

(landelijke

(landelijke

toetsingsnorm)

toetsingsnorm)

toetsingsnorm)

toetsingsnorm)

Arseen

20

30 (20)

40 (27)

Barium*

190 (-)

280 (-)

550 (-)

920

Cadmium

0,60

1 (0,6)

3.7 (1,2)

13 (4,3)

Kobalt

15

25 (15)

50 (35)

190

76

Koper

40

60 (40)

100 (54)

190

Kwik

0,15

2 (0,15)

4,8 (0,83)

4,8

Lood

50

200 (50)

300 (210)

530

Molybdeen

1,5

10 (1,5)

88

190

Nikkel

60 (35)

60 (35)

75 (39)

100

Zink

140

200 (140)

350 (200)

720

Som PAK

1,5

5,5 (1,5)

11 (6,8)

40

Som PCB

0,02

0,1 (0,02)

0,25 (0,04)

0,5

Minerale olie

190

300 (190)

500 (190)

1.000 (500)

De norm voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor barium tijdelijk buitenwerking gesteld.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

15 / 56

4.4

Definiëren Lokale Maximale Waarden

4.4.1

Inleiding In de gemeenten Maassluis en Vlaardingen zijn veel gebieden aanwezig waar gebiedseigen grond niet in hetzelfde gebied mag worden hergebruikt. De toepassingseisen zijn strenger dan de verwachte kwaliteit van de grond die hier vrijkomt. Hierdoor moeten de gemeenten én derden hoge kosten maken voor de afvoer en verwerkingskosten van deze grond en de aankoop van nieuwe grond. En dat terwijl het hergebruik van de af te voeren grond geen risico’s oplevert bij het duurzaam hergebruik. Het gebiedsspecifieke kader van het Besluit staat toe dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen grond mag worden toegepast met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en/of ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond moet dan voldoen aan de betreffende bodemfunctieklasse (zie kaartbijlage 1). Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. In het generieke kader is deze ruimere toepassingsmogelijkheden (Lokale Maximale Waarden) niet mogelijk. Alleen in het kader van gebiedsspecifiek beleid mogen Lokale Maximale Waarden worden vastgesteld. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. De in deze paragraaf vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (zie § 4.2 en § 4.10).

Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.4.2).

4.4.2

Lokale Maximale Waarden bodemkwaliteitszone toepassen grond op moes/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen stellen daarentegen bij moes/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen8 strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeente moet de grond die wordt toegepast op bestaande moes/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. Met de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ wordt voor lood voldaan aan het aanvullend advies van de GGD GHOR Nederland over lood in de bodem en gezondheid[15]. De nieuw aan te leggen moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen moeten worden voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. Met de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ wordt voor lood voldaan aan het aanvullend advies van de GGD GHOR Nederland over lood in de bodem en gezondheid.

8

Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

16 / 56

De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (zie § 6.2.1). Als de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, wordt asbest ook in de partijkeuring meegenomen. Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.5 en § 4.6). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56). De Lokale Maximale Waarde voor bestaande moes/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. De nieuw aan te leggen onverharde moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en kinderspeelplaatsen moeten worden voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse Natuur’. De kwaliteit moet zijn aangetoond met een partijkeuring (zie § 6.2.1). Als de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, wordt asbest ook in de partijkeuring meegenomen. Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.5 en § 4.6). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56).

4.4.3

Lokale Maximale Waarden bodemkwaliteitszone ‘2e Ring’ bodemlaag 0-2 m-mv (Vlaardingen) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente Vlaardingen toe dat in en op de relatief schone bodemkwaliteitszone ‘2e Ring’ (Vlaardingen; bodemlaag 0-2 m-mv), grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (zie kaartbijlage 4A). De kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is gelijk aan de vastgestelde Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Wonen, zie § 4.3). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56).

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

17 / 56

De Lokale Maximale Waarde voor de bodemkwaliteitszone ‘2e Ring’ bodemlaag 0-2 m-mv (Vlaardingen), is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56).

4.4.4

Lokale Maximale Waarden bodemkwaliteitszone ‘Vergulde Hand West’ bodemlaag 0-2 mmv (Vlaardingen) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’ te vergroten, staat de gemeente Vlaardingen toe dat in en op de relatief schone bodemkwaliteitszone ‘Vergulde Hand West’ (Vlaardingen; bodemlaag 0-2 m-mv), grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ mag worden toegepast (zie kaartbijlage 4A en 4B). De kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de vastgestelde Maximale Waarde van het bodemgebruik in dit gebied (Industrie, zie § 4.3 en kaartbijlage 1). Hierdoor treden er bij het huidige en toekomstige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56). De Lokale Maximale Waarde voor de bodemkwaliteitszone ‘Vergulde Hand West’ bodemlaag 0-2 m-mv (Vlaardingen), is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56).

4.4.5

Lokale Maximale Waarden ter plaatse van de Broekpolder bodemlaag 0-2 m-mv (Vlaardingen) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond te vergroten, staat de gemeente Vlaardingen toe dat ter plaatse van de Broekpolder9 onder voorwaarden mag worden toegepast. Op aangewezen gebieden mag de toe te passen grond in de bodemlaag 0-2 m-mv voldoen aan de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’, ‘Wonen’ of ‘Natuur (zie de kaartbijlagen 4). De gemeente stelt hierbij de onderstaande voorwaarden: • Er moet goed gemotiveerd worden welke kwaliteitsklasse grond wordt toegepast als deze niet voldoet aan de kwaliteitsklasse dan ‘Natuur’ • De werkzaamheden worden vastgelegd in een saneringsplan of in een plan van aanpak binnen het raamsaneringsplan. 9

De Broekpolder is een locatie die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking “Ernstig”).

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

18 / 56

• •

Aangetoond moet worden dat voor het saneringsplan een beschikking is genomen in het kader van de Wet bodembescherming. In het saneringsplan moet zijn opgenomen dat een grondstromenplan wordt opgesteld voor de meldingen in het kader van het Besluit (zie ook § 7.6).

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56).

Op aangewezen gebieden in de Broekpolder mag de toe te passen grond in de bodemlaag 0-2 m-mv voldoen aan de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’, ‘Wonen’ of ‘Natuur (zie de kaartbijlagen 4). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56). 4.4.6

Lokale Maximale Waarden toepassen grond ter plaatse van en toepassen grond uit aangewezen onverharde (spoor)bermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ bodemlaag 0-2 m-mv Onderbouwing en definiëring Lokale Maximale Waarden Van onverharde (spoor)wegbermen is het bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van: • depositie uitlaatgassen (PAK, lood); • afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood); • funderingsmateriaal (zware metalen en PAK); • toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); • uitloging vangrails (zink); • slijtsel van bovenleidingen, stroomafnemers en slijtage van rails (cadmium, lood, koper, zink); • toepassing van bestrijdingsmiddelen voor het vrijhouden van het spoor van onkruid. De onverharde (spoor)wegbermen in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen die op de bodemfunctieklassenkaarten zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’ (zie kaartbijlage 1) zijn verdacht voor bodemverontreiniging en daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Hierdoor bestaat er voor het toepassen van (spoor)wegbermgrond in (spoor)wegbermen een dubbele onderzoeksinspanning. Van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem moet met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld.

Omdat het bekend is dat onverharde (spoor)bermgrond van drukke wegen belast wordt met verontreinigende stoffen, wordt het niet milieuvriendelijk geacht dat bij aangewezen onverharde (spoor)bermen wordt uitgegaan van het generieke kader van het Besluit waarbij de mogelijkheid bestaat dat alleen schone grond mag worden toegepast. De gemeenten vinden het niet duurzaam dat eventueel toegepaste schonere grond als gevolg van het drukke (spoor)wegverkeer alsnog wordt verontreinigd. De gemeenten vinden het

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

19 / 56

daarom aanvaardbaar om voor de onverharde (spoor)wegbermen die zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’, Lokale Maximale Waarden vast te stellen zonder dat hierbij risico’s optreden. Voor alle onverharde (spoor)wegbermen in de gemeenten die op de bodemfunctieklassenkaart zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’ (zie kaartbijlage 1) mogen juridisch gezien geen Lokale Maximale Waarden worden opgesteld. Voor deze gebieden is namelijk de kwaliteit van de ontvangende bodem niet bekend10. Maar om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, worden de volgende Lokale Maximale Waarden vastgesteld. De gemeenten staan lokale verslechtering toe in de taluds en de onverharde (spoor)wegbermen die zijn aangewezen met de bodemfunctie ‘Industrie’ (zie kaartbijlage 1) met gebiedseigen grond (zie § 4.2) die voldoet aan maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze aangewezen onverharde (spoor)wegbermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen risico's op als grond met de kwaliteitsklasse 'Industrie', ‘Wonen’, ‘Landbouw’ of ‘Natuur’ wordt toegepast. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56).

Met onverharde (spoor)wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de (spoor)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 1,0 meter diepte, en heeft gerekend vanaf de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1. in bijlage 1): • de erfgrens of • de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of • de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of • als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor bermen langs dijkwegen en voor (spoor)wegbermen gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. De Lokale Maximale Waarde voor taluds en de onverharde bermen van (spoor)wegen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’, is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56).

10

Artikel 47 van het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat voor het vaststellen van Lokaal Maximale Waarden een bodemkwaliteitskaart vereist is.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

20 / 56

Toepassen grond uit aangewezen onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ Als het voornemen bestaat grond uit een (spoor)wegberm met de functie ‘Industrie’ (zie kaartbijlage 1 en uitgesloten gebied op de ontgravingskaarten) toe te passen, gelden de volgende regels: • Voorafgaand aan de toepassing in onverharde (spoor)wegbermen met de functieklasse ‘Industrie’ moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen (spoor)bermgrond (zie § 6.2.1). De resultaten van het indicatieve onderzoek (maximaal vastgestelde gehalten) moeten worden getoetst aan de eisen van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast: o Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond op of in de onverharde (spoor)wegbermen worden toegepast. o Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. De grond kan ook aanvullend worden gekeurd (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring kan de grond worden toegepast.

o Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. • Voorafgaand aan toepassing elders moet een partijkeuring worden uitgevoerd (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Door het uitvoeren van indicatief onderzoek en het stellen van toetsregels en maximale waarden wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond opnieuw binnen de gemeenten wordt toegepast. Voorafgaand aan de toepassing van grond uit onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in onverharde (spoor)wegbermen met de functieklasse ‘Industrie’, moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

21 / 56

4.5

Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen, plastic, piepschuim etc.) Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Binnen de grondgebieden van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen is het toepassen van grond met bijmengingen toegestaan mits: • De bijmenging bevat niet meer dan 20 gewichtsprocent aan steenachtige materialen en organische materialen/meststoffen en bij zorgvuldig ontgraven niet is te voorkomen dat de grond of baggerspecie daarmee is vermengd (onnodig bodemvreemd materiaal zoals bijvoorbeeld stukken rioolbuis, trottoirbanden of stoeptegels): o Steenachtige materialen in een grootte kleiner dan 63 mm, zoals resten van baksteen, cement of beton, schelpen, natuur- of breuksteen. o Organische materialen/meststoffen, die van nature verworden tot humus, onbewerkt hout. • De bijmenging bevat niet meer dan 2 gewichtsprocent aan steenachtige materialen en niet-organische materialen/meststoffen, dat doorgaans geen onderdeel uitmaakt van de bodem en voorafgaand aan het ontgraven of bewerken of toepassing van de grond of baggerspecie eenvoudig kan worden verwijderd (onnodig bodemvreemd materiaal): o Steenachtige materialen in een grootte kleiner dan 63 mm, zoals koolassen, sintels of slakken.

o Andere bodemvreemde materialen zoals huishoudelijk/industrieel afval, ijzer, asfalt, verf, potscherven, keramische tegels. o Kunstmatige meststoffen en restanten van verduurzaamd of geverfd hout. • De bijmenging bevat niet meer dan 2 volumeprocent aan lichte bijmengingen, dat doorgaans geen onderdeel uitmaakt van de bodem en voorafgaand aan het ontgraven of bewerken of toepassing van de grond of baggerspecie eenvoudig kan worden verwijderd (onnodig bodemvreemd materiaal zoals plastic, piepschuim, blik e.d.) zodat sprake is van een sporadische bijmenging. • Het bijgemengde bodemvreemde materiaal is niet-asbestverdacht. • Het bodemvreemde materiaal heeft geen afwijkende kleur en/of geur. De initiatiefnemer is verantwoordelijk dat deze voorafgaand aan het grondverzet aandacht besteedt aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond (zie aanleveren van historische gegevens; § 6.1). De initiatiefnemer laat tijdens de grondwerkzaamheden zijn uitvoerder hierop visueel controleren. Het is niet toegestaan om (ongezeefd) grond toe te passen als die een bijmenging heeft van meer dan het hierboven toegestane percentage bodemvreemd materiaal. Uiteraard kan het voorkomen dat er een steenachtig materiaal voorkomt in een diameter groter dan 63 mm zoals een enkele baksteen. In die situatie, bij twijfel of grenssituaties beslist de DCMR of sprake is van te grote bijmenging.

Het is toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civiel technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal wordt getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

22 / 56

Wordt tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal waargenomen, dan worden de werkzaamheden door de uitvoerder gestaakt (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit[16]) en meldt hij dit direct aan de DCMR. Veelal wordt dan het spoor van de Wet bodembescherming gevolgd en volgt een verkennend bodemonderzoek naar asbest in grond. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die op een bodemverontreiniging wijzen. Wordt in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal vastgesteld, of wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan wordt dit direct gemeld bij de toezichthouder (de DCMR). 4.6

Toepassen van grond op bepaald bodemgebruik en met asbestverdacht/-houdend materiaal Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen worden uitgevoerd, is het onder de volgende voorwaarden toegestaan licht met asbest verontreinigde grond toe te passen: • Tot en met 50 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Landbouw’ en ‘Wonen’ maar ook onverharde kinderspeelplaatsen, moes-/volkstuincomplexen en schooltuinen. • Tot en met 100 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’. Burgers of bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen.

Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het volgende: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[17] of NEN 5897[18] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming: totdat de Omgevingswet inwerking treedt is dat de provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Is de zorgplicht niet van toepassing,

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

23 / 56

dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[19]). Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds gewogen- aan respirabele vezels) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (zie § 4.4), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel-technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen.

Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeente Maassluis en Vlaardingen worden uitgevoerd, is het onder de volgende voorwaarden toegestaan licht met asbest verontreinigde grond toe te passen: • Tot en met 50 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Landbouw’ en ‘Wonen’ maar ook onverharde kinderspeelplaatsen, moes/volkstuincomplexen en schooltuinen. • Tot en met 100 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’.

4.7

Toepassen van PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie

4.7.1

Definiëren toepassingswaarden PFAS-houdende grond en te verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie Zoals uit onderzoeken is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFASverbindingen vastgesteld. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. Om beter invulling te geven aan de voorkomende variatie, worden door de gemeenten voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte toepassingswaarden voor PFASverbindingen in de grond van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen gedefinieerd. Deze zijn gebaseerd op de mogelijkheden die het geactualiseerde tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie[20] biedt (zie tabel 4.2). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeenten, vinden de gemeenten de gedefinieerde toepassingseisen een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeente toe te staan.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

24 / 56

Tabel 4.2: Toepassingswaarden PFAS-verbindingen in de grond Stof

Toepassingswaarden PFAS-verbindingen (in µg/kg ds)

Toepassen van grond in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen11: ‘Wonen’ of ‘Industrie’ (boven grondwaterniveau12 tot maximaal 2,0 m-mv) PFOA (som, lineair, vertakt)

7,00*

PFOS (som, lineair, vertakt)

3,00*

Elke andere PFAS-verbinding

3,00*

Toepassen van grond in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen: ‘Landbouw’ of ‘Natuur’ (boven grondwaterniveau tot maximaal 2,0 m-mv) PFOA (som, lineair, vertakt)

1,90**

PFOS (som, lineair, vertakt)

1,40**

Elke andere PFAS-verbinding Toepassen grond onder grondwaterniveau13 en/of dieper dan 2,0 m-mv

1,40**

PFOA (som, lineair, vertakt)

1,90**

PFOS (som, lineair, vertakt)

1,40**

Elke andere PFAS-verbinding Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in het buitengebied

1,40**

PFOA (som, lineair, vertakt)

1,90**

PFOS (som, lineair, vertakt)

1,40**

Elke andere PFAS-verbinding 1,40** * Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie bij de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. ** Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen.

4.7.2

Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings)waarden voor PFAS-houdende grond Tot en met 2021 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFASverbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgen de gemeenten de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAShoudende grond worden aangepast, evalueren de gemeenten deze met de in deze nota 11

Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen

(PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 13 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 12

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

25 / 56

bodembeheer gedefinieerde toepassingswaarden voor hergebruik van PFAS-houdende grond en het verspreiden van PFAS-houdende baggerspecie. Indien van toepassing worden de toepassingswaarden gewijzigd en zo nodig bestuurlijk vastgesteld. 4.8

Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: • er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; • er geen tussentijdse bewerking14 plaatsvindt; • de grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; de onderlaag 1-2 m-mv wordt weer onderlaag en de bovenlaag 0-1 m-mv wordt weer bovenlaag. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovenlaag en de onderlaag worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en onderlaag gescheiden tijdelijk op te slaan.

Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten verruimen de gemeenten voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties, hoeven de bovenlaag (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte) en de onderlaag (bodemlaag vanaf 1,0 tot en met 2,0 meter diepte) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. In § 4.22 is aangegeven dat de bodemkwaliteitskaart niet kan worden gebruikt voor de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. De gemeenten maken hierop een uitzondering voor graafwerkzaamheden bij tijdelijke uitname van grond bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen: de zintuiglijk niet verontreinigde bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze worden beoordeeld als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte.

Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst en niet gescheiden is ontgraven, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. In 2020 is een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem[21]. De gemeenten 14

Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (zie Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid).

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

26 / 56

adviseren deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Voor tijdelijke uitname van grond, bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 6.1, § 7.1, § 7.2.1 en § 7.2.3. NB

Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW 400[22] de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde15 (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld toten met 1,0 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag vanaf 1,0 tot en met 2,0 meter diepte) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De zintuiglijk niet verontreinigde bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag in op dezelfde wijze worden beoordeeld als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte.

4.9

Toepassen van grond in een grootschalige toepassing De toepassing van grond in een grootschalige toepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige toepassing neemt in de planfase contact op met de DCMR. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige toepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de DCMR vastgelegd. De gemeenten verplichten de initiatiefnemer om voor het werk een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de DCMR. Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct aan de DCMR worden gemeld (zie ook § 7.6). Afhankelijk van de beoordeling van de DCMR moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ én aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling. De vastgestelde Rotterdamse toetsingsnormen voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn hier niet van toepassing (zie ook § 3.1 van de samenvatting van het Rotterdamse beleid). Hierdoor wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden.

Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt

15

80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

27 / 56

toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen, zie § 4.4). Als de gemiddelde waarden van een bodemkwaliteitszone voldoen aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2) gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: • De grond is afkomstig van een gebied dat onderdeel uit maakt van de bodemkwaliteitskaarten (zie voor de uitgesloten gebieden de rapportages van de bodemkwaliteitskaarten). • De grond die wordt toegepast voldoet aan het maximaal percentage bodemvreemd materiaal zoals is omschreven in § 4.5 en het maximaal toegestane gehalten met asbest (zie § 4.6). Toepassen PFAS-houdende grond De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing boven grondwaterniveau16 voldoet aan de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’, of een betere kwaliteit: • PFOA: 7,0 µg/kg ds. • Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds.

De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing onder grondwaterniveau17 moet voldoen aan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden: PFOA: 1,9 µg/kg ds en de andere PFASverbindingen: 1,4 µg/kg ds. Oók moet worden aangetoond dat de PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de PFAS-houdende grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56). 4.10

Grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen Grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (zie § 4.2) moet altijd zijn gekeurd (zie § 6.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit. Kaarten met de generieke toepassingseisen zijn in een apart document[23] opgenomen. De door de gemeenten Vlaardingen en Maassluis vastgestelde toepassingseisen gelden niet voor de grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten (zie § 4.2). 16

Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: Tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 17 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: Op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

28 / 56

Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.4.2). Ook gelden bij grondtoepassingen in opdracht van de gemeente, de aanvullende eisen voor asbest (zie § 4.5). 4.11

Melden en onderzoeken kleine partijen grond (kleiner dan 50 m3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone baggerspecie kleiner dan 50 m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (zie ook § 7.2.2). Het is echter niet redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden. De gemeenten verruimen de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 4.3 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Het heeft echter de voorkeur, dat kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m3 (zie artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL 9335 protocol 9335-1[24].

Volgens paragraaf 6.1 van BRL 9335 – protocol 9335-1 kunnen partijen grond tot 100 ton worden ingenomen op basis van beperkte voorinformatie, dus ook grond die niet geanalyseerd is op PFAS-verbindingen. Individuele kleine partijen PFAS-houdende grond kunnen, afhankelijk van de acceptatiecriteria, ook bij erkende grondverwerkers (reiniger, grondbank) worden aangeboden. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt ter onderbouwing van de kwaliteit van de aangeboden grond. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de eigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt in het openbaar gebied. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (zie § 6.1).

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

29 / 56

Tabel 4.3: Regels voor keuring en melding van kleine partijen grond. Van gebieden die waar de bodemkwaliteitskart niet van is geaccepteerd of geen Grondstroom

Van gebieden van de eigen en geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten

bodemkwaliteitskaart is vastgesteld Volgens grondstromenmatrix vrij grondverzet18

Schone grond

Hoeveelheid

Keuring?

≤50 m3

Nee

>50 m3

Ja

Nee, wel Melden?

geen vrij grondverzet18

≤50 m3

>50 m3

≤25m3

Nee, tenzij een

Nee, tenzij een

Nee, tenzij een

bepaald

bepaald

bepaald

bodemgebruik*

bodemgebruik*

bodemgebruik*

Ja, zie

toestemming

Ja, zie

vragen aan

§ 7.2

vragen aan

§ 7.2

eigenaar

zone

Beperking

4.12

Afhankelijk van keuringsresultaten

bij de

*

Ja

Ja, zie § 7.2

Binnen de

toepassing?

>25m3

Nee, wel

toestemming eigenaar

Volgens grondstromenmatrix

Bepalingen uit § 4.5 en § 4.6 en er mag geen sprake zijn van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie

Als een partij kleiner is dan 25 m3 en de toepassingslocatie heeft of krijgt een bepaalde gevoelige bodemgebruik (moes- /volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen19), dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeurig waaruit blijkt dat de kwaliteit van de grond voldoet aan de gestelde toepassingseis of Lokale Maximale Waarde (zie § 4.4.2).

Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 6.2.1). Een partijkeuring op de grond van een tijdelijke opslag is niet noodzakelijk, de bodemkwaliteitskaart mag als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond gebruikt worden, als wordt aangetoond dat de grond: 1. afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit het vragenformulier met historische gegevens; zie § 6.1); én 2. afkomstig is uit een zone van het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (zie § 4.2); én 3. niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335[25] of de BRL SIKB 7500[26]. 18

Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld. 19 Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

30 / 56

Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd (zie hiervoor artikel 4.3.1 Regeling bodemkwaliteit) door de initiatiefnemer. Minimaal moet de onderstaande informatie administratief worden vastgelegd: • de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, • de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en • de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL 9335 – protocol 9335-1. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan moet een bedrijf dat is erkend voor het BRL 9335 – protocol 9335-1 worden ingeschakeld om de partij te legaliseren. In § 6.3.5 van het BRL 9335 – protocol 9335-1 is hiervoor een mogelijkheid beschreven. Dit document ziet expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3)[27] als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing. 4.13

Terugsaneerwaarden en hergebruik grond op locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (locaties met een beschikking “Ernstig”) Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: • De terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen[28]). • Het aanvullen van de ontgravingsput, het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering of het tijdelijk opslaan van grond.

4.13.1

Terugsaneerwaarden en hergebruik van grond De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen[29]) geregeld: Wet bodembescherming Circulaire artikel 4.1.2 1. Bodemfunctie 2. Gemotiveerd afwijken met behulp van een saneringsplan BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4 1. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden 2. Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, de Achtergrondwaarden (AW2000) als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld 3. Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

31 / 56

Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (veroorzaakt voor 1 januari 1987); bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond. Nieuwe bodemverontreinigingen (ontstaan vanaf 1 januari 1987) moeten volledig worden gesaneerd. Hiervoor is de gemeente bevoegd gezag. Het is mogelijk dat in uitzonderlijke gevallen de Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3) niet toereikend zijn voor een sanering. Zo zou het kunnen zijn dat er voor een specifieke situatie de saneringskosten te hoog oplopen, terwijl verwacht wordt dat er op basis van locaties specifieke omstandigheden geen sprake is van een risico. In die situatie moet een saneringsplan worden opgesteld en de hierin gehanteerde terugsaneerwaarden op basis van een uitgebreid onderzoek naar risico’s (bijvoorbeeld een triadeonderzoek) worden onderbouwd. Het toepassen van grond om een saneringsdoelstelling te behalen valt onder het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor de gemeenten Maassluis en Vlaardingen is dat de provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen.

Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 in bijlage 2) en voldoet aan de toepassingsvoorwaarden uit deze nota bodembeheer. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. Voor grond, afkomstig uit het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (zie § 4.2), gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie kaartbijlagen 4A en 4B). Voor grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen, gelden de generieke toepassingseisen die zijn opgenomen in een apart document[23]. Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 4.5 en § 4.6 van toepassing. 4.13.2

Melden toepassen van grond op een saneringslocatie Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (zie § 7.2.1). Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming en een saneringsplan is opgesteld, moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor de gemeenten is dat de provincie Zuid-Holland, zie ook de website: https://www.zuidholland.nl/onderwerpen/ruimte/bodem-ondergrond/bodemsanering-beheer/ of het klikpad: start › onderwerpen › ruimte › bodem en ondergrond › bodemsanering en beheer. De Provincie Zuid-Holland die deze taken heeft gemandateerd aan de DCMR; 010-2468140, info@dcmr.nl). De dubbele meldingsplicht geldt niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit).

NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021

32 / 56

4.14

Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond

4.14.1

Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden In de gemeenten Maassluis en Vlaardingen zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in hoofdstuk 2 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het volgende: • Het toepassen van grond van deze locaties of gebieden moet voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: ̵ Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Industrie' of beter, dan mag de grond op worden toegepast op een locatie waar de vastgestelde kwaliteit voldoet aan de daar geldende toepassingseis. ̵ Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor 'Industrie' overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. ̵ Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. De onderzoeksresultaten moeten worden gemeld aan de DCMR. • Als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, moet de ontvangende bodem onderzocht worden met een verkennend bodemonderzoek (zie § 6.2.2).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10631323/1