Bijlagen
Tekst van het document
Kleiafzettingen onder het veen In boring 4 en boring 6 zijn onder het veen kleiafzettingen aangetroffen op respectievelijk 3,9 en 3,85 m – mv tot aan het einde van de boring op 4 m -mv. De afzettingen bestaan hier uit licht blauwgrijze en licht bruingrijze, matig siltige klei. In boring 6 zijn hierin plantenresten, waaronder riet aangetroffen. In boring 4 bestaat de bovenste 5 cm van dit pakket uit een zwak humeus, donkergrijs laagje. De afzettingen zijn geïnterpreteerd als getijdenafzettingen, die onderdeel van het Laagpakket van Wormer uitmaken. Interpretatie Door de diepteligging van het kleipakket dat wordt gerekend tot het Laagpakket van Wormer (vanaf minimaal 3,85 m -mv) is de top hiervan in slechts twee boringen aangetroffen. Op basis van het verkennend booronderzoek kan derhalve de archeologische verwachting van deze laag niet worden vastgesteld. Echter, vanwege deze diepteligging zullen eventuele archeologische niveaus in dit pakket ook niet verstoord worden door de geplande ingrepen. Zoals in het bureauonderzoek is vastgesteld kunnen zich binnen de laagpakketten verschillende archeologische niveaus bevinden. De mogelijkheid tot bewoning in dit gebied was afhankelijk van drogere periodes, of de aanwezigheid van oeverwallen die ook in nattere periodes hoog genoeg lagen om te kunnen bewonen.
Bij het verkennend booronderzoek zijn er geen oeverwallen in het plangebied aangetroffen. De aanwezigheid van eventuele oeverwallen valt op basis hiervan echter nog niet uit te sluiten, gezien de geringe omvang die ze kunnen hebben. Eventuele bewoning kan ook in drogere periodes hebben plaatsgevonden. In het veenpakket zijn echter voornamelijk kenmerken van natte condities waargenomen. Detritusgyttja is een organisch materiaal dat ontstaat op de bodems van stilstaande wateren. In alle vijf de boringen waarin het veenpakket is aangetroffen, is voornamelijk sprake van veen met (detritus)gyttja, wat wijst op voornamelijk natte condities. Bovendien zijn in twee van de boringen, boring 4 en 5, kleilagen binnen het veenpakket aangetroffen, wat wijst op overstroming binnen het veengebied waarbij zeeklei in het veenmoeras werd afgezet. De middelhoge archeologische verwachting voor het veenpakket kan om deze reden worden bijgesteld naar laag. Ook het kleipakket dat op het veen is afgezet en wordt gerekend tot het Laagpakket van Walcheren, laat een beeld van overwegend natte condities zien. De kleiige en zandige lagen zijn afgezet binnen een systeem van getijdenwerking. De plantenresten die in de afzettingen zijn aangetroffen wijzen op een kwelderlandschap dat is 28
ontstaan onder invloed van de eb – en vloedbewegingen van de zee. Bij vloed werd sedimentatie aangevoerd, en bij eb konden er zoutminnende planten groeien die zorgden voor het vasthouden van slib waardoor de kwelders steeds verder konden groeien. De afwatering van de kwelders gebeurde via kreekgeulen. Een dergelijke geul is aangetroffen in het zuidwestelijke deel van het plangebied, in boring 1, op een diepte van 2,3 – 4 m beneden maaiveld, en mogelijk kunnen de afzettingen in boring 2 op 2,4 – 3,45 m beneden maaiveld hier ook toe gerekend worden. Op de zandige kreekafzettingen ligt een dik pakket klei, wat erop wijst dat de geul na dichtslibbing weer overstroomd is geraakt. Wanneer een kwelder hoog genoeg was opgeslibd kon deze droog genoeg zijn voor bewoning of andere menselijke activiteiten. Kenmerken van drogere periodes in de zeekleiafzettingen zijn overblijfselen van vegetatie, bioturbatie (doorworteling) en rijping. Deze kenmerken zijn in meer of mindere mate in alle zes de boringen op verschillende niveaus aangetroffen: in boring 1 op 0,3 -0,75 m - mv, in boring 2 op 0,5 – 1,15 m -mv, in boring 3 op 1,6 – 2 m -mv, boring 4 op 0,1 – 1,4 m – mv, in boring 5 op 0,15 – 1,6 m -mv en in boring 6 op 0,1 – 0,5 m – mv.
In slechts twee van de boringen is echter ook een humeuze laag waargenomen die wijst op een periode van droogte die lang genoeg was voor het optreden van een bodemvormingsproces. Deze is in boring 1 aangetroffen op 0,65 – 0,75 – mv en in boring 2 op 0,4 tot 0,5 m – mv (zie afb. 18). In boring 2 zijn in deze laag puinspikkels aangetroffen. Op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek blijft de middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Romeinse Tijd t/m Nieuwe tijd in het Laagpakket van Walcheren in stand. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van archeologische vindplaatsen is een karterend booronderzoek uitgevoerd. Doel van het karterend booronderzoek was het potentiele archeologische niveau dat is aangetroffen onderzoeken op archeologische indicatoren en het vaststellen van de eventuele aanwezigheid van oeverwallen binnen het plangebied.
Afb. 19. Diepteligging potentiele archeologische niveau op een recente luchtfoto (bron: https://www.google.com/intl/nl/earth/). 29
3.3
Beschrijving onderzoeksresultaten karterende booronderzoek
De twaalf karterende boringen zijn tot maximaal 3 m – mv gezet, waarbij ze zodanig voornamelijk het bovenste kleipakket hebben aangeboord dat in het plangebied op het veen ligt. In boringen 10, 15 en 16 is de top van het veen aangeboord op resp. 1,25, 2,74 en 2,55 m beneden maaiveld. Gezien de zeer gedetailleerde beschrijvingen van de verkennende boringen en het doel van het karterend onderzoek om eventuele vindplaatsen en oeverwallen op te sporen, volgt hier een globale beschrijving van de aangetroffen laagopeenvolging in het karterende booronderzoek. Voor een gedetailleerde laagbeschrijving wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 1. Het in tien van de boringen aangetroffen kleipakket dat zich direct onder het maaiveld bevindt is geïnterpreteerd als getijdenafzettingen die tot het Laagpakket van Walcheren gerekend worden. De bovenste 5 tot 15 cm hiervan zijn opgenomen in een matig tot sterk humeuze bouwvoor van zwak zandige klei. In twee van de boringen (13 en 17) is dit kleipakket niet aangetroffen. In boring 13 ligt direct onder de bouwvoor een 65 cm dikke opgebrachte laag van grijs, matig siltig zand, gelegen op een laag van blauwgrijze, zwak zandige klei met klei- en veenbrokken en houtresten. Deze laag is geïnterpreteerd als de vulling van een gedempte sloot.
Onder deze slootvulling is een 25 cm dikke laag van licht groengrijze matig siltige klei aangetroffen met daarin zandvlekjes en kleibrokken. Het betreft een recente verstoring. Op 2,1 m – mv gaat deze abrupt over op lichtgrijze, sterk siltige kleiafzettingen met daarin veel dunne zandlaagjes. Deze zijn geïnterpreteerd als geulafzettingen. Boring 17 is op 0,15 m – mv gestuit op een ondoordringbaar object. In boringen 7, 8, 11 t/m 15 en 18 zijn geulafzettingen aangetroffen. De diepteligging van de top hiervan varieert tussen 0,95 en 2,1 m – mv. In alle gevallen zijn de geulafzettingen afgedekt met een pakket van kleiige getijdeafzettingen. In dit pakket is in een aantal boringen een zwak tot matig humeuze laag aangetroffen (boring 8, 10, 11, 14 en 18). De dikte van deze laag varieert sterk van 5 tot 57 cm. Hoewel de aanwezigheid van een humeuzere laag (resultaat van een bodemvormingsproces) wijst op een langere drogere periode, zijn in de laag geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De enkele puinresten die zijn aangetroffen betreffen recent puin.
30
4 Conclusie en aanbevelingen 4.1
Conclusies
Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een lage verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische resten uit het Vroeg en Midden Neolithicum in het Laagpakket van Wormer. Er is een middelhoge verwachting opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten uit de Bronstijd en IJzertijd in het Hollandveen Laagpakket, en voor het aantreffen van archeologische resten uit de Romeinse Tijd t/m Nieuwe tijd in het Laagpakket van Walcheren. Op basis van het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat vanwege de diepteligging van de afzettingen die worden gerekend tot het Laagpakket van Wormer (vanaf minimaal 3,85 m - mv) eventuele archeologische niveaus in dit pakket enkel verstoord worden door heiwerkzaamheden. De kans op het aantreffen van archeologische waarden in het Laagpakket van Wormer is echter klein. Voor het Laagpakket van Walcheren en het Hollandveen Laagpakket geldt dat eventuele bewoning in drogere periodes of op eventuele oeverafzettingen kan hebben plaatsgevonden. Het booronderzoek toont mogelijk het voorkomen van veraard veen, een archeologisch kansrijke laag, op een dieper niveau. Dit niveau wordt enkel door heipalen geraakt. Het heipalenplan is nog niet bekend. Ook de afzettingen die gerekend worden tot het Laagpakket van Walcheren laten een beeld van overwegend natte condities zien.
In twee van de boringen is echter ook een humeuze laag waargenomen die wijst op een periode van droogte die lang genoeg was voor het optreden van een bodemvormingsproces. Deze is in boring 1 aangetroffen op 0,65 – 0,75 – mv en in boring 2 op 0,4 tot 0,5 m – mv. In boring 2 zijn in deze laag puinspikkels aangetroffen. Op dit niveau kunnen archeologische waarden aanwezig zijn.
4.2
Beantwoording onderzoeksvragen
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Uitgaande van de bij het bureauonderzoek gebruikte bronnen bestaat de laagopeenvolging binnen het plangebied uit getijde afzettingen (Laagpakket van Walcheren) op veen (Hollandveen Laagpakket) op mariene klei afzettingen (Laagpakket van Wormer). Het verkennende en karterende booronderzoek bevestigen deze verwachting en hebben aangetoond dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied sprake is van een kreekgeul. Ook blijkt uit het verkennende booronderzoek dat de afzettingen die gerekend worden tot het Laagpakket van Wormer te diep liggen om verstoord te raken door de geplande bodemingrepen. Er zijn geen grote verstoringen aangetroffen in het plangebied. Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? In boringen 1 en 2 is bij het verkennende booronderzoek een humeus laagje aangetroffen op respectievelijk 0,65 – 0,75 – mv en 0,4 tot 0,5 m – mv. In boring twee zijn in dit laagje puinspikkels waargenomen. Voor deze laag geldt dat bewoning mogelijk was op dit niveau. Naast de enkele waargenomen puinspikkels zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ook het karterende booronderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied.
Welke consequenties zal de uitvoering van het plan hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten? Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een middelhoge archeologische verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische resten uit de Bronstijd en IJzertijd in het Hollandveen Laagpakket, en een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Romeinse Tijd t/m Nieuwe tijd in het Laagpakket van Walcheren. De verwachting is sterk gekoppeld aan het voorkomen van drogere periodes en de aanwezigheid van oeverwallen waarop bewoning of ander landgebruik in deze periodes mogelijk is geweest. Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat in de aangetroffen afzettingen die worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren een dergelijk potentieel archeologisch niveau aanwezig is binnen het plangebied. Er zijn geen verdere archeologische indicatoren aangetroffen tijdens dit onderzoek. Indien er archeologische waarden aanwezig zijn in het Laagpakket van Walcheren, kunnen deze verstoord raken door de voorgenomen plannen. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan? Voor de aanbevelingen zie hieronder. 31
4.3
Selectieadvies
De gemeente heeft geconstateerd dat op basis van de resultaten van dit onderzoek de archeologische waarde van het terrein nog niet in voldoende mate is vastgesteld. De archeologische waarde van de vegetatiehorizont dient nog vastgesteld te worden. Hiervoor dient een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden. Mocht een waardevolle archeologische vindplaats aanwezig zijn dan dient deze veiliggesteld te worden door middel van een opgraving. Ook kunnen de heipalen verstorend zijn indien deze meer dan 5% verstoren of als deze dicht op elkaar geplaatst worden. Het heipalenplan zal nog aan de gemeente voorgelegd worden. Indien dit als verstorend wordt beschouwd, dan kan nader onderzoek aan de orde zijn. Met betrekking tot de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Vlaardingen.
32
Literatuur Bosch, J.H.A., 2008: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2. (Deltares-rapport | 2008-U-R0881/A.) Deltares, Utrecht. Brijker, J.M., P.C. Teekens & I. Voossen, 2014: Inventariserend veldonderzoek door middel van karterende boringen Blankenburgverbinding. Een lithogenetische benadering. (Antea Group Archeologie 2015/145). Antea Nederland B.V., Heerenveen. Hijma, M., 2009: From river valley to estuary. The early-mid Holocene transgression of the RhineMeuse valley, The Netherlands. (Netherlands Geographical Studies 389). Utrecht Jeezer, W. & I. Vossen (red.), 2018: Onderweg naar Blankenburg. Proefsleuvenonderzoek en twee archeologische opgravingen in het kader van de Blankenburgverbinding (Noordoever), gemeente Vlaardingen. (ADC Rapport 4400). ADC Archeoprojecten, Amersfoort. Kerkhoven, A.A. & H.G. Pape, 2013: Vlaardingen, Zuidbuurt 77A. Gemeente Vlaardingen (Zuid-Holland). Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO; verkennende fase). (Transect-rapport 359). Transect, Utrecht. Klerks, K. & M.J.M. de Wit, 2018: Booronderzoek verbreden watergang Aalkeet Buitenpolder, gemeente Vlaardingen (Z-H). (MUG-publicatie 2018-12). MUG Ingenieursbureau b.v., Leek. Steur, G.G.L & W. Heijink, 1991: Bodemkaart van Nederland Schaal 1:50 000. Algemene Begrippen en Indelingen.
STIBOKA, Wageningen. Vos, P.L. & S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares, Utrecht.
Wilbers, A.W.E., 2013: Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase Blankenburgverbinding, gemeenten Vlaardingen en Rotterdam. (IDDS Archeologie rapport 1606). IDDS Archeologie, Noordwijk. Geraadpleegde websites webadres
laatst bezocht op
https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl
20-2-2019
https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens
19-2-2019
https://www.dinoloket.nl/nomenclator-ondiep
19-2-2019
https://www.google.com/intl/nl/earth/
20-2-2019
https://zoeken.cultureelerfgoed.nl
20-2-2019
https://geschiedenisvanzuidholland.nl/
20-2-2019
http://www.ahn.nl
20-2-2019
http://www.pdok.nl
20-2-2019
http://www.topotijdreis.nl
20-2-2019
https://www.vlaardingen.nl/
14-2-2019
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/
14-2-2019
http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas
20-2-2019
33
Lijst van afbeeldingen Afb. 1. Afb. 2. Afb. 3. Afb. 4. Afb. 5. Afb. 6. Afb. 7. Afb. 8. Afb. 9. Afb. 10. Afb. 11. Afb. 12. Afb. 13. Afb. 14. Afb. 15. Afb. 16. Afb. 17. Afb. 18.
Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (ondergrond: topografische kaart van Nederland) ........................................................................................................................................................................................... 9 Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................................................ 12 Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3, ruw; bron: https://www.ahn.nl). ....................................................................................................................................................................... 12 Uitsnede van de bodemkaart met het plangebied en directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................................................ 13 Uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Vlaardingen (bron: Bestemmingsplan Buitengebied West). ......................................................................................................................................................................
14 AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondstlocaties (bron: ARCHIS 3). ....................................................... 15 Het plangebied op een uitsnede van de kaart van Kruikius uit 1712, kaartblad Maeslant (bron: https://www.tudelft.nl/library/collecties/kaartenkamer/). ............................................................................................. 20 Het plangebied op een uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832, Sectie D, Blad 02. (bron: http://zoeken.cultureelerfgoed.nl). .......................................................................................................................................... 21 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1937 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 21 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1940 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 21 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca.
1962 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 22 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1963 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 22 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1970 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 22 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1973 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 22 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1984 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 22 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca.
1999 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 22 Gezette boringen in het plangebied op een recente luchtfoto (bron: https://www.google.com/intl/nl/earth/). .............................................................................................................................. 25 Diepteligging potentiele archeologische niveau op een recente luchtfoto (bron: https://www.google.com/intl/nl/earth/). .............................................................................................................................. 29
Lijst van tabellen Tabel 1. Tabel 2.
Onderzoeksmeldingen uit ARCHIS 3 ...................................................................................................................................... 16 Archeologische vondsten (ARCHIS 3) .................................................................................................................................... 18
Lijst van bijlagen Bijlage 1. Boorbeschrijvingen……………………………………………………………………………………………………………………………….. 35
34
Bijlage 1
Boorbeschrijvingen mediaan zandfractie
textuur
diversen lithologie
code
omschrijving
code
omschrijving
code
omschrijving
K…
mg
matig grof
dl…
laagjes detritus
V…
klei veen/organisch materiaal
mf
matig fijn
kl…
kleilaagjes
Z…
zand
d…
detritus
…k1
licht kleiig
humus/grind
zl…
zandlaagjes
…k3
sterk kleiig
code
omschrijving
gy…
gyttja
…s1
licht siltig
g1
licht grindig
vb
veenbrokken
…s2
matig siltig
h1
licht humeus
zv
zandvlekjes
…s3
sterk siltig
h2
matig humeus
sr1
enkele schelpresten
…s4
uiterst siltig
hv
met humusvlekken
…1
enkele
…z1
licht zandig
…2
veel
…z3
sterk zandig
veentype
km
mineraalarm
code
omschrijving
plantenresten
AV
amorf veen
code
omschrijving
kleur
BV
bosveen
code
omschrijving
D
detritus
pl
plantenresten
bl
blauw
DG
detritusgyttja
pl1
enkele plantenresten
br
bruin
ZV
zeggeveen
pl2
veel plantenresten
ge
geel
RV
rietveen
Ri1
enkele rietresten
gn
groen
f…
fijn
ldw
licht doorworteld
gr
grijs
zf…
zeer fijn
zldw
zeer licht doorworteld
zw
zwart
l…
licht
interpretatie
d…
donker
code
omschrijving
code
omschrijving
BV
bouwvoor
fe…
ijzeroxidevlekjes
LGO
ophoging
vl
gevlekt
zw
zwarte vlekken
…1
enkele
…2
veel
…3
zeer veel
overige bestanddelen code
omschrijving
pu1
puinspikkels
vlekken
ox/red code red
gereduceerd
35
boring
bovengren s (mv)
dikt e
1
0
aar d gr
kleur
lithologie
bijmengin g
mediaan zandfractie
10
lbrgr
k
s4
10
20 sa
lgegr
k
s4
30
35 ge
lbrgr
k
s3
65
10 ge
brgr
k
s2
75
10 ab
gr
k
s3
85
40 ge
lgr
k
s3
125
5 ge
dgr
k
s4
130
10 ab
dgr
k
s3
140
10 ge
gr
k
s3
150
20 ge
gr
k
s3
zl1
170
20 ge
gr
k
s4
zl1
190
40 ge
gr
k
s4
zl2
230
45 sa
blgr
z
s3
sr1, vb
pl1
375
10 sa
lgr
k
s2
385
15 sa
blgr
z
s3
sr1, vb
pl1
veentype
humus
diversen lithologie
bioturbati e
vlekken
planten
overige bestanddele n
consistenti e
ox/red
h1
interpretati e
fe2 zv
biot
h1
fe2 fe2, zw fe2
l biot
zeer lichte klei zeer lichte klei zeer lichte klei red zeer lichte klei
fe1
zl2 fo1?/fe 1
lichte klei bruin zweem
einde boring
400 2
opmerkingen
BV
0
5
lbrgr
k
s3
5
25 ge
lbrgr
k
s3
h1
30
10 ge
k
s2
h2
40
10 ge
brgr dbrg r
fe2 iets vl, fe1
BV
k
z1
h2
fe1
50
20 ge
brgr
k
s3
h1
fe2
70
45 ge
lgr
k
s4
hv
fe2
115
5 ge
gr
k
s4
fe1 36
pu1
lichte klei
boring
bovengren s (mv)
dikt e
aar d gr
120
20 ge
240
20
260
5 ge
265
kleur
gr
lithologie
bijmengin g
mediaan zandfractie
veentype
humus
diversen lithologie
k
s3
zl1
z
s3
kl2
blgr
z
s3
45 sa
lgr
k
s3
310
20 sa
lbrgr
k
s3
330
15 ge
brgr
k
s3
345
20 ab
br
v
km
av
365
10 ge
br
v
km
rv
375
10 ab
dbr
v
k1
zfdg
385
15 ab
dbr
v
km
zfdg
mf
bioturbati e
vlekken
planten
overige bestanddele n
consistenti e
ox/red
interpretati e
naar onder toenemen d zl
kl2, d1 pl1
zeer lichte klei
slap
zl1, dl1 h1
dl2 spoor zegge, spoor hout
einde boring
400 3
opmerkingen
0
15
brgr
k
s3
h2
fe1
15
15 ge
lbrgr
k
s3
h1
fe1
30
90 ge
gr
k
s3
120
40 ge
gr
k
s4
160
40
gr
k
s2
200
50 ab
k
s1
250
10 ab
lbrgr dbrg r
v
k3
zfdg
260
25 ab
br
v
km
rv
285
5 ge
grbr
v
k1
rv
290
20 ge
br
v
km
zrv
310
10 ge
br
v
km
bv
320
10 sa
dbr
v
km
rzv
BV
fe1 sr1
fe1
hv
pl1 pl1, ri1 (ridw)
lgy, sr1
pl1
galigaanreste n
mogelijk veraard 37
boring
bovengren s (mv)
330
dikt e
aar d gr
20 ge
kleur
lithologie
bijmengin g
br
v
km
mediaan zandfractie
veentype
humus
diversen lithologie
bioturbati e
vlekken
planten
overige bestanddele n
consistenti e
ox/red
interpretati e
einde boring
350 4
opmerkingen
rzv
0
10
dbrg r
k
z1
h3
10
15 ge
brgr
k
z1
h2
fe1
25
25 ge
lgr
k
s3
hv
fe2
50
40 ge
lgr
k
s3
BV
zv
90
50 ge
gr
k
z3
140
30 ab
lblgr
k
s2
zl1
170
45 ge
lblgr
k
s3
zl2
215
10 ab
gr
k
s2
225
25 ab
dbr
v
k1
fdg
250
20 ab
br
v
km
rv
270
5 ge
br
v
k1
fdg
275
5 ab
gr
k
s1
280
30 ge
gr
k
s2
dl1
310
30 ge
lgr
k
s2
sr1
340
15 ge
lbrgr
k
s1
gy1
355
15 ge
gogr
k
s1
gy3, sr1
370
5 ge
lgogr k
s1
gy1, sr1
375
5 ab
br
v
k1
zfdg
380
10 ab
dbr
v
km
av
390
5 ab
dgr
k
s2
395
5 ab
lblgr
k
s2
400
eb
l biot
fe1
s biot
fe1
dl1, zlgy pl1 ri ri3
biot
vl zldw pl1 mogelijk veraard
h1 einde boring
38
boring
bovengren s (mv)
dikt e
aar d gr
5
0
15
15
25 ab
40
45 ge
kleur
lithologie
bijmengin g
mediaan zandfractie
gegr dbrg r dbrg r
z
s3
mg
k
z1
h2
k
z1
h1
veentype
humus
diversen lithologie
bioturbati e
vlekken
planten
overige bestanddele n
consistenti e
ox/red
g1
interpretati e
pu1
85
45 ge
lblgr
k
s3
biot
zv
130
30 di
lgr
k
s2
l biot
vl
160
40 ge
gr
k
s2
zl1, spoor d
200
20 ge
lgr
k
s3
dl1
220
45 ge
lbrgr
v
k3
rv
265
25 ge
br
v
km
rv
290
20 ge
lbrgr
k
s1
310
60 ge
lblgr
k
s2
370
5 ge
lgogr k
s1
gy1, sr1
375
15 ge
gogr
k
s1
gy3, sr1
390
10 ab
br
v
k1
zeer licht gerijp t
pl1 galigaanreste n nogal amorf
h1
ri3 pl1 l biot
vl
av einde boring
400 6
opmerkingen
LGO
0
10
dgrb r
k
z1
h3
10
5 ge
grbr
k
z1
h2
15
35 ge
brgr
k
s2
h1
50
40 ge
lgr
k
s3
90
50 ge
gr
k
s3
zl1
140
90 ge
gr
k
s2
zl1
230
35 ge
gr
k
s2
zl2, dl2
BV fe1 fe1 fe1
39
pl1
boring
bovengren s (mv)
dikt e
aar d gr
kleur
lithologie
bijmengin g
mediaan zandfractie
veentype
265
25 ge
br
v
k1
d
290
25 ge
br
v
k1
rv
315
5 ge
dbr
v
k1
fdg
320
15 ge
dbr
v
km
fdg
335
35 sa
lgrbr
v
k1
rv
370
15 ge
brgr
v
k3
rv
385
15 di
lbrgr
k
s2
humus
diversen lithologie
bioturbati e
vlekken
overige bestanddele n
planten
kl1
consistenti e
ox/red
interpretati e
nogal amorf
gelaagd ri2, pl1
gelaagd einde boring
400
boring
bovengrens (mv)
dikte
7
0
aard gr
mediaan zandfractie
kleur
lithologie
10
dgrbr
ks4
h2
10
10 ge
lbrgr
ks3
hv
fe1
20
35 ge
gr
ks1
hv
fe1
55
25 ab
lgr
zs4
80
25 ge
lorgr
ks4
105
20 ge
gr
ks3
zv
fe1
135
30 ab
blgr
ks3
zv
zw
165
20 ge
lblgr
ks2
zv
fe1
185
40 ge
gr
ks2
225
75 ab
gr
zs3
uf
humusgehalte
opmerkingen
pl2
grindgehalte
diversen lithologie
bioturbatie
vlekken
plantenresten
overige bestanddelen
interpretatie
opmerkingen
bv
zv fe2
pl1
geul zf
kl2
geul
300
vaag gelamineerd vaag gelamineerd einde boring
40
boring
bovengrens (mv)
dikte
8
0
aard gr
mediaan zandfractie
kleur
lithologie
humusgehalte
grindgehalte
diversen lithologie
bioturbatie
vlekken
plantenresten
10
dbr
kz1
10
40 ge
brgr
ks4
50
5 ge
dbrgr
ks3
h1
fe1
55
5 ge
lbrgr
ks2
hv
60
10 ge
gr
ks2
fe1 fe2, kleine zwarte vlekjes
70
50 ge
lgr
ks3
zv
120
80 ge
lgr
ks1
zl1
overige bestanddelen
h2
interpretatie
bv fe2
biot
fe1 zwarte vlekjes
sr1
pl1 pl1
geul
300 9
einde boring
0
10
dbrgr
kz1
h2
bv
10
33 ge
lbrgr
kz1
h1
fe1
43
67 ab
brgr
ks2
h2
zw
110
14 ge
lbrgr
ks3
humeuze bandjes
124
41 ab
dgr
ks3
155
10 ab
lblgr
ks2
165
35 ge
lblgr
ks1
sloot?
fe1 riet sl1
pl1
300 10
opmerkingen
einde boring
0
10
dbrgr
kz1
h2
bv
10
15 ge
brgr
kz1
h1
fe1
25
55 ab
dbrgr
kz1
h2
fe1
80
2 ab
dgr
ks3
h3
82
18 ab
gr
ks2
100
5 ge
gr
ks2
zl
fe2 fe1, zwarte vlekjes 41
pl1
boring
bovengrens (mv)
dikte
aard gr
kleur
lithologie
105
20 ge
gr
ks2
125
13 ab
br
vkm
138
2 ab
lgr
ks1
140
5 ab
dbr
vkm
145
55 ab
lgr
ks1
mediaan zandfractie
humusgehalte
grindgehalte
diversen lithologie
iets gelaagd
bioturbatie
vlekken
plantenresten
zwarte vlekjes
pl1
overige bestanddelen
interpretatie
sterk amorf veen pl1 rietveen pl1
sr1
200 11
einde boring
0
10
dbrgr
kz1
h2
bv
10
30
logr
ks2
40
32 ab
lbrgr
ks2
72
28 ab
lgr
ks3
zv
fe1
100
15 ge
gr
ks4
zl
fe2
115
35 ab
lblgr
ks2
zv
geul
150
50 ab
lblgr
zs3
kl2
geul
fe2 h1
zf
fe1
geul
200 12
opmerkingen
einde boring
0
15
dbr
kz1
h3
15
30 ge
brgr
kz1
h1
45
45 ab
lgr
ks2
zv
90
35 ge
lgr
ks2
zv
125
35 ge
gr
ks2
zl1
160
40 ge
lblgr
ks2
zl2
geul
200
75 ge
lblgr
zs3
kl2
geul
zf
bv
42
fe1 fe1, zwarte vlekjes
pl1
fe1 zwarte vlekjes
pl1
(rest)geul
boring
bovengrens (mv)
275
dikte
aard gr
25 ge
kleur
lithologie
gr
ks2
mediaan zandfractie
humusgehalte
grindgehalte
diversen lithologie
bioturbatie
vlekken
plantenresten
overige bestanddelen
interpretatie
pl1, ho1
300 13
einde boring
0
10
dbrgr
zs2
mf
h1
bv
10
65 ab
gr
zs2
mf
75
10 ab
blgr
kz1
kb vb
85
25 ab
lgogr
ks2
zv kb
xx
210
20 ab
lgr
ks3
zl2
geul
230
12 ge
gr
zs3
zf
242
58 ab
gr
zs2
mf
sr2 zw
ho
lgo gedempte sloot recent
kl2 ho2
300 14
einde boring
0
10
dgrbr
kz1
h2
10
15 ge
lbrgr
kz1
h1
25
27 ge
lbrgr
ks3
h1
52
18 ab
lgegr
ks2
hv
70
25 ab
gr
ks2
95
55 ge
lgr
zs4
zf
150
10 ab
brgr
zs3
160
40 ab
lgr
zs4
bv fe1
zv
fe1
zv
fe1 fe1
zf
kl1 met veel detritus
zf
kl2
Hard oranje baksteenpuin
pu1
geul geul geul
200 15
opmerkingen
einde boring
0
10
dbr
kz1
h2
10
30 ge
brgr
kz1
h1
40
20 ge
gr
ks3
pu2
fe1 43
bv
boring
bovengrens (mv)
dikte
aard gr
kleur
lithologie
mediaan zandfractie
humusgehalte
grindgehalte
diversen lithologie
zv
bioturbatie
vlekken
60
20 ge
gr
ks3
80
4 ab
dgr
ks2
84
13 ab
lblgr
ks2
zv
97
7 ge
gr
ks2
dl2
zw
104
19 ab
lblgr
ks2
zv zl
zw
123
37 ab
lgr
ks2
zsl1
260
14 ab
blgr
zs4
274
26 ab
grbr
vk3
plantenresten
overige bestanddelen
interpretatie
fe1
geul
zf
pl1
sr1
geul
fijne detritus
300 16
einde boring
0
5
brgr
kz1
h1
bv
5
10 ab
gegr
zs1
15
50 ab
dgr
kz1
65
65 ab
gr
ks3
zv
130
8 ab
blgr
ks2
zv
138
117 ab
lblgr
ks2
zl2
255
30 ab
br
vk1
285
15 ge
grbr
vk1
mg
pu1, sr1 h1
lgo
fe1 fe2 zwarte vlekjes zwarte vlekjes fijne detritusgyttja
pl1, ri1
rietveen
300 17
0
einde boring 15
dbrgr
kz1
h2
pu1
xx einde boring. ondoordringbaar 5 pogingen
15 18
0
opmerkingen
5
dbr
zs2
mf
kb
pu1 44
bv
boring
bovengrens (mv)
dikte
aard gr
kleur
lithologie
mediaan zandfractie
humusgehalte
grindgehalte
diversen lithologie
bioturbatie
vlekken
plantenresten
g2
overige bestanddelen
interpretatie
5
10 ab
dbrgr
zs2
mf
15
20 ge
grbr
zs2
mf
35
25 ab
grbr
kz2
60
35 ge
dgr
kz1
95
35 ge
dblgr
ks3
130
30 ab
lgegr
ks2
zv
160
50 di
lgegr
ks2
sl1
210
45 ge
lgr
ks2
zl1, ook wat detritus
pl1
geul
255
25 ge
gr
ks2
zl1
pl1
geul
280
20 ge
lbrgr
ks2
pl2
geul
opmerkingen
pu2
h1
sr1, pu1
h1
lgr
pu1 recent puin, cement
fe1 pl1 fe1
h1
300
pu1
slootvulling natuurlijk
einde boring
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
Quickscan Wet natuurbescherming
Zuidbuurt 77 te Vlaardingen Rademaker Vastgoed & Ontwikkeling
Projectadviseur B. Wijnoltz MSc
Kwaliteitscontrole door: N. Kroese BSc
06-49958128 bianca@habitus.nl
Kwaliteitscontrole op datum: 19 maart 2019
Rapportage B. Wijnoltz MSc Veldwerk B. Wijnoltz MSc Documentcode RVON2018-1-RAP1 In opdracht van
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport (inclusief foto’s) is enkel toegestaan onder vermelding van de bron en na toestemming van de eigenaar (opdrachtgever). Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Habitus natuur & landschap geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of door toepassing van de adviezen.
dhr. Jérôme van Damme Organisatie Rademaker Vastgoed & Ontwikkeling
Correspondentieadres: Tolnasingel 1 / 2411 PV / Bodegraven Kvk-nummer: 61229628 / Btw-nummer: NL854262301B01
Opleverdatum
Rekeningnummer: NL14ABNA0494577894
20 maart 2019
www.quickscan-flora-en-fauna.nl
Quickscan is een merk van Habitus natuur & landschap www.habitus.nl
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
2
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING EN ONDERZOEK 4
2.
PROJECTGEBIED EN WERKZAAMHEDEN 7
3.
RESULTATEN 9
4.
CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN 15
5.
BOVENWETTELIJKE MAATREGELEN 18
BRONNENLIJST 19 BIJLAGEN
20
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
3
1. INLEIDING & ONDERZOEK 1.1 Aanleiding
Dit rapport dient voor de initiatiefnemer als
De opdrachtgever is voornemens woningen
bewijsstuk dat een ecologische quickscan is verricht.
te ontwikkelen binnen het projectgebied. De activiteiten zullen plaatsvinden aan de Zuidbuurt
1.3 Criteria
77 te Vlaardingen. In paragraaf 2.2 worden de
Op deze ecologische quickscan zijn de volgende
werkzaamheden nader beschreven.
criteria van toepassing:
De quickscan wordt aangevraagd voor een bestemmingsplanwijziging.
Daarom
onderzocht te worden of met de voorgenomen ruimtelijke
ontwikkeling
sprake
•
dient is
van
Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen
•
volgens
de
definitie
van
de
Rijksdienst voor ondernemend Nederland. Het
onderzoek
is
uitgevoerd
door
een
overtreding van de geldende natuurwet en
onafhankelijk adviesbureau. Habitus natuur &
regelgeving.
overtredingen
landschap verklaart hierbij geen enkel belang
worden verwacht, kan de ontwikkeling vanuit de
Indien
er
geen
te hebben bij de uitkomst van het onderzoek.
ecologie zonder beperkingen doorgang vinden.
Ook heeft iedere vaste medewerker de
Indien er vervolgonderzoek wordt geadviseerd,
ethische
kan een voorgenomen ontwikkeling doorgaans
beloofd hiernaar te handelen.
nog steeds doorgang vinden als een ontheffing
•
of vergunning kan worden verkregen.
gedragscode
ondertekend
en
De resultaten zijn op een efficiënte wijze verkregen, dat wil zeggen dat er een adequate verhouding bestaat tussen kosten in relatie
1.2 Doel en centrale vraag In deze ecologische quickscan wordt een voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de Wet natuurbescherming. De centrale vraag luidt:
• •
tot de geleverde resultaten. De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. De conclusie en aanbevelingen (inclusief vervolgstappen)
Zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijd met de soort- of gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb) of provinciaal beleid? En welke vervolgstappen dienen genomen te worden voor met de uitvoering gestart kan worden?
•
van
het
onderzoek
zijn
duidelijk voor de opdrachtgever. Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum (zie colofon).
Toelichting op de afbeelding Impressie projectgebied: dit gebouw bevat geschikte netsplaatsen voor huismus.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
4
• •
De kwaliteit van het natuuronderzoek kan
1.4.2 Gebiedsbescherming en provinciaal beleid
beoordeeld worden door het bevoegd
Voor gebiedsbescherming wordt getoetst aan de
gezag.
volgende onderdelen van de Wet natuurbescherming:
Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Habitus
• •
Natura 2000-gebieden (artikel 2.7) Bijzondere nationale gebieden.
natuur & landschap. Bekijk deze op https://
•
habitus.nl/EisenEcologischOnderzoek.
Daarnaast wordt getoetst aan provinciaal beschermde
Voor
gebieden,
het
opsporen,
vangen
(met
beschermd
via
de
Wet
Ruimtelijke
toegestane vangmiddelen) of bemachtigen
Ordening. Het betreft gebieden die in de Verordening
van beschermde dier- of plantensoorten is
• • •
een geldige ontheffing aanwezig. 1.4 Reikwijdte
Ruimte zijn aangewezen, zoals: Natuurnetwerk Nederland (NNN) Belangrijke weidevogelgebieden Strategische reservering natuur.
Onderstaand is beschreven aan welke wetten, artikelen en aan welk beleid de voorgenomen
Indien uit de toetsing naar voren komt dat er mogelijk
ontwikkeling wordt getoetst in deze quickscan.
sprake is van een overtreding, dan is vervolgonderzoek vaak benodigd. Hierbij valt te denken aan een
1.4.1 Soortbescherming Er
wordt
getoetst
soortgericht aan
de
volgende
een
onderzoek
NNN-toetsing
of
(soortbeschemring) Voortoets
Natura
of
2000
verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming:
(gebiedsbescherming). Deze nadere onderzoeken
•
Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1)
maken geen onderdeel uit van deze quickscan.
•
Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5)
•
Andere soorten (artikel 3.10)
1.5 Werkwijze
•
Zorgplicht (artikel 1.11).
De ecologische quickscan bestaat uit een bureau-
In Bijlage 1 zijn de verbodsartikelen opgenomen.
onderzoek, een veldonderzoek en een toetsing. Daarna
In Bijlage 2 zijn de beschermde soorten te
volgen de conclusie en de aanbevelingen. Hieronder
vinden. De vrijgestelde soorten zijn opgenomen
volgt per onderdeel een toelichting op de methode.
in Bijlage 3. Vrijgestelde soorten worden niet beoordeeld,
1.5.1 Soortbescherming
want door de vrijstelling is er geen kans op het
Als eerste wordt het bureau-onderzoek uitgevoerd.
Toelichting op de afbeelding
overtreden van de Wet natuurbescherming
Hieruit volgt een lijst met soorten die in de omgeving
Binnen het projectgebied zijn meerdere bosjes met struweel
bij
aanwezig zijn. Deze lijst is weergegeven in Bijlage 8a en
aanwezig.
Wel worden maatregelen voorgesteld om met
de
geplande
bestemmingsplanwijziging.
vrijgestelde soorten rekening te houden. Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
is een samenstelling van:
•
Soorten die naar voren komen uit een analyse van 5
•
de NDFF. Er wordt standaard gekozen voor een tijdreeks van vijf jaar en een afstand van vijf kilometer
vlot geraadpleegd worden. De effectbeoordeling voor Natura 2000-gebieden wordt verricht door de
rond de grens van het projectgebied. Alle waarnemingen van soorten met relevant gedrag worden
effectenindicator in te vullen. Eerst wordt de meest passende activiteit gekozen, daarna beoordeelt de
bekeken en beoordeeld.
ecoloog of de effecten compleet zijn én of een effect relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling. De
Soorten die niet uit te sluiten zijn op basis van verspreiding. Deze zijn weergegeven met een *. Dit
informatie over de ontwikkeling wordt aangeleverd door de opdrachtgever (zie Bijlage 5). De effectbeoordeling
betreft soorten die zeer mobiel zijn (zoals de rivierrombout), vrij algemeen voorkomen (zoals de
voor Natuurnetwerk Nederland wordt uitgevoerd door te kijken naar de wezenlijke kenmerken en waarden
gewone dwergvleermuis) of soorten waarvan vestiging in de nabije toekomst verwacht wordt (zoals de
van een gebied. Indien deze niet bekend of beschreven zijn, worden effecten op het beheertype en/of
bataafse stroommossel).
kenmerkende soorten bepaald. Zo kan altijd een indicatie verkregen worden of de wezenlijke kenmerken en waarden aangetast worden. Hierbij wordt op basis van bronnen of expert judgement beoordeeld of een
Na het bureau-onderzoek wordt een veldonderzoek uitgevoerd. Hierbij wordt door een deskundig ecoloog
effect te verwachten is, omdat deze beoordeling per situatie verschilt.
onderzocht of er geschikt biotoop aanwezig is voor beschermde soorten. Dit is dus een potentiebepaling en geen onderzoek naar de daadwerkelijke aanwezigheid van soorten. De beoordeling wordt verricht aan de
1.5.3 Toetsing, conclusie en aanbevelingen
hand van een lijst met alle beschermde soorten, dus niet alleen de soorten die uit het bureau-onderzoek
Nadat alle benodigde informatie over soorten en gebieden is verzameld, wordt getoetst aan de
komen. Er kunnen namelijk altijd soorten in het projectgebied aanwezig zijn, die niet uit het bureau-onderzoek
natuurwet- en regelgeving zoals gespecificeerd in paragraaf 1.4. Dit wordt gedaan door de effecten van
komen. Alle aanwezige biotopen worden geïnventariseerd en op kaart weergegeven.
de werkzaamheden (zie paragraaf 2.2) op de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten en gebieden te bepalen. Op basis van de toetsing worden aanbevelingen gedaan. Per mogelijke overtreding wordt
De beoordeling van de biotopen wordt uitgevoerd op basis van de kennis van de ecoloog, eventueel aangevuld
geadviseerd hoe hiermee omgegaan kan worden. Het uitgangspunt hierbij is dat een overtreding
met een literatuurstudie, welke wordt vermeld in de bronnenlijst. Daarnaast wordt gezocht naar individuen,
wordt voorkomen (door een aangepaste werkwijze) of pas kan worden begaan na ontvangst van een
sporen of verblijfplaatsen van beschermde soorten, zoals (poot)afdrukken, holen, haren, braakballen, wissels
ontheffing of vergunning. Als een soort mogelijk aanwezig is en overtreding op deze soort niet kan
en uitwerpselen. Alle aangetroffen geschikte biotopen, individuen, sporen en verblijfplaatsen worden in het
worden uitgesloten, dan wordt nader onderzoek geadviseerd. In een enkel geval zal er voldoende
veld geregistreerd met Waarneming Pro (WrnPro) en in het rapport weergegeven (zie Fig.4. in paragraaf 3.2).
informatie aanwezig zijn om direct een ontheffing of vergunning aan te vragen, dan zal uiteraard geen nader onderzoek geadviseerd worden.
Als de ecoloog tijdens het veldonderzoek geschikt biotoop heeft gevonden voor een bepaalde soort, maar twijfelt of deze soort op de betreffende locatie voor kan komen, dan wordt vastgesteld of de soort wel of niet
1.5.4 Bovenwettelijke maatregelen
in het projectgebied voor kan komen door te kijken naar:
Daarnaast worden bovenwettelijke maatregelen voorgesteld, die een bijdrage kunnen leveren aan
• • • •
verspreiding
de biodiversiteit van de leef- en projectomgeving. Deze quickscan is opgesteld om aan de wettelijke
dispersie-afstand
eisen uit de geldende natuurwetgeving te voldoen. Echter, ook niet beschermde natuurwaarden zijn
mate waarin een soort onderzocht is
waardevol om te behouden. Er zijn vaak ecologische kansen aanwezig voor een waardevolle verhoging
aanwezigheid van obstakels.
van de plaatselijke biodiversiteit. Biodiversiteitsverhogende maatregelen zijn vaak eenvoudig te
Obstakels kunnen het projectgebied mogelijk isoleren, zoals snelwegen en grote wateren. Het uitsluiten van
realiseren. Wij vinden het belangrijk om ook niet beschermde natuurwaarden en mogelijke ecologische
soorten wordt altijd beargumenteerd in Bijlage 8b.
kansen te benoemen. Er wordt altijd een duidelijk onderscheid gemaakt in wettelijke en bovenwettelijke maatregelen. Deze zijn in hoofdstuk 5 te vinden.
1.5.2 Gebiedsbescherming De begrenzingen van beschermde (beleids)gebieden worden via provinciale kaartmachines geraadpleegd, dit is altijd de meest actuele stand van zaken. Via de website kunnen diverse provinciale kaartmachines Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
6
2. PROJECTGEBIED & WERKZAAMHEDEN 2.1 Huidige situatie
2.2 Werkzaamheden en planning
Het projectgebied ligt aan de Zuidbuurt 77 te Vlaardingen en is gelegen in de provincie Zuid-Holland.
In het projectgebied worden de volgende werkzaamheden uitgevoerd:
De begrenzing van het projectgebied is weergegeven in Figuur 1. In de huidige situatie bestaat het
1. slopen bestaande opstallen;
projectgebied uit grasland, diverse schuren, een koeienstal, een loods en twee woningen. De omgeving
2. kappen van bestaand groen;
van het projectgebied bestaat uit intensief beheerd grasland, momenteel begraasd door schapen,
3. bouwen van zeven woningen inclusief ontsluiting.
smalle boerensloten met natuurvriendelijke oever, drie grote plassen, wegen en enkele boerderijen met bijbehorende gebouwen. De werkzaamheden beperken zich tot het hele projectgebied.
Een kaart met een conceptversie van de toekomstige situatie is weergegeven in Bijlage 4. Op basis van de aangeleverde informatie (zie Bijlage 5) wordt verwacht dat er geen sterke trillingen zullen plaatsvinden. De woningen zullen op een stalen fundering worden gebouwd in plaats van palen in de grond. De bouwwerkzaamheden zullen harde geluiden veroorzaken. Er wordt in de uitvoerings- en realisatiefase extra verlichting geplaatst ten opzichte van de huidige situatie. Er wordt gewerkt tussen zonsondergang en zonsopgang, aangezien de bouw 's winters om 7:00 uur start. Er zal geen water onttrokken worden of water worden opgespoten. Er wordt niet in het water of langs de oever gewerkt. Er zullen geen zanddepots ontstaan. De precieze planning van de werkzaamheden is ten tijde van de uitvoering van dit vooronderzoek nog niet bekend.
Algemene opmerking: Indien er een wijziging plaatsvindt in het plan of de uitvoering, dient de effectbeoordeling opnieuw uitgevoerd te worden. Dit geldt in het bijzonder voor (extra) licht, geluid, trillingen of nachtelijke werkzaamheden. Dit geldt ook in gevallen waarbij het werkterrein groter wordt, werkroutes wijzigen of op andere plekken wordt gewerkt binnen het projectgebied, zoals een watergang, bosschage of oever. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de initiatiefnemer/uitvoerder. Figuur 1: het projectgebied is rood omrand (PDOK, 2018).
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
7
2.3 Aanwezige biotopen De aanwezige biotopen vormen de basis voor de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten.
Tabel 1: aanwezige biotopen met beschrijving en kleur
Daarom zijn alle biotopen binnen het projectgebied en de directe omgeving in kaart gebracht, zie Figuur 2.
Biotoop
Beschrijving
Kleurcode kaart
Afgesloten water
poel of klein geïsoleerd water
turquoise
Open water
groter water zoals: sloot, boezem, rivier, meer. Dit water staat in verbinding met andere wateren
roze
Natuurvriendelijke oever
ondiep water met moerasplanten, oeverzones
lichtgroen
Intensief beheerd grasland
voedselrijk grasland
paars
Struweel
struiken, zonder bomen/boomlaag
bruin
Bomen
boom of boomgroep
oranje
Lijnvormige bomenrij
bomenrijen, houtkades, houtwallen
lichtblauw
Bebouwing
gebouwen, zoals woonhuizen en schuren, stallen en loodsen
geel
Verharding algemeen
straatbetegeling, asfalt, paden, erfverharding
grijs
Figuur 2: het projectgebied onderverdeeld in biotopen (Topografische ondergrond: PDOK, 2018). Aan de biotopen kunnen ook specifieke vogel- en zorgplichtsoorten worden gekoppeld. Een nadere uitwerking hiervan volgt in hoofdstuk 3 en 4. Om een controleerbare beoordeling te kunnen bieden, zijn in Bijlage 11 foto’s opgenomen van de aangetroffen biotopen.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
8
3. RESULTATEN
3.1 Beschermde gebieden
Tabel 2: afstanden van het projectgebied tot beschermde gebieden
In de provincie Zuid-Holland zijn de volgende
Beschermd gebied
Afstand tot projectgebied (in meters)
Natura 2000-gebied: 'Oude Maas' Habitatsoorten: bever, noordse woelmuis (Niet-)broedvogelsoorten: n.v.t.
5.568
Belangrijk weidevogelgebied
PAS-gebied*: ‘Solleveld & Kapitelduinen’
9.988
Strategische reservering natuur
Natuurnetwerk Nederland Beheertype: N04.02 Zoete plas, N05.01 Moeras
651
Belangrijk weidevogelgebied
50
Strategische reservering natuur
10.429
beschermde gebieden relevant:
• • • •
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland
In Tabel 2 zijn de afstanden tot deze gebieden benoemd. In de figuren 3 en 4 is de ligging van het projectgebied weergegeven ten opzichte van beschermde gebieden. Binnen het projectgebied bevinden
zich
geen
gebieden
behorend
*Zie Natura 2000 PAS-gebieden en Bijlage 10.
tot Natura 2000. Binnen het projectgebied bevinden zich ook geen gebieden behorend tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) of gebieden aangeduid als ‘Belangrijk weidevogelgebied’ of ‘Strategische reservering Natuur’.
Een
grote
projectgebied
afstand en
een
tussen
het
beschermd
gebied betekent niet dat negatieve
Alle Natura 2000-gebieden binnen zes kilometer worden beoordeeld of tot zo ver de verwachtte effecten reiken.
Algemene opmerking:
effecten
per
definitie
uitgesloten
kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op soort die buiten een beschermd gebieden verblijft óf van depositie. Ook de onttrekking van grondwater kan effecten veroorzaken op grote afstand.
Toelichting op de afbeelding Onder de dakpannen zijn oude huismusnesten aanwezig.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
9
Figuur 3: ligging projectgebied (rode ster in rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (geel)
Figuur 4:
en gebieden aangewezen als strategische reservering natuur (bruin;provincie Zuid-Holland, 2018).
weidevogelgebieden (provincie Zuid-Holland, 2018).
ligging projectgebied (rode vierkanten) ten opzichte van NNN-gebieden en belangrijke
3.1.1 Effecttoetsing beschermde gebieden In de effectenindicator (Ministerie van Economische Zaken, 2017; Bijlage 6) is gekozen voor de activiteit
De afstand tot een PAS-gebied is groter dan 5000 meter. De aard van de activiteit geeft wel reden om
‘woningbouw’, omdat er zeven woningen worden gebouwd.
depositie-effecten van stikstof te verwachten. Depositie-effecten worden echter uitgesloten, omdat de afstand tot het dichtstbijzijnde PAS-gebied te groot is om effect te hebben.
De effectenindicator Natura 2000-gebieden (Ministerie van Economische Zaken, 2017; Bijlage 6) geeft aan dat mogelijke effecten van ‘woningbouw’ op Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ worden veroorzaakt
Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 651 meter. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een NNN-
door oppervlakteverlies; versnippering; verontreiniging; verdroging; verstoring door geluid en trilling;
gebied. De werkzaamheden zullen niet leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden.
optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Van deze effecten is in het huidige project
Ook vindt geen externe werking plaats op het NNN-gebied of op kwalificerende soorten. Negatieve
geen sprake aangezien de effecten zeker niet tot het Natura 2000-gebied zullen reiken. Het Natura
effecten worden daarom uitgesloten.
2000-gebied ligt daarvoor op een te grote afstand met daarnaast tussenliggende demping van landschap en bebouwing. Vanwege de afwezigheid van geschikt biotoop worden in het projectgebied ook geen
Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur.
habitatsoorten of (niet)broedvogelsoorten verwacht. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor
De werkzaamheden zullen, mits er buiten het broedseizoen van de weidevogels gewerkt wordt, niet
het betreffende gebied zijn niet aan de orde.
leiden tot externe werking op deze gebieden of negatieve effecten sorteren op een weidevogelgebied.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
10
Tijdens het broedseizoen van weidevogels kunnen de werkzaamheden verstorend werken, omdat de geluiden en (extra) visuele aanwezigheid van mensen tot verstoring kan werken. Negatieve effecten worden daarom uitgesloten. Het broedseizoen van weidevogels loopt van 1 maart tot 31 juli. 3.2 Beschermde soorten Het bureau-onderzoek is uitgevoerd op 7 maart 2019, voorafgaand aan het veldonderzoek. Het veldonderzoek heeft eveneens op 7 maart 2019 plaatsgevonden. Beide deelonderzoeken zijn verricht door een deskundig ecoloog, namelijk Bianca Wijnoltz, onder de begeleiding van Nick Kroese. Tijdens het veldonderzoek was deskundig ecoloog Richard Notenboom ook aanwezig. In Bijlage 7 zijn de cv’s van de veldecoloog, projectleider en kwaliteitscontroleur opgenomen om deze deskundigheid aantoonbaar te maken. Tijdens het veldbezoek was het droog, circa 8 graden, bewolkt en stond er een windkracht van circa 6 Bft vanuit de richting zuidwest. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek zijn niet van invloed op de potentiebepaling (zie ook par. 1.5). Wel kunnen de weersomstandigheden van invloed zijn op de aangetroffen soorten. De potentiebepaling blijft daarom leidend. Omdat ook de omgeving beïnvloed kan worden door de voorgenomen ontwikkeling, is deze ook meegenomen in de beoordeling tot zo ver de invloedssfeer van het project reikt.
Algemene opmerking: In de tabel op de volgende pagina staan enkel de soorten waarvoor een overtreding verwacht wordt of een effect niet uitgesloten kan worden. Hier hebben we voor gekozen om de leesbaarheid te vegroten. De soorten waarvoor geen effect verwacht wordt, zijn opgenomen in Bijlage 8b. Daar is dus een nadere onderbouwing te vinden over waarom een soort of beschermde functie uitgesloten is.
In Tabel 3 is te zien welke soorten (mogelijk) in het projectgebied voorkomen en welke functies er verwacht worden. Ook is weergegeven welke ecologische risico’s dit project met zich meebrengt met betrekking tot de Wet natuurbescherming (Wnb). De soorten genoemd in de tabel worden zowel op basis van het bureau- als veldonderzoek verwacht. Een overzicht van de soorten die uit het bureauonderzoek komen, zijn te zien in Bijlage 8a. Soorten die wel uit het bureauonderzoek komen maar op Toelichting op de afbeelding
basis van het veldbezoek zijn uitgesloten, zijn te zien in Bijlage 8b.
De woning op het westelijke perceel.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
11
Tabel 3: relevante resultaten bureau- en veldonderzoek. Zie Bijlage 8 voor een totaaloverzicht van de beoordeelde soorten. Zie Bijlage 11 voor relevante foto’s. In Figuur 5 is Toelichting op Tabel 3: In deze tabel staan enkel de soorten waarvoor een overtreding verwacht wordt óf een effect niet uitgesloten kan worden. Hier hebben we voor gekozen om de leesbaarheid van het rapport te vegroten. De soorten waarvoor geen effect wordt verwacht, zijn opgenomen in Bijlage 8b. Daar is dus een nadere onderbouwing te vinden over waarom een soort of
een kaart te zien met waar de verwachte soorten kunnen voorkomen.
Resultaten
Toetsing aan de Wnb
Te verwachten soort op basis van bureauen veldonderzoek
a/m
Te verwachten functies
Onderbouwing en locatie(s) in het projectgebied
Werkzaamheid1
Kans op overtreding Wnb2
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
a
N, vm
•
In de loodsen/stallen zijn nesten aangetroffen van mogelijk zwarte roodstaart, holenduif, witte kwikstaart of kauw.
1 t/m 3
•
In de bomen en bosschages in het projectgebied kunnen vogels zoals houtduif, turkse tortel, groenling en putter
Artikel 3.1 lid 1,2 en 4
broeden.
en/of
Inclusief cat. 5-soorten zonder zwaarwegende ecologische redenen voor bescherming.
•
Tussen de losse materialen (zoals de stapels met stenen) in het projectgebied kunnen soorten als witte kwikstaart
Artikel 1.11
en winterkoning broeden.
beschermde functie uitgesloten is.
•
In het weiland kunnen weidevogels zoals kievit en scholekster broeden.
•
Een pioniersoort zoals de kleine plevier wordt nu niet verwacht. Het projectgebied is te dicht begroeid. Pioniersoorten broeden op de grond op open, onbegroeide plekken. Echter wordt het terrein straks bouwrijp gemaakt, waardoor er veel kale grond ontstaat. Vestiging van kleine plevier is dan mogelijk.
•
a = beschermde functie aangetroffen m = beschermde functie mogelijk aanwezig
4.3.2 voor de te nemen maatregelen. Huismus*
a
N, fl
Binnen het projectgebied zijn geschikte gebouwen aanwezig in de vorm van een woning en de loodsen/stallen. De woning in het meest oostelijke perceel heeft dakpannen waar huismussen onder kunnen broeden. Bovendien is er oud nestmateriaal van de huismus aangetroffen onder deze dakpannen. De loodsen bieden ook geschikte nestplaatsen voor de huismussen. In één van de loodsen zijn ook huismussen aangetroffen. Daarnaast wordt er struweel verwijderd. Dit struweel is mogelijk onderdeel van de functionele leefomgeving van de huismus. (Bij12, 2017b; Vogelbescherming Nederland, z.d.d).
1 en 2
Artikel 3.1 lid 1,2 en 4 en Vogel met een jaarrond beschermd nest
Kerkuil, ransuil, steenuil*
N
vm
Er zijn geschikte nestplaatsen aanwezig voor de kerkuil en steenuil, zoals een schuur. Echter zijn de schuren goed onderzocht en zijn er geen (sporen van) nesten aangetroffen. Vestiging is echter wel mogelijk.
1
Artikel 3.1 lid 1,2 en 4 en Vogel met een jaarrond beschermd nest
2
Artikel 3.1 lid 1,2 en 4 en Vogel met een jaarrond beschermd nest
vm = vestiging van deze soort is mogelijk Verblijfplaatsen N = nest (vogels) z = zomerverblijfplaats
Er worden geen oude kassen gesloopt of knotbomen aangetast die door de steenuil gebruikt kunnen worden. Er zijn oude sporen, zoals braakballen van de kerkuil aangetroffen, echter is deze braakbal al erg oud en wijst dit niet op recentelijk gebruik van de schuur door de kerkuil. Roestbomen van ransuil zijn vaak naaldbomen, deze zijn niet aanwezig. Er zijn echter wel twee eksternesten aangetroffen waar de ransuil gebruik van kan maken (Vogelbescherming Nederland, z.d.e).
p = paarverblijfplaats Overig en omgeving f = essentieel foerageergebied fl = functionele leefomgeving (o.a. huismus)
De meeste vogels broeden tussen half maart en half augustus. Echter, alle broedende vogels zijn te allen tijde beschermd. Duiven kunnen vrijwel het gehele jaar broeden en daar dient rekening mee gehouden te worden. Zie
Legenda Tabel 3:
Categorie 5-broedvogels met zeer ongunstige staat van instandhouding: ekster
a
N
Er zijn twee nesten van ekster aangetroffen. De aantallen eksters in het buitengebied sterk zijn afgenomen in tegenstelling tot het stedelijk gebied. Het weghalen van deze twee eksternesten heeft daarom een groot effect op de verspreiding van de ekster, omdat de staat van instandhouding zeer ongunstig is. Er zijn daarom zwaarwegende ecologische redenen om de nesten als jaarrond beschermd te beschouwen.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
12
Gewone dwergvleermuis*, ruige dwergvleermuis, laatvlieger
m
z, p, f
Er worden werkzaamheden aan gebouwen verricht (sloop). De woning op het meest oostelijke perceel is matig geschikt voor vleermuizen om in te verblijven. Het dak heeft wel enkele openingen onder de dakpannen op het schuine dak, maar dit is te schuin en daardoor hebben de vleermuizen geen geschikte en vrije uitvliegopening. Echter zijn er in de nok aan de kop van het huis ook enkele openingen tussen de dakrand en de dakpannen. Dit zijn brede openingen, maar wel geschikt als paar- of zomerverblijfplaats. Het is niet gescikt als kraamverblijfplaats en winterverblijfplaats, omdat er geen warme, stabiele temperatuur kan ontstaan. Dit omdat de ruimte te groot is, waardoor de wind er doorheen kan waaien. De woning heeft geen spouwmuren, hierdoor worden winter- en kraamverblijfplaatsen ook uitgesloten.
1 t/m 3
Artikel 3.5 lid 1,2 en 4 HR-soort
De woning op het westelijke perceel heeft ook enkele openingen onder de dakpannen op het schuine dak en tussen de nokpannen en de nok. Bij deze woning is het dak schuiner, waardoor de vleermuizen wel een vrije uitvliegopening hebben vanuit het schuine dak. De ruimtes onder de dakpannen kunnen mogelijk geschikte zomer- en paarverblijfplaatsen bieden. Ook hier worden winter- en kraamverblijven uitgesloten vanwege het ontbreken van een stabiele temperatuur. Verder wordt er verlichting verplaatst tijdens de werkzaamheden. Vanwege het open landschap zal deze verlichting mogelijk negatieve effecten op vleermuizen hebben. De verlichting die zal ontstaan na het realiseren van het project heeft mogelijk ook een negatief effect op de vleermuizen. Ten slotte zullen er twee bosschages verdwijnen. Deze bosschages zitten via lijnvormige bomenrijen verbonden aan de rest van het landschap en kunnen daardoor geschikt foerageergebied voor vleermuizen zijn. Mogelijk is dit ook essentieel foerageergebied. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen daarom niet uitgesloten worden. Zomerverblijfplaatsen: de eisen aan een zomerverblijf zijn aanzienlijk beperkter dan aan kraam- of winterverblijven, zo zijn rolluiken, ruimtes achter dakbetimmeringen en boomholtes geschikt. In het projectgebied zijn zomerverblijfplaatsen mogelijk onder de dakrand en onder de dakpannen.
Paarverblijfplaatsen: aan een paarverblijf worden vaak weinig eisen gesteld, kleine ruimtes onder vensterbanken of kozijnen zijn geschikt, maar ook boomholtes en bijvoorbeeld ruimtes onder dakranden. In het projectgebied zijn paarverblijfplaatsen mogelijk onder de dakrand en onder de dakpannen. Essentieel foerageergebied: er wordt geen grote solitaire boom gekapt in open gebied. Er wordt mogelijk wel essentieel foerageergebied gekapt. Effecten worden daarom niet uitgesloten (Bij12, 2017a; Netwerk Groene Bureaus, 2017; Vleermuis.net, 2018). Zie ook de vleermuischecklist in Bijlage 9. In Bijlage 11 zijn foto’s opgenomen.
¹ Zoals omschreven in paragraaf 2.2. *Dit is onze beoordeling, het bevoegd gezag kan altijd van deze beoordeling afwijken als dit op proviciaal niveau nodig is. 2
De beschermingsregimes zijn toegelicht in Bijlage 1.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
13
Tabel 4: te verwachten vogels zonder jaarrond beschermd nest
Aanwezige biotopen
Vogels zonder jaarrond beschermd nest die te verwachten zijn (indicatief, het betreft geen volledige lijst):
Afgesloten, open water en oever
meerkoet, wilde eend (in de oever), waterhoen
Intensief beheerd grasland
scholekster
Struweel
fitis, grasmus, heggenmus, tuinfluiter, kneu, braamsluiper
Bomen (niet lijnvormig)
tjiftjaf, pimpelmees, houtduif, winterkoning, roodborst, zwartkop
Lijnvormig bomenrij
ekster, zwarte kraai, putter, groenling, vink, houtduif
Bebouwing
spreeuw, holenduif, kauw, zwarte roodstaart, witte kwikstaart, scholekster, merel
Verharding algemeen
witte kwikstaart, zwarte roodstaart
Figuur 5: kaart met het projectgebied en relevante waarnemingen (indien aanwezig). Vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen over het hele projectgebied voorkomen. 3.3 Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen (zie Bijlage 1). Uit de zorgplicht volgt dat nadelige
Strategie zorgplicht:
gevolgen voor flora of fauna voorkomen wordt of dat noodzakelijke maatregelen getroffen worden. De volgende
Om invulling te geven aan de zorgplicht wordt de volgende strategie gevolgd:
diersoorten kunnen aanwezig zijn én zijn relevant om rekening mee te houden bij de voorgenomen ontwikkeling:
1. In eerste instantie worden alle vaste rust- of verblijfplaatsen waar mogelijk gespaard of
gewone pad, bruine kikker, huisspitsmuis en veldmuis. In de bosschages kunnen egel, veldmuis, rosse woelmuis en
worden de werkzaamheden verricht buiten de verstoringsafstand van de betreffende soorten.
bruine kikker aanwezig zijn. In het grasland kunnen haas en konijn voorkomen. In het water worden bastaardkikker,
2. Indien dit niet mogelijk is, vinden de werkzaamheden plaats buiten de kwetsbare perioden
meerkikker en kleine watersalamander verwacht. Zie het kader hiernaast hoe met de betreffende zorgplichtsoorten
voor de betreffende soorten. De voortplantingsperiode en de winterrust zijn voorbeelden.
omgegaan kan worden.
In paragraaf 4.4.2 worden specifieke maatregelen genoemd die nadelige gevolgen op dieren
De volgende plantensoorten zijn in het projectgebied aangetroffen: gewone braam en gewone brandnetel. Voor
en/of planten in het projectgebied kunnen voorkomen of beperken.