CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen

Gemeenteraad 20 mei 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Gewijzigd bestemmingsplan Zuidbuurt 75b-7733.377 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Zuidbuurt 77, Vlaardingen (gemeente Vlaardingen) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)

M. Soldaat & A.M. Bakker

Rapport 230

Zuidbuurt 77, Vlaardingen (gemeente Vlaardingen) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)

M. Soldaat & A.M. Bakker

Rapport 230

Colofon Zuidbuurt 77, Vlaardingen (gemeente Vlaardingen) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO-O) Een onderzoek in opdracht van RV & O B.V. Salisbury Archeologisch Rapport 230 M. Soldaat & A.M. Bakker Beheer en plaats van documentatie Salisbury Archeologie b.v. Versie 3.1, 13 januari 2020 (definitief) Autorisatie — A.M. Bakker (senior KNA prospector)

Status bevoegd gezag: Goedgekeurd door R. Terluin (archeoloog gemeente Vlaardingen) op 06-01-2020 via email.

SalisburyArcheologie bv Vestiging Noord-Nederland Vaart z.z. 7a 9401 GE Assen 085-3031540 www.salisburybv.nl info@salisburybv.nl

ISSN 2468-4538

Inhoud Locatie en administratieve gegevens

6

Samenvatting resultaten

7

1

Aanleiding voor het onderzoek

9

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Onderzoekskader Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Doel van het onderzoek Onderzoeksvragen Bureauonderzoek

9 10 10 10 10 11

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

Gebruikte bronnen Aardwetenschappelijke gegevens Bodemkaart Bekende archeologische waarden Archeologie Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek Bekende verstoringen Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel en advies Resultaten veldonderzoek

11 11 13 14 19 22 23 23 25

3.1 3.2 3.3

Beschrijving onderzoeksmethode Beschrijving onderzoeksresultaten verkennende booronderzoek Beschrijving onderzoeksresultaten karterende booronderzoek Conclusie en aanbevelingen

25 26 30 31

2

3

4

4.1 Conclusies 4.2 Beantwoording onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur

31 31 32 33

Lijst van afbeeldingen

34

Lijst van tabellen

34

Lijst van bijlagen

34

Bijlage 1

35

Boorbeschrijvingen

Locatie en administratieve gegevens Projectnaam

Zuidbuurt 77, Vlaardingen (gemeente Vlaardingen)

Projectcode

20182276

Type onderzoek

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)

OM-nummer

4673306100 (bureauonderzoek) 4677081100 (inventariserend veldonderzoek)

VLAKcode

06.270

Projectleider

G. Aalbersberg Senior KNA Prospector

Contact

T: +31-85-3031540 M: +31-6-28500730 E: gerard.aalbersberg@salisburybv.nl

Opdrachtgever

RV & O B.V.

Contact

Dhr. F. Rademaker Lange Brinkweg 31C 3764 AA Soest T: +31-0358873376 E: frank@rv-o.nl

Bevoegde overheid

Gemeente Vlaardingen Postbus 1006 3130 EG Vlaardingen T: 010-2484800 E: r.terluin@vlaardingen.nl

Plaats

Vlaardingen

Gemeente

Vlaardingen

Provincie

Zuid-Holland

Kaartblad

37O

Kadastrale gegevens

N-412, N-189

Centrumcoördinaten

Westelijke deel: X:79713,8 Y: 436783,9 Oostelijke deel: X: 79761,1 Y: 436742,9

Oppervlakte

Circa 8.000 m2

NAP-hoogte maaiveld

Circa 2 m -NAP

Uitvoering onderzoek

Februari t/m april 2019

Beheer en locatie documentatie

Salisbury Archeologie b.v. en e-depot

6

Samenvatting resultaten Vraagstelling

Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering op de archeologische resten kunnen hebben? Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan?

Plangebied

Zie afb. 1

Geologie

De oudste Holocene afzettingen bestaan uit mariene kleien en zanden die tijdens het Atlanticum hier zijn afgezet (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer). Na het Atlanticum nam de invloed van de zee af door het ontstaan van strandwallen langs de kust. Rond 3000 voor Chr. raakte de kust vrijwel compleet afgesloten waardoor er veen kon groeien in dit gebied (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop). Incidenteel vonden er nog zeeïnbraken plaats, waardoor er kreken in het veengebied werden gevormd waarin opnieuw klei werd afgezet. Vanuit het krekensysteem werd er een nieuw pakket mariene klei afgezet op het veen. Deze jongste mariene afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren.

/Geomorfologie

Bekende archeologische waarden

In het onderzoeksgebied zijn 12 AMK-terreinen, 28 onderzoeksmeldingen en 145 vondstmeldingen in ARCHIS bekend. Hierin zijn archeologische waarden aanwezig uit de periodes Romeinse Tijd, IJzertijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het betreft voornamelijk resten van bewoning.

Historische waarden

De Zuidbuurt vormde in de Middeleeuwen een ontginningsas. Langs de weg is een lintbebouwing ontstaan van boerderijen die op oude klei- of kreekruggen werden aangelegd. Deze liggen voornamelijk aan de zuidkant van de weg, de meeste bebouwing aan de noordkant van de Zuidbuurt is later ontstaan. Binnen het plangebied is er pas sprake van bebouwing vanaf de tweede helft van de 20e eeuw.

Verwachting

In het gebied is sprake van getijdeafzettingen uit verschillende fasen, veenvorming en systemen van kreekgeulen. Afhankelijk van de tijd waarin de afzettingen hebben plaatsgevonden gelden verschillende verwachtingen voor het aantreffen van archeologische resten voor elk van deze afzettingen. Voor het Laagpakket van Wormer is een lage verwachting vastgesteld voor het aantreffen van vondsten uit het Vroeg en Midden Neolithicum. De verwachting is gebaseerd op de ouderdom van de afzettingen (ca 5000 – 4000 v. Chr.) en de condities van het landschap in die periode. Gezien het een zeer dynamisch landschap van getijdegeulen en wadplaten was het vermoedelijk alleen bruikbaar voor de jacht. Voor de hierop gelegen zeeklei, die tussen 4000 en 3500 v. Chr. is afgezet, geldt een zeer lage verwachting voor het aantreffen van vondsten uit het Midden Neolithicum. Waarschijnlijk is het landschap in die periode niet betreed vanwege de veelvuldige overstromingen in het gebied. Voor het Hollandveen pakket en Laagpakket van Walcheren, die tussen 3500 v. Chr. en 2000 n. Chr. zijn ontstaan is een lage tot hoge verwachting opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten uit het Midden Neolithicum t/m de Nieuwe tijd. Deze sterk uiteenlopende verwachting is gebaseerd op de landschappelijke dynamiek die in deze periode in het gebied aanwezig was.

Er was sprake van een rietveenmoeras dat regelmatig doorsneden en overstroomd raakte door kreeksystemen. Hierdoor waren er zeer natte maar ook zeer droge periodes. De afwisselende omstandigheden zorgen zodanig ook voor afwisselende archeologische verwachtingen voor deze periode. In de nattere tijden vonden er waarschijnlijk geen menselijke activiteiten plaats in dit gebied, en in de drogere periodes kan er sprake zijn geweest van menselijke activiteiten in de vorm van jacht en visserij en kan er zelfs bewoning zijn geweest waardoor 7

er een kans is op het aantreffen van nederzettingsresten, grafcomplexen en sporen van landbouw. Methode veldonderzoek

Bij het verkennende booronderzoek zijn 6 boringen zo verspreid mogelijk in het plangebied gezet. De boringen zijn gezet met een guts (3 cm Ø) tot 4 m beneden maaiveld. Alleen boring 3 is tot 3,5 m beneden maaiveld gezet. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een meetlint ten opzichte van de gebouwen. Bij het karterende booronderzoek is het boorgrid verdicht en zijn 12 boringen geplaatst. De boringen zijn gezet met een guts (3 cm Ø). Acht van de boringen zijn tot 3 m beneden maaiveld gezet en drie boringen zijn tot 2 m beneden maaiveld gezet. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een GPS. Het opgeboorde materiaal is met de hand onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB).

Resultaten veldonderzoek

Op basis van het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat vanwege de diepteligging van de afzettingen die worden gerekend tot het Laagpakket van Wormer (vanaf minimaal 3,85 m - mv) eventuele archeologische niveaus in dit pakket enkel verstoord worden door heiwerkzaamheden. De kans op het aantreffen van archeologische waarden in het Laagpakket van Wormer is echter klein. Voor het Laagpakket van Walcheren en het Hollandveen Laagpakket geldt dat eventuele bewoning in drogere periodes of op eventuele oeverafzettingen kan hebben plaatsgevonden. Het booronderzoek toont mogelijk het voorkomen van veraard veen, een archeologisch kansrijke laag, op een dieper niveau. Dit niveau wordt enkel door heipalen geraakt. Het heipalenplan is nog niet bekend. Ook de afzettingen die gerekend worden tot het Laagpakket van Walcheren laten een beeld van overwegend natte condities zien. In twee van de boringen is echter ook een humeuze laag waargenomen die wijst op een periode van droogte die lang genoeg was voor het optreden van een bodemvormingsproces. Deze is in boring 1 aangetroffen op 0,65 – 0,75 – mv en in boring 2 op 0,4 tot 0,5 m – mv. In boring 2 zijn in deze laag puinspikkels aangetroffen. Op dit niveau kunnen archeologische waarden aanwezig zijn.

Selectieadvies en aanbevelingen

De gemeente heeft geconstateerd dat op basis van de resultaten van dit onderzoek de archeologische waarde van het terrein nog niet in voldoende mate is vastgesteld. De archeologische waarde van de vegetatiehorizont dient nog vastgesteld te worden. Hiervoor dient een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden. Mocht een waardevolle archeologische vindplaats aanwezig zijn dan dient deze veiliggesteld te worden door middel van een opgraving. Ook kunnen de heipalen verstorend zijn indien deze meer dan 5% verstoren of als deze dicht op elkaar geplaatst worden. Het heipalenplan zal nog aan de gemeente voorgelegd worden. Indien dit als verstorend wordt beschouwd, dan kan nader onderzoek aan de orde zijn. Met betrekking tot de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Vlaardingen.

8

1 Aanleiding voor het onderzoek 1.1

Onderzoekskader

In opdracht van RV & O B.V. heeft Salisbury Archeologie b.v. een bureauonderzoek uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging met betrekking tot het plangebied Zuidbuurt 77, Vlaardingen (afb.1). Het plangebied bestaat uit twee delen, gelegen aan de noordzijde van de Zuidbuurt 77, ten westen van recreatiegebied de Krabbeplas. De gemeente Vlaardingen heeft de regionale archeologische waarden opgenomen in haar bestemmingsplannen. De archeologische waarden geven aan tot welke diepte er bodemverstoringen kunnen plaatsvinden, zonder dat daarbij (mogelijke) archeologische resten in gevaar komen. 1 Het plangebied valt binnen het Bestemmingsplan Buitengebied West in een zone met Archeologie Waarde 2. In dit gebied dient, voorafgaand aan ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -mv, archeologisch onderzoek plaats te vinden.2 De opdrachtgever is voornemens het gebied opnieuw in te richten, waarbij twee woonkavels van 35 x 80 m en 45 x 100 m worden gerealiseerd. Dit overschrijdt de door de gemeente vastgestelde vrijstellingsgrenzen. Derhalve dient er een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en het archeologiebeleid van de gemeente Vlaardingen. Het onderzoek is uitgevoerd in februari t/m april 2019.

Afb. 1. Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (ondergrond: topografische kaart van Nederland)

1

https://www.vlaardingen.nl/Ondernemers/Bouwen_en_vestigen/Bouwen_en_verbouwen/Archeologie_bij_ver_bouwprojecten/Vragen_en_antwo orden/Ben_ik_verplicht_archeologisch_onderzoek_uit_te_laten_voeren 2 https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0622.0217bpBuwe2010-0130/r_NL.IMRO.0622.0217bpBuwe2010-0130_2.30.html

9

1.2

Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie

Op dit moment is het plangebied in gebruik als agrarisch melkveebedrijf. Op de betreffende percelen zijn meerdere opstallen aanwezig, waaronder een bedrijfswoning, een boerderij en meerdere agrarische bedrijfsgebouwen. De opdrachtgever is voornemens het gebied opnieuw in te richten, waarbij twee woonkavels van 35 x 80 m en 45 x 100 m worden gerealiseerd. Per woonkavel zullen maximaal twee woningen worden gebouwd.3 De verstoringsdiepte van de voorgenomen ingrepen is ten tijde van het schrijven van dit rapport nog niet bekend.

1.3

Begrenzing onderzoeks- en plangebied

In dit rapport wordt een onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Met het plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de plannen van de opdrachtgever betrekking hebben. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord door de voorgenomen ingrepen. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te verkrijgen van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Het onderzoeksgebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt al naar gelang het te onderzoeken aspect.

begrenzing plangebied Het plangebied bestaat uit de twee toekomstige nieuwe woonkavels die zullen worden gerealiseerd ten behoeve van de nieuwe bestemming aan de Zuidbuurt 77 in Vlaardingen. De twee kavels liggen in de Aalkeetpolder aan de noordzijde van de Zuidbuurt, ten westen van recreatiegebied de Krabbeplas.

begrenzing onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied omvat het gebied rondom het plangebied met een straal van circa 700 m. Voor deze begrenzing is gekozen om een beeld te kunnen schetsen van de regionale geschiedenis van het gebied en de voor dit plangebied relevante informatie te kunnen betrekken bij het onderzoek.

1.4

Doel van het onderzoek

Het doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden om en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde verwachting.

1.5

Onderzoeksvragen

Voor het bureau- en inventariserend onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: ▪

Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen?

▪

Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten?

▪

Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten?

▪

In welke mate stemmen de resultaten van het booronderzoek overeen met de verwachtingen uit het bureauonderzoek?

▪

Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan?

3

Informatie aangeleverd door opdrachtgever

10

2 Bureauonderzoek 2.1

Gebruikte bronnen

Voor het bureauonderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: ▪

Actueel hoogtebestand Nederland (AHN, http://www.ahn.nl)

▪

De bodemkaart van Nederland (https://zoeken.cultuureelerfgoed.nl)

▪

De geomorfologische kaart van Nederland (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)

▪

De archeologische monumentenkaart (AMK: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)

▪

Provinciaal en/of landelijk beleid

▪

Gemeentelijk beleid

▪

Bonneblad 1900 (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)

▪

Historisch kaartmateriaal (http://www.topotijdreis.nl)

▪

Google Earth (https://www.google.nl/intl/nl/earth/)

▪

Ondergrondgegevens (https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens)

▪

Verstoringen (http://www.bodemloket.nl)

▪

Kadastrale Minuut (http://zoeken.cultureelerfgoed.nl)

▪

Kadastrale gegevens (https://www.kadaster.nl)

2.2

Aardwetenschappelijke gegevens

Het plangebied is onderdeel van het dynamische landschap van Midden-Delfland. Deze regio kent een lang ontwikkelingsproces, waarbij de invloed van zee en rivieren hebben gezorgd voor een gelaagd landschap met afzettingen uit verschillende perioden.4 De voor dit onderzoek relevante geologische formaties stammen uit het jongste geologische tijdvak, het Holoceen (ca. 10.000 jaar geleden - heden). Gedurende deze periode is een circa 20 m dik pakket van zand, klei en veen ontstaan. De oudste Holocene afzettingen bestaan uit mariene kleien en zanden die tijdens het Atlanticum hier zijn afgezet (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer). Na het Atlanticum nam de invloed van de zee af door het ontstaan van strandwallen langs de kust. Rond 3000 voor Chr. raakte de kust vrijwel compleet afgesloten waardoor er veen kon groeien in dit gebied. Het hierdoor ontstane veenpakket wordt tot de Formatie van Nieuwkoop., Hollandveen Laagpakket gerekend. Incidenteel vonden er nog zeeïnbraken plaats, waardoor er kreken in het veengebied werden gevormd waarin kleilagen werden afgezet. Vanuit het krekensysteem werd er een nieuw pakket mariene klei afgezet op het veen. Deze jongste mariene afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren.5 Op de geomorfologische kaart staat in het plangebied een vlakte van getij-afzettingen (code 2M35) aangegeven (afb. 2).

Ten zuiden van het plangebied is op de kaart een system van getij-inversieruggen (voormalige kreekruggen) zichtbaar. Ook op het AHN zijn de getijdevlakte en de kreekruggen te herkennen (Afb. 3). In Dinoloket staat een boring geregistreerd in het plangebied ter hoogte van de geplande oostelijke woonkavel.6 Deze geeft een laagopeenvolging weer waarin de regionale ontstaansgeschiedenis goed te herkennen is. De eerste 0 tot 2 m beneden maaiveld bestaan uit kleiige getijdegeul- en plaatafzettingen van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren. Deze zijn gelegen op een 1,8 m dik Hollandveen laagpakket. Vanaf 3,8 m beneden maaiveld tot het einde van de boring op 5 m diepte bevinden zich kleiige getijdegeul-, plaat- en lagunaire afzettingen van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer.7

Gemeente Vlaardingen, Bestemmingsplan Buitengebied West Hijma, 2009 6 http://www.dinoloket.nl 7 https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen 4 5

11

Afb. 2.

Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).

Afb. 3.

Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3, ruw; bron: https://www.ahn.nl).

12

Afb. 4.

2.3

Uitsnede van de bodemkaart met het plangebied en directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).

Bodemkaart

Op de Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied in een zone met drie verschillende bodemtypes. Het westelijke deel ligt grotendeels in een zone met moerige eerdgronden met een moerige bovengrond of moerige tussenlaag op niet-gerijpte zavel of klei (code Wo). Dit bodemtype is ook in het oostelijke deel van het plangebied aanwezig. In het meest zuidelijke puntje van het westelijke deel van het plangebied staan knippige poldervaaggronden; klei, profielverloop 3 aangegeven (code gMn83C). Ook deze loopt door in het oostelijke deel. Deze grond wordt getypeerd door een grauwe, vlekkige kleur, aanwezigheid van roest en een wat labiele structuur. Verder staat in het zuidoostelijke deel van het plangebied bodemtype kalkarme drechtvaaggronden; zware klei, profielverloop 1 aangegeven (code Mv41C). Dit type bodem bestaat uit een kleiige bovengrond op moerig materiaal, beginnend tussen 40 en 80 cm -mv, gelegen op veen.8 Voor elk van de drie bodemtypes staat een eigen grondwatertrap op de bodemkaart aangegeven. Voor bodemtype Wo geldt een grondwatertrap II, waarbij de gemiddelde hoogste grondwaterstand lager dan 40 cm beneden maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen de 50 en 80 cm beneden maaiveld ligt. Voor bodemtype gMn83C staat een grondwatertrap V aangegeven.

Dit betekend een gemiddelde hoogste grondwaterstand van minder dan 40 cm beneden maaiveld en gemiddelde laagste grondwaterstand van meer dan 120 cm beneden maaiveld. Voor bodemtype Mv41C geldt een grondwatertrap III. De gemiddelde laagste grondwaterstand is hier minder dan 40 cm beneden maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt tussen 80 en 120 cm beneden maaiveld. Hier dient bij vermeld te worden dat de bodemkaart, hoewel de enige vlakdekkende bron van ondergrondinformatie, een verouderde bron is. De meeste kaartbladen zijn in de jaren ’60 en ’70 opgenomen, en de informatie is dus circa 50 jaar oud. In de tussentijd is er veel veranderd, vooral op cultuurtechnisch gebied. De intensivering van de landbouw (dieper ploegen, dieper ontwateren en draineren) in de afgelopen decennia heeft er toe geleid dat de bodemtypes op de kaart steeds minder voorkomen. Deze processen kunnen er ook voor hebben gezorgd dat het gemiddelde grondwaterpeil in het plangebied aanzienlijk lager is komen te liggen dan op de bodemkaart staat aangegeven.

8

Steur & Heijink, 1991

13

2.4

Bekende archeologische waarden

Gemeentelijke beleidskaart Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Vlaardingen ligt het plangebied in een “archeologisch verwachtingsgebied 2” (zie afb. 5).9 Dat betekent dat ingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld dienen te worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek.

Afb. 5. Uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Vlaardingen (bron: Bestemmingsplan Buitengebied West).

Archeologische waarden Tijdens het bureauonderzoek zijn de AMK (archeologische monumentenkaart)-terreinen, archeologische waarnemingen en eerder uitgevoerd onderzoek (onderzoeksmeldingen) in het onderzoeksgebied geïnventariseerd (afb. 6). De AMK-terreinen, de bekende archeologische waarnemingen en de onderzoeksmeldingen zijn geraadpleegd via ARCHIS 3 (https://archis.cultureelerfgoed.nl).

Archeologische monumenten (AMK-terreinen) Binnen het onderzoeksgebied zijn 12 AMK-terreinen aangewezen, deze zijn weergegeven in tabel 1. Elf van deze terreinen hebben een hoge archeologische waarde toegeschreven gekregen. AMK-terrein 6465 is een terrein van zeer hoge archeologische waarde. Dit terrein ligt direct ten oosten van het plangebied en het betreft een terrein met sporen van bewoning uit de IJzertijd. Bij het uitgraven van de surfplas zijn deze waarnemingen gedaan. De begrenzing van het AMK-terrein volgt aan de oost- en westkanten dan ook de randen van de plas. Het is goed mogelijk dat de vindplaats zich verder in westelijke richting, tevens de locatie van het plangebied, uitstrekt. De overige AMK-terreinen betreffen voornamelijk huisterpen/wierden uit de Late Middeleeuwen. Dit zijn de monumentale boerderijen die aan de zuidkant van de Zuidbuurt zijn gebouwd en verband houden met deze straat in zijn toenmalige functie als ontginningsas. Tabel 1. AMK-terreinen (ARCHIS 3) AMK-terrein

9

Waarde 4079 Terrein van hoge archeologische waarde

Bestemmingsplan Buitengebied West NL.IMRO.0622.0217Buwe2010-0130

14

Complextype(s) en datering(en huisterp / huiswierde (Late Middeleeuwen)

4080 Terrein van hoge archeologische waarde

huisterp / huiswierde (Late Middeleeuwen)

4081 Terrein van hoge archeologische waarde

huisterp / huiswierde (Late Middeleeuwen)

6464 Terrein van hoge archeologische waarde

huisterp / huiswierde (Late Middeleeuwen)

6465 Terrein van zeer hoge archeologische waarde

bewoning (inclusief verdediging) (IJzertijd)

8795 Terrein van hoge archeologische waarde

bewoning (inclusief verdediging) (Romeinse Tijd) huisterp / huiswierde (Late Middeleeuwen

8796 Terrein van hoge archeologische waarde 10355 Terrein van hoge archeologische waarde 10366 Terrein van hoge archeologische waarde 10391 Terrein van hoge archeologische waarde

10423 Terrein van hoge archeologische waarde 16201 Terrein van hoge archeologische waarde

Afb. 6.

bewoning (inclusief verdediging) (Late Middeleeuwen) bewoning (inclusief verdediging) (Late Middeleeuwen) bewoning (inclusief verdediging) (Romeinse Tijd), huisterp / huiswierde (Late Middeleeuwen bewoning (inclusief verdediging) (Late Middeleeuwen bewoning (inclusief verdediging) (IJzertijd), bewoning (inclusief verdediging) (Late Middeleeuwen B)

AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondstlocaties (bron: ARCHIS 3).

15

Onderzoekslocaties en waarnemingen Binnen het plangebied staan twee onderzoekslocaties in ARCHIS geregistreerd (zaakidentificatienrs. 2418793100 en 2459122100). Het betreft twee onderzoeken die hebben plaatsgevonden in het kader van de Blankenburgverbinding. De getekende polygonen in ARCHIS zijn niet altijd nauwkeurig, en uit de rapporten van desbetreffende onderzoeken blijkt dat de grens van de onderzoeksgebieden in werkelijkheid iets oostelijker is gelegen dan in ARCHIS staat aangegeven. Dit betekent dat het huidige plangebied net buiten de grenzen van deze twee onderzoeken valt. Binnen het onderzoeksgebied staan in totaal 28 onderzoekslocaties geregistreerd. De onderzoeksmeldingen zijn weergegeven in tabel 2 en de belangrijkste beschikbare resultaten uit deze onderzoeken zullen hier worden besproken. Tabel 2. Onderzoeksmeldingen (ARCHIS 3) zaakidentificatie

toponiem

uitvoerder

meldingsdatum

type onderzoek

2084165100

Aalkeet-Buitenpolder

1-1-1988

boring

2018530100

-

RAAP Archeologisch Adviesbureau particulier

15-8-1993

4607429100

-

Vestigia BV

14-5-2018

Verwervingswijze niet bepaald bureauonderzoek

4640136100

-

KSP Archeologie

8-10-2018

bureauonderzoek

2075100100

Zuidbuurt, Freegolf

particulier

15-8-1991

4044219100

-

15-5-2017

4644965100

-

Antea Group Archeologie Econsultancy BV

Verwervingswijze niet bepaald begeleiding

29-10-2018

begeleiding

2459122100

Blankenburgverbinding

20-10-2014

boring

2041729100

Aalkeet-Buitenpolder

1-1-1988

boring

2682204100

-

4-6-2015

bureauonderzoek

4018056100

-

24-10-2016

Proefputten/proefsleuven

3982855100

-

9-11-2015

boring

4002885100

-

20-6-2016

opgraving

2422956100

Zuidbuurt 77A

Antea Group Archeologie RAAP Archeologisch Adviesbureau IVO-B, Allround Archeologie ADC Archeoprojecten RAAP Archeologisch Adviesbureau Archeodienst Gelderland Transect

29-10-2016

boring

2038968100

-

16-11-1998

Proefputten/proefsleuven

2041720100

Aalkeet-Buitenpolder

1-1-1998

boring

2418793100

23-9-2013

bureauonderzoek

4663010100

Nieuwe Westelijke Oeververbinding -

Universiteit van Amsterdam RAAP Archeologisch Adviesbureau IDDS Archeologie B.V. KSP Archeologie

28-1-2019

boring

4546760100

-

2-6-2017

bureauonderzoek

4002877100

-

MUG Ingenieursbureau BV Archeodienst Gelderland BV

20-6-2016

opgraving

16

4591164100

-

9-3-2018

begeleiding

1-8-1988

boring

Zuidbuurt

MUG Ingenieursbureau BV RAAP Archeologisch Adviesbureau Vestigia BV

2041712100

Aalkeet-Buitenpolder

2243954100

13-5-2009

bureauonderzoek

4658598100

-

Econsultancy BV

7-1-2019

begeleiding

3993222100

-

4-4-2016

Proefputten/proefsleuven

4584855100

-

29-1-2018

boring

4016882100

-

3-10-2016

boring

2682683100

-

Archeodienst Gelderland BV MUG Ingenieursbureau BV Antea Group Archeologie IVO-B, Allround Archeologie

10-6-2015

bureauonderzoek

Direct ten oosten van het plangebied is in 2014 een karterend booronderzoek in het kader van de nieuwe Blankenburgverbinding uitgevoerd (zaakidentificatienr. 2459122100).10 Hierbij zijn boringen langs een noord-zuid georiënteerd tracé gezet. Ter hoogte van het plangebied is de laagopeenvolging als volgt. Aan de basis van de laagopeenvolging (voor zover opgeboord) liggen getijdeafzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer). Hierop bevind zich een pakket van ca. 2 m dikte, bestaande uit grijze klei met enkele zandlaagjes en mariene schelpen. Voor dit pakket zijn twee mogelijke interpretaties gegeven. Mogelijk betreft het komafzettingen van een kreeksysteem of het zijn mariene afzettingen. Op deze kleilagen bevindt zich een pakket veen (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket) variërend in dikte van 50 tot 300 cm. De top ervan is tussen 4,5 en 2,5 m -NAP aangetroffen. Op het veen ligt een pakket oeverafzettingen dat op sommige plekken het onderliggende veen heeft geërodeerd. Boven de 3 m -NAP tot aan het maaiveld zijn dekafzettingen aangetroffen. Het deel van het tracé ten oosten van het plangebied is op basis hiervan ingedeeld in een veenlandschap aan de zuidkant en een kreek aan de noordkant. De kreek is gedateerd in de periode 250 voor Chr. Tot ca. 400 na Chr.

Dit betekent dat de oever- en beddingafzettingen geschikt waren voor bewoning vanaf de Vroege Middeleeuwen. Voor het veenlandschap is een verwachting van mogelijke bewoning vanaf de Vroege IJzertijd opgesteld. In 2018 is hierop volgend een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd langs het Blankenburgtracé. Ook direct ten oosten van het huidige plangebied zijn daarbij proefsleuven gegraven (zaakidentificatienr. 4018056100).11 In dit deel is een aantal post-middeleeuwse of (sub)recente houten palen aangetroffen. In twee proefputten zijn twee greppels/sloten aangetroffen. Het vondstmateriaal dat hier is aangetroffen betreft aardewerk en glas dat uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd dateert. Een van de aardewerkfragmenten is mogelijk Romeins. Bij een booronderzoek aan de Zuidbuurt 77A, ca. 500 m ten zuidoosten van het plangebied is een laagopeenvolging met verschillende fasen van getijdeafzettingen aangetroffen (zaakidentificatienr. 2422956100). In totaal zijn er drie verschillende afzettingsfasen vastgesteld. De bovenste daarvan betreffen waarschijnlijk afzettingen die aan de Formatie van Echteld zijn toegeschreven, en in de Middeleeuwen daar zijn afgezet. Deze afzettingen liggen erosief op het Hollandveen. De getijdeafzettingen onder het veen behoren tot de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer. Deze zijn in een kreekgeul afgezet.

Met uitzondering van een verteerd veentraject zijn er geen bodems aangetroffen bij dit booronderzoek. Ook zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen.12 Op ca. 500 m ten noordwesten van het plangebied is bij een booronderzoek (zaakidentificatienr. 4584855100) een ondergrond aangetroffen met daarin twee kreken met daarin afzettingen van het Laagpakket van Wormer en een kreek direct onder de bouwvoor met daarin afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Aan de top van deze laatste kreek is een laag aangetroffen, waarin mogelijk resten uit de periode Midden IJzertijd en Romeinse Tijd aanwezig kunnen zijn.13 Hierop volgend heeft op deze locatie een archeologische begeleiding plaatsgevonden (zaakidentificatienr. 4591164100). Bij dit onderzoek is een cultuurlaag aangetroffen met daarin

Brijker et.al., 2014 Jeezer & Vossen, 2018 12 Kerkhoven & Pape, 2013 13 Klerks & de Wit, 2018 10 11

17

houtskool en aardewerk. Het aardewerk dateert van de periode IJzertijd/Vroeg-Romeinse Tijd. Het betrof verploegd materiaal. Er zijn geen grondsporen aangetroffen.14 Van de overige gravende onderzoeken waren ten tijde van het schrijven van dit bureauonderzoek geen rapporten beschikbaar. Uit bovengenoemd overzicht komt echter het beeld naar voren van een landschap met verschillende potentiele archeologische niveaus. Daadwerkelijk aangetroffen archeologische waarden dateren uit de Romeinse Tijd, IJzertijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Tabel 3. Een selectie van de archeologische vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied (ARCHIS 3) zaakidentificatie

materiaal

complex

datering

2857481100

bewoning

Midden-Late IJzertijd

2858153100

Keramiek, dierlijk bot Keramiek, slijpsteen

Huisterp/wierde

Late Middeleeuwen

2816543100

Cultuurlaag

bewoning

IJzertijd

2857765100

Niet opgehoogde, individuele huisplaats

Midden-Late IJzertijd

Terp/wierde

Late Middeleeuwen

3220108100

Hout/houtskool, keramiek, dierlijk bot Ophoging, kunstmatig Cultuurlaag

bewoning

Vroege IJzertijd- Romeinse Tijd

2857879100

keramiek

Niet te bepalen

Midden IJzertijd-Romeinse Tijd

2784816100

Terp/wierde

Late Middeleeuwen

3220165100

Ophoging, kunstmatig Grondspoor

bewoning

Romeinse Tijd

2816616100

Cultuurlaag

bewoning

IJzertijd

3101921100

Cultuurlaag

Niet te bepalen

IJzertijd

2857424100

Keramiek

Huisterp/huiswierde

3115319100

Keramiek

bewoning

Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Romeinse Tijd

3220124100

Cultuurlaag

bewoning

Romeinse Tijd

2891411100

bewoning

IJzertijd

bewoning

IJzertijd/Middeleeuwen

2822601100

Keramiek (hutteleem) Keramiek, dierlijk bot Keramiek

Niet te bepalen

IJzertijd

3115273100

Keramiek

Niet te bepalen

2784987100

Ophoging

Terp/wierde

Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Late Middeleeuwen

3115449100

Keramiek, glas

Niet te bepalen

2847895100

Keramiek

Niet te bepalen

Vroege Middeleeuwen-Nieuwe tijd Romeinse Tijd

3225106100

Vuursteen

Niet te bepalen

Paleolithicum-Nieuwe tijd

3101816100

Cultuurlaag

bewoning

IJzertijd

3220238100

Cultuurlaag

bewoning

Late Middeleeuwen

2857651100

Keramiek

bewoning

3124618100

Keramiek, hout/houtsool, vuursteen, zandsteen/kwartsiet, menselijk bot

Bewoning, kampement, pottenbakkerij

Romeinse Tijd/Late Middeleeuwen Midden-Laat Neolithicum/IJzertijd/Romeinse Tijd

2784970100

2857935100

14

https://zoeken.cultureelerfgoed.nl

18

2816487100

Cultuurlaag

bewoning

Romeinse Tijd

2857724100

Keramiek

bewoning

Midden-Late IJzertijd

2824887100

Keramiek, dierlijk bot Keramiek

bewoning bewoning

Romeinse Tijd/Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd (Midden) Romeinse Tijd

Keramiek, hout/houtskool Menselijk bot

bewoning

Vroeg-Midden Romeinse Tijd

Niet te bepalen

IJzertijd

Hout/houtskool, keramiek, steem, dierlijk bot Steen, hout/houtskool, keramiek

bewoning

MiddenLate IJzertijd/Vroege-Late Middeleeuwen Romeinse Tijd

3115254100 2088653100 3228614100 3115205100

2857757100

bewoning

Binnen het onderzoeksgebied staan in totaal 145 vondstmeldingen geregistreerd in ARCHIS. Gezien de grote hoeveelheid vondstmeldingen, en de betrokkenheid van veel van deze vondsten in de hierboven besproken onderzoeken en AMK-terreinen, zal hier alleen een kort overzicht worden gegeven van de aard en datering van de vondsten. In tabel 3 is voor de beeldvorming een greep uit de vondstmeldingen binnen het plangebied weergegeven. Het betreft vondsten uit de vondstcategorieën hout/houtskool, (vuur/natuur)steen, keramiek, (menselijke/dierlijk) bot, glas. Daarnaast zijn cultuurlagen, ophogingslagen (kunstmatig) en grondsporen aangetroffen. De datering van deze vondsten varieert tussen het Midden-Neolithicum t/m de Nieuwe tijd, met een enkele uitschieter van een stuk vuursteen waarvan de datering tussen het Paleolithicum en de Nieuwe tijd is geplaatst. Het grootste gedeelte van de vondsten is gedateerd in de perioden IJzertijd en Vroege Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd. De meeste vondstmeldingen zijn losse waarnemingen die niet aan een archeologische context verbonden zijn.

2.5

Archeologie

Zoals uit de beschrijving van de landschappelijke ontwikkeling duidelijk is geworden, heeft het plangebied lange tijd in een dynamisch landschap gelegen waarin de zee veel invloed heeft gehad. In het gebied is sprake van getijdeafzettingen uit verschillende fasen, veenvorming en systemen van kreken. Afhankelijk van de tijd waarin de afzetting heeft plaatsgevonden gelden verschillende verwachtingen voor het aantreffen van archeologische resten voor elk van deze afzettingen. IDDS heeft in 2013 in het kader van de Blankenbrugverbinding een zeer gedetailleerd verwachtingsmodel voor de verschillende afzettingen in de regio opgesteld. 15 Voor het Laagpakket van Wormer is een lage verwachting vastgesteld voor het aantreffen van vondsten uit het Vroeg- en MiddenNeolithicum. De verwachting is gebaseerd op de ouderdom van de afzettingen (ca. 5000 – 4000 voor Chr.) en de condities van het landschap in die periode. Aangezien het een zeer dynamisch landschap was van getijdegeulen en wadplaten was het vermoedelijk alleen bruikbaar voor jacht en visvangst. De top van het Laagpakket van Wormer bestaat uit zeeklei, die tussen 4000 en 3500 voor Chr. is afgezet. Hiervoor geldt een zeer lage verwachting voor het aantreffen van vondsten uit het Midden Neolithicum. Waarschijnlijk is het landschap in die periode niet betreden vanwege de veelvuldige overstromingen en natte condities in het gebied.

Voor het Hollandveen Laagpakket geldt dat er archeologische resten kunnen worden aangetroffen uit de Bronstijd en IJzertijd die verband houden met landgebruik en bewoning. Resten uit de Bronstijd zullen waarschijnlijk niet bestaan uit nederzettingsresten, aangezien men in deze periode voornamelijk op de strandwallen en oude duinen woonde. In de kwelderafzettingen van het Laagpakket van Walcheren kunnen archeologische resten uit de Romeinse Tijd of Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. In deze periode kan zowel bewoning als extensief landgebruik in de regio hebben plaatsgevonden. De top van deze afzettingen is ontstaan in de periode tussen 800 en 1050 na Chr., in deze top kunnen resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden aangetroffen. Voor zowel het Hollandveen als het Laagpakket van Walcheren is een lage tot hoge verwachting opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten. Deze sterk uiteenlopende verwachting is gebaseerd op de landschappelijke dynamiek die in deze periode in het gebied aanwezig was. Er was sprake van een rietveenmoeras dat regelmatig doorsneden en overstroomd raakte door kreeksystemen. Hierdoor waren er zeer natte maar ook zeer droge periodes. De afwisselende omstandigheden zorgen zodanig ook voor afwisselende archeologische 15

Wilbers, 2013

19

verwachtingen voor deze periode. In de nattere tijden vonden er waarschijnlijk geen menselijke activiteiten plaats in dit gebied, en in de drogere periodes kan er sprake zijn geweest van menselijke activiteiten in de vorm van jacht en visserij en kan er zelfs bewoning zijn geweest waardoor er een kans is op het aantreffen van nederzettingsresten, grafcomplexen en sporen van landbouw.

Afb. 7.

Het plangebied op een uitsnede van de kaart van Kruikius uit 1712, kaartblad Maeslant (bron: https://www.tudelft.nl/library/collecties/kaartenkamer/).

20

Afb. 8.

Het plangebied op een uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832, Sectie D, Blad 02. (bron: http://zoeken.cultureelerfgoed.nl).

Afb. 9.

Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1937 (bron: https://www.topotijdreis.nl)

Afb. 10. Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1940 (bron: https://www.topotijdreis.nl)

21

Afb. 11. Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1962 (bron: https://www.topotijdreis.nl)

Afb. 13. Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1970 (bron: https://www.topotijdreis.nl)

Afb. 12. Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1963 (bron: https://www.topotijdreis.nl)

Afb. 14. Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1973 (bron: https://www.topotijdreis.nl)

Afb. 15. Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1984 (bron: https://www.topotijdreis.nl)

Afb. 16. Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1999 (bron: https://www.topotijdreis.nl)

2.6

Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek

Rond 1000 na Chr. was Vlaardingen de belangrijkste plaats binnen het graafschap Holland. In 1018 versloeg graaf Dirk III bij Vlaardingen het keizerlijk leger waardoor het belang van de plaats nog verder toenam. Door de grote overstromingsramp in 1163 nam dit echter weer af en hoewel Vlaardingen nog wel stadsrechten kreeg in 1273, stopte de stad met groeien en behoorde het rond 1400 tot de kleinste Hollandse steden. In 1574 werd de stad in 22

brand gezet door de watergeuzen in opdracht van Willem van Oranje zodat het Spaanse leger er geen beslag op kon leggen. Hierna ontstond in de stad een grote industrie van visserij die pas in de 19e eeuw weer terugliep, toen de stad meer betrokken raakte bij de industrie van Rotterdam.16 De Zuidbuurt heeft binnen deze geschiedenis een bijzondere plaats ingenomen. In de Middeleeuwen begonnen in dit gebied de grootschalige ontginningen, waarbij meestal vanuit een ontginningsbasis werd gewerkt. De Zuidbuurt vormde een dergelijke ontginningsas. Langs de weg is een lintbebouwing ontstaan van boerderijen die op oude klei- of kreekruggen werden aangelegd.17 Deze liggen voornamelijk aan de zuidkant van de weg, de meeste bebouwing aan de noordkant van de Zuidbuurt is later ontstaan. Op de Cultuurhistorische atlas van Zuid-Holland valt het plangebied in een strook ‘polderlint van voor 1850’.18 Op de kaart van Kruikius uit 1712 staat binnen het plangebied geen bebouwing afgebeeld (afb 7). Wel is te zien dat de landschapsindeling sinds 1712 weinig veranderd is. Ook hier zijn de Zuiderbuurt (Zuyt Buertse Wegh) en de Poeldijkse Wetering (Lickebaerts Watering) al aanwezig. Op de kadastrale minuut uit 1811 -1832 ziet de situatie er nog vrijwel hetzelfde uit (afb. 8). Hierop is te zien dat het plangebied op de percelen 253, 262, 263 en 264 ligt.

De oorspronkelijke aanwijzende tafels van de kaart geven opheldering over het gebruik en bezit van de percelen. Perceelnummer 253 is in deze tijd in het bezit van Cornelis Kerkhof, een bouwman uit Maasland. Hij heeft het perceel in gebruik als weiland. De percelen 262, 263 en 264 zijn in het bezit van Leendert Kerkade, ook een bouwman uit Maasland. Percelen 262 en 264 gebruikt hij als weiland, en perceel 263 wordt gebruikt als bos voor hakhout. Op de topografische kaarten van Nederland vanaf 1815 blijft deze situatie vrijwel hetzelfde tot aan de kaart van 1940, als er voor het eerst bebouwing binnen het plangebied staat aangegeven. Op de kaart van 1962 breidt deze bebouwing zich verder uit. In de hierop volgende periode ondergaat de bebouwing van het plangebied enkele veranderingen waarbij zowel meer gebouwen worden neergezet als enkele gebouwen ook weer verdwijnen, totdat op de kaart van 1999 de bebouwing zijn huidige vormt heeft aangenomen (afb. 9 t/m 16).

2.7

Bekende verstoringen

Binnen het plangebied zijn geen saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan. Dat betekent dat naast de verstoringen die de huidige bebouwing heeft opgeleverd geen bodemverstoringen bekend zijn. Op een bouwtekening van de bestaande boerderij is te zien dat het gebouw op poeren is gefundeerd, de diepte hiervan staat op deze tekening niet aangegeven. Ook door de overige gebouwen is de bodem verstoord tot onbekende diepte.

2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel en advies

De ondergrond in het plangebied bestaat uit een opeenvolging van getijdeafzettingen en veen die tijdens het Holoceen hier zijn ontstaan. Afhankelijk van de tijd waarin de afzettingen hebben plaatsgevonden gelden verschillende verwachtingen voor het aantreffen van archeologische resten voor elk van deze lagen. De verwachtingen zijn hier op basis van het bureauonderzoek per laag verder gespecificeerd. Laagpakket van Wormer (ca. 17 – 7 m -NAP) Voor dit laagpakket geldt een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit het Vroeg en Midden Neolithicum. In deze tijd bestond het landschap uit getijdegeulen en wadplaten, wat het geen geschikte ondergrond maakte voor bewoning. Wel is het mogelijk dat hier jacht heeft plaatsgevonden, deze activiteit laat echter weinig tot geen sporen achter in het landschap en de trefkans op archeologie blijft daarom laag. Top van het Laagpakket van Wormer (ca. 7 – 6,5 m -NAP) De top van dit laagpakket bestaat uit zeeklei die tussen 4000 en 3500 voor Chr. is afgezet in een zeer nat milieu. Vermoedelijk stond het plangebied in deze periode bijna constant onder water. Ook hier geldt dat er een kleine kans is dat er jacht heeft plaatsgevonden in deze tijd. Daarom geldt er voor deze afzettingen een zeer lage verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit het Midden Neolithicum. Hollandveen Laagpakket (ca.

6,5 – 4 m -NAP) Voor het Hollandveen Laagpakket geldt dat er archeologische resten kunnen worden aangetroffen uit de Bronstijd en IJzertijd die verband houden met landgebruik en bewoning. Resten uit de Bronstijd zullen waarschijnlijk niet bestaan uit nederzettingsresten, aangezien men in deze periode voornamelijk op de strandwallen en oude duinen woonde. Er geldt een middelhoge verwachting voor het aantreffen van resten uit deze periodes. Laagpakket van Walcheren (ca. 4 – 2 m -NAP) https://geschiedenisvanzuidholland.nl/locatie/geschiedenis-van-vlaardingen Gemeente Vlaardingen, Bestemmingsplan Buitengebied West 18 http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas 16 17

23

In de kwelderafzettingen van het Laagpakket van Walcheren kunnen archeologische resten uit de Romeinse Tijd of Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. In deze periode kan zowel bewoning als extensief landgebruik in de regio hebben plaatsgevonden. Er geldt een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit deze perioden. De top van deze afzettingen is ontstaan in de periode tussen 800 en 1050 na Chr., in deze top kunnen resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden aangetroffen. Op basis van het bestudeerde historische kaartmateriaal lijkt het plangebied in de eerste helft van de 18e eeuw tot in de tweede helft van de 20e eeuw onbebouwd geweest te zijn, waardoor de verwachting voor (nederzettings)resten uit de Nieuwe Tijd laag is. Voor zowel het Hollandveen als het Laagpakket van Walcheren is een middelhoge verwachting opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten. De archeologische verwachting voor beide pakketten is zeer wisselend, gezien de landschappelijke dynamiek die in deze periode in het gebied aanwezig was. Er was sprake van een rietveenmoeras dat regelmatig doorsneden en overstroomd raakte door kreeksystemen. Hierdoor waren er zeer natte maar ook zeer droge periodes. De afwisselende omstandigheden zorgen zodanig ook voor afwisselende archeologische verwachtingen voor deze periode.

In de nattere tijden vonden er waarschijnlijk geen menselijke activiteiten plaats in dit gebied, en in de drogere periodes kan er sprake zijn geweest van menselijke activiteiten in de vorm van jacht en visserij en kan er zelfs bewoning zijn geweest waardoor er een kans is op het aantreffen van nederzettingsresten, grafcomplexen en sporen van landbouw uit de periodes Midden Neolithicum t/m Middeleeuwen. Over het algemeen geldt dat ook in nattere periodes de kreekruggen mogelijk bewoond kunnen zijn geweest. Derhalve geldt er een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit deze periodes. De archeologische verwachting dient te worden getoetst door middel van het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). Hierbij worden 6 boringen per hectare gezet met een minimum van 6 boringen per plangebied. Vindplaatsen uit de periode Vroeg tot Midden Neolithicum worden in de getijdeafzettingen van het Laagpakket van Wormer verwacht. Vindplaatsen uit de Bronstijd en IJzertijd worden in het Hollandveen Laagpakket verwacht. Vindplaatsen uit de Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen worden in het Laagpakket van Walcheren verwacht, en vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen in de top van dit pakket aanwezig zijn.

Bewoning in deze perioden was sterk afhankelijk van de aanwezigheid van eventuele kreekruggen in het plangebied en of er op deze locatie droge periodes waren waarin bewoning mogelijk is geweest. Dit dient door middel van een verkennend booronderzoek te worden vastgesteld. Vanwege de nog onbekende geplande verstoringsdiepte worden de boringen gezet tot een diepte van 3,5 m beneden maaiveld. Indien er sprake is van intacte archeologisch relevante niveaus, kan worden overgegaan tot een karterend booronderzoek om eventuele vindplaatsen op te sporen.

24

3 Resultaten veldonderzoek 3.1

Beschrijving onderzoeksmethode

Conform het in het bureauonderzoek geformuleerde advies zijn een verkennend booronderzoek en aansluitend karterend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Van beide onderzoeken worden de onderzoeksmethode en resultaten in dit hoofdstuk weergegeven. Verkennend booronderzoek Bij het verkennende booronderzoek zijn 6 boringen geplaatst. De boringen zijn zo verspreid mogelijk over het plangebied gezet, waarbij de toegankelijkheid van de boorlocaties leidend was (aan- /afwezigheid bouwwerken, begroeiing en terreinverharding op geplande boorlocaties; afb. 17). De boringen zijn gezet met een guts (3 cm Ø) tot 4 m beneden maaiveld. Alleen boring 3 is tot 3,5 m beneden maaiveld gezet. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een meetlint ten opzichte van de gebouwen. Karterend booronderzoek Bij het karterende booronderzoek is het boorgrid verdicht en zijn 12 boringen geplaatst. De boringen zijn zo verspreid mogelijk over het plangebied gezet, waarbij de toegankelijkheid van de boorlocaties leidend was (aan/afwezigheid bouwwerken, begroeiing en terreinverharding op geplande boorlocaties; afb. 18). De boringen zijn gezet met een guts (3 cm Ø). Acht van de boringen zijn tot 3 m beneden maaiveld gezet (boring 7 t/m 9, 12, 13, 15, 16 en 18) en drie boringen zijn tot 2 m beneden maaiveld gezet (boring 10, 11 en 14).

Boring 17 is op 0,15 m beneden maaiveld gestuit op een ondoordringbaar object. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een GPS. Het opgeboorde materiaal is met de hand onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals baksteenpuin, houtskool en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB). De resultaten van beide booronderzoeken (boorbeschrijvingen en boorstaten) zijn opgenomen in bijlage 1.

Afb. 17. Gezette boringen tijdens het verkennende booronderzoek in het plangebied op een recente luchtfoto (bron: https://www.google.com/intl/nl/earth/). 25

Afb. 18. Gezette boringen tijdens het karterende booronderzoek in het plangebied op een recente luchtfoto (bron: https://www.google.com/intl/nl/earth/).

3.2

Beschrijving onderzoeksresultaten verkennende booronderzoek

In de zes geplaatste boringen is een bodemprofiel aangetroffen dat overeenkomt met de in het bureauonderzoek opgestelde verwachting. Van boven naar beneden is een pakket getijdeafzettingen op veen op zeeklei afzettingen aangetroffen. De top van het pakket van getijdeafzettingen is opgenomen in een 5 tot 15 cm dikke bouwvoor. De diepteligging van de top van het veen varieert in de boringen tussen 2,20 en 3,45 m beneden maaiveld. De top van de daaronder gelegen kleiafzettingen is in slechts twee boringen waargenomen, boring 4 en 6, op respectievelijk 3,9 en 3,85 m beneden maaiveld. Aangezien er geen verstoringen in het plangebied zijn aangetroffen kan op basis van het verkennend booronderzoek gesteld worden dat de bodemopbouw intact in de ondergrond van het plangebied aanwezig is. Zoals in het bureauonderzoek is beschreven, zijn bovengenoemde laagpakketten ontstaan binnen dynamische omstandigheden waarin drogere en nattere periodes elkaar afwisselden. Deze dynamiek is ook in de boringen terug te zien. Om een duidelijk beeld te schetsen van de waargenomen geomorfologische kenmerken, worden deze hier per laagpakket beschreven. Bovenste kleipakket In alle zes de boringen bestaat het bovenste deel uit kleiafzettingen. De dikte van het kleipakket varieert tussen 205 en 400 cm en varieert in samenstelling tussen zandige en siltige klei.

De afzettingen uit dit pakket zijn geïnterpreteerd als afzettingen die behoren tot het Laagpakket van Walcheren. In boring 1 is de bovenste 10 cm van dit pakket opgenomen in de zwak humeuze, licht bruingrijze bouwvoor. Onder de bouwvoor ligt een laag licht geelgrijze, sterk siltige klei met daarin veel ijzeroxidevlekjes. Deze vlekjes zijn tot een diepte van 1,25 m – mv waargenomen. Op 0,3 m – mv ligt een 35 cm dikke laag licht bruingrijze klei die gebioturbeerd is. Hier direct onder bevindt zich een 10 cm dik laagje van bruingrijze, matig siltige, matig humeuze klei. Deze gaat op 0,75 m – mv abrupt over op grijze, sterk siltige klei. Deze laag ligt op zeer lichte klei waarin vanaf 1,25 m -mv veel zandlaagjes zijn aangetroffen. 5 cm dieper zijn de zandlaagjes weer verdwenen en zijn er vlekjes waargenomen die ofwel ijzer of fosfaat vlekjes kunnen zijn. Het betreft een 10 cm dik gereduceerd laagje. Vanaf 1,5 m -mv zijn er enkele zandlaagjes in de grijze, sterk siltige, lichte klei aangetroffen. Vanaf 1,7 m – mv neemt de siltigheid toe en is in een laag van 20 cm dikte een bruine zweem zichtbaar. Vanaf 1,9 m – mv 26

nemen de zandlaagjes in hoeveelheid toe en op 2,3 m -mv gaat de klei met zandlaagjes abrupt over op een 145 cm dikke laag van sterk siltig, blauwgrijs zand met daarin schelpengruis, veenbrokjes en enkele plantenresten. Tussen 3,75 en 3,85 m – mv bevindt zich in dit zandpakket een matig siltige, lichtgrijze kleilaag, die naar onderen toe abrupt over gaat op blauwgrijs, sterk siltig zand waarin zich wederom schelpengruis, veenbrokjes en enkele plantenresten bevinden. Deze laag loopt door tot het einde van de boring op 4 m – mv. In boring 2 bestaat de bovenste 5 cm van het kleipakket uit een bouwvoor van zwak humeuze, lichtbruingrijze klei. Direct hieronder ligt een laag licht bruingrijze, sterk siltige klei met daarin veel ijzeroxidevlekjes. Op 0,3 m -mv gaat deze geleidelijk over naar een laag matig bruingrijze, matig siltige klei die matig humeus en iets gevlekt is, met enkele ijzeroxidevlekjes, gelegen op een matig humeus, donker bruingrijs, zwak zandig kleilaagje van 10 cm met ijzeroxidevlekjes waarin enkele puinspikkels zijn waargenomen. Ook de laag hieronder is nog licht humeus en bevat ijzer. De ijzeroxidevlekjes verdwijnen uit het kleipakket vanaf 1,2 m -mv. Op deze diepte bevindt zich grijze, matig siltige klei met enkele dunne zandlaagjes die naar onderen toe in hoeveelheid toenemen.

Op 2,4 m -mv gaat deze laag over naar sterk siltig, matig fijn, blauwgrijs zand met daarin veel kleilagen. In de onderste 5 cm van het zand bevinden zich tevens enkele detrituslaagjes. Vanaf 2,65 m – mv gaat deze laag abrupt over op lichtgrijze sterk siltige klei. Het betreft slappe klei waarin vanaf 3,1 m -mv enkele zand- en detrituslaagjes voorkomen. Vanaf 3,3 m -mv is er geen zand meer in de klei aanwezig en is deze bruingrijs, zwak humeus en bevat de klei veel detrituslaagjes. De overgang naar het hieronder gelegen veen is abrupt. In boring 3 is het pakket met kleiafzettingen 250 cm dik, waarvan de bovenste 15 cm zijn opgenomen in een bruingrijze, matig humeuze bouwvoor. De laag hieronder bestaat uit licht bruingrijze, zwak humeuze, sterk siltige klei met daarin enkele ijzeroxidevlekjes. Deze laag gaat geleidelijk naar onderen toe over op grijze klei. De ijzeroxidevlekjes blijven tot een diepte van 1,6 m -mv aanwezig. Vanaf 1,2 m -mv zijn er enkele plantenresten en schelpengruis aangetroffen in de boring. Van 1,6 tot 2 m -mv is de klei met riet doorworteld. Op 2 m -mv is een zwak siltige kleilaag waargenomen waarin zich enkele plantenresten en schelpengruis bevinden. Deze laag is licht bruingrijs en bevat enkele laagjes gyttja. De laag gaat naar onderen toe abrupt over op het veenpakket.

In boring 4 ligt aan het maaiveld een 10 cm dikke bouwvoor van zwak zandige, donker bruingrijze, sterk humeuze klei. Hier direct onder ligt 15 cm dikke laag bruingrijs, zwak zandig, matig humeuze klei met daarin enkele ijzeroxidevlekjes. Deze gaat naar onderen toe over op licht grijze klei waarin humusvlekjes aanwezig zijn. De ijzeroxidevlekjes zijn in deze boring tot een diepte van 1,4 m – mv waargenomen. Tussen 0,5 en 1,4 m is de klei licht tot sterk gebioturbeerd. Vanaf 1,4 m - mv liggen er enkele dunne zandlaagjes in de licht blauwgrijze klei die vanaf 1,7 m – mv in hoeveelheid toenemen. Vanaf 2,15 m – mv is de klei zwak siltig, grijs, en bevat enkele detrituslaagjes en gyttja. Ook in deze boring is de grens tussen klei en veen abrupt. In boring 5 ligt onder een 15 cm dikke zandige recente ophoging met grind, een donker bruingrijze, zwak zandige, matig humeuze kleilaag met daarin enkele puinspikkels. De laag is 45 cm dik en wordt naar onderen toe geleidelijk minder humeus. Vanaf 0,85 m – mv gaat deze laag geleidelijk over naar een 45 cm dikke laag licht blauwgrijze klei die zeer licht gerijpt en gebioturbeerd is. Ook de hieronder gelegen lichtgrijze kleilaag is licht gebioturbeerd en tevens gevlekt. Vanaf 1,6 m - mv gaat deze laag geleidelijk over op zwak siltige, grijze klei waarin zich enkele kleilaagjes en een spoor detritus bevinden.

Vanaf 2 m – mv verdwijnt het zand en zijn er nog enkele detrituslaagjes en plantenresten in de klei aanwezig. Het kleipakket gaat op 2,2 m - mv geleidelijk over op het eronder gelegen veen. In boring 6 bestaat de bovenste 10 cm van dit laagpakket uit een donker grijsbruine, zwak zandige, sterk humeuze bouwvoor. Hieronder bevindt zich een 5 cm dikke laag van grijsbruine, zwak zandige, matig humeuze klei. Vanaf 0,15 m – mv is de klei licht humeus en matig siltig en zijn er enkele ijzeroxidevlekjes waargenomen. Het ijzer is tot een diepte van 1,4 m – mv in deze boring aanwezig. Vanaf 0,9 m – mv is de klei sterk siltig en zijn er enkele dunne zandlaagjes en plantenresten in aangetroffen. Vanaf 1,4 m – mv neemt de siltigheid af en verdwijnen de plantenresten. Op 2,3 m – mv ligt een 35 cm dikke laag van matig siltige grijze klei met daarin veel zand- en detrituslaagjes. Deze gaat geleidelijk over op het eronder gelegen veen. Veenpakket In vijf van de zes boringen is veen aangetroffen (boringen 2 t/m 6). Dit veen is geïnterpreteerd als onderdeel van het Hollandveen Laagpakket. De diepteligging van de top van het veen varieert in de boringen tussen 2,2 en 3,45 m – mv. De onderkant van dit pakket is alleen in boring 4 en 6 aangetroffen, hier heeft het veenpakket een respectievelijk scherpe en diffuse begrenzing naar onderen toe.

In boringen 2, 3 en 5 is het veen tot aan het einde van de boringen waargenomen. Het betreft mineraalarm tot sterk kleiig veen van verschillende veentypes. In boring 2 bestaat de bovenste 20 cm uit amorf veen, gelegen op 10 cm rietveen. De onderste 25 cm bestaat uit zeer fijne detritusgyttja. 27

In boring 3 bestaat de bovenste 10 cm van het veenpakket uit sterk kleiig veen met daarin zeer fijne detritusgyttja. Deze laag gaat naar onderen toe over op een 30 cm dikke laag mineraalarm rietveen met galigaanresten, waarvan de onderste 5 cm zwak kleiig is. Hieronder bevindt zich een 20 cm dikke laag zeggerietveen, gelegen op een 10 cm dikke laag bosveen. De onderste 30 cm van de boring bestaat uit mineraalarm zeggerietveen, waarvan de bovenste 10 cm donkerbruin en mogelijk veraard is. In boring 4 bestaat de bovenste 25 cm van het veenpakket uit zwak kleiig veen met fijne detritusgyttja en enkele plantenresten. Daaronder ligt een 20 cm dikke laag rietveen, gelegen op een 5 cm dikke laag zwak kleiig veen met fijne detritusgyttja en enkele rietresten. In deze boring bevindt zich in het veenpakket een 100 cm dikke laag van kleiige afzettingen (tussen 2,75 en 3,75 – mv). Het betreft zwak tot matig siltige klei waarvan de bovenste 80 cm licht grijs tot licht bruingrijs is, en naar onderen toe (licht) groengrijs wordt. In de kleiafzettingen bevinden zich relatief veel plantenresten in de vorm van riet (bovenin), detrituslaagjes, en gyttja laagjes. Op 3,4 – 3,55 m – mv is de klei gevlekt en gebioturbeerd, en hier direct onder is de klei zeer licht doorworteld. Ook is er schelpengruis in de kleiafzettingen waargenomen. Vanaf 3,75 m -mv gaat het pakket weer over op veen.

De bovenste 5 cm hiervan bestaat uit zeer fijne detritusgyttja en hieronder, op 3,80 tot 3,95 m – mv, ligt een laag donkerbruin amorf veen dat mogelijk veraard is. In boring 5 bestaat de bovenste 45 cm van het veenpakket uit sterk kleiig rietveen met gyttja. Deze gaat naar onderen toe over op 25 cm dik mineraalarm rietveen dat nogal amorf aandoet. Ook in deze boring bevinden zich kleiafzettingen binnen het veenpakket. Vanaf 2,9 m – mv ligt hier zwak tot matig siltige klei met hierin veel rietresten en enkele ongedefinieerde plantenresten. Tussen 3,7 en 3,9 m - mv bevindt zich schelpengruis in de klei en zijn er gyttjalaagjes waargenomen die naar onderen toe in hoeveelheid toenemen. Tussen 3,7 en 3,75 m - mv is de klei gevlekt en licht gebioturbeerd. Vanaf 3,9 m – mv gaat de klei abrupt over op zwak kleiig amorf veen. In boring 6 is het veen aangetroffen vanaf 2,65 m - mv. De bovenste 25 cm bestaat uit zwak kleiige detritus met daarin enkele kleilaagjes en veel plantenresten. Deze laag ligt op een 25 cm dikke laag zwak kleiig rietveen dat nogal amorf aandoet. Vanaf 3,15 m – mv is mineraalarm tot zwak kleiige fijne detritusgyttja aangetroffen. Vanaf 3,35 m -mv ligt hier zwak kleiig rietveen dat naar onderen toe sterker kleiig wordt. De onderste 15 cm hiervan is sterk gelaagd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10106767/1