DCMR Jaarverslag en Jaarrekening 2020 ter informatie
Tekst van het document
nauw betrokken bij mogelijke invloed hiervan op het werkveld. Kleine wets- en beleidswijzigingen, welke vooruitlopen op de Omgevingswet, worden hierdoor snel opgepakt en daar waar nodig omgezet naar nieuwe werk- of handelwijzen.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
23 / 88
3.2.2
Omgevingswet en ontwikkeling databeheer
Omgevingswet In 2020 is verder gewerkt aan het programma Omgevingswet, waarbij het programma nog meer in een uitvoerende fase is gekomen. Steeds stond de voorbereiding op de beoogde inwerkingtredingsdatum, 1 januari 2022, centraal. In 2020 zijn de volgende werkzaamheden verricht: - Een aantal opleidingen uit de leerroutes voor de medewerkers van DCMR is afgerond/afgesloten. Het resterende deel van de opleidingen wordt in 2021 aangeboden. - Er is een ronde afspraken met (de meeste) participanten geweest waarbij specifiek is ingezoomd op de procesveranderingen die de Omgevingswet meebrengt voor de werkzaamheden die DCMR voor haar participanten uitvoert. De gesprekken worden in 2021 voortgezet en vormen de basis voor het maken van de nieuwe (werkplan-)afspraken in 2021. - In 2020 is veel energie gestoken in de aanpassing van de bestaande werkprocessen/sjablonen, alsook de DCMR-systemen. De afronding staat gepland medio april 2021. - Op 26 november 2020 heeft DCMR, samen met een aantal leden in het Rijnmondberaad, een bijeenkomst georganiseerd voor de bestuurders van de Rijnmond (‘bestuurlijke bijeenkomst Omgevingswet’). - In 2020 organiseerde DCMR voor de participanten een tweetal uitgebreide milieuthemabijeenkomsten waarin specifiek werd stilgestaan bij de overgang van een aantal milieuonderwerpen naar het (gemeentelijke) omgevingsplan.
- Eind november 2020 is onder leiding van DCMR en in samenwerking met de andere ZuidHollandse omgevingsdiensten een handreiking gepubliceerd over het overgangsrecht van de Omgevingswet: de bruidsschat. De handreiking is goed ontvangen, ook bij de andere gemeenten en omgevingsdiensten in Nederland. De handreiking is een vervolg op de eerder in 2020 gepubliceerde handreiking. - Er is een start gemaakt met de afronding/aanpassing van de producten- en dienstencatalogus: deze wordt in 2021 afgerond. - Het Rijnmondberaad – de regionale samenwerking tussen participanten en ketenpartners – is versterkt. Thans wordt gewerkt met een apart programmamanagersoverleg en worden op deelonderwerpen adviezen voorbereid in aparte werkgroepen (denk dan aan onder meer aan leges / mandaatregelingen, VTH en Digitaal Stelsel Omgevingswet). Ontwikkeling databeheer Eind 2020 heeft het Transitieteam Informatievoorziening zijn werkzaamheden beëindigd. Het team heeft samen met de organisatie de kaders voor het informatiebeleid voor de komende jaren opgesteld. Uitgangspunt daarbij is de door het bestuur onderschreven ambitie van DCMR om uit te groeien tot een datagedreven organisatie. Dat impliceert excellente data, waarvan het beheer op betaalbare en beheersbare wijze is geborgd.
Daartoe zijn naast de kaders ook formats opgesteld, onder andere voor Plannen van Aanpak voor I-gerelateerde projecten en voor handboeken voor benoemde dataregisters. Hoewel de start van de Omgevingswet is uitgesteld tot (voorlopig) 1 januari 2022, blijft de noodzaak om te werken aan betrouwbare, betaalbare en bestendige (milieu)gegevens hoog. Deze data vormen immers de basis voor diverse producten (omgevingsvergunningen, monitoringsrapporten, etc.), voor onze participanten en voor de bedrijven en inwoners van het Rijnmondgebied. In het programma ROI (Regionale Omgevingsinformatie) is in 2020 verder gewerkt aan het op orde brengen (en houden) van de informatievoorziening binnen DCMR. In de ontwikkeling van het register Omgevingsinformatie zijn verdere stappen gezet: de datasets die het Loket Omgevingsdata in beheer heeft zijn ontsloten via kaartviewers, waarmee de gebruikswaarde is toegenomen. Naast vragen van interne gebruikers beantwoordt het Loket sinds enige tijd ook vragen van buiten. In ROI-verband is ook gewerkt aan een tool ter ondersteuning van RO-advisering en kaartviewers voor de processen reguleren en toezicht. Deze instrumenten zijn nog in ontwikkeling. De coronacrisis is er in hoge mate debet aan dat we in 2020 niet meer toe zijn gekomen aan de ontsluiting van het register en de kaartviewer voor externe partijen.
Het project Monitoring & OmgevingsInformatie (MOI) is een samenwerkingsproject met participanten waarin data over de leefomgeving worden bijgehouden en beheerd. In 2020 zijn ongeveer 140 milieuindicatoren samengesteld. Het betreft zowel ruimtelijke informatie (kaarten) als trendinformatie over de ontwikkeling van de kwaliteit van de leefomgeving (lucht, water, bodem, groen, veiligheid, energie,
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
24 / 88
geluid etc.), alsook over de bronnen van milieubelasting en de door overheden en andere partijen uitgevoerde maatregelen. Het register waarin deze indicatoren worden gepubliceerd is in 2020 vernieuwd; in 2021 volgt verdere professionalisering door de introductie van de software tool Swing. 3.2.3
Beïnvloeding (internationale) regelgeving
Nationale en Europese regelgeving en ambities bepalen mede de aanpak binnen het Rijnmondgebied. Daarom maken beleidsbeïnvloeding en kennisdeling op nationaal en internationaal niveau onderdeel uit van dit programma. Zo kan in een vroegtijdig stadium worden geanticipeerd op beleidsontwikkelingen die van belang zijn. Dit betreft onder andere de herziening van de Europese richtlijn geluid, de aanpassing van de Europese geharmoniseerde reken- en meetmethode en de publicatie van de WHO-richtlijn geluid en gezondheid en de doorwerking daarvan op de Geluidrichtlijn en nationale regelgeving. In het kader van Fonomoc en Working Group Noise zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: - Informeren van collega’s over Europese ontwikkelingen. - Aandragen van innovaties en kennis opgedaan elders in Europa, en geïnformeerd worden door collega’s van DCMR over projecten, activiteiten en evt. problemen of kennis die waardevol kan zijn voor Europese partners of bouwstenen kunnen vormen voor het beïnvloeden van Europese regelgeving. - Leveren van een inhoudelijke bijdrage aan de herziening van de END (European Noise Directive). - Input leveren voor de geluidparagraaf van de European Green Deal. - Leveren van een bijdrage aan de Europese richtlijnen en criteria voor stille plekken (Quiet Areas) in de stedelijke omgeving.
- Uitvoeren van onderzoek aan sensoren voor burgermeetnetwerken in stedelijk gebied. - Onderhouden van het Europese kennisnetwerk door het deelnemen aan (online) bijeenkomsten va de Eurocities, Working Group Noise en DAGA. Door de coronacrisis zijn er geen fysieke bijeenkomsten geweest in 2020. De verwachting is dat deze situatie niet snel zal veranderen. In 2021 willen we meer online bijeenkomsten organiseren om contact te houden met de Europese partners. 3.2.4
Meetprogramma Luchtkwaliteit informatie
Monitoringsvisie Er is een nieuwe monitoringsvisie 2021-2025 gemaakt onder de naam “Een gezonde, veilige regio met ruimte voor economische ontwikkeling”. De monitoringsvisie beschrijft het meet- en monitoringswerk dat DCMR op het gebied van luchtkwaliteit de komende 5 jaar zal uitvoeren. Het meetnet blijft grotendeels ongewijzigd, o.a. om de doelstellingen van het Schone Lucht Akkoord (SLA) en de koersnota te kunnen monitoren. De visie sorteert voor op een afbouw van bepaalde metingen tegen 2025. De luchtkwaliteit verbetert en verwacht mag worden dat klimaatbeleid (o.a. energiebesparing en elektrificatie) dit proces nog versnelt. Gedurende de looptijd van de monitoringsvisie wordt een accentverschuiving verwacht van stedelijke (verkeergerelateerde) luchtkwaliteitproblematiek naar de industriële luchtvervuiling. Verkeer wordt immers schoner en zorgen om hinder (stank, stof) en Zeer Zorgwekkende Stoffen worden groter. Participatie heeft een belangrijke rol in de aankomende Omgevingswet en in het SLA en daarom voorziet de monitoringsvisie in flinke betrokkenheid bij burgermeetprojecten. Ook onderzoek naar alternatieve meetmethoden heeft een nadrukkelijke plaats in de monitoringsvisie. Citizen Science In 2020 is het buisjesmeetproject, dat ter ere van het 50-jarig jubileum van het meetnet werd uitgevoerd, afgerond en teruggekoppeld aan de deelnemers.
Fysieke bijeenkomsten die in de loop van het project werden gehouden waren ter afsluiting niet mogelijk. Er zijn twee webinars geweest met royale deelname, maar hiermee hebben we helaas toch niet iedereen kunnen bereiken. Met de gemeente Rotterdam wordt een vervolgproject in 2021 ontwikkeld. In de regio is PZH actief met Citizen Science activiteiten en ook die worden actief ondersteund.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
25 / 88
Verder is er, rond sensorontwikkeling en Citizen Science, samenwerking met het RIVM, en op verzoek met andere partijen. Over de communicatie en bestuurskundige kant was er samenwerking met TUDelft en met de EUR. In Hoek van Holland is een hinderonderzoek uitgevoerd met bewoners. De kennisontwikkeling over de inzet van dit instrument gaat door, al vormt het contactverbod – toch een essentieel onderdeel of zelfs doel van dit soort activiteiten – een forse beperking. Lockdown en luchtkwaliteit 2020 was qua luchtkwaliteit een uitzonderlijk jaar. Door de verschillende gradaties van beperkende maatregelen om coronabesmetting te voorkomen, was er aanzienlijk minder verkeer en ook de economische activiteit stond in Nederland en wereldwijd op een laag pitje. Dit zorgde voor een lagere uitstoot en een betere luchtkwaliteit. In het voorjaar buitelden in de media allerlei partijen over elkaar heen om de effecten te duiden. Vaak bleek men echter effecten van het weer en van de zogenoemde lockdown door elkaar te halen. Het exact duiden van het effect van de lockdown is ingewikkeld. Aan Rotterdam zijn effecten aangeleverd en er is gepubliceerd in een Nederlands vakblad, Citizen Science groepen in Zuid-Holland zijn bijgepraat, en met RIVM is een internationale publicatie gemaakt.
Gemiddeld over het hele jaar bleken de concentraties NO2 10-20% lager dan de twee voorgaande jaren, voor PM2.5 was het effect zelfs 15% tot 30%. Voor PM2.5 werd op een flink deel van de meetpunten een waarde onder de WHO-advieswaarde gemeten; iets wat pas voor de tweede helft van het decennium verwacht werd. We-nose De We-nose is een netwerk van 250 elektronische neuzen in het Rijnmondgebied die reageren op veranderingen in luchtsamenstelling. De signalen van de We-nose systemen in het Rijnmondgebied worden real-time in de meldkamer gevolgd en leveren ondersteunende informatie bij incidenten en klachten van inwoners. Bij ontgassingen van binnenvaartschepen, maar ook bij andere gebeurtenissen, levert de We-nose hierbij nuttige aanvullende informatie. 3.2.5
Bodem en ondergrond
Op 31 december 2020 is het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020 afgelopen. In 2020 heeft het ministerie I&W niet toegewerkt naar een nieuw convenant. Wel vinden het ministerie, VNG, IPO, VNO-NCW en UvW, allen betrokken bij het afgelopen convenant, dat de aanpak van de resterende bodemopgave en de verdere ontwikkeling over de kennis van de bodem gecontinueerd moeten worden. Deze wens is in 2020 door alle partijen uitgesproken en zal in 2021 naar verwachting nader worden uitgewerkt. In het kader van de warme overdracht van bodemtaken van de provincie naar de gemeenten heeft de DCMR: - In samenwerking met het landelijke project ‘aan de slag met de Omgevingswet’ in 2020 verder gewerkt aan een samenhangende benadering van de ondergrond met de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De uitkomsten hiervan zijn voor iedereen beschikbaar. - In samenwerking met de provincie en regiogemeenten, en in afstemming met de waterschappen in de regio en Rijkswaterstaat, in 2020 een start gemaakt met het ontwikkelen van ‘eenheid in bodembeleid’ voor de regio. Dit zal in 2021 worden vervolgd. - Actief bijgedragen aan het programma ‘bodembeheer van de toekomst’.
Dit programma is er op gericht om gemeenten – en de Omgevingsdiensten die in hun opdracht werken – te informeren en faciliteren bij het opnemen van regels over de kwaliteit van grond, bodem, grondwater en ondergrond in hun omgevingsplannen. Het programma wordt in 2021 vervolgd. - Samen met de provincie meerdere bijeenkomsten georganiseerd om met de participanten te overleggen over de bodem- en ondergrondtaken die de regiogemeenten als bevoegd gezag moeten gaan uitvoeren bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit zal in 2021 verder vorm worden gegeven. - Samen de andere OD’s van Zuid-Holland de handreiking bruidsschat 2.0 op zijn website gezet zodat deze door de participanten geraadpleegd kan worden. De bruidsschat is een pakket van regels dat automatisch deel uitmaakt van het omgevingsplan als de gemeente nog geen eigen specifiek omgevingsplan heeft opgesteld. Met de handreiking kunnen gemeenten raadplegen welke regels van belang zijn voor hun doelstellingen en wordt per thema uitgelegd hoe zaken in
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
26 / 88
de Omgevingswet worden geregeld, wat er met de komst van deze wet gaat veranderen en wat voor impact dit heeft op de gemeente. In 2021 zal hieraan verdere invulling worden gegeven. Grond- en hemelwater In 2020 is verder vorm gegeven aan de gebiedsgerichte aanpak van het grondwater in het Rotterdamse havengebied (GGA). DCMR is aangewezen als Gebiedscoördinator GGA en is voorzitter van het Bodemloket, waarbij bedrijven hun Lokatiebeheerplan GGA ter beoordeling kunnen indienen. In 2020 is de bestuurlijke besluitvorming voor de overgang van de pilot naar een volledige uitrol van GGA over het havengebied gestart, dit laatste ook in overleg met de provincie in het kader van het Stroomgebiedsbeheerplan. Met de provincie is ook een overleg gestart over de rollen en bevoegdheden over het grondwater in het havengebied. Deze zullen namelijk door de invoering van de Omgevingswet wijzigen. Dit laatste is voor de aanpak van het grondwater in het havengebied niet optimaal, waardoor samen met de provincie wordt gewerkt aan omschrijving van de rollen en verantwoordlijkheden in de Omgevingsverordening van de provincie. Dit zal in 2021 worden vervolgd. 3.2.6
ZZS-beleid (Zeer Zorgwekkende Stoffen)
In het kader van de ZZS-opdracht die DCMR in 2017 kreeg van de provincie Zuid-Holland zijn in 2020 door DCMR 78 bedrijven aangeschreven met het verzoek om informatie aan te leveren over de emissies naar water en lucht van ZZS en potentiële ZZS (pZZS). Potentiële ZZS zijn stoffen die mogelijk voldoen aan de ZZS-criteria, maar nog niet als ZZS zijn geïdentificeerd. In 2020 zijn diverse overleggen geweest met het bedrijfsleven over het pZZS-beleid. Deze overleggen vonden zowel ambtelijk als bestuurlijk plaats. Van deze aangeschreven bedrijven zijn 22 zogenaamde “industriële” bedrijven. De meeste bedrijven hebben in 2020 de gevraagde gegevens aangeleverd. De overige 56 bedrijven zijn de provinciale afvalstoffenbedrijven. Naast de inventarisatie naar emissies, is aan deze bedrijven ook verzocht gegevens te overhandigen over de bewerking en verwerking van ZZS-houdende afvalstoffen. De gegevens zullen begin 2021 binnenkomen. De vertraging is opgetreden doordat er over de ZZSuitvraag bij afvalstoffenbedrijven landelijke afstemming heeft plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in een door het IPO op 3 september 2020 vastgestelde Handreiking. De indieningsdatum is daardoor verschoven. In december 2019 is het beleidskader ZZS van de provincie Zuid-Holland vastgesteld als een digitale bijlage bij de Nota VTH 2018-2021.
Het belangrijkste onderwerp is dat potentiële ZZS-emissies naar de lucht en indirecte lozingen naar water als ZZS moet worden behandeld op grond van het voorzorgsbeginsel. Dit geldt voor alle Zuid-Hollandse provinciale bedrijven en is van toepassing op de vijf omgevingsdiensten in Zuid-Holland. In 2020 zijn hiervoor standaardvoorschriften opgesteld. Dit zijn voorschriften voor emissies naar de lucht, indirecte lozingen naar water, ontdoen van (p)ZZShoudende afvalstoffen en een toetsingskader en standaardvoorschriften (in samenspraak met OZHZ) voor het bewerken en verwerken van ZZS-houdende afvalstoffen in het kader van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 (LAP3). In 2019 is met de branche voor raffinaderijen (VNPI) een toetsingskader vastgelegd voor de invulling van de ZZS-uitvraag door de raffinaderijen. Deze bedrijven hebben in 2019 op grond daarvan een rapportage ingediend. Deze rapportages zijn in 2020 beoordeeld en, na enige aanvulling, goed bevonden. In 2020 is ook een start gemaakt met de beoordeling van de ZZS-uitvraag van de aardolie op- en overslagbedrijven. Met de OD Noordzeekanaalgebied en deze branche heeft afstemming plaatsgevonden over de werkwijze. 3.2.7
Impuls Omgevingsveiligheid
Met de Impuls Omgevingsveiligheid kennis (cluster 3) en lokaal omgevingsveiligheidsbeleid (cluster 4) wordt onder meer beoogd op het thema externe veiligheid een adequate en gecoördineerde uitvoering te realiseren van taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht, handhaving en ruimtelijke ordening. De impuls voor cluster 4 lokaal omgevingsveiligheidsbeleid is steeds verder afgebouwd, deze financiering was in 2020 voor het laatst. Vanaf dan wordt het geld structureel uit het gemeentefonds en provinciefonds uitbetaald.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
27 / 88
Het budget vanuit cluster 3 wordt landelijk gebruikt voor de opzet van kennistafels en de opbouw van kennis. In 2020 zijn er trainingen gegeven voor omgevingsveiligheid voor ruimtelijke ordening en vergunningen, toezicht en handhaving. Daarnaast zijn kennistafels voor verschillende veiligheidsthema’s georganiseerd, zoals de kennistafels nieuwe brandstoffen, RRGS (Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen) en transport. Het belangrijkste deel van het budget voor cluster 4 is besteed aan veiligheidsadvisering en het actueel houden van de veiligheidsdata. Het actueel houden van de veiligheidsdata is een continue taak. Het rekenprogramma voor de berekeningen van de veiligheidsafstanden is opnieuw gewijzigd. Het afgelopen jaar is naast beheer ingezet op het actualiseren van de veiligheidsberekeningen voor relevante locaties en nieuwe ontwikkelingen. Omgevingsveiligheid in de Omgevingswet In 2020 is gewerkt aan de voorbereiding van omgevingsveiligheid in de Omgevingswet. Vanuit een landelijk project en met middelen van Impuls omgevingsveiligheid (cluster 5, modernisering omgevingsveiligheid) zijn voor Seveso en niet-Seveso-bedrijven te berekenen aandachtsgebieden bepaald. Er is een inventarisatie gedaan voor de bepaling van de aandachtsgebieden voor installaties met vaste afstanden.
Er is onderzocht voor hoeveel installaties de aandachtsgebieden bepaald moeten worden en welke gegevens daarvoor nodig zijn. Samen met de participanten wordt gezocht naar implementatie van omgevingsveiligheid Ook participeert DCMR in een pilot met het oog op het Register Externe Veiligheid (REV). Het REV zal in de toekomst de risicokaart vervangen. Het is belangrijk om te onderzoeken welke gegevens in het nieuwe register moeten worden opgenomen. Verder participeert DCMR in de signaleringskaart. De signaleringskaart veiligheid (een initiatief van de gezamenlijke provincies) brengt en bewerkt verschillende landelijke brongegevens zodanig dat ze kunnen worden gebruikt voor veiligheidsadvisering. Inherente veiligheid. Bij bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen kunnen risico’s optreden in de omgeving. In het afgelopen jaar is in het kader van de actualisatie van de vergunningen van chemiebedrijven onderzocht of het voorkómen van de risico’s afdoende is geborgd in de vergunning. In 2019 en 2020 is voor de chemiebedrijven naast de risico’s ook gekeken naar de scenario’s met een groot effect en een kleine kans. Bij de vergunningactualisaties zijn de maatregelen in de vergunningen geborgd zodat een incident met groot effect niet zou kunnen plaatsvinden.
Dit betreft (bestaande) maatregelen die al in de vergunningaanvragen zijn opgenomen, maar nog niet zijn vastgelegd in de vergunningvoorschriften. Door dit alsnog te doen kan beter toezicht worden uitgeoefend. In 2021 wordt onderzocht of dergelijke scenario’s (kleine kans, maar groot effect) ook bij de op- en overslagbedrijven kunnen voorkomen. Indien dit het geval is zullen door vergunningactualisatie de preventieve maatregelen voor een dergelijk incident worden geborgd in de vergunning. 3.2.8
Geluidsaneringen Subsidieregeling Sanering Verkeerslawaai
Voor de gemeenten waarvoor DCMR saneringswerkzaamheden uitvoert, zijn in 2020 alle nog resterende saneringswoningen aangevraagd bij Bureau Sanering Verkeerslawaai (BSV). Dit heeft geresulteerd in het aanvragen van subsidies voor ca. 22.000 woningen in vier gemeenten. Het totale aantal woningen dat hiermee in de projecten is betrokken is hierdoor gestegen van ca. 7.000 naar ca. 29.000. Nadat de aanvragen waren ingediend is er samen met Rotterdam in de tweede helft van 2020 overleg gevoerd met BSV gezien het grote aantal woningen dat voor Rotterdam was aangevraagd (21.000).Resultaat van dit overleg is dan BSV de hoger belaste woningen voor het overgrote deel zal toekennen en een deel zal aanhouden om in 2022 alsnog toe te kennen als er weer nieuw subsidiebudget beschikbaar is. De laagst belaste woniningen- waar de ervaring leert dat geen geluidreducerende maatregelen noodzakelijk zijn- worden niet toegekend.. Verder zijn voor de al bij BSV liggende projecten de procedures zoveel mogelijk verder gebracht. Hierbij is wel hinder ervaren door de maatregelen rondom corona, vooral vanwege de verminderde
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
28 / 88
toegankelijkheid van de rekenprogrammatuur in de beginperiode. In 2020 zijn door BSV voor vijftien projecten uitvoeringssubsidies verleend. Van deze projecten gaat één project binnenkort ook in uitvoering. Voor de andere projecten dient nog een kleine herberekening te worden goedgekeurd door BSV. 3.3
Wat heeft het gekost?
In onderstaande tabel is weergegeven welke directe kosten en opbrengsten met het programma Gebieden waren gemoeid in 2020, in relatie tot de primaire en definitieve begroting 2020. Hierbij zijn de kosten van de overhead uit deze opstelling gehaald. De begroting en realisatie zijn een saldo van werkplannen en externe projecten. Tabel:Wat heeft het gekost; programma gebieden Programma Gebieden (x € 1.000)
Realisatie 2019
Primaire Begroting 2020
Definitieve Begroting 2020
Realisatie 2020
Verschil definitieve begroting en realisatie 2020
Taakveld: milieubeheer - Baten € - Lasten € Resultaat programma Gebieden €
14.454 € 14.631 € 177- €
15.296 € 15.296 € - €
16.357 16.506 149-
14.512 € 14.722 € -210 €
1.8441.78461-
Toelichting De realisatie van de lasten op het programma Gebieden is k€1.784 lager uitgevallen dan de definitieve begroting. Dit komt enerzijds door achterblijvende inzet op het programma Gebieden binnen de werkplannen en de additionele projecten binnen het programma. Anderzijds is ook k€365 minder materiële lasten gerealiseerd binnen het provinciale programma Spoed en Nazorg (bodem). Het verlies op het programma Gebieden is voor een belangrijk deel (k€160) ontstaan op projecten waarbij de directie heeft besloten lagere tarieven te accepteren ter bevordering van strategische samenwerking met betrokken partijen voor de langere termijn. Het gaat hier om projecten zoals detachering bij een ministerie of samenwerking met de VRR waarbij door de samenwerking een uitwisseling van kennis en ervaring tot stand komt waaruit DCMR een strategisch, inhoudelijk voordeel haalt. Daarnaast is voor een ander maatschappelijk belangrijk project (burgerluchtmetingen) ook besloten niet alle kosten door te belasten aan de opdrachtgever(s) (k€20). Ook heeft DCMR in 2020 op verzoek een offerte opgesteld voor het inrichten van een gastorganisatie voor de BRZO+ organisatie. Deze opdracht is uiteindelijk niet doorgegaan waardoor de gemaakte kosten (k€27) niet zijn vergoed.
Tenslotte zijn er nog enkele projecten met kleine negatieve resultaten welke gecompenseerd worden door positieve resultaten op een aantal andere projecten binnen het programma.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
29 / 88
4 Programma Bedrijfsvoering 4.1
Inleiding
In verband met het wijzigingsbesluit 2016 van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) heeft DCMR sinds 2017 naast de twee primaire programma’s ook een programma Bedrijfsvoering. Hierin zijn onder andere de kosten van de overhead opgenomen. Het BBV heeft overhead als volgt gedefinieerd: “het geheel aan taken en activiteiten gericht op de ondersteuning van medewerkers in het primaire proces”. Meer gespecificeerd betreft het: -
De loonkosten van sturingsfuncties en ondersteuningsfuncties. ICT kosten. Huisvestingskosten. Kosten ten behoeve van uitbesteding bedrijfsvoering.
Naast de kosten van de overhead zijn in dit programma ook de (verwachte) omvang van de af te dragen vennootschapsbelasting (VPB), het saldo van de financieringsfunctie, de overige dekkingsmiddelen, de post onvoorzien en de kosten die gedekt zijn door dotaties en onttrekkingen uit de bestemmingsreserves opgenomen. De overige dekkingsmiddelen betreffen inkomsten die niet direct gerelateerd zijn aan een inhoudelijk programma en waarvoor geen bestedingsdoel is bepaald. De post onvoorzien is bedoeld voor dekking van onvoorziene lasten en maakt onderdeel uit van de weerstandscapaciteit. 4.2
Baten en lasten
In onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt wat de realisatie van de lasten en baten zijn voor het programma Bedrijfsvoering in 2020. De kosten van de overhead maken, conform het vernieuwde BBV, onderdeel uit van het taakveld ondersteuning organisatie. Ter vergelijking is de begroting 2020 opgenomen. Tabel: Programma Bedrijfsvoering Programma Bedrijfsvoering (x € 1.000) Taakveld: ondersteuning organisatie - Baten - Lasten - Onttrekkingen en dotaties bestemmingsreserves - Post onvoorzien - Financieringsfunctie - Overige dekkingsmiddelen - Vennootschapsbelasting Resultaat programma Bedrijfsvoering
Realisatie 2019
Primaire Begroting 2020
Definitieve Begroting 2020
Realisatie 2020
Verschil definitieve begroting en realisatie 2020 € €
551 1.458-
€ €
19.859 € 21.075 €
21.508 € 21.767 €
21.257 21.802
€ €
21.807 20.344
€
2.582
€
160
€
563
€
471 €
92-
€ € € € €
27 323 1.717
€ € € € €
100 1 -
€ € € € €
150 167
€ € € € €
133 € € 133 € € 2.202 €
133 172.034
Toelichting Uit het tabel valt af te leiden dat de kosten van de overhead in 2020 in totaal k€21.807 bedragen en hiermee k€551 hoger uitvallen dan begroot. Dit komt volledig door hogere loonkosten voor ondersteunende functies (ca. k€900), o.a. omdat relatief veel duurdere inhuur voor expertfuncties noodzakelijk was. De materiële huisvestings- en ICT-kosten zijn juist lager uitgevallen (ca k€300). De lagere huisvestingskosten zijn vooral het gevolg van de per saldo lagere kosten als gevolg van corona (zie ook paragraaf 7.7). De ICT-lasten zijn lager uitgevallen dan begroot doordat prioriteiten verschoven zijn vanwege corona en een aantal investeringen voor vervanging doorgeschoven zijn naar 2021, waardoor de bijbehorende beheerlasten ook doorschuiven. De kosten van de uitbestede taken (o.a. bedrijfsarts, bedrijfsmaatschappelijk werk en ICT supportdesk) zijn ca k€60 lager uitgevallen dan gepland door vooral lagere kosten voor de ICT support desk. In 2020 heeft een nieuwe aanbesteding hiervoor plaatsgevonden. De kosten van het nieuwe contract bleken lager te zijn dan begroot.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
30 / 88
De incidentele kosten van een aantal projecten op het gebied van modernisering bedrijfsvoering (nieuw meldkamersysteem, nieuw financieel systeem, invoering MS365, invoering nieuw zaaksysteem VTH, ontwikkeling Regionale Omgevingsinformatie, voorbereiding Omgevingswet, invoering Altijd Actuele Digitale Vergunning en implementatie Digitale checklijsten) zijn in 2020 gefinancierd vanuit de bestemmingsreserve modernisering bedrijfsvoering. Daarnaast is de financiering van een aantal specifiek personele frictiekosten gedekt uit een eerder gevormde bestemmingsreserve personeel. Op totaalniveau zijn de onttrekkingen ca. k€92 lager dan de verwachte onttrekkingen. Dit komt vooral door het doorschuiven van een aantal geplande activiteiten voor de implementatie Omgevingswet naar begin 2021. In het Algemeen Bestuur van december 2019 is besloten dat DCMR met ingang van het begrotingsjaar 2020 jaarlijks €1 miljoen vanuit haar exploitatie doteert aan de bestemmingsreserve modernisering bedrijfsvoering ter dekking van de kosten van toekomstige projecten. In 2020 is daarnaast incidenteel nog k€145 extra gedoteerd ter afdekking van de hogere begrote lasten in 2020. De realisatie op de post onvoorzien betreft het saldo van nagekomen opbrengsten en kosten van voorgaande boekjaren. Vooral een creditering van onderhoudskosten aan het gebouw in de periode 2015-2019 van ca.
k€100 heeft voor dit positieve incidentele resultaat gezorgd. De hoogte van de af te dragen vennootschapsbelasting 2020 is nog een pm post opgenomen, aangezien er nog geen aangifte over 2020 is opgesteld. Op basis van de aanslagen over 2016 t/m 2019 zullen deze kosten naar verwachting nihil zijn. Het positieve resultaat op het programma Bedrijfsvoering ad k€2.202 is een resultante van het saldo dotaties en onttrekkingen bestemmingsreserves ad k€471, overige opbrengsten ad k€133 (verhuur 7e etage en detachering op kostenplaats), incidenteel resultaat voorgaand boekjaar ad k€133 en een positief bezettingsresultaat van de afdelingen ad k€1.464.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
31 / 88
5 Productie 5.1
Algemeen
In de hoofdstukken 2 en 3 is in kwalitatieve zin beschreven wat er binnen de programma’s bedrijven en gebieden in 2020 is uitgevoerd. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de gerealiseerde productie2. In de productiecijfers worden ook geweigerde of ingetrokken procedures meegeteld, of onderbroken handhavingsacties die wel zijn voorbereid maar die geen vervolg hebben gehad. Tussen haakjes is aangegeven welke zaken tot een afgerond product hebben geleid. 5.2
Productie toezicht
Hoewel er steeds vaker aanvullende instrumenten worden ingezet voor het houden van toezicht, zoals voorlichting over regelgeving en samenwerking met andere toezicht- en belangengroepen, vindt toezicht hoofdzakelijk plaats door het uitvoeren van inspecties. Door middel van het uitvoeren van uiteenlopende typen inspecties wordt gecontroleerd of bedrijven hun werkzaamheden in overeenstemming met de milieuregelgeving uitvoeren. Er zijn verschillende soorten inspecties. Uitleg hierover staat in bijlage 14.6. Tabel: Aantallen inspecties exclusief Brzo-inspecties
Product
Totaal 2020*
Totaal 2019
Totaal 2018
Opleveringscontroles
162 (124)
254
177
Preventieve controles
3.734 (3.534)
3.878
3.514
Nacontroles
2.108 (1.994)
2.181
1.740
Administratieve controles
1.396 (1.279)
1.541
1.774
Klachten / voorvalonderzoeken
1.968 (1.893)
2.216
2.355
Inventariserende controles
1.465 (1.459)
723
761
8.126
488
Overige Toezichtsproducten 9.417 (9.344) *zaken die geleid hebben tot een afgerond product staan tussen haakjes.
In 2019 is het product behandeling voorvalmelding voor het eerst in de telling opgenomen, deze zijn in bovenstaande tabel onder de overige toezichtsproducten opgenomen. Er zijn in 2020 nauwelijks minder (preventieve) controles gedaan omdat we door coronacrisis en lockdown hebben ingezet op “toezicht op afstand” door middel van een livestream. De volgende controles gingen fysiek door: - Controles bij BRZO/RIE4-bedrijven - Toezicht op aflopende activiteiten (bv. bodem en asbest) - Bedrijven met bewerken, op- en overslag gevaarlijke stoffen, vuurwerk, rangeerterreinen, (LPG) tankstations waar dat niet op afstand kan en de risico’s groot zijn - Repressieve controles (nacontroles, sanctiecontroles, voorval/incidentonderzoek). - Metingen binnen bij bewoners alleen bij ernstige overlastsituaties De stijging van het aantal Inventariserende controles heeft ook te maken met corona en onze focus op kwaliteit. In 2020 is extra aandacht besteed aan het opschonen van het bedrijvenbestand.
2
Dit betreft de totale productie aantallen voor de participanten van DCMR en daarnaast is de productie voor de provincie Zeeland meegeteld.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
32 / 88
Tabel: Aantal gecontroleerde Brzo-bedrijven
Product
Totaal 2020*
Totaal 2019
Totaal 2018
179 (172)
159
145
Brzo‐inspectie preventief
*zaken die geleid hebben tot een afgerond product staan tussen haakjes. Bij alle Brzo-bedrijven in Zuid-Holland en Zeeland heeft in 2020 minimaal eenmaal een preventieve controle plaatsgevonden. 5.3
Productie handhaving
In de volgende tabellen is het aantal sancties opgenomen. Tabel: Overtredingen, (na)controles en sancties inclusief Brzo.
Product
Totaal 2020*
Totaal 2019
Totaal 2018
Bestuursrechtelijke sancties
214 (143)
237
365
Strafrechtelijke sancties
138 (90)
142
117
*zaken die geleid hebben tot een afgerond product staan tussen haakjes. Het aantal sancties ligt in 2020 lager dan in voorgaande jaren, met name door de coronamaatregelen in de horeca. Daarnaast leidde het inspecteren op afstand tot minder geconstateerde overtredingen Tabel: Aantallen bestuursrechtelijke producten uitgesplitst
Product
Totaal 2020*
Last onder dwangsom (LoD)
Totaal 2019
Totaal 2018
166 (102)
199
182
10 (3)
4
2
(35)
36
166
Bestuursrechtelijke maatregelen geluid 2 (1) *zaken die geleid hebben tot een afgerond product staan tussen haakjes.
3
9
Besluit op handhavingsverzoek Sanctie-invordering
35 van de 302 invorderingszaken hebben tot een daadwerkelijke invordering geleid. Bij de overige zaken is door de toezichthouder geen overtreding geconstateerd en betreft het een administratieve afdoening. In 2019 zijn 337 invorderingszaken afgedaan en hebben 36 van die zaken geleid tot een invordering.. Tabel: Aantallen strafrechtelijke producten uitgesplitst
Product
Totaal 2020*
Totaal 2019
Totaal 2018
Proces verbaal FP
93 (52)
70
51
Proces verbaal CJIB
19 (17)
31
21
Bestuurlijke strafbeschikking milieu
26 (21)
41
45
*zaken die geleid hebben tot een afgerond product staan tussen haakjes. Over 2020 zijn vanuit de inspectiebureaus 138 zaken ‘voorgedragen’ voor een sanctionerende maatregel (bestuurlijke strafmaatregel e/o strafrechtelijk gezamenlijk). Deze zaken worden vervolgens met een intake op strafrechtelijke haalbaarheid beoordeeld en leiden vervolgens tot een aantal daadwerkelijk opgelegde strafrechtelijke sancties. Dat verklaart voor een belangrijk deel de afname in het aantal strafrechtelijke zaken/producten. Duidelijk is daarnaast dat de andere wijze van inspecteren – op afstand – afgelopen jaar, leidde tot minder geconstateerde overtredingen.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
33 / 88
5.4
Productie reguleren
In het onderstaande tabel is te zien wat voor soort en hoeveel reguleringsproducten in 2019 gerealiseerd zijn. Tabel: Aantallen producten reguleren
Product Wabo uitgebreide procedure (inclusief ambtshalve wijzigingen) Wabo reguliere procedure (milieuneutrale wijzigingen; BRIKS** en OMB) Totaal vergunningen Meldingen activiteitenbesluit Maatwerkvoorschriften Actualisatietoetsen Overige reguleren producten
Totaal 2020*
Totaal 2019
Totaal 2018
267 (183)
192
239
514 (413)
211
206
781 (596) 538 (463) 148 (138) 156 (150) 7.245(6.834)
403 642 174 207 5.443
445 602 284 111 4.524
*zaken die geleid hebben tot een afgerond product staan tussen haakjes. ** BRIKS staat letterlijk voor Bouwen, Reclame, Inritten, Kappen en Slopen. Het begrip omvat echter alle activiteiten genoemd in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wabo, uitgezonderd de milieuactiviteiten. Het kan ook gaan om – onder andere – een afwijking van het bestemmingsplan, een aanlegvergunning en een monumentenvergunning. Daarnaast vallen ook sloop- en gebruiksmeldingen op grond van het Bouwbesluit onder BRIKS-activiteiten
Bij de reguliere Wabo procedures zijn in 2020 ook de BRIKS 1) procedures en de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) meegeteld. De milieuneutrale meldingen (196) liggen in lijn met de aantallen in voorliggende jaren. De toename op overige reguleren producten, is het gevolg van de behandeling sloopmelding initiële melding asbest (2.443), die vanaf 2019 voor het eerst in de tellingen zijn opgenomen. In 2020 is bovendien extra aandacht besteed aan het opschonen van het bedrijvenbestand 5.5
Productie bodem
DCMR voert voor de provincie Zuid-Holland en gemeente Rotterdam de regiefunctie in het kader van de Wet bodembescherming uit. DCMR houdt de bodemkwaliteit in Rijnmond in de gaten, bepaalt of nadere acties nodig zijn en voert deze uit. Daarnaast voert DCMR de bodemtaak voor de provincie Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam uit. In onderstaande tabel is te zien wat voor soort en hoeveel producten in 2020 op het onderwerp bodem gerealiseerd zijn. Het uitvoeren van minder inspecties heeft deels te maken met een groot aantal complexe saneringen in 2020 die meer tijd vroegen (De Kade, Blankenburgverbinding, Oeverbos, etc.) en ook met bezettingsproblemen waardoor we de uren niet hebben gemaakt (en dus ook minder producten hebben geleverd). Tabel: Aantallen producten Bodem*
Product
Totaal 2020**
Totaal 2019
Totaal 2018
Beschikkingen
204 (167)
198
258
Inspecties wbb / bbk
460 (405)
621
577
Behandeling BUS‐meldingen
345 (313)
376
362
2418 (2312)
2.339
1.696
Beoordeling rapportages
*zie bijlage 14.6 )voor uitleg over deze producten **zaken die geleid hebben tot een afgerond product staan tussen haakjes.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
34 / 88
5.6
Productie overige gebiedsgerichte producten
DCMR voert voor de provincie Zuid-Holland taken uit op het gebied van luchtvaart en vuurwerk. Voor verschillende gemeentes worden adviezen verstrekt voor ontheffingen geluidsbelasting. Voor zowel de provincie als de gemeentes worden adviezen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling opgesteld. De meeste van deze ruimtelijke adviezen betreffen de gemeente Rotterdam. In het volgende tabel is te zien wat voor soort en hoeveel gebiedsgerichte producten in 2020 gerealiseerd zijn. Tabel: Aantallen gebiedsgerichte producten*
Product
Totaal 2020**
Totaal 2019
Totaal 2018
Geluid (ontheffing geluidsbelasting)
54 (50)
34
23
Luchtvaart (ontheffingen/controles TUG)*
85 (80)
146
152
1.696 (1.633)
1.505
1.035
98 (91)
186
171
Ruimtelijke Ontwikkeling (diverse adviezen/beoordelingen op RO en m.e.r. gebied) Vuurwerk (ontbrandingstoestemmingen, meldingen, controles)
*zie bijlage 14.6 voor uitleg over deze producten **zaken die geleid hebben tot een afgerond product staan tussen haakjes
Als gevolg van corona zijn er minder aanvragen voor een TUG-ontheffing (ontheffing voor Tijdelijk of Uitzonderlijk Gebruik) ontvangen en zijn er minder controles geweest. De toename in het aantal RO-producten is het gevolg van meer ruimtelijke plannen. Dit komt vooral door de bouwopgave die Rotterdam heeft. Daarmee samenhangend zijn ook meer hogere waarden besluiten genomen. Verder waren er meer nulstapadviezen m.e.r., m.e.r.-beoordelingsbesluiten en m.e.r.-beoordelingen. Ook zijn er door corona minder ontbrandingstoestemmingen verleend en minder meldingen verwerkt, met als gevolg daarvan ook minder inspecties. De afname van de producten bij luchtvaart en vuurwerk heeft te maken met de pandemie en de daaruit voortvloeiende maatregelen.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
35 / 88
6 Financiële Resultaten In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het financiële jaarresultaat over 2020 en de doorwerking in de komende jaren. Het onderstaande tabel toont de financiële resultaten van DCMR. In 2020 is een positief resultaat behaald van K€1.964. Ter vergelijking worden de resultaten 2020 afgezet tegen de begroting 2020 en de in 2019 behaalde financiële resultaten. Tabel: Financieel resultaat 2020 Verlies en Winstrekening Omschrijving Brutosalarissen Individueel Keuze Budget Pensioenlasten Sociale lasten Inhuur op formatie Totale Functiekosten Toelagen Opleidingen Overige personele lasten Totale Bijkomende kosten personeel Inhuur buiten formatie Diensten derden Totale kosten inhuur en diensten derden Afschrijvingen Huisvesting ICT Documentatie Communicatie Overig materieel Totale materiele kosten Totale directe kosten Dekking declarabele uren
Primaire Definitieve Begroting 2020 Begroting 2020
Realisatie 2020
Realisatie 2019
Verschil realisatie en begroting 2020
bedrag in € x 1.000 25.405 5.901 5.044 4.169 6.677 47.196 825 1.056 1.874 3.755 2.344 1.676 4.020 1.025 3.635 2.746 375 221 393 8.395
bedrag in € x 1.000
bedrag in € x 1.000 30.307 6.733 6.368 4.643
bedrag in € x 1.000 31.632 6.976 6.177 5.019
48.051 830 1.057 1.536 3.423 1.000 1.107 2.107 970 3.728 2.826 439 359 430 8.752
49.804 786 1.000 1.760 3.546 1.783 1.666 3.449 850 3.681 3.664 496 261 445 9.397
bedrag in € x 1.000 27.085 6.228 5.657 4.400 6.003 49.372 844 1.165 1.474 3.484 1.483 1.544 3.027 723 3.566 3.264 379 134 475 8.541
62.332 62.332
66.196 65.650
64.424 65.888
63.366 62.150
-1.771 238 2.009
Resultaat op declarabele uren
-4.548 -748 -520 -619 6.003 -432 58 165 -286 -62 -301 -121 -422 -127 -115 -400 -117 -126 30 -855
0
-546
1.464
-1.216
100
150
133
323
-17
6.153 62.332 68.225
5.145 65.650 70.628
4.327 65.888 69.978
4.374 62.150 66.253
-818 238 -650
Resultaat op werkplannen en projecten
-260
-167
-238
-271
-71
Resultaat voor onttrekkingen
-160
-563
1.360
-1.164
1.922
0 0 0
145 1.000 1.145
145 1.000 1.145
0 0 0
0 0 0
Onttrekkingen bestemmingsreserve Modernisering Bedrijfsvoering Personeel en Organisatie Totaal onttrekkingen
160 160
1.368 340 1.708
1.266 351 1.616
2.141 441 2.582
-102 11 -92
Resultaat na dotatie en onttrekkingen
-
-
1.831
Overige opbrengsten Inkopen werkplannen en projecten Kosten declarabele uren Opbrengst werkplannen en projecten
Dotaties bestemmingsreserve: Modernisering Bedrijfsvoering 2020 Modernisering Bedrijfsvoering 2021 Totaal Dotaties
1.831
1.418
Incidenteel resultaat
0
0
133
27
133
Resultaat voor bestemming
0
0
1.964
1.445
1.964
In dit hoofdstuk wordt het resultaat kort toegelicht. Voor meer gedetailleerde informatie over behaalde resultaten en de financiële positie wordt verwezen naar de jaarrekening. In de jaarrekening treft u het overzicht van baten en lasten aan. Dit is een andere weergave van de totstandkoming van hetzelfde financiële resultaat. 6.1
Hoofdlijnen verlies- en winstrekening
Het operationeel financieel resultaat voor onttrekkingen is k€1.922 (2,7%) hoger dan begroot. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn: De opbrengsten zijn in totaal k€150 hoger uitgevallen dan geraamd. Dit is een saldo van enerzijds hogere uuropbrengsten ad k€238 en anderzijds lagere overige opbrengsten (o.a. verhuur) ad k€17 en een lager dan verwacht projectresultaat ad k€71.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
36 / 88
Dit laatste komt door projecten waarin lagere tarieven zijn afgesproken (vooral bij detacheringen), of omdat voor een aantal projecten meerwerk is uitgevoerd dat niet is vergoed, of omdat er voorbereidingen zijn uitgevoerd voor projecten die uiteindelijk niet tot een opdracht hebben geleid. De hogere uuropbrengsten zijn vooral het gevolg van het feit dat in de begroting al voor €1,5 miljoen rekening was gehouden met lagere opbrengsten door het wegvallen van urenvraag en lagere declarabiliteit van medewerkers als gevolg van corona. Uiteindelijk zijn dan ook ca. 12.000 minder directe uren gemaakt dan gepland (2,1%). De directe kosten zijn k€1.771 lager uitgevallen dan verwacht. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn: -
-
-
Lagere loonkosten als gevolg van een onderbezetting in fte (k€432). Hoewel de bezetting van DCMR in 2020 is gegroeid met ruim 16 fte was de gemiddelde bezetting van eigen personeel aangevuld met inhuur gedurende het jaar ca. 13 fte lager dan geraamd. De lagere bezetting betekende k€1.100 miljoen lagere loonkosten. De gemiddelde loonkosten per fte waren wel hoger dan verwacht (k€670). Dit komt vooral doordat in de begroting al met €1,5 miljoen lagere loonkosten rekening was gehouden wat in de loonkosten per fte was verdisconteerd. Lagere kosten inhuur buiten formatie en diensten derden (k€422). Dit is deels veroorzaakt door een lagere behoefte aan vervanging bij ziekte en piekbelasting. Ook speelde mee dat er sprake was van verschuivingen/vertragingen van werkzaamheden bij projecten die vanuit de bestemmingsreserves worden gefinancierd. Deze lagere kosten hebben ook tot lagere onttrekkingen vanuit de bestemmingsreserve geleid. Lagere materiele lasten; deze zijn k€855 achtergebleven op begroting gebleven vooral door lagere afschrijvingen, huisvestings- en ICT lasten. De onderbesteding van de huisvestingslasten is voor een deel direct te relateren aan corona (zie ook paragraaf 7.7). De afschrijvingslasten zijn lager uitgevallen doordat een aantal geplande investeringen (deels) zijn doorgeschoven naar 2021, o.a. vervanging werkplekken en firewalls.
De realisatie van de ICTlasten is mede door het doorschuiven van voornoemde investeringen ook lager dan gepland, doordat de bijbehorende beheerlasten doorschuiven naar 2021.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
37 / 88
7 Paragrafen 7.1
Inleiding
In het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is een aantal paragrafen verplicht voorgeschreven. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op deze paragrafen. Aan de orde komen: - Lokale heffingen. - Weerstandsvermogen. - Onderhoud kapitaalgoederen. - Financiering. - Bedrijfsvoering. - Verbonden partijen. 7.2
Lokale heffingen
DCMR legt geen lokale heffingen op. In het recente verleden bracht DCMR leges in rekening over het gebruik van het archief. Deze leges betreffen het maken van kopieën en het aanvragen van tekeningen. Dit is vanaf 2019 niet meer van toepassing. 7.3
Weerstandsvermogen en risicobeheersing
Algemeen De paragraaf weerstandsvermogen geeft een beschouwing over de kwaliteit van de vermogenspositie van DCMR op lange termijn. Het weerstandsvermogen is het vermogen om financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat de doelrealisatie in het gedrang komt. Het weerstandsvermogen geeft samen met het begrotingsresultaat, het verloop van de investeringen, financiering, reserves en voorzieningen en de uitkomsten van de meerjarenraming een indicatie van de financiële positie van DCMR. De paragraaf weerstandsvermogen bevat volgens de voorschriften vanuit het BBV tenminste: a. een inventarisatie van de (beschikbare) weerstandscapaciteit b. het beleid over de weerstandscapaciteit en de risico’s c. een inventarisatie van de risico’s d. een aantal gedefinieerde financiële indicatoren Weerstandsvermogen Om het weerstandsvermogen te kunnen bepalen is inzicht nodig in de feitelijk aanwezige weerstandscapaciteit (‘de reserves’) en in de omvang van de risico’s, de benodigde weerstandscapaciteit. De verhouding tussen benodigde en aanwezige middelen heet de ratio van het weerstandsvermogen. In een formule: (Ratio) Weerstandvermogen =
Weerstandscapaciteit (reserves) Benodigde weerstandscapaciteit
Met deze ratio wordt helder gemaakt in welke mate DCMR beschikt over een financiële buffer om financiële gevolgen van risico’s op te vangen. Het Algemeen Bestuur heeft een bandbreedte voor deze ratio vastgesteld van 1,0<x<1,4. De aan te houden weerstandscapaciteit is dan tenminste net zo groot als de benodigde weerstandscapaciteit. In risicomanagementmodellen wordt deze bandbreedte als ‘voldoende’ geclassificeerd. Daar waar de buffer geen uitsluitsel biedt, voorziet artikel 34 van de Gemeenschappelijke Regeling, waarin de financiële verantwoordelijkheid van de gezamenlijke participanten is vastgelegd. Weerstandscapaciteit (beschikbaar) Voor het bepalen van de beschikbare weerstandscapaciteit wordt meegenomen: - De algemene reserve. - Het vrij besteedbare deel van de bestemmingsreserves. Het deel van de bestemmingsreserves dat via meerjarenplannen al bestemd is, wordt niet meegenomen. - De post onvoorzien.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
38 / 88
De ontwikkeling van de beschikbare weerstandscapaciteit is in onderstaande tabel weergegeven. Tabel: Ontwikkeling beschikbare weerstandcapaciteit
Ontwikkeling beschikbare weerstandcapaciteit (x € 1.000) Stand per 1 januari 2020 Mutatie Algemene reserve 2020 vanuit bestemmingsreserves 2019 Mutatie Algemene reserve 2020 vanuit bestemming resultaat 2019 Realisatie post Onvoorzien Mutatie vrij besteedbaar deel bestemmingsreserves 2020 Stand per 31 december 2020
Stand € € € € € €
2.147 133 100 2.380
Voor het bepalen van de benodigde weerstandscapaciteit worden de risico’s geclassificeerd conform een vastgestelde classificatiemethodiek. De risico’s met een (zeer) hoge financiële impact, risicocategorie Hoog en Zeer Hoog vormen onderdeel van het benodigd weerstandsvermogen, zij worden beschouwd als risico’s van materieel belang. Er wordt daarbij uitgegaan van het netto risico, dus het resterend risico als de aanwezige beheersmaatregelen in beschouwing worden genomen. De classificatie van de kans leidt tot een wegingsfactor; een percentage van het bedrag dat wordt aangehouden in de weerstandscapaciteit. 7.4
Risico’s en risicomanagement
Om de doelstellingen van DCMR ook in de toekomst te kunnen realiseren en de gewenste kwaliteit te kunnen blijven leveren treft DCMR maatregelen ter behoud van een goede reputatie en een duurzaam gezonde financiële situatie. Eén van deze maatregelen is de risicomanagementcyclus. De auditcommissie heeft een borgende taak voor risicomanagement en tevens voor borging van de reviewfunctie. De auditcommissie bestaat uit het directieteam, aangevuld met de concerncontroller. Een risico is een onzekere gebeurtenis met oorzaken, een kans van optreden en gevolgen voor doelstellingen. Er is sprake van een menselijke, organisatorische of technische/juridische oorzaak of een ontwikkeling van buitenaf waardoor de onzekere gebeurtenis zich kan voordoen. In de risicomanagementcyclus worden zowel de risico’s met financiële vervolgschade, als die met andere gevolgschade opgepakt en gemonitord. Kwaliteitsverlies, veiligheidsissues en reputatieschade bij DCMR vertalen zich net zo goed in negatieve gevolgen voor de organisatie en de participant. De risicomanagementcyclus van DCMR is gebaseerd op de theorie van Risicoleiderschap3 en heeft als doel de weerbaarheid van de organisatie te vergroten. De gekozen methodiek is praktisch toepasbaar en geïntegreerd in de reguliere managementtaken.
DCMR hanteert conform de nota risicomanagement en weerstandsvermogen DCMR 2020-2023, een opslag van 20% op het benodigd weerstandsvermogen. Inventarisatie risico’s In 2020 zijn de eerder geïdentificeerde risico’s geactualiseerd en aangevuld. Een belangrijke ontwikkeling binnen de risicocyclus was de uitbraak van corona. Direct na de uitbraak zijn de risico’s voor de bedrijfsvoering, de continuïteit van de taakuitvoering en de veiligheid van medewerkers in kaart gebracht. Het Bedrijfsnoodplan DCMR en het Pandemieplan DCMR zijn geüpdatet en het Beleids Ondersteunend Team (BOT) is in werking getreden. Gedurende het jaar is gemonitord en gestuurd op de beheersing van deze specifieke risico’s. Door het toepassen van reducerende maatregelen is voor vijftien risico’s (zowel COVID- als nietCOVID-gerelateerd) de classificatie verlaagd, zeven zijn er afgesloten. De lijst met risico’s omvat eind 2020 eenentwintig openstaande risico’s waarvan vier in de hoge risicocategorie. Over deze laatste categorie wordt in het jaarverslag gerapporteerd.
3
Risicoleiderschap (M. van Staveren, 17-08-2018)
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
39 / 88
Hoge risico’s (materieel belang) Er zijn drie hoge risico’s met financiële gevolgschade van materieel belang geïdentificeerd. Deze hebben gevolgen voor de weerstandscapaciteit. Tabel: Hoge risico’s materieel belang Omschrijving
Kans
Risico
Financieel gevolg
categorie
bedrag x €1000
1. Overschrijding I-projecten.
70%
Hoog
€263
2. Bedreiging continuïteit
70%
Hoog
€263
3. Te lage gerealiseerde declarabiliteit.
70%
Hoog
€711
Totaal benodigde weerstandscapaciteit
x 1,2
bedrijfsprocessen door verouderde soften hardware.
€1.483
Toelichting: - ad 1: ten opzichte van 2019 is de kans klasse 1 categorie verlaagd, door aanpassingen in de governance, het aanstellen van een portfoliomanager en betere forecasting. Tegelijk lopen er nog veel projecten op een kritisch tijdpad en in afhankelijkheid met elkaar. In 2021 worden het portfoliomanagement en de projectbeheersing verder versterkt. - ad 2: mede door volle inzet op thuiswerkfaciliteiten is een aantal belangrijke automatiseringsprojecten uitgesteld. Wel zijn er stappen gezet, zoals het uitreiken van laptops en verbeteren van back-up en storage. In 2021 wordt met de roadmap automatisering systematisch gewerkt aan het op orde brengen van de basis. - ad 3: in 2019 werd over de risico’s rondom stuwmeer verlof en te lage declarabiliteit apart gerapporteerd. Omdat het (overmatig) opnemen van verlof feitelijk als één van de oorzaken kan worden gezien voor een verlaagde declarabiliteit, is de keuze gemaakt deze twee onderwerpen samen onder te brengen in één risico. Voor de herberekening is teruggekeken naar de trend van de afgelopen drie jaren, met oog voor de bijzondere omstandigheden van corona. De onzekerheid van de declarabiliteit is bepaald op 1,5%, met een kansklasse IV (hoog).
Oorzaken die aan deze onzekerheid ten grondslag liggen, zijn de organisatieontwikkeling met nieuwe (programma)managementfuncties en aangepaste productiviteitsnormen; een verhoogde opleidingsdruk als gevolg van POB, de omgevingswet en de introductie van nieuwe systemen; mogelijk minder fysiek toezicht als gevolg van corona; het opnemen van bovenmatig verlof i.v.m. de afbouwafspraken. Hoge risico’s (niet-materieel) Eén risico met andere dan financieel-materiële gevolgen, staat als Hoog geclassificeerd. Tabel: Hoge risico’s niet materieel belang Omschrijving
Kans
Risico
Gevolg
categorie De aantasting van de fysieke en mentale
70%
Hoog
Kwaliteit
gezondheid van medewerkers als gevolg
Veiligheid (van de
van de COVID-maatregelen.
werkomstandigheden) Directe financiële gevolgschade is beperkt.
Toelichting: Dit risico neemt toe naarmate de coronamaatregelen langer aanhouden. DCMR acteert door te sturen op persoonlijke aandacht voor het welzijn van de medewerkers, ruimte voor maatwerkafspraken, het delen van best practices, het faciliteren van Arboverantwoord materiaal, aandacht voor thuiswerkomstandigheden en vitaliteit. Bedrijfsmaatschappelijk werk is betrokken.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
40 / 88
Drie andere risico’s waarover vorig jaar is gerapporteerd i.v.m. een hoge classificatie zijn verlaagd: - Beheersing dossiers waardoor er fouten ontstaan; er is actief gewerkt aan casusuitwisseling, reviews, versterken van het contact met de opdrachtgever, het koppelen van programmamanagers aan complexe dossiers. - Dreigend tekort aan vakspecialisten; de arbeidsmarktstrategie is aangepast, junior medewerkers worden geworven en gekoppeld aan seniors, competenties worden sterker meegewogen bij werving en er is sprake van meer ontwikkelruimte binnen de organisatie. - Het niet tijdig (kunnen) inspelen op veranderende wensen en maatschappelijke ontwikkelingen: er zijn programmamanagers gekoppeld aan actuele maatschappelijke thema’s zoals verduurzaming industrie, circulaire economie en energietransitie. Daarnaast is gezorgd voor een robuuste financiering voor de ontwikkeling naar een datagedreven DCMR. Hoewel er intern ook op de lager geclassificeerde risico’s wordt gestuurd, wordt over deze risico’s niet meer gerapporteerd. Ratio weerstandsvermogen Op basis van de benodigde weerstandscapaciteit en de aanwezige weerstandscapaciteit wordt de ratio weerstandsvermogen berekend. Ratio weerstandsvermogen = 2.380 k€ = 1,61 1.483 k€
De ratio is gestegen ten opzichte van 2019 en komt boven de norm van 1,0<x<1,4. De stijging wordt vooral veroorzaakt door de stijging van de aanwezige weerstandscapaciteit. DCMR doet bij oplevering van de jaarstukken aan het bestuur voorstellen ten aanzien van resultaatbestemming en reserves. Dit heeft tot gevolg dat het aanwezig weerstandsvermogen wordt verlaagd, waardoor de ratio weer binnen de afgesproken bandbreedte komt (rond de 1,3). Financiële en beleidsindicatoren De financiële indicatoren in onderstaande tabel zijn overeenkomstig artikel 11 lid 3 van de BBV berekend: Tabel:Kengetallen Kengetallen Netto schuldquote Solvabiliteitratio Structurele exploitatieruimte
Jaarverslag 2019 -4,2% 32,0% 2,2%
Begroting 2020 2,0% 25,5% 0,0%
Jaarverslag 2020 -4,5% 36,0% 4,9%
Netto schuldquote
De afwijking met 2019 komt vooral doordat in 2020 de vordering rekening-courant verhouding met het Rijk is gestegen (€2,3 miljoen).
Solvabiliteitsratio
De solvabiliteit is ten opzichte van 2019 gestegen. Dit wordt veroorzaakt door een stijging van het eigen vermogen van €1,5 miljoen, bestaande uit per saldo de onttrekking aan de bestemmingsreserves van €0,47 miljoen en het positieve resultaat ad €1,96 miljoen. Tegelijkertijd zijn in 2020 de overige passiva gedaald met €1,1 miljoen. Deze daling wordt vooral veroorzaakt door een daling van de vooruit ontvangen bedragen met €0,5 miljoen alsook een daling van de overige schulden met eveneens €0,5 miljoen. De solvabiliteitsratio is ruim hoger dan begroot, omdat de stand van het eigen vermogen in de begroting lager was ingeschat.
Structurele exploitatieruimte
De stijging ten opzichte van 2019 en ten opzichte van de begroting wordt veroorzaakt door hogere structurele baten bij grotendeels gelijkblijvende structurele lasten in 2020.
Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2020
41 / 88
Behalve financiële indicatoren schrijft het BBV (art. 25, lid 2) ook de verantwoording op een aantal beleidsindicatoren voor, die betrekking hebben op de realisatie van maatschappelijke effecten van de programma’s. Deze indicatoren zijn in onderstaande tabel opgenomen. Voor DCMR zijn alleen de indicatoren voor het taakveld Bestuur en Ondersteuning relevant: Tabel: Beleidsindicatoren
Beleidsindicatoren Formatie (FTE per 1.000 inwoners) Bezetting (FTE per 1.000 inwoners) Apparaatskosten per inwoner Externe inhuur Overhead
Jaarverslag 2019 0,15 0,14 € 17,01 18,2% 30,5%
Begroting 2020 -
Realisatie 2020 0,15 0,14 € 17,00 14,7% 31,9%
Aangezien DCMR deze indicatoren voor het eerst in het jaarverslag heeft opgenomen, ontbreekt begrotingsinformatie. Wel zijn de resultaten 2020 te vergelijken met de resultaten uit het voorgaande jaar. Beheersing kosten inhuur Uit tabel Beleidsindicatoren is af te leiden dat het aandeel kosten inhuur op de totale loonkosten (incl. inhuur) in 2020 aanzienlijk is gedaald ten opzichte van de realisatie 2019. In absolute zin zijn de inhuurkosten in 2020 ca. €1,5 miljoen lager dan in 2019. Enerzijds is dit gerelateerd aan corona omdat het zeker in de eerste helft van 2020 lastig was om personeel in te huren vanwege de onzekerheid die de pandemie met zich meebracht, er beperkte mogelijkheden waren om inhuur te begeleiden en diverse projecten in de tijd werden opgeschoven. Anderzijds is in 2020 ook een LEAN traject voor het inhuurproces uitgevoerd. Onderdeel hiervan was onder meer het borgen dat tijdig de juiste afwegingen worden gemaakt over nut en noodzaak en bijbehorende kosten van inhuur. Tenslotte zorgt het gebruik van een Dynamische Aankoop Systeem behalve voor een rechtmatige inkoop ook voor een meer objectieve kosten-baten afweging van inhuurkrachten. Dit alles bevordert een beheerste inzet van inhuur. Ontwikkeling aandeel overhead Ten opzichte van 2019 is het relatieve aandeel van de overhead op de totale exploitatielasten in 2020 met 1,4% gestegen.
Ten opzichte van de oorspronkelijke begroting 2020 is de stijging 0,4%. In hoofdstuk 4.2 is al een toelichting gegeven waarom de kosten overhead in 2020 hoger waren dan begroot. In absolute zin is de overhead met €1,9 miljoen gestegen ten opzichte van 2019. Dit betreft vooral een stijging van loonkosten. Behalve een prijscomponent (loonontwikkeling) en duurdere inhuur is ook de groei van eigen personeel hiervan een oorzaak. Deze groei is vooral het gevolg van de investeringen in de datagedreven organisatie en de benodigde I&A ondersteuning hiervoor (+10 fte). Een andere oorzaak die hiermee samenhangt, betreft de groei van de materiele ICT-lasten (€0,5 miljoen). Deze kostenstijging van aanschaf en onderhoud van software is het gevolg van alle ontwikkelingen rondom de modernisering van de bedrijfsvoering. Een andere oorzaak voor de stijging van het aandeel overhead is dat er sprake was van een lagere stijging van de totale exploitatielasten dan verwacht. Dit is voor een deel door corona veroorzaakt (zie ook paragraaf 7.7). Zo is de ontwikkeling van de directe bezetting achtergebleven, zijn veel bijkomende personele kosten niet gemaakt en zijn er minder inkopen op projecten gedaan. Hierdoor is het aandeel overhead relatief sneller gestegen dan het in een normaal jaar gedaan zou hebben.