Bijlagen
Tekst van het document
Beekrombout*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt uitsluipbiotoop aanwezig, namelijk oevervegetatie, holle oevers, boomwortels of stenen, meestal binnen enkele meters van het water van grotere beken en kleine rivieren. Op en rond deze wateren zijn de imago's te vinden. De eieren worden op het wateroppervlak afgezet. De larven leven ingegraven in de beek- of rivierbodem, op ondiepe, traag stromende plaatsen waar veel slib of fijn zand is afgezet (vlinderstichting, z.d.a).
Gevlekte witsnuitlibel*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig, namelijk laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen. De larven leven tussen waterplanten in de verlandingszone. Het uitsluipen vindt plaats tot enkele decimeters hoogte in de oevervegetatie (vlinderstichting, z.d.c).
Groene glazenmaker*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt biotoop aanwezig: stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden; plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden. De eitjes overwinteren in krabbenscheerplanten. De larven leven tussen de bladen van krabbenscheerplanten, meestal in dichte krabbenscheervegetaties. Het uitsluipen gebeurt ook op krabbenscheerplanten (vlinderstichting, z.d.d).
Kevers
Libellen
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
35
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
Rivierrombout*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig. Een geschikt larvenbiotoop bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, stromingsluwe riviertrajecten. Net uitgeslopen imago’s drogen op in of nabij ruigtevegetaties in de directe nabijheid van de rivier. Ook oudere imago’s zijn in de nabijheid van de rivier te vinden (vlinderstichting, z.d.g). Vanwege de grote afstand tot de rivier (> 1 kilometer) wordt aanwezigheid van de soort uitgesloten.
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk vochtige, jonge wilgenbossen of jonge aanplant van zomereik. De soort komt voor op de schors van deze bomen en vaak gaat het om een enkel polletje op een tak (BWLG, 2007). Er is gericht gezocht naar tonghaarmuts, maar de soort is niet aangetroffen tijdens het veldbezoek.
Brede wolfsmelk*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, zoals kalkrijke akkers, braakliggende grond, bermen (open plekken) en omgewerkte kleiige waterkanten met o.a. akkerdistel (100%, n=3), haagwinde en kruipende boterbloem. De soort kan voorkomen op matig voedselrijke gronden die droog tot vochtig zijn en waarvan de zuurgraad zwak zuur tot matig zuur is. De soort verdraagt geen sterke beschaduwing (Dijkstra, 2018d).
Dreps*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk droge storingsmilieus's, voornamelijk uit klasse 30 van de akkergemeenschappen (30BA, 30AA en 30 BB) met begeleidende soorten zoals grote windhalm, zwaluwtong, korenbloem en akkerviooltje. Groeiplaatsen zijn onder andere akkers (wintergraanakkers en speltakkers), spoorwegen (spoorwegterreinen), braakliggende grond, wegranden (open plekken, in bermen van grote verkeerswegen), ruigten, ruderale plaatsen en storttereinen (Dijkstra, 2018e).
Glad biggenkruid*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk droge storingsmilieu's (30BB - Verbond van vingergras en naaldaar) met onder andere schapenzuring, gewone spurrie, zwaluwtong en gewoon varkensgras (Dijkstra, 2018h).
Grote leeuwenklauw*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk droge storingsmilieus's of natte pioniermilieu's, zoals bermen langs onverharde wegen (in de strook vlak langs de rijweg), akkers (graanakkers), waterkanten (rivieroeverwallen en sloothellingen), braakliggende grond, bij veevoerkuilen, dijken, tuinen en langs spoorwegen. Begeleidende soorten zijn o.a. akkerviooltje, zwaluwtong, vogelmuur en gewoon varkensgras. Vegetaties uit het Windhalmverbond (30Ba) of Naaldenkervelverbond (30Aa) ontbreken op de projectlocatie (Dijkstra, 2018i).
Groenknolorchis*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk zeeduinen (duinvalleien), afgravingen (kalk-, zand- en grindgroeven), moerassen (trilvenen, kalkmoerassen, veenmosrietland en aan de rand van rietland), heide (op veenmoskussens in heidemoeras), opgespoten grond (zand), plekken waar turf gestoken is en grasland (beekdal-blauwgrasland). Vegetaties uit het Knopbiesverbond (09BA) ontbreken op de projectlocatie. Begeleidende soorten zijn o.a. watermunt, gewone waternavel, riet en kruipwilg (Dijkstra, 2018j).
Kleine wolfsmelk*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk droge storingsmilieu's zoals kalkrijke, vaak kleiige omgewerkte grond (pioniervegetatie) met onder andere zwaluwtong, akkerdistel, vogelmuur en gewoon varkensgras (Dijkstra, 2018m). Vegetaties uit het naaldekervelverbond (30AA) en verbond van duivekervel en kroontjeskruid (30AB) ontbreken op de projectlocatie.
Kruipend moerasscherm*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk open plekken aan oevers van beken, zoete kreken en, ondiepe poelen langs sloten aan de rand van veengebieden, zeeduinen (langs drinkpoelen, in binnenduinweiland en duinvalleien), grasland (extensief begraasde weiland en oud grasland), ijsbanen en uiterwaarden (langs beken en kleine rivieren). Enkel op matig voedselrijke bodems, vooral in het zuiden en oosten van het land. Vegetaties uit het Dwergbiezenverbond (29AA) ontbreken op de projectlocatie. Begeleidende soorten zijn o.a. fioringras, zomprus, pinksterbloem en moeraswalstro (Dijkstra, 2018q).
Muurbloem*
N.v.t.
N.v.t.
Deze soort wordt uitgesloten op basis van het ontbreken van geschikt biotoop, namelijk droge storingsmilieu's zoals muren of andere kunstmatige kalkrijke plaatsen met begeleidende soorten zoals muurvaren, muurleeuwenbek, gewoon muursterretje of plat beemdgras (Dijkstra, 2018r). Vegetaties uit het Verbond van klein glaskruid (21AA) ontbreken op de projectlocatie.
Ruw parelzaad*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, zoals zonnige, open plaatsen op braakliggende grond of op open plekken langs oeverwallen met begeleidende soorten zoals akkerdistel (trefkans > 85%; n=26), duist, grote klaproos en akkerwinde (Dijkstra, 2018t). Vegetaties uit het naaldekervelverbond (30AA) en Windhalmverbond (30BA) ontbreken op de projectlocatie.
Wolfskers*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bossen (open plekken en langs bospaden, bosranden, kapvlakten, brandvlakten), stenige plaatsen, ruderale plaatsen en braakliggende grond. Over begeleidende soorten is weinig bekend. In twee gevallen kwam kropaar als begeleidende soort voor (Dijkstra, 2018y).
Hazelworm*
N.v.t.
N.v.t.
In het projectgebied bevindt zich geen geschikt biotoop voor de hazelworm, namelijk warme, beschutte, halfopen terreinen met vochthoudende bodem zoals bosranden, open plekken in bossen, ruige
Levendbarende hagedis*
N.v.t.
N.v.t.
Onderbouwing en locaties ³
Mossen Tonghaarmuts*
Planten
Reptielen heidevelden, kalkgraslanden, vestingwerken, bermen van wegen en spoorwegen (Ravon, z.d.l). Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk vochtige heide of structuurrijke bermen en ruigten (Ravon, z.d.m).
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
36
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
Ringslang*
N.v.t.
N.v.t.
Zandhagedis*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt biotoop aanwezig zoals (droge) heide of structuurrijke bermen/ruigten met open plekken en kaal zand (Ravon, z.d.p).
Beekprik*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk relatief natuurlijke beken met een goede waterkwaliteit. De soort is beperkt tot de provincies Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. De soort
Elrits*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk snelstromende rivieren en beken in Zuid-Limburg en in Gelderland op de oostflank van de Veluwe (Ravon, z.d.r).
Grote modderkruiper*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt leefbiotoop aanwezig, namelijk ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Ook zijn geen drooggevallen wateren aanwezig, waarin de soort enige tijd ingegraven in de modder kan overleven. Ook is geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig in de vorm van ondiepere warme delen van het water met waterplanten, overhangende takken
Onderbouwing en locaties ³ Er is geen geschikt leef- of voorplantingsbiotoop aanwezig, zoals waterrijke biotopen op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden. De ringslang komt ook voor in het laagveen. Andere landschapstypen waarin relatief veel waarnemingen worden verricht zijn bos en struweel en op infrastructuur (wegen en spoorwegen). Ringslangen kunnen ook aanwezig zijn in een bebouwde omgeving en in het agrarisch gebied. Heide en hoogveen maken onderdeel uit van het leefgebied, maar zijn geen voorkeurshabitat (Ravon, z.d.o). Verder zijn geen broeihopen, zoals bladhopen, composthopen of mestvaalten aanwezig.
Vissen paait in de periode februari-mei op grindrijke plaatsen met stromend water (Ravon, z.d.q).
of andere vormen van structuur. Ook is er geen opgroeibiotoop voor juveniele dieren, zoals ondiepe plantenrijke oeverzones (Ravon, z.d.t). Noordzeehouting
N.v.t.
N.v.t.
De noordzeehouting is een anadrome vis die vanuit de Noordzee de rivieren optrekt om te paaien (verspreidingsatlas, 2019). Vanwege het ontbreken van geschikt biotoop wordt deze soort uitgesloten.
Bruine eikenpage*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, namelijk kleine eikenboompjes die in de schaduw van hogere bomen groeien of jonge eikenopslag. Vaak worden de eitjes aan de zuidoostkant van de boompjes afgezet op een stam, tak of twijg met een gladde bast zonder korstmossen op een halve tot anderhalve meter hoogte. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk: zandgronden met eiken in het binnenland en in de duinen. In het binnenland vliegt de soort bij bosranden, jonge eikenaanplant en open loofbossen. De soort vliegt bij gedrongen eikenstruweel, bij vrijstaande eikjes, in open eikenbossen en kapvlakten (Vlinderstichting z.d.j).
Grote vos*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, zoals voornamelijk iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. De eitjes worden afgezet op de bovenste takken van hoge, vrijstaande bomen. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk: vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout (Vlinderstichting z.d.m).
Iepenpage*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, namelijk diverse soorten iep, zoals gladde iep, ruwe iep en sommige cultivars. Het eitje wordt meestal afgezet in de kruin van de boom. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk bloeiende en vruchtdragende bomen of op relatief jonge iepen. Geschikte bomen worden doorgaans gevonden in (vochtige) bossen, bosranden, parken en grotere tuinen (Vlinderstichting z.d.o).
Sleedoornpage*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, namelijk sleedoorn en enkele andere gecultiveerde Prunus-soorten (o.a. pruim). Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk: struwelen met sleedoorn (waardplant) langs bosranden, weg- en spoorbermen, holle wegen en akkers, in parken én vrijstaande pruimen in tuinen. De gebruikte sleedoorns moeten geregeld verjongd worden door begrazing of door ze regelmatig te snoeien (Vlinderstichting z.d.r).
Teunisbloempijlstaart*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikte waardplanten aanwezig, namelijk wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Geen strooisellaag aanwezig waarin de soort als pop overwintert. Geen geschikt biotoop aanwezig namelijk open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Voornamelijk in het zuiden en oosten van het land (Vlinderstichting z.d.s).
Boomvalk, buizerd, havik, wespendief en zwarte wouw*
N.v.t.
N.v.t.
Binnen het projectgebied en de directe omgeving (50 meter) zijn geen horsten aangetroffen van boomvalk, buizerd, havik, wespendief of zwarte wouw. Ook zijn geen oude nesten van zwarte kraai of ekster aangetroffen waarin de bijvoorbeeld de boomvalk tot laat in het broedseizoen nog tot broeden kan komen (Bij12, 2017e; Vogelbescherming Nederland, z.d.a-e).
Gierzwaluw*
N.v.t.
N.v.t.
Binnen het projectgebied zijn geen geschikte gebouwen aanwezig: vaak oudere stadswijken of grotere gebouwen en in mindere mate nieuwe gebouwen (Bij12, 2017c; Vogelbescherming Nederland, z.d.b). Daarnaast zijn geen geschikte invliegopeningen of poepsporen aangetroffen.
Vlinders
Vogels
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
37
Huismus*
a
N, fl
Binnen het projectgebied zijn geschikte gebouwen aanwezig in de vorm van een woning en de loodsen/stallen. De woning in het meest oostelijke perceel heeft dakpannen waar huismussen onder kunnen broeden. Bovendien is er oud nestmateriaal van de huismus aangetroffen onder deze dakpannen. De loodsen bieden ook geschikte nestplaatsen voor de huismussen. In één van de loodsen zijn ook huismussen aangetroffen. Daarnaast wordt er struweel verwijderd. Dit struweel is mogelijk onderdeel van de functionele leefomgeving van de huismus. (Bij12, 2017b; Vogelbescherming Nederland, z.d.d).
Kerkuil, ransuil, steenuil*
N
v.m.
Er zijn geschikte nestplaatsen aanwezig voor de kerkuil en steenuil, zoals een schuur. Echter zijn de schuren goed onderzocht en zijn er geen (sporen van) nesten aangetroffen. Vestiging is echter wel mogelijk. Er worden geen oude kassen gesloopt of knotbomen aangetast die door de steenuil gebruikt kunnen worden. Er zijn oude sporen, zoals braakballen van de kerkuil aangetroffen, echter is deze braakbal al erg oud en wijst dit niet op recentelijk gebruik van de schuur door de kerkuil. Roestbomen van ransuil zijn vaak naaldbomen, deze zijn niet aanwezig. Er zijn echter wel twee eksternesten aangetroffen waar de ransuil gebruik van kan maken (Vogelbescherming Nederland, z.d.e).
Oeverzwaluw*
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt nestbiotoop aanwezig, namelijk een kale zandige of lemige steilwand met insecten in de omgeving. Er is geen kans op vestiging indien er tijdens de werkzaamheden steilwanden ontstaan in de periode april-juni in de vorm van zanddepots en afgravingen (Vogelbescherming Nederland, z.d.f).
Ooievaar
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen nestvoorziening voor de ooievaar aanwezig (ooievaarspaal). Ook zijn geen elektriciteitspalen met een ooievaarsnest aanwezig. (Vogelbescherming Nederland, z.d.g)
Roek*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen roeken waargenomen. Ook geen zijn geen nestbomen aangetroffen binnen het projectgebied of in de omgeving hiervan (Vogelbescherming Nederland, z.d.h).
Slechtvalk*
N.v.t.
N.v.t.
Nestgelegenheid ontbreekt: hoge gebouwen zoals torens of hoogspanningsmasten zijn niet aanwezig (Vogelbescherming Nederland, z.d.i).
Sperwer*
N.v.t.
N.v.t.
Binnen het projectgebied en de directe omgeving (50 meter) zijn geen horsten aangetroffen van sperwer. De sperwer broedt meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels in bosjes en op erven (Vogelbescherming Nederland, z.d.j).
Categorie 5-broedvogels met zeer ongunstige staat van instandhouding: ekster
a
N
Er zijn twee nesten van ekster aangetroffen. De aantallen eksters in het buitengebied sterk zijn afgenomen in tegenstelling tot het stedelijk gebied. Het weghalen van deze twee eksternesten heeft daarom een groot effect op de verspreiding van de ekster, omdat de staat van instandhouding zeer ongunstig is. Er zijn daarom zwaarwegende ecologische redenen om de nesten als jaarrond beschermd te beschouwen.
Categorie 5-broedvogels met zeer ongunstige staat van instandhouding: eidereend, brilduiker, draaihals, ruigpootuil, zwarte specht, tapuit*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen kustduinen aanwezig waar de eider kan broeden. Er zijn geen oude, bestaande holten van vooral de zwarte specht (in den en beuk) waar de ruigpootuil gebruik van kan maken. De brilduiker
Vogels zonder jaarrond beschermd nest*
m
broedt voornamelijk in landgoedbossen in het IJsseldal (tussen Zwolle en Deventer), hier ligt het projectgebied niet in. In het projectgebied ontbreken oude berken (op de Veluwe) met holtes waar de draaihals gebruik van maakt. Er zijn geen schrale heide- of stuifzandgebieden of duinen aanwezig met konijnenholen waar de tapuit tot broeden kan komen (Vogelbescherming Nederland, z.d.q-u).
N
•
In de loodsen/stallen zijn nesten aangetroffen van mogelijk zwarte roodstaart, holenduif, witte kwikstaart of kauw.
•
In de bomen en bosschages in het projectgebied kunnen vogels zoals houtduif, turkse tortel, groenling en putter broeden.
•
Tussen de losse materialen (zoals de stapels met stenen) in het projectgebied kunnen soorten als witte kwikstaart en winterkoning broeden.
•
In het weiland kunnen weidevogels zoals kievit en scholekster broeden.
•
Een pioniersoort zoals de kleine plevier wordt nu niet verwacht. Het projectgebied is te dicht begroeid. Pioniersoorten broeden op de grond op open, onbegroeide plekken. Echter wordt het terrein straks bouwrijp gemaakt, waardoor er veel kale grond ontstaat. Vestiging van kleine plevier is dan mogelijk.
•
De meeste vogels broeden tussen half maart en half augustus. Echter, alle broedende vogels zijn te allen tijde beschermd. Duiven kunnen vrijwel het gehele jaar broeden en daar dient rekening mee gehouden te worden.
Weekdieren Bataafse stroommossel
N.v.t.
N.v.t.
Geen geschikt biotoop aanwezig, de bataafse stroommossel prefereert gestructureerde grofzandige sedimenten en is daardoor grotendeels gebonden aan stromende wateren zoals rivieren, beken of wateren die in verbinding staan met de rivier. Na een korte parasitaire fase in de kieuwen van vissen (waaronder bijvoorbeeld elrits, ruisvoorn, kopvoorn en rivierdonderpad) graven juvenielen zich namelijk in in ondiepe delen waar geen opslibbing of overzanding plaatsvindt (Ministerie van Economische Zaken, 2015).
Platte schijfhoren*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen (helder) voedselrijk, stilstaand (of slechts zwakstromend) water aanwezig (ionenarm) met begroeiing van waterplanten, zoals bijvoorbeeld gele plomp en witte waterlelie. De soort wordt vaak in draadalg-vegetaties aangetroffen. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbescheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water (IvL & RHB, 2014, 2016).
Zeggekorfslak
N.v.t.
N.v.t.
De zeggekorfslak leeft in moerasgebieden, in oeverzones en broekbossen met een dichtbegroeide tot ijle ondergroei van o.a. Zeggenplanten, zoals de Moeraszegge Carex acutiformis (anemoon, z.d.). Dit biotoop ontbreekt op de projectlocatie.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
38
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
m
z, p, f
Onderbouwing en locaties ³
Vleermuizen Gewone dwergvleermuis*, ruige dwergvleermuis, laatvlieger
Er worden werkzaamheden aan gebouwen verricht (sloop). De woning op het meest oostelijke perceel is matig geschikt voor vleermuizen om in te verblijven. Het dak heeft wel enkele openingen onder de dakpannen op het schuine dak, maar dit is te schuin en daardoor hebben de vleermuizen geen geschikte en vrije uitvliegopening. Echter zijn er in de nok aan de kop van het huis ook enkele openingen tussen de dakrand en de dakpannen. Dit zijn brede openingen, maar wel geschikt als paar- of zomerverblijfplaats. Het is niet gescikt als kraamverblijfplaats en winterverblijfplaats, omdat er geen warme, stabiele temperatuur kan ontstaan. Dit omdat de ruimte te groot is, waardoor de wind er doorheen kan waaien. De woning heeft geen spouwmuren, hierdoor worden winter- en kraamverblijfplaatsen ook uitgesloten. De woning op het westelijke perceel heeft ook enkele openingen onder de dakpannen op het schuine dak en tussen de nokpannen en de nok. Bij deze woning is het dak schuiner, waardoor de vleermuizen wel een vrije uitvliegopening hebben vanuit het schuine dak. De ruimtes onder de dakpannen kunnen mogelijk geschikte zomer- en paarverblijfplaatsen bieden. Ook hier worden winter- en kraamverblijven uitgesloten vanwege het ontbreken van een stabiele temperatuur. Verder wordt er verlichting verplaatst tijdens de werkzaamheden.
Vanwege het open landschap zal deze verlichting mogelijk negatieve effecten op vleermuizen hebben. De verlichting die zal ontstaan na het realiseren van het project heeft mogelijk ook een negatief effect op de vleermuizen. Ten slotte zullen er twee bosschages verdwijnen. Deze bosschages zitten via lijnvormige bomenrijen verbonden aan de rest van het landschap en kunnen daardoor geschikt foerageergebied voor vleermuizen zijn. Mogelijk is dit ook essentieel foerageergebied. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen daarom niet uitgesloten worden. Kraamverblijfplaatsen: de eisen aan een kraamverblijf zijn, onder andere, een stabiele, warme temperatuur met gradiënt, buffermogelijkheden, instraling van zon en temperatuurlekkage vanuit de woning. Aan deze eisen kan niet worden voldaan en daarom kunnen kraamverblijfplaatsen van de benoemde soorten worden uitgesloten. Winterverblijfplaatsen: de eisen aan een winterverblijf zijn onder andere een stabiele temperatuur, vorstvrij (wel koud/koel), gradiënt, buffermogelijkheden, instraling van zon en temperatuurlekkage vanuit de woning. Aan deze eisen kan niet worden voldaan. Daarom kunnen winterverblijfplaatsen van de benoemde soorten worden uitgesloten.
Zomerverblijfplaatsen: de eisen aan een zomerverblijf zijn aanzienlijk beperkter dan aan kraam- of winterverblijven, zo zijn rolluiken, ruimtes achter dakbetimmeringen en boomholtes geschikt. In het projectgebied zijn zomerverblijfplaatsen mogelijk onder de dakrand en onder de dakpannen. Paarverblijfplaatsen: aan een paarverblijf worden vaak weinig eisen gesteld, kleine ruimtes onder vensterbanken of kozijnen zijn geschikt, maar ook boomholtes en bijvoorbeeld ruimtes onder dakranden. In het projectgebied zijn paarverblijfplaatsen mogelijk onder de dakrand en onder de dakpannen. Massawinterverblijfplaatsen: Massawinterverblijven zijn enkel aanwezig in massieve, hoge gebouwen, die zijn niet aanwezig. Essentiële vliegroute: er worden geen lijnvormige houtige elementen gekapt, watergangen gedempt of geblokkeerd. Effecten worden uitgesloten. Essentieel foerageergebied: er wordt geen grote solitaire boom gekapt in open gebied. Er wordt mogelijk wel essentieel foerageergebied gekapt. Effecten worden daarom niet uitgesloten (Bij12, 2017a; Netwerk Groene Bureaus, 2017; Vleermuis.net, 2018). Zie ook de vleermuischecklist in Bijlage 9. In Bijlage 11 zijn foto’s opgenomen.
Rosse vleermuis, watervleermuis
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen bomen met holtes, loszittend schors of bedekt met klimop aanwezig in het projectgebied. Kraamverblijfplaatsen: de eisen aan een kraamverblijf zijn onder andere een stabiele temperatuur, warm, gradiënt en buffermogelijkheden. Er zijn geen mogelijke verblijfplaatsen die aan deze eisen voldoen en daarom kunnen kraamverblijfplaatsen van de benoemde soorten worden uitgesloten. Winterverblijfplaatsen: de eisen aan een winterverblijf zijn onder andere een stabiele temperatuur, vorstvrij (wel koud/koel), gradiënt en buffermogelijkheden. Deze eisen zijn niet aanwezig en daarom kunnen winterverblijfplaatsen van de benoemde soorten worden uitgesloten. Zomerverblijfplaatsen: de eisen aan een zomerverblijf zijn aanzienlijk beperkter dan aan een kraam- of winterverblijf, een boom met een iets doorlopende holte (naar boven) kan geschikt zijn. In het projectgebied zijn deze plekken niet aanwezig en worden daarom uitgesloten. Paarverblijfplaatsen: aan een paarverblijf worden vaak weinig eisen gesteld, onder andere holtes in bomen. Deze zijn niet aanwezig en daarom kunnen paarverblijfplaatsen van de benoemde soorten worden uitgesloten. Massawinterverblijfplaatsen: Massawinterverblijven zijn enkel aanwezige in massieve, hoge gebouwen, die zijn niet aanwezig. Essentiële vliegroute: er worden geen lijnvormige houtige elementen gekapt, watergangen gedempt of geblokkeerd.
Essentieel foerageergebied: er wordt geen grote solitaire boom gekapt in open gebied. Er worden wel bosschages gekapt, maar de rosse vleermuis is niet sterk gebonden aan bomen en struweel en jagen ook boven open land. De watervleermuis jaagt alleen boven water. Negatieve effecten kunnen daarom worden uitgesloten. Migratieroute: deze zijn onder andere bekend van de kust, rivierdalen en grote wateren (o.a. meervleermuis). Dit landschap is niet aanwezig binnen het projectgebied (Netwerk Groene Bureaus, 2017; Vleermuis.net, 2018).
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
39
Te verwachten soort op basis van bureau- en veldonderzoek
a/m¹
Te verwachten functies²
Bever*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig voor de bever, zoals moerasgebied, rivieren of meren omzoomd door broekbossen. Ook zijn geen sporen, zoals recente afdrukken gevonden en is er geen beverburcht aanwezig (Zoogdiervereniging, z.d.a).
Boommarter*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen konijnen-, vossen- of dassenholen aanwezig binnen het projectgebied of binnen 50 meter afstand. Er zijn echter geen geschikte bomen aanwezig op het terrein. Verder zijn geen inrottingsgaten, spechtengaten, eekhoornholen of gebouwen aan de rand van het bos aanwezig om als voortplantingsplaats te kunnen gebruiken (Zoogdiervereniging, z.d.b).
Bunzing, hermelijn en wezel
N.v.t.
N.v.t.
Er is geschikt biotoop aanwezig zoals terreinen met een afwisseling van sloten en greppels, weilanden, akkers, houtwallen en bosschages. Echter is het zo dat er geen geschikt biotoop is om het projectgebied te bereiken. Kleine marterarchtigen gebruiken dekking van struiken en struweel om zich te verplaatsen. Dit is niet aanwezig buiten het projectgebied, waardoor de kleine marterachtigen niet verwacht worden in het projectgebied. (Stichting Kleine Marters, 2018a-c; Zoogdiervereniging, z.d.c, z.d.g, z.d.m.).
Das*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen sporen aangetroffen, zoals burchten, haren of prenten, waaruit mogelijke aanwezigheid blijkt. Ook wordt geen essentieel foerageergebied of wissel aangetast die het functioneren van een burcht negatief kunnen beïnvloeden (Zoogdiervereniging, z.d.d).
Eekhoorn*
N.v.t.
N.v.t.
Er zijn geen eekhoornnesten (bolvormige nesten) waargenomen binnen het projectgebied en 50 meter daarbuiten. Ook zijn geen geschikte boomholtes of spechtengaten aangetroffen die in gebruik zijn of gebruikt kunnen worden (Zoogdiervereniging, z.d.e).
Gewone zeehond
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig voor deze soort. De gewone zeehond leeft voornamelijk in getijdengebieden waar plekken aanwezig zijn die bij eb droogvallen. Deze plekken zijn vooral te vinden langs zandige kusten, maar ook op met wier bedekte riffen, kiezelsteenstranden, zandplaten en stenen. Ze hebben een sterke voorkeur voor rustige plekken, zonder menselijke aanwezigheid. Een enkele keer komt een gewone zeehond (tijdelijk) voor bij riviermondingen of zelfs in (zoete) binnenwateren. De gewone zeehond is zeer gevoelig voor geluid, licht en trilling. De gevoeligheid voor optische verstoring is onbekend (Zoogdiervereniging, z.d.f).
Noordse woelmuis*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, zoals rietland, moeras, extensief gebruikt weiland, periodiek overstroomde terreinen of natte grazige vegetaties. In gebieden zonder andere woelmuizen komt de soort ook voor in drogere biotopen, zoals wegbermen en zelfs in droog naaldbos (Zoogdiervereniging, z.d.h).
Otter*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Er zijn geen overstromingsvrije oeverholtes die kunnen dienen als nestplaats. Ook zijn geen dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages of kunstmatige holten aanwezig die kunnen dienen als dagrustplaats.Er zijn geen eetplekken, loopsporen, wissels, krabheuveltjes, ottergeil of spraints aangetroffen (Zoogdiervereniging, z.d.i).
Steenmarter*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geschikt biotoop aanwezig, echter is dit niet te bereiken voor de steenmarter. De steenmarter maakt gebruik van dekking om zich te verplaatsen en er is geen geschikte dekking aanwezig naar het projectgebied toe. (Zoogdiervereniging, z.d.j).
Waterspitsmuis*
N.v.t.
N.v.t.
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De soort komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt de soort veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten (Zoogdiervereniging, z.d.l).
Onderbouwing en locaties ³
Zoogdieren
¹ a = beschermde functie aangetroffen, m = mogelijk beschermde functie aanwezig. ² N = nestplaats. p = paarverblijfplaats, z = zomerverblijfplaats, fl = functionele leefomgeving, f = foerageergebied, vm = vestiging mogelijk. *Deze soort wordt altijd behandeld en volgt niet noodzakelijkerwijs uit het literatuur- of veldonderzoek.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
40
BIJLAGE 9 - CHECKLIST VLEERMUIZEN Inschatten mogelijke aanwezigheid vleermuizen in een Wet 2. Opgaande gewassen
a. Biedt het gebouw of bieden de gebouwen mogelijk winter-,
Is op of grenzend aan het plangebied één (of zijn meerdere) dunne
kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen voor vleermuizen (denk
Inleiding
bomen (doorsnede globaal. < 3 dm op borsthoogte) en/of struiken/
aan de spouwmuur, dakpannen, kelders, luiken aan de muur,
Ga eerst na welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten
gewassen > 1,5 meter aanwezig?
gevelbekleding, zolders, daklagen, kruipruimtes etc.)? (bouwtekening
zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend
Ja
ter inzage vragen).
verspreidingsbeeld (binnen 20 km van het plangebied, denk daarbij
a. Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een
Ja, verricht nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen
indien nodig ook buiten de landsgrenzen). Daarna dient gekeken
mogelijke route of verbinding (lijnelement)?
van gebouwbewonende vleermuizen.
te worden welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen.
Nee
b. Zijn er sporen van aanwezigheid, poepvlekken, keutels,
Hiervoor kan de onderstaande checklist of geheugensteun worden
b. Zijn er zichtbare holtes spleten, scheuren, losse bast in de boom
vraatresten, bruinverkleuring langs de rand van invliegopeningen en
gebruikt. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten
(bomen)?
dergelijke?
die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden
Nee, er zijn geen scheruen, holtes of losse bast aangetroffen c. Vormt het opgaand groen mogelijk foerageergebied of
Nee, niet aangetroffen. Sporen zijn echter niet altijd zichtbaar.
aangetast. De hieronder aangegeven soorten en/of soortgroepen zijn niet dekkend. Hou rekening met het voorkomen van zeldzaam
beschutting van een naastgelegen foerageergebied (let vooral op
voorkomende soorten. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen
kleinschalig gebied of parkachtige omgeving)?
beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van
Ja,
de soort ter plaatse. Dat blijkt vaak pas uit het (nader) onderzoek. De
vleermuizen (gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger).
natuurbescherming vooronderzoek
verricht
onderzoek
naar
de
foerageerfunctie
antwoorden van de veldecoloog zijn in rood aangegeven achter de 3. Open water
vraag.
Is in of grenzend aan het plangebied één (of meerdere) dikke boom (doorsnede globaal > 3 dm op borsthoogte) aanwezig? Ja a. Zijn holtes, spleten, scheuren, losse bast uit te sluiten? Ja b. Maakt de boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding? Nee c. Maakt de boom (bomen) deel uit of vormt deze mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen Ja, mogelijk foerageergebied.
Ja, zie vraag 2c. d. Zijn er lange, mogelijk in het duister liggende, muren aanwezig?
van
Nee e. bij hoogbouw is een aandachtpunt voor paarverblijfplaatsen voor tweekleurige vleermuis. Niet van toepassing.
Is er open water aanwezig?
1. Dikke bomen
foerageergebied?
c. Mogelijk foerageergebied?
Nee 4. Open gebied Is er open gebied (> 1 ha)?
6. Grotten, groeves, kelders en andere objecten Zijn er grotten en/of groeves en/of kelders, bruggen, tunnels en/of andere objecten met ruimten? Nee
Ja, maar er blijft voldoende open gebied over. 5. Gebouwen
7. Grootschalige landschapselementen Zijn er grootschalige lijnvormige landschapselementen zoals
Zijn er gebouwen aanwezig?
kustzones,
Ja
waterpartijen die een verbindingsroute zouden kunnen vormen
grootschalige
dijken,
duinenrijen,
rivierdalen
of
tussen zomer- en winterleefgebieden (zie kaart bijlage 7 op werkblad 1. aanwijzingen voor gebruik). Nee
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
41
BIJLAGE 10 - PAS Wat is het PAS?
Aerius
PAS staat voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS). In dit
AERIUS is het online rekeninstrument van het PAS. AERIUS
De afbakening van het te beschouwen gebied is veel gevallen
programma werkt het PAS-bureau voor Rijk en provincies aan
ondersteunt
de
vergunningverlening,
monitoring
complex, vanwege het verschil in activiteit, uitstoothoogte, ligging
minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling.
van
en
ruimtelijke
relatie
tot
van het projectgebied en eventuele maatregelen. Wij adviseren
Minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling zijn
stikstof. Op basis van de locatie en de kenmerken van
om bij projecten met een aanzienlijke stikstofuitstoot (zoals
de doelen van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Al jaren is er in
stikstofuitstotende
emissies,
nieuwbouw van meerdere woningen en grote uitvoeringsprojecten)
veel Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak
verspreiding en depositie van stikstof. Door de depositiekaart te
of ammoniakuitstoot (voornamelijk uitbreiding agrarische activi-
en stikstofoxiden). Dit is schadelijk voor de natuur. Het belemmert
combineren met de habitatkaart van de stikstofgevoelige Natura 2000-
teiten) én ligging in de omgeving van een gevoelig Natura 2000-
ook vergunningverlening voor economische activiteiten.
gebieden, ontstaat een beeld van de stikstofbelasting van de
gebied een calculatie uit te voeren. Voor wegen wordt een afstand
habitats.
van vijf kilometer gehanteerd. Op korte afstand van een Natura 2000-
het
Wanneer adviseren wij een aeriuscalculatie uit te voeren?
PAS
bronnen
de
planvorming
berekent
AERIUS
in
de
gebied is vrijwel elke activiteit relevant, terwijl op grotere afstand
Wettelijk kader De regelgeving in het kader van de PAS is vastgelegd in de Wet
Vergunningvrij, melding maken of verguning aanvragen?
een grotere uitstoot verwaarloosbaar kan zijn. Snelwegen en buiten-
natuurbescherming (Wnb). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking
Als een activiteit stikstofdepositie veroorzaakt op een PAS-gebied
stedelijke wegen die op meer dan 5 km van een Natura 2000-gebied
getreden. Naast de wet zijn nog het Besluit natuurbescherming
dient de initiatiefnemer van de activiteit te onderzoeken of de
of toetspunt liggen hebben conform de rekenmethode van AERIUS
(Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) van belang. Zie deze
activiteit vergunningplichting is onder het PAS. Om te bepalen of
Calculator geen bijdrage op de genoemde locatie. Hoewel de
een activiteit vergunningplichtig is, of de uitzondering op de ver-
activiteit in onze quickscan vaak niet overeenkomt met verkeer,
gunningplicht van toepassing is, moet een enkelvoudige berekening
nemen wij wel deze arbitraire grens als uitgangspunt, tenzij wij
in AERIUS Calculator worden uitgevoerd door een initiatiefnemer.
vermoeden dat de activiteit wel meldings- of vergunningsplichtig is.
pagina voor meer informatie. Wanneer en voor wie relevant? Het PAS is relevant voor iedereen die uitstoot van stikstof veroorzaakt (initiatiefnemers), betrokken is bij het verlenen van vergunningen (overheden) en bij natuurbeheer (eigenaren en beheerders van natuurterreinen). Dit gebeurt bijvoorbeeld in landbouw, industrie, infrastructuur, woningbouw en recreatie.
Alleen indien vergunningplicht of meldingsplicht aan de orde is wordt vervolgens een tweede berekening uitgevoerd in AERIUS Calculator om de hoeveelheid benodigde depositieruimte te bepalen. Grenswaarde verlaging Wanneer nog maar 5% van de hoeveelheid depositieruimte resteert
Relevante gebieden In het PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waar ten minste één stikstofgevoelig habitat voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 118 van de 160 Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn via deze pagina te
die voor dit Natura 2000-gebied hiervoor is vastgesteld wordt de grenswaarde verlaagd van 1,0 mol/ha/jaar naar 0,05 mol/ha/jaar. Voor diverse Natura 2000-gebieden is deze grenswaarde verlaagd. Een actueel overzicht is te vinden via deze link.
bekijken.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
42
BIJLAGE 11 - RELEVANTE FOTO’S
Figuur: onder de dakpannen van de woning op het oostelijke perceel zijn (oude) huismusnesten aanwezig.
Figuur: in de loodsen en schuren zijn meerdere nesten van vogels zonder jaarrond beschermd nest aanwezig, zoals een kauw of zwarte roodstaart.
Figuur: het struweel kan onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van huismus.
Figuur: het struweel kan onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van huismus. Ook kunnen
Ook kunnen hier vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden.
hier vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
43
BIJLAGE 11 - RELEVANTE FOTO’S
Figuur: in een van de bomen zit een eksternest
Figuur: onder de dakrand van de westelijke woning kunnen vleermuizen verblijven.
Figuur: Figuur: onder de dakpannen van de westelijke woning kunnen vleermuizen verblijven.
Figuur: onder de dakrand van de oostelijke woning kunnen vleermuizen verblijven.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
44
Over ons Quickscan is een onderdeel van Habitus natuur & landschap, een vooruitstrevend onderzoeks- en adviesbureau voor ecologie, natuur en landschap. Kwaliteit en klanttevredenheid staan bij ons hoog in het vaandel. U kunt van ons verwachten dat wij vlotte en klantgerichte service bieden en aantrekkelijke producten opleveren van het hoogste inhoudelijke niveau. Wij geloven in langdurige samenwerking met opdrachtgevers, partners en personeel op een wijze die wederzijds voordeel oplevert.
Kwaliteit Wij staan voor kwaliteit, dit begint voor ons bij onze ecologen, die specialistische kennis bezitten over de herkenning en ecologie van flora en fauna. Naast inhoudelijke expertise kan kwaliteit in sterke mate geborgd worden door het opstellen en beheren van processen, daarom hebben wij onze bedrijfsstructuur rond processen opgebouwd. Door de aanwezige inhoudelijke kennis en de toepassing van processen aan te vullen met een uitstekende communicatieve vaardigheden, zijn wij er van overtuigd dat elke dienst voldoet aan de strengste kwaliteitseisen.
Klanttevredenheid De klant staat bij ons centraal en dat zien wij ook terug in de cijfers. Zo wordt onze dienstverlening door klanten gemiddeld boven een acht beoordeeld. Regelmatig vragen wij u om een evaluatieformulier in te vullen. Met uw input kunnen we onze dienstverlening in de toekomst verder optimaliseren.
Over ons logo Libellen zijn prachtige insecten. Het is dan ook geen toeval dat we voor inspiratie voor ons logo geput hebben uit de fraaie en diverse vormen die de orde van libellen rijk is. Omdat de vleugelvorm het onderscheidende kenmerk is tussen libellen en juffers en elke soort unieke vleugelkenmerken heeft, hebben we dit onderdeel als basisvorm voor ons logo gekozen.
37