CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij plantoelichting Bestemmingsplan Museumkwartier

Gemeenteraad 2 februari 2023, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Bestemmingsplan Museumkwartier21.830 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Museumkwartier Vlaardingen

Bestemmingsplan Museumkwartier Vlaardingen

Projectnummer 0415387.100 Revisie definitief Datum 20 mei 2022

Auteur(s) N. Groenewold T. Peelen

Opdrachtgever BPD

datum vrijgave beschrijving revisie 20 mei 2022 vastgesteld

goedkeuring P. Ostendorf

vrijgave J. Sonsma

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

vastgesteld bestemmingsplan Museumkwartier Vlaardingen Gemeente Vlaardingen Projectnummer 0415387.100

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting

3

Bijlage 1

Ladderonderbouwing

5

Bijlage 2

Bodemonderzoek

13

Bijlage 3

Aanvullend bodemonderzoek augustus 2021

485

Bijlage 4

Aanvullend bodemonderzoek november 2021

595

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek

689

Bijlage 6

Ontwerpbesluit hogere waarden

879

Bijlage 7

Luchtkwaliteit

885

Bijlage 8

Externe veiligheid

889

Bijlage 9

Natuurtoets

905

Bijlage 10

Stikstofdepositie

951

Bijlage 11

Watertoets

953

Bijlage 12

Archeologische inventarisatiescan

1001

Bijlage 13

Overzicht rijksmonumenten en karakteristieke objecten

1021

Bijlage 14

Transformatiekader

1025

Bijlage 15

Parkeerbehoefte

1077

Bijlage 16

MER Rivierzone

1091

Bijlage 17

Aanvulling MER Rivierzone

1093

Bijlage 18

Nota van zienswijzen

1171

Bijlagen bij de toelichting

blad 3 van 1175

Ruimte - Antea Nederland B.V.

vastgesteld bestemmingsplan Museumkwartier Vlaardingen Gemeente Vlaardingen Projectnummer 0415387.100

blad 4 van 1175

Ruimte - Antea Nederland B.V.

vastgesteld bestemmingsplan Museumkwartier Vlaardingen Gemeente Vlaardingen Projectnummer 0415387.100

Bijlage 1

blad 5 van 1175

Ladderonderbouwing

Ruimte - Antea Nederland B.V.

Memo

memonummer datum aan van kopie project projectnr. betreft

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

1 30 april 2021 Pricilla Ostendorf Antea Group Jordi Grolleman Antea Group Guido van der Molen Antea Group Wim Koers Antea Group Ontw. Museumkwartier Vlaardingen 0415387.100 Onderbouwing Ladder voor Duurzame Verstedelijking Museumkwartier, Vlaardingen

De voorgenomen ontwikkellocatie is gesitueerd tussen de Westhavenkade, de Vetteoordsekade, de Stationsstraat en de Parellelweg te Vlaardingen. Het terrein is conform het vigerende bestemmingsplan ‘Vettenoordesepolder Oost’ (vastgesteld 27 juni 2013) bestemd als ‘Gemengd-2’, bedoeld voor ambachtelijke bedrijven, groothandel, dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen. De opdrachtgever is voornemens om de locatie te herontwikkelen naar een woongebied. De beoogde ontwikkeling bestaat uit twee onderdelen: nieuwbouw van woningen op het binnenterrein welke in het huidige gebruik voornamelijk verhard en onbebouwd is (figuur 1)en de herontwikkeling (transformatie) van enkele monumentale panden aan de Westhavenkade en één pand aan de Vetteoordsekade (figuur 2).

Figuur 1: Beoogde ontwikkeling deel nieuwbouw (bron: Blauw) Figuur 2: Beoogde ontwikkeling herontwikkeling (bron: Blauw)

blad 1 van 6

1.2

Bouwprogramma van 131 woningen

Het beoogde bouwprogramma betreft een divers woningbouwprogramma bestaande uit in totaal maximaal 131 woningen. Het beoogde programma bestaat uit 86 nieuwbouwwoningen in het deelproject nieuwbouw en 45 woninge n in het deelproject herontwikkeling. Het programma, dat is onderverdeeld per deelproject en per type, is weergegeven in onderstaande tabel 1. Tabel 1: Bouwprogramma (ROOSROS Architecten, bewerking Antea Group)

Type Appartementen (< € 250.000 v.o.n.) Eéngezinswoningen (€ 250.000 tot € 375.000 v.o.n.) Eéngezinswoningen (€ 375.000 tot € 450.000 v.o.n.) Appartementen Sprijpanden (€ 150.000 tot € 250.000 k.k.) Appartementen jagerij (€ 200.000 tot € 300.000 k.k.) Woningen WHK 70 tot en met 62 (€ 200.000 tot € 300.000 k.k.) Woningen Warmelo-locatie (> € 450.000 k.k.) Appartementen WHK 72 (€ 350.000 tot € 450.000 k.k.) Woning VOK (€ 250.000 tot € 350.000 k.k.) Totaal

1.3

Deelproject nieuwbouw 30 28 28

86

Deelproject herontwikkeling

10 11 8 4 ‐ 10 5 1 45

Totaal 30 28 28 10 11 8 10 5 1 131

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu van het Rijk en per eind 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening. Overheden moeten op grond van het Bro alle nieuwe stedelijke ontwikkelingen motiveren aan de hand van de Ladder. Sinds 1 juli 2017 is de Laddersystematiek in het Besluit ruimtelijk ordening (Bro) gewijzigd. De Ladder is verankerd in artikel 3.1.6. lid 2 Bro en luidt als volgt: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. Op grond van artikel 1.1.1 lid 1 onder h van het Bro wordt onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaan: “bestaand stedenbouwkundig samenspel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij horende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. We concluderen dat het hier om bestaand stedelijk gebied gaat, aangezien er sprake is van grootschalige verdichting van een bestaand gebied. De huidige bestemmingen worden gekenmerkt als stedelijk.

Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (NSO), dan is een plan Ladderplichtig. Een stedelijke ontwikkeling wordt in artikel 1.1.1 Bro gedefinieerd als een: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijk voorzieningen’. De Ladder is alleen van toepassing op een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe bestemmingsplan meer bebouwing mogelijk maakt, of dat er een functiewijziging van zodanige aard en omvang plaats vindt dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het gaat hierbij zowel om fysiek ruimtebeslag als de wijziging of toevoeging van functies. Onderhavig bestemmingsplan maakt de toevoeging van maximaal 131 woningen mogelijk. Vanaf 12 woningen is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Voorliggend bestemmingsplan is daarmee ‘ladderplichtig’.

blad 2 van 6

1.4

Onderzoeksgebied woningmarktregio Rotterdam – West en Rotterdam

Het onderzoeksgebied van de ‘ladder’ baseren we op de verhuisstromen van, naar en binnen de gemeente Vlaardingen. Circa 42% van het aantal verhuisbewegingen vindt plaats binnen de gemeente Vlaardingen. Dit is iets meer dan het landelijk gemiddelde van 40%. Het aantal gevestigde personen (30%) is nagenoeg gelijk aan het aantal vertrokken personen (28%). Gezien het relatief hoge aandeel migratie uit en naar de gemeente Vlaardingen is het relevant om naast de lokale markt ook de bovenlokale (of sub regionale) woningmarkt te beschouwen. Tabel 2: Verhuizingen in aantal en percentage naar type verhuizing, gemiddeld 2015-2019 (bron: CBS, 2021)

Type verhuizing Binnen gemeente Vlaardingen Gevestigde personen Vertrokken personen Totaal

Aantal bewegingen 4.153 2.955 2.779 9.887

Percentage 42% 30% 28% 100%

In tabel 3 zijn de verhuisbewegingen van de top 10 van herkomstgemeenten en bestemmingsgemeenten weergegeven in 2019. Opvallend is dat deze lijstjes grotendeels overeenkomen: de top 3 bestaat uit Rotterdam, Schiedam en Maassluis. Verder concluderen wij dat naast Rotterdam, ook de andere twee gemeenten (Schiedam en Maassluis) uit de woningmarktregio Rotterdam – West in de top 3 staan. Dit wijst erop dat de woningmarkt van de gemeente Vlaardingen ook een bovenlokale/ sub regionale woningmarkt is. Tabel 3: Verhuisbewegingen van en naar de gemeente Vlaardingen gemiddelde 2015-2019 (herkomstgemeenten betreft verhuizingen naar Vlaardingen; Bestemmingsgemeenten betreft verhuizingen uit Vlaardingen) (bron: CBS, 2020)

# 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Herkomstgemeenten Rotterdam Schiedam Maassluis 's-Gravenhage Westland Nissewaard Capelle aan den IJssel Delft Hellevoetsluis Lansingerland Totaal

Aantal 796 761 166 126 92 77 46 39 31 26 2.159

% 27% 26% 6% 4% 3% 3% 2% 1% 1% 1% 73%

# 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Bestemmingsgemeenten Rotterdam Schiedam Maassluis 's-Gravenhage Nissewaard Westland Capelle aan den IJssel Hoeksche Waard Hellevoetsluis Dordrecht Totaal

Aantal 666 545 207 103 95 62 50 40 39 37 1.844

% 24% 20% 7% 4% 3% 2% 2% 1% 1% 1% 66%

Het onderzoeksgebied wordt gedefinieerd als de woningmarkt regio Rotterdam-West inclusief de gemeente Rotterdam. Dit onderzoeksgebied vertegenwoordigt circa 73% van de verhuizingen naar de gemeente Vlaardingen en circa 66% van de verhuisbewegingen vanuit de gemeente Vlaardingen.

2

Kwantitatieve en kwalitatieve behoefte

De woningbehoefte wordt berekend door de woningbouwopgave (vraag) te verminderen met de planvoorraad (toekomstig aanbod) voor de periode 2021-2030.

2.1

Kwantitatieve behoefte

Bevolkingsprognose: Aantal huishoudens in het onderzoeksgebied groeit met circa 41.760 in de komende tien jaar In tabel 4 is de prognose van het aantal inwoners en huishoudens in het onderzoeksgebied en de gemeente Vlaardingen weergegeven. In het onderzoeksgebied stijgt het aantal inwoners sterker met tot 2030 met 9,8%. Ook het aantal huishoudens zal in het onderzoeksgebied naar verwachting blijven oplopen. Door huishoudensverdunning neemt het aandeel huishoudens relatief harder toe, hetzij dit verschil klein is. In het onderzoeksgebied groeit het aantal huishouden tot 2030 met 41.760 (10,9%). Deze voorspelde groei van 10,9% is een goede voorspeller voor de toekomstige woningvraag in het onderzoeksgebied, daar het aantal huishoudens zich min of meer direct vertaalt naar de vraag naar woningen. Ieder huishouden wil immers bij voorkeur een zelfstandige woning bewonen. Het inwonertal van de gemeente Vlaardingen zal naar verwachting tot 2030 licht toenemen tot 76.770 (4,5%). In de gemeente Vlaardingen neemt het aantal huishoudens toe met 1.630 tot 2030 (4,7%).

blad 3 van 6

Tabel 4: Prognose aantal inwoners en huishoudens gemeente Vlaardingen en onderzoeksgebied (bron: Primos, 2020)

2020 2030 Saldo

Gemeente Vlaardingen Bevolking Huishoudens 73.470 34.870 76.770 36.500 3.300 1.630

Onderzoeksgebied Bevolking Huishouden 763.550 382.050 838.170 423.810 74.620 41.760

Kwantitatieve vraag: 35.770 woningen nodig in het onderzoeksgebied in de komende tien jaar Het aantal huishoudens neemt in het onderzoeksgebied tot 2030 toe met 41.760. Op basis van de ‘Prognose Gewenste Woningvoorraadtoename’ van de provincie Zuid-Holland bedraagt de kwantitatieve vraag in het onderzoeksgebied tussen 2020-2030 35.770 woningen. Aanbod: Harde planvoorraad van circa 23.661 woningen De actuele planvoorraad is gebaseerd op het overzicht van de planmonitor wonen Zuid-Holland (openbare versie) en de bouwkaart woningbouwprojecten van de gemeente Rotterdam. Voor de Ladder is alleen de harde planvoorraad relevant. Dit zijn plannen die al planologisch zijn vastgesteld. Uit de bouwkaart woningbouwprojecten van de gemeente Rotterdam zijn de woningen in aanbouw en de woningen in studie aangemerkt als harde planvoorraad. Woningen in voorbereiding zijn gedefinieerd als zachte planvoorraad. De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in de planmonitor. Binnen het onderzoeksgebied bedraagt de totale planvoorraad 64.640 woningen, waarvan 23.661 woningen in harde plannen (vigerend bestemmingsplan) en 40.979 in zachte plannen. In Vlaardingen bedraagt de totale planvoorraad 4.243 woningen, daarvan zijn 564 woningen al planologisch vastgesteld en 3.679 nog zacht (tabel 5).

Tabel 5: planvoorraad naar type in de gemeente Vlaardingen en het onderzoeksgebied (bron: Planmonitor, peildatum 14-04-2021)

Type Harde planvoorraad Zachte planvoorraad Totale planvoorraad

Vlaardingen 564 3.679 4.243

Onderzoeksgebied 23.661 40.979 64.640

Confrontatie: behoefte aan circa 12.109 woningen Als de vraag afgezet wordt tegen de harde planvoorraad in het onderzoeksgebied, dan volgt hieruit een behoefte aan 12.109 woningen (figuur 3). Ook in de gemeente Vlaardingen is er onvoldoende harde planvoorraad om in de woningvraag te voldoen. De behoefte binnen de gemeente Vlaardingen bedraagt 1.206 woningen.

Kwantitatieve behoefte 40.000

35.770

35.000 30.000 23.661

25.000 20.000 15.000 10.000 5.000

1.770

564

Vlaardingen

Onderzoeksgebied Vraag

Harde planvoorraad

Figuur 3: Harde planvoorraad woningbouw ten opzichte van bouwopgave gemeente Vlaardingen en onderzoeksgebied 2020-2030

2.2

Kwalitatieve behoefte

Woningvoorraad: oververtegenwoordiging sociale huur De woningvoorraad in het onderzoeksgebied bestaat uit circa 403.509 woningen en wordt gekenmerkt door een groot aandeel meergezinswoningen (72%) ten opzichte van het aandeel eengezinswoningen (28%). Dit wijkt af van het Nederlands gemiddelde, dat bestaat uit 36% meergezinswoningen en 64% eengezinswoningen. Ook de

blad 4 van 6

eigendomssituatie van de woningvoorraad wijkt af van het landelijk gemiddelde. Het eigendom van de woningvoorraad in het onderzoeksgebied wordt getypeerd door een hoog aandeel sociale huur (43%), gevolgd door 38% koopwoningen en 18% vrije huurwoningen. Het landelijk gemiddelde beslaat 29% sociale huur, 57% koopwoningen en 13% vrije huur. Met name de sociale huur, en deels de vrije huur, is in het onderzoeksgebied oververtegenwoordigd ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Deze oververtegenwoordiging wordt met name veroorzaakt door de gemeente Rotterdam. Echter, wanneer we het onderzoeksgebied exclusief de gemeente Rotterdam afzetten tegen het landelijk gemiddelde dan is nog steeds de sociale huursector oververtegenwoordigd ten opzichte van het landelijk gemiddelde, respectievelijk 38% in het onderzoeksgebied exclusief de gemeente Rotterdam ten opzichte van 29% als het landelijk gemiddelde.

Type woning 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Onderzoeksgebied

Onderzoeksgebied excl. Rotterdam

Eengezinswoning

Nederland

Meergezinswoning

Figuur 4: Woningvoorraad naar type onderzoeksgebied en Nederland 2020 (bron: CBS, 2021)

Eigendom woning 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Onderzoeksgebied

Onderzoeksgebied excl. Rotterdam

Koopwoning

Sociale huur

Nederland

Vrije huur

Figuur 5: Woningvoorraad naar eigendom onderzoeksgebied en Nederland 2020 (bron: CBS, 2021)

Huishoudenssamenstelling: groei aantal eenpersoonshuishoudens in het onderzoeksgebied Met name het aantal huishoudens en de samenstelling van die huishoudens bepalen een groot deel van de woningvraag. In het onderzoeksgebied is het grootste deel van de huishoudens een éénpersoonshuishouden (46% van het aantal huishoudens), gevolgd door paren (43%) en éénoudergezinnen (10%). Relevant voor de toekomstige woningvraag is de voorspelde groei van het aandeel éénpersoonshuishoudens in het totaal, omdat deze groep een groot deel van de groei van het aantal huishoudens betreft. Het aandeel éénpersoonshuishoudens in het onderzoeksgebied stijgt tot 2030 met circa 8%. Het aandeel eenpersoonshuishoudens stijgt harder dan het aandeel paren en het aandeel éénoudergezinnen (beide respectievelijk 5%). Afgaande op deze bevolkingsprognose zal de toekomstige woningvraag in het onderzoeksgebied in toenemende mate bestaan uit woningen die geschikt zijn voor kleine(re) huishoudens.

blad 5 van 6

Kwalitatieve vraag: middeldure en dure koop en huur De Woonvisie Rotterdam en Contourennota Wonen gemeente Vlaardingen concluderen dat er vraag is naar woningen in alle prijsklassen. Op basis van de Woonvisie Rotterdam is er vraag naar betaalbare woningen voor starters en mensen met een middeninkomen. Ook geeft het beleid er prioriteit aan om tegemoet te komen aan de vraag van modale en hogere inkomens, “sociale stijgers” en “young potentials”. Binnen de gemeente Vlaardingen is er op basis van de Contourennota Wonen en het Actieplan Wonen met name vraag naar koopwoningen voor gezinnen. Hiervoor is de behoeft dan minimaal 50% van de nieuwe woningen in het duurdere koopsegment wordt gebouwd. Binnen de gemeente Vlaardingen is behoefte aan een afname van het aantal sociale huurwoningen. Tevens tracht de gemeente om koopwoningen met een WOZ-waarde tot € 200.000,- in het koopsegment te plaatsen en niet in het huursegment, zodat ook starters een kans krijgen. Confrontatie: De ontwikkeling voorziet in de kwalitatieve behoefte naar koopwoningen Binnen het onderzoeksgebied is vraag naar woningen in alle prijsklassen. Betaalbare woningen voor starters en senioren, maar ook woningen voor modale en hoge inkomens zijn gewenst. In het onderzoeksgebied is behoefte aan een afname van het aantal sociale huurwoningen.

De voorgenomen ontwikkeling van maximaal 131 woningen voldoet (ook) aan de kwalitatieve behoefte. Het beoogde programma bestaat uitsluitend uit koopwoningen in alle prijsklassen. Zo bestaat de beoogde ontwikkeling uit circa 40 w oningen in het betaalbare segment (tot € 250.000,-) en circa 19 woningen tussen de € 200.000,- en € 300.000,-. Tevens bestaat het beoogde programma uit circa 28 woningen in het middensegment (€ 250.000,- tot € 375.000,-) en 44 woningen in het dure segment (€ 375.000,- of hoger). Zo voorziet de beoogde ontwikkeling in koopwoningen voor starters en senioren met een laag inkomen en voor “sociale stijgers” en “young potentials” met een modaal en hoog inkomen.

3

Conclusie

Om de herontwikkeling gesitueerd tussen de Westhavenkade, de Vetteoordsekade, de Stationsstraat en de Parellelweg te Vlaardingen mogelijk te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking onderbouwd.  In de gemeente Vlaardingen zijn er relatief veel verhuisbewegingen vanuit en naar omliggende gemeenten. Het onderzoeksgebied is daarom afgebakend op basis van de woningmarktregio Rotterdam-West inclusief de gemeente Rotterdam.  Tussen 2020-2030 is er vraag naar 35.770 woningen in het onderzoeksgebied.  In het onderzoeksgebied zijn er voor 23.661 woningen aan toekomstige harde bouwplannen.  Als de vraag afgezet wordt tegen de harde planvoorraad dan blijkt er in het onderzoeksgebied nog een behoefte aan 12.109 woningen tot 2030. Er is dus een kwantitatieve behoefte naar woningen in het onderzoeksgebied.  De beoogde ontwikkeling voorziet in de kwalitatieve behoefte naar koopwoningen in alle prijsklassen. Het beoogde programma voorziet niet in de ontwikkeling van sociale huur. Hier is in het onderzoeksgebied ook geen vraag naar.  De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.

blad 6 van 6

vastgesteld bestemmingsplan Museumkwartier Vlaardingen Gemeente Vlaardingen Projectnummer 0415387.100

blad 12 van 1175

Ruimte - Antea Nederland B.V.

vastgesteld bestemmingsplan Museumkwartier Vlaardingen Gemeente Vlaardingen Projectnummer 0415387.100

Bijlage 2

blad 13 van 1175

Bodemonderzoek

Ruimte - Antea Nederland B.V.

Rapport Projectnummer: 369585 Referentienummer: SWNL0259054 Datum: 08-04-2020

Verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek Museumkwartier te Vlaardingen

Definitief

Opdrachtgever: BPD Ontwikkeling B.V. Poortweg 2 2612 PA Delft

Sweco K.P. van der Mandelelaan 41-43 3062 MB Rotterdam Postbus 4381 3006 AJ Rotterdam Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Rotterdam Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Thijs Poelma Junior Adviseur Bodem en Ondergrond T +31 88 811 6837 M +31 6 31774393

Verantwoording Titel

Verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek

Subtitel

Museumkwartier te Vlaardingen

Projectnummer

369585

Referentienummer

SWNL0259054

Revisie

Definitief

Datum

08-04-2020

Auteur(s)

Judith Sterken, Thijs Poelma

E-mailadres

judith.sterken@sweco.nl thijs.poelma@sweco.nl

Gecontroleerd door

Ronald Wolters

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Tanja van Zanden

Paraaf goedgekeurd

Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid Het managementsysteem van Sweco Nederland B.V. voldoet aan verschillende eisen en normen. Een algemeen overzicht hiervan is opgenomen in de laatste bijlage. Sweco Nederland B.V. verklaart hierbij dat zij en haar onderaannemers geen belang hebben bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Het onderzoek is derhalve volgens de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit onafhankelijk uitgevoerd. Volgens het Besluit bodemkwaliteit dient onderzoek uitgevoerd te worden volgens, door de SIKB, vastgestelde beoordelingsrichtlijnen. In de rapportage wordt, indien van toepassing, expliciet vermeld welke werkzaamheden niet zijn uitgevoerd onder de beoordelingsrichtlijnen en onderliggende protocollen, inclusief de consequenties hiervan.

2 (38)

De locatie Het plangebied Museumkwartier is gelegen aan de Westhavenkade en Vetteoordskade in het centrum van Vlaardingen. BPD transformeert deze voormalige bedrijvenlocatie naar een duurzame en beeldbepalende woonomgeving. Uitgevoerd onderzoek n de bodem in beeld gebracht. Hiertoe zijn door Sweco de volgende onderzoeken uitgevoerd: Vooronderzoek, referentienummer SWNL0203544, d.d. 29-03-2017; Verkennend bodemonderzoek, afperkend onderzoek en indicatief asbestonderzoek, referentienummer SWNL0221052, d.d. 16-02-2018; Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek (fase 2), referentienummer <concept>, d.d. 04-05-2019; Onderhavig onderzoek. In dit rapport zijn de resultaten van het vooronderzoek en de voorgaande fasen van het bodemonderzoek samengevoegd met de resultaten van onderhavig onderzoek. Op basis hiervan wordt voor het plangebied als geheel een uitspraak gedaan over de milieu-

Geconcludeerd wordt dat op de locatie sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging met metalen, bestaande uit vier verontreinigingsvlekken. Dit betreffen verontreinigingsvlekken met de volgende stoffen en omvang: zink in het midden van het noordelijke deel van de locatie met een omvang van tenminste 1.440 m3 en mogelijk 1.545 m3; koper, nikkel en zink in de zuidwestelijke hoek van de locatie met een omvang van circa 140 m3 met binnen de contour tevens een matige PAK-verontreiniging; lood langs de westelijke terreingrens in de noordwestelijke hoek van de locatie met een omvang van circa 35 m3; koper achter de bebouwing aan de oostzijde van de locatie ter hoogte van de bebouwing Westhavenkade 69-70A met een omvang van circa 30 m3 De verontreiniging valt onder de Wet bodembescherming. De verontreiniging betreft, gezien de start van bodembedreigende activiteiten op de locatie voor de tweede wereldoorlog een historische verontreiniging. Uit de risicobeoordeling blijkt dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarvan de sanering niet spoedeisend is. Voor wat betreft de aangetoonde gehalten aan minerale olie, PAK, asbest en metalen elders op de locatie buiten de verontreinigingscontouren is ten hoogste sprake van gehalten onder de interventiewaarde. Voor wat betreft PFAS is de grond elders herbruikbaar.

De enige randvoorwaarde hierbij is, dat grond vrijkomend op het noordwestelijke en het gedeelte van de locatie op basis van de aangetoonde gehalten aan PFAS niet in grondwater-beschermingsgebieden en in oppervlaktewater toegepast mag worden. Dit geldt mits de grond op basis van de overige parameters toepasbaar is als vermeld in tabellen 6-1 tot en met 6-3. Bij grondroerende werkzaamheden of functiewijziging van de bodem ter plaatse van de bodemverontreiniging dient instemming van het bevoegd gezag verkregen te worden (saneringsplan, BUS-procedure tijdelijke uitplaatsing of BUS-procedure immobiel).

3 (38)

Er dient binnen de loodcontour gewerkt te worden volgens de veiligheidsnietrkzaamheden dient een veiligheidsplan te worden opgesteld en goedgekeurd door een Middelbaar Veiligheidskundige. Buiten de loodcontour is er geen veiligheidsklasse van toepassing. Indien bij werkzaamheden sprake is van overtollige grond, kan (een deel van) deze grond niet zonder behandeling (zeven en/of reiniging) elders worden toegepast. Geadviseerd wordt eventuele overtollige grond naar een erkende verwerker te brengen. Gevolgen voor herontwikkeling Om het gehele plangebied geschikt te maken voor het beoogde gebruik, dienen de verontreinigingen te worden gesaneerd. Saneren kan hierbij bestaan uit het afgraven van de sterk verontreinigde grond, maar ook uit het herschikken en afdekken hiervan met een leeflaag van schone grond of een verharding en/of betonvloer. In samenhang met de planontwikkeling moet worden bekeken welke maatregel(en) worden getroffen.

bodemkwaliteit heeft echter wel gevolgen indien bij de herontwikkeling grond moet worden afgevoerd. Bij afvoer van overtollige grond gelden de wettelijke beperkingen voor hergebruik. Vervolgtraject resterende milieukundige werkzaamheden Om te komen tot een locatie die geschikt is voor het beoogde gebruik is het verdere traject als volgt: Het opstellen van een saneringsplan (of BUS-melding) voor de verontreinigingsspots conform de eisen uit de Wet bodembescherming. Hierbij moet in samenhang met de planontwikkeling worden bekeken of de sanering zal bestaan uit het ontgraven, afvoeren, herschikken of het afdekken van de verontreiniging, of een combinatie hiervan; Aanvragen beschikking op het saneringsplan of instemming met de BUS-melding bij de DCMR; Sanering van de lokale verontreinigingsspots volgens de aanpak als vastgelegd in het saneringsplan door een BRL SIKB 7000 erkende aannemer en onder milieukundige begeleiding conform BRL SIKB 6000, al dan niet in combinatie met bouwrijp maken van de locatie; Opstellen en ter goedkeuring bij de DCMR indienen van een saneringsverslag.

4 (38)

Inhoudsopgave 1

2

3

Inleiding ............................................................................................................................ 7 1.1

Algemeen................................................................................................................. 7

1.2

Aanleiding en doelstelling........................................................................................ 7

1.3

Opbouw van het rapport .......................................................................................... 7

Vooronderzoek ................................................................................................................. 8 2.1

Algemeen................................................................................................................. 8

2.2

Onderzoekslocatie ................................................................................................... 8

2.3

Historisch gebruik .................................................................................................... 9

2.4

Bevindingen eerder bodemonderzoek ..................................................................10

2.5

Huidig en toekomstig gebruik ................................................................................13

2.6

Bodemopbouw.......................................................................................................13

2.7

Bodemkwaliteitskaart.............................................................................................14

2.8

Asbestverdachte activiteiten op en nabij locatie....................................................14

2.9

Terreininspectie .....................................................................................................14

2.10

Conclusie vooronderzoek ...................................................................................... 14

2.11

Conceptueel model en onderzoeksvragen............................................................ 14

2.12

Onderzoekshypothese en -strategie .....................................................................15

Veldonderzoek ...............................................................................................................16 3.1

Onderzoeksstrategie .............................................................................................16

3.2

Maaiveldinspectie ..................................................................................................19

3.3

Visuele beoordeling grond.....................................................................................19

3.4

Grondwateronderzoek ...........................................................................................20

4

Laboratoriumonderzoek .................................................................................................22

5

Resultaten bodemonderzoek asbest.............................................................................. 24

6

5.1

Toetsingskader ...................................................................................................... 24

5.2

Mate van bodemverontreiniging ............................................................................24

5.3

Voorlopige veiligheidsklasse ................................................................................. 26

Resultaten bodemonderzoek chemische parameters....................................................27 6.1

Toetsingskader ...................................................................................................... 27

6.2

Mate van bodemverontreiniging ............................................................................27

6.3

Hergebruik op basis van PFAS en bodemvreemde bijmengingen........................31

6.3.1

PFAS ................................................................................................................. 31

6.3.2

Bijmengingen, bodemkundige ziekten en invasieve exoten.............................. 32

6.4 7

Voorlopige veiligheidsklasse ................................................................................. 32

Interpretatie onderzoeksresultaten................................................................................. 34 7.1

Verontreinigingssituatie ......................................................................................... 34

5 (38)

7.1.1

Grond................................................................................................................. 34

7.1.2

Grondwater ........................................................................................................ 34

7.2

8.

Gevalsdefinitie en omvangsbepaling.....................................................................34

7.2.1

Verontreinigingsvlek zink ................................................................................... 35

7.2.2.

Verontreinigingsspot lood .............................................................................. 35

7.2.3.

Verontreinigingsvlek koper, nikkel en zink ....................................................35

7.2.4.

Verontreinigingsspot koper en minerale olie ................................................. 36

7.2.5.

Minerale olie ..................................................................................................36

7.3.

Risicobeoordeling ..................................................................................................37

7.4.

Veiligheidsaspecten...............................................................................................37

Conclusie en advies .......................................................................................................38 8.1.

Conclusie ...............................................................................................................38

8.2.

Advies ....................................................................................................................38

Bijlagen Bijlage 1

Topografische ligging onderzoekslocatie

Bijlage 2

Situatie met boringen en sleuven

Bijlage 3

Vooronderzoek

Bijlage 4

Veldonderzoek en monsterselectie

Bijlage 5

Analysecertificaten

Bijlage 6

Toetsingstabellen en -kader bodemonderzoek

Bijlage 7

Situatietekeningen met toetsingsresultaten en verontreinigingscontouren

Bijlage 8

Bepaling veiligheidsklassen

Bijlage 9 Bijlage 10

Kwaliteitsborging

6 (38)

1

Inleiding

1.1 Algemeen In opdracht van BPD Ontwikkeling B.V. heeft Sweco Nederland B.V. een nader milieukundig bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het Museumkwartier aan de Westhavenkade en Vetteoordskade te Vlaardingen. De uitgevoerde bodemonderzoeken zijn gebaseerd op de volgende onderzoeksnormen: NEN 5725:2017 nl Bodem Landbodem Strategie voor het uitvoeren van NEN 5740:2009/A1:2015 nl Bodem Landbodem Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek bodem en grond; NTA 5755 (nl) Bodem Landbodem Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging; NEN 5707+C2:2017 nl Bodem Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. 1.2 Aanleiding en doelstelling Aanleiding tot het laten instellen van een locatiedekkend asbestonderzoek en nader bodemonderzoek zijn de in eerdere fasen aangetroffen verontreinigingen op de locatie en voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Het doel van het onderzoek is meerledig en betreft: het in kaart kunnen brengen van de kosten voor eventuele sanering; het kunnen opstellen van een eventueel saneringsplan stellen voor de bij de herontwikkeling benodigde grondwerkzaamheden; het kunnen aanvragen van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.

1.3 Opbouw van het rapport In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: het vooronderzoek, en vaststelling onderzoekshypothese (hoofdstuk 2); het uitgevoerde veldonderzoek (hoofdstuk 3); het laboratoriumonderzoek (hoofdstuk 4); de resultaten bodemonderzoek asbest (hoofdstuk 5); de resultaten bodemonderzoek chemische parameters (hoofdstuk 6); de interpretatie van de resultaten (hoofdstuk 7); conclusie en advies (hoofdstuk 8). De bijlagen maken onlosmakelijk deel uit van deze rapportage.

7 (38)

2

Vooronderzoek

2.1 Algemeen Het vooronderzoek is in 2017 uitgevoerd volgens de NEN 5725 Dit hoofdstuk presenteert de bevindingen van het vooronderzoek. De gebruikte informatiebronnen voor het vooronderzoek zijn eveneens in bijlage 3 weergegeven. Deze informatiebronnen zijn volgens ons voldoende betrouwbaar en volledig om, in relatie tot de aard van de onderzoekslocatie, een uitspraak te kunnen doen over de verdenking van bodemverontreiniging. Het vooronderzoek resulteert in gegevens over de aard en verdeling van de verontreinigingen in het onderzoeksgebied. Hiermee is de onderzoeksmethode bepaald. 2.2 Onderzoekslocatie De regionale ligging van de onderzoekslocatie is aangegeven in bijlage 1. Een overzicht van de locatie is weergegeven in bijlage 2. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Westhavenkade en Vetteoordskade in het centrum van Vlaardingen. De locatie betreft een voormalig bedrijfsterrein. In tabel 2-1 zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2-1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie Vetteoordsekade / Westhavenkade te Vlaardingen Kadastrale gegevens locatie Gemeente Vlaardingen, sectie M, nummers 1199, 1790, 1791, 1792, 1793 en 1794 Locatiecode Wbb AA062200775 Eigenaar locatie BPD Ontwikkeling B.V.

X: 83.252,30, Y: 435.673,91 Oppervlakte locatie 11.720 Huidig gebruik Niet in gebruik zijn binnenterrein met niet in gebruik zijnde (deels monumentale) opstallen Verhardingen Verhard (betonvloeren, stelconplaten, klinkerstroken) Aanwezigheid asbest Bij eerder uitgevoerd onderzoek zijn gehalten aan asbest boven de tussenwaarde aangetoond.

Onderstaande figuur geeft een indicatie van de indeling en omvang van de onderzoekslocatie.

8 (38)

Figuur 1: Contour onderzoekslocatie

2.3 Historisch gebruik De locatie is sinds ongeveer 1850 in gebruik. Voorheen maakte de locatie deel uit van het stroomgebied van de Maas. De locatie is dan ook opgehoogd. De meeste gebouwen zijn volgens het BAG-register gebouwd voor 1955. Vermoedelijk hebben daarna dan ook geen ingrijpende ophogingen van het terrein meer plaatsgevonden. Na 1955 zijn diverse bedrijfsgebouwen gebouwd en ook weer gesloopt.

2019

1991

1945 - 1955

1939

Figuur 2: Topografische kaarten

Bekende historische activiteiten zijn onder meer een benzinepompinstallatie, een textielververij, een schildersbedrijf, lederwarenindustrie, meubelververij en -spuiterij, opslag van aromatische koolwaterstoffen, autosloperij en lakspuitinrichting op het zuidelijk terreindeel, verfwarengroothandel en een metaalconstructiebedrijf, alsmede een haring verwerker. Met het door Geofox in 2000 uitgevoerde vooronderzoek (zie paragraaf 2.4) zijn de in figuur 3 opgenomen verdachte activiteiten in beeld gebracht.

9 (38)

Figuur 3: Verdachte activiteiten volgens het vooronderzoek van Geofox uit 2000

Volgens het door Geofox uitgevoerde vooronderzoek zijn in het verleden een aantal vuurplaatsen in gebruik geweest en is in de buurt van de tanks een teerplaats geweest. Nadere informatie hierover ontbreekt. Met een door ReGister in 2001 uitgevoerde historisch onderzoek (zie paragraaf 2.4) zijn historische activiteiten ter plaatse van Vetteoordskade 7-11 in beeld gebracht. Een kuiperij, een kleurendrukmachine en een lasmachine (zie figuur 4) zijn als verdachte locaties met betr

Figuur 4: Verdachte locaties volgens het historisch onderzoek door Register

2.4 Bevindingen eerder bodemonderzoek Uit de gegevens van DCMR Milieudienst Rijnmond blijkt dat er op en nabij de locatie veel bodemonderzoeken uitgevoerd zijn. Daarnaast is een aantal saneringen uitgevoerd op locaties nabij het te ontwikkelen gebied. Slechts twee van deze onderzoeken zijn ter plaatse van het te ontwikkelen plangebied uitgevoerd. De overige in bijlage 3 vermelde onderzoeken binnen 25 m afstand tot de onderzoekslocatie zijn beoordeeld. Op basis van deze onderzoeken wordt verwacht dat de bodemkwaliteit van het onderzoeksgebied niet

10 (38)

In onderstaande tabel zijn de op onderhavige onderzoekslocatie uitgevoerde bodemonderzoeken weergegeven. Rapport verkennend bodemonderzoek Westhavenkade / Steenplaats Vlaardingen, Geofox, projectnummer: P3440/YVK/nh, d.d. 11 april 2000; Historisch onderzoek Provincie Zuid-Holland - Cluster : 20 Vlaardingen - Vetteoordskade 7-11 Vlaardingen, ReGister, projectnummer: 0051, d.d. 21 december 2001; Historisch onderzoek Steenplaats ong. te Vlaardingen, BK Ingenieurs, kenmerk: DC 062200373-005, projectnummer: 20090574, d.d. 9 september 2009. Het verkennend bodemonderzoek (Geofox, 2000) is verricht op vrijwel het gehele te ontwikkelen gebied. Alleen het terreindeel direct achter Westhavenkade 71, Westhavenkade 72 tot en met 74 en het direct achterliggende terrein is niet onderzocht. Het onderzoek richt zich op vier deellocaties, te weten het gehele terrein (A), Westhavenkade 74 (B), een tankinstallatie (C) en Steenplaats 1 tot en met 5 (D). Deze laatste deellocatie maakt geen deel uit van het nu te ontwikkelen plangebied en wordt in onderstaande inventarisatie niet verder behandeld. Uit het onderzoek blijkt op de locatie de bodem (plaatselijk tot 2,0 m -mv) bijgemengd te zijn met puin en plaatselijk met kolengruis. Op verschillende plaatsen wordt ook een olie/waterreactie in de bodem waargenomen.

Deze zintuiglijke verontreinigingskenmerken zijn te aanwezigheid van een stedelijke ophooglaag. Gehele terrein (A) De bovengrond is plaatselijk matig (boringen 8 en 23) tot sterk (boring 6) verontreinigd met PAK. Voorts zijn in de boven- en ondergrond licht verhoogde gehalten aangetroffen aan minerale olie, PAK en metalen. Plaatselijk is in de boven- en ondergrond EOX verhoogd ten opzichte van de detectiegrens aangetoond. In boring 10 is zintuigelijk olie waargenomen. Het gehalte aan minerale olie is licht verhoogd gemeten. In het grondwater van peilbuis 24 zijn geen verhoogde concentraties gemeten. In het grondwater van peilbuis 29, ter hoogte van de voormalige lakspuitinrichting en de voormalige autosloperij, zijn zink en arseen licht verhoogd gemeten. Een mogelijke oorzaak of bron voor het sterk verhoogde gehalte aan PAK ter plaatse van boring 6 wordt niet gegeven. Niet uitgesloten wordt dat ter plaatse van boring 6 een teerplaats aanwezig is geweest. Ter plaatse van boring 8 heeft een voormalige vuurplaats gestaan. Dit zou een verklaring voor de PAK-verontreiniging kunnen zijn. Ter plaatse van boring 23 is geen directe oorzaak of bron voor het gemeten gehalte aan PAK voor handen. De licht verhoogde gehalten aan metalen en PAK in de grond zijn vermoedelijk gerelateerd aan de bijmenging met puin.

Opgemerkt wordt dat in de gemeente Vlaardingen in de bovenste laag van de bodem (0 tot 0,5 m -mv) veelvuldig zware metalen en PAK in verhoogde gehalten aanwezig zijn. De betreffende verontreinigingen komen diffuus voor in de bovenste bodemlaag als gevolg van historischeIn dit geval is een bijmenging met puin waargenomen tot een diepte van circa 2 m -mv. De verhoogde gehalten aan metalen in het grondwater zijn mogelijk te relateren aan de voormalige bedrijfsactiviteiten. Westhavenkade 74 (B) Ter hoogte van de olieopslag (gelegen buiten de onderzoeksgrens van dit onderzoek, maar binnen het te ontwikkelen plangebied) is peilbuis 28 gesitueerd. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aan minerale olie en aromaten gemeten.

11 (38)

Tankinstallatie (C) Voormalige tank 6.000 liter: In het zintuigelijk verontreinigde grondmonster van boring 7 (0,9 tot 1,4 m -mv) is een licht verhoogd gehalte aan benzeen aangetoond. Voor het overige zijn geen verontreinigingen gemeten. In het grondwater (peilbuis 7) zijn geen verhoogde concentraties aan minerale olie of aromaten gemeten. Voormalige tank 5.000 liter: Zintuigelijk zijn geen olieproducten waargenomen. In de grond (boring 22) is rond het grondwater niveau (1,0 tot 1,5 m -mv) een licht verhoogd gehalte aan benzeen aangetoond. Voor het overige zijn geen verontreinigingen gemeten. In het grondwater (peilbuis 22) zijn licht verhoogde gehalten aan tolueen en xylenen gemeten. : In het grondwater (peilbuis 21) zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie en xylenen gemeten. Ter plaatse van de tankinstallatie zijn nog kleine restverontreinigingen aanwezig. De Interventie- en Tussenwaarde overschrijdingen, zoals aangetoond in een onderzoek uit 1997, zijn voor minerale olie niet meer aangetoond. De omvang van de verontreinigingen zijn niet vastgesteld. De tanks zijn zeer waarschijnlijk niet meer aanwezig, hetgeen blijkt uit een interview, maar het onderzoek geeft hier geen zekerheid over.

Figuur 5: Boorpunten met sterke (# 6) respectievelijk matige (# 8 en 23) PAK-verontreinigingen

De overige aangetroffen gehalten in 2000 zijn dusdanig laag dat deze geen belemmering vormen voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied tot woongebied en geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Opgemerkt wordt dat het onderzoek stamt uit 2000 en de analyseresultaten daarmee zijn verouderd. Bij het bodemonderzoek is tot op heden geen aandacht besteed aan het voorkomen van asbest in de bodem. Vanwege de aangetroffen bijmengingen met puin dient de bodem als asbestverdacht te worden beschouwd. Uit de resultaten van de in 2018 en 2019 uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de bodem overwegend licht verontreinigd is met metalen, PAK en minerale olie. Plaatselijk zijn er matige tot sterke verontreinigingen aangetroffen die nader dienen te worden onderzocht. Het betreft de volgende verontreinigingen op de volgende locaties: 1. Voormalig gebouw A1: sterke loodverontreiniging (boring 03, onderzoek 2019). 2. Voormalig gebouw A5: sterke koper- en nikkelverontreiniging (boring 07, onderzoek 2019).

12 (38)

3. Gebouw 70-70A: sterke koper- en matige minerale olieverontreiniging (boring 15, onderzoek 2019). 4. Binnenterrein noordwestelijk deel: matige zinkverontreiniging (boringen 05, 07, 08, 12, onderzoek 2017/2018). 5. Westelijk van voormalige gebouwen B7a en B9: matige asbestverontreiniging (boring 08, onderzoek 2017/2018). 6. Binnenterrein midden: matige olieverontreiniging (boring 16, onderzoek 2017/2018). Daarnaast is ter plaatse van de gebouwen B6a en B7c (deellocatie 7) geen bodemonderzoek verricht omdat de omgeving van deze gebouwen niet toegankelijk was vanwege asbest. Verder is onder de vloer van voormalig gebouw A6 (deellocatie 8) gas waargenomen met een LEL1-meting nabij de 100%. 2.5 Huidig en toekomstig gebruik Ten tijde van onderhavig in 2020 uitgevoerd bodemonderzoek is een deel van de bebouwing (met name de bedrijfspanden) gesloopt. De bedrijfspanden waren ten tijde van het onderzoek van Geofox in 2000 al voor het merendeel niet meer in gebruik. Verhardingen als betonvloeren, betonplaten en klinkers zijn nog aanwezig. Op basis van de huidige plannen krijgt de locatie in de toekomst de bestemming wonen.

Figuur 6 Luchtfoto van de locatie uit 2008 (links) en 2019 (rechts)

2.6 Bodemopbouw Het maaiveld op de locatie ligt op circa NAP+0 m. De locatie is aan alle zijden omgeven door hoger gelegen terreinen en/of wegen. De deklaag is circa 20 m dik. Daaronder bevindt zich het 1e watervoerend pakket. Tot een diepte van circa 4 m -mv varieert de bodemopbouw sterk en bestaat deze uit klei- en zandlagen. Vanaf een diepte van 4 m -mv tot 5 m -mv (maximale boordiepte eerdere onderzoeken) is (plaatselijk sterk humeuze) klei aangetroffen.

1

Lower explosion level (laagste concentratie waarbij een bepaalde stof kan worden ontstoken in lucht).

13 (38)

2.7 Bodemkwaliteitskaart Onderstaand zijn de gegevens uit de bodemkwaliteitskaart (Nota bodembeheer 2016-2026, LievenseCSO, d.d. 8 april 2016) welke betrekking hebben op onderhavige onderzoekslocatie samengevat: Bodemkwaliteitszone 0 tot 1 m -mv: centrum (sterk verhoogde gehalten aan lood, zink en PAK aangetroffen, sterk heterogeen) Bodemkwaliteitszone 1 tot 2 m -mv: centrum Ontgravingsklasse 0 tot 1 m -mv: industrie (op basis van gebiedsspecifiek beleid) Ontgravingsklasse 1 tot 2 m -mv: landbouw (op basis van gebiedsspecifiek beleid) Toepassingsklasse 0 tot 1 m -mv: wonen Toepassingsklasse 1 tot 2 m -mv: landbouw 2.8 Asbestverdachte activiteiten op en nabij locatie De dempingen van de op de topografische kaart van 1939 zichtbare waterpartijen liggen buiten onderhavige onderzoekslocatie. De meeste gebouwen zijn volgens het BAG-register gebouwd voor 1955 en waren volgens de topografische kaart uit 1945 ook al in 1945 aanwezig. Ophooglagen van voor 1945 zijn niet sterk verdacht voor aanwezigheid van asbest. De locatie wordt wel als asbestverdacht beschouwd omdat: ook na 1955 diverse bedrijfsgebouwen gebouwd en weer gesloopt zijn.

Het valt dan ook niet uit te sluiten dat het terrein na 1945 plaatselijk verder is opgehoogd; bij voorgaand bodemonderzoek bijmengingen met puin in de bodem zijn aangetroffen; bij voorgaand bodemonderzoek melding is gemaakt van asbest op maaiveld (Sweco Nederland B.V., SWNL0221052, d.d. 16-02-2018). 2.9 Terreininspectie Tijdens de op 6 januari 2020 uitgevoerde terreininspectie zijn geen aanvullende bevindingen gedaan die van invloed zijn op het bodemonderzoek. 2.10 Conclusie vooronderzoek Op basis van de bovenstaande informatie is tijdens de reeds uitgevoerde verkennende bodemonderzoeken en indicatieve asbestonderzoeken (Sweco Nederland B.V., SWNL0221052, d.d. 16-02-2018 en Sweco Nederland B.V., referentienummer <concept>, d.d. 04-05-2019) uitgegaan van de hypothese verdacht. De onderzoeken zijn gebaseerd op -lijnvormige locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HENEN 5740:2009 + A1:2016. De resultaten van de sinds 2018 uitgevoerde onderzoeken zijn in de volgende hoofdstukken van dit rapport gebundeld.

2.11 Conceptueel model en onderzoeksvragen Naar aanleiding van in 2017 en 2019 aangetoonde sterke verontreinigingen is het in 2020 uitgevoerde bodemonderzoek voor een deel als nader bodemonderzoek uitgevoerd en gebaseerd op de NTA 5755 (nl) Bodem Landbodem Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging. Hiertoe zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: Wat zijn de meest verdachte bodemlagen rondom de in paragraaf 2.4 genoemde boringen? In welke mate zijn de meest verdachte bodemlagen rondom de in paragraaf 2.4 genoemde boringen (straal van 7 m) verontreinigd met de genoemde parameters?

14 (38)

Kunnen de in paragraaf 2.4 genoemde verontreinigingen horizontaal en verticaal worden afgeperkt? Gezien met name de bovenste meter van de bodem antropogeen is met bijmengingen zoals puin en de onderliggende bodem voornamelijk uit klei bestaat, zullen de metaal- en PAKEventuele olieverontreinigingen kunnen zich door voormalige ondergrondse brandstoftanks met ondergrondse leidingen iets dieper bevinden tot een diepte van circa 2,0 m -mv. 2.12 Onderzoekshypothese en -strategie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek, zoals beschreven in paragraaf 2.4, zijn in tabel 2-2 de hypotheses gedefinieerd. In bijlage 2 zijn de contouren van de locatie in het rood aangegeven. Tabel 2-2

Hypothese en onderzoeksstrategie

Deellocaties (oppervlakte in m2)

Bodemlaag (m -mv)

Hypothese

Parameter(s)

Strategie

Metalen, PAK

verdacht heterogeen niet lijnvormig

Locatiedekkend verkennend asbestonderzoek Gehele terrein (11.700 m2)

0 - 1,5

Verdacht

Completering verkennend bodemonderzoek Gebouw B6a en B7c

0 - 1,5

Verdacht

0 - 1,5 0 - 1,5 0 - 1,5

Verdacht Verdacht Verdacht

Binnenterrein noordwest 0 - 1,5 Westelijk van gebouwen 0 - 1,5 B7a en B9 Binnenterrein midden 0 - 1,5 Voormalig gebouw A6 0 - 1,5

verdacht heterogeen niet lijnvormig

Nader bodemonderzoek Voormalig gebouw A1 Voormalig gebouw A5 Gebouw 70-70A

1)

verdacht heterogeen niet lijnvormig (NTA 57551) verdacht heterogeen niet lijnvormig (NTA 57551) verdacht heterogeen niet lijnvormig (NTA 57551)

Verdacht

Lood Koper en nikkel Minerale olie en koper Zink

Verdacht

Asbest

verdacht heterogeen niet lijnvormig (NTA 57551)

Verdacht Verdacht

Minerale olie Gas (LEL > 10%): vluchtige (chloor-) koolwaterstoffen

verdacht heterogeen niet lijnvormig (NTA 57551) verdacht heterogeen niet lijnvormig (NTA 57551)

verdacht heterogeen niet lijnvormig (NTA 57551)

NTA 5755: maatwerkstrategie om onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden

De invulling van de onderzoeksstrategie wordt gegeven in hoofdstuk 3.

15 (38)

3

Veldonderzoek

3.1 Onderzoeksstrategie Het veldwerk van de eerder uitgevoerde verkennende onderzoeken door Sweco en het huidige nader milieukundig bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek worden hieronder beschreven. De locaties van de boringen, asbestinspectiesleuven en peilbuizen zijn weergegeven in bijlage 2. De boorlocaties zijn bepaald aan de hand van de bevindingen van het vooronderzoek, het terreingebruik en de maaiveldinspectie. De boringen die tijdens de onderzoeken in 2017 en 2019 zijn gezet hebben in de desbetreffende rapportages dezelfde boringnummers gekregen. Ter verduidelijking wordt in onderhavig rapport bij de desbetreffende boringen het jaartal van het onderzoek genoemd. De boorpunten zijn ook op deze wijze vermeld op de situatietekening met boorpunten (zie bijlage 2) van dit onderzoek waar boring 03 uit 2017 wordt aangegeven als 03-17 en boring 03 uit 2019 als 03-19. In de boorprofielen, analysecertificaten en toetsingstabellen (bijlagen 4 tot en met 6) zijn de boringen echter genummerd zonder jaartal, zoals in de originele rapportages. Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek d.d. 16-02-2018 Het veldwerk van het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd door Sialtech B.V. (certificaatnummer VB-059/6) op 11, 12 en 18 december 2017.

Het veldwerk (vanaf acceptatie van de opdracht voor het veldwerk tot en met de overdracht van de veldgegevens, veldwerkrapportage en monsters aan Sweco Nederland B.V.) is verricht onder de beoord - en waterbodemonderzoek) en de bijbehorende protocollen 2001, 2002 en 2018 (zie bijlage 10). Het veldwerk is uitgevoerd door persoonlijk gecertificeerde veldwerkers waarvan de naam vermeld is bij de profielen in bijlage 4-1. De bemonstering van de peilbuis heeft plaatsgevonden door M. Joris op 19 januari 2020. Tabel 3-1

Overzicht veld- en laboratoriumonderzoek 2018

Deellocatie

Onderzoeks- Aantal boringen en peilbuizen strategie

Gehele locatie

VED-HE-NL

Afperking PAK

Aantal en soort analyses1

0,5 m -mv

5,0 m -mv

5,0 m -mv Grond met peilbuis

14

3

1

-

4

-

3x NENg1 + Lutos2 1x Minerale olie 3x Asbest in grond 1x PAK (10 VROM)

Grondwater 1x NENw3

1)

NENg: droge stof, lutum, organische stof, zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PAK

2)

Gehalte lutum en organisch stof.

3)

NENw: pH, Ec, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, vluchtige aromaten (benzeen, tolueen,

(10 van VROM), polychloorbifenylen (PCB, 7 stuks) en minerale olie (GC), conform AS3000.

ethylbenzeen, xylenen, styreen en naftaleen), gehalogeneerde koolwaterstoffen (17 verbindingen) en minerale olie (GC), conform AS 3000.

Bij de uitvoering van het veldwerk is een afwijking van de NEN 5707 opgetreden. Vanwege de aanwezigheid van de betonverharding was het niet mogelijk asbestinspectiegaten te graven. Hierdoor is er minder bodemmateriaal verzameld dan vereist conform NEN5707 waardoor resultaten van het asbestonderzoek als indicatief moeten worden beschouwd.

16 (38)

Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek (fase 2), d.d. 04-05-2019 Het veldwerk van het verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek fase 2 is uitgevoerd door Sialtech B.V. (certificaatnummer VB-059/6) op 4 en 5 februari 2019. Het veldwerk (vanaf acceptatie van de opdracht voor het veldwerk tot en met de overdracht van de veldgegevens, veldwerkrapportage en monsters aan Sweco Nederland B.V.) is verricht onder de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij - en waterbodemonderzoek) en de bijbehorende protocol 2001, 2002 en 2018 (zie bijlage 10). Het veldwerk is uitgevoerd door persoonlijk gecertificeerde veldwerkers waarvan de naam vermeld is bij de profielen in bijlage 4-1 De bemonstering van de peilbuizen heeft plaatsgevonden door R. Jongh op 13 februari 2019. Tabel 3-2

Overzicht veld- en laboratoriumonderzoek 2019

Strategie

VED-HE-NL

Aantal boringen en peilbuizen (m -mv)

Aantal en soort analyse 2

0,5 m -mv

1,0 m -mv

1,7 m -mv 5,0 m -mv 2,3 m -mv 5,0 m -mv Grond met peil- met peilbuis buis2

10

6

1

4

1

Asbest indicatief1

1

10 x NENg3 + Lutos4 6x asbest in grond

Grondwater

2x NENw5

1)

Bij iedere boring zijn monsters genomen voor asbestanalyses (totaal 23). De monsters zijn genomen in de grondlaag (met een dikte van

2)

De boringen tot 5,0 m -

50 cm) onder de (beton)verharding. -mv doorgezet ten behoeve van archeologisch onderzoek. De peilbuis

is geplaatst met de onderkant van het filter op een diepte van 2,5 m -mv. 3)

NENg: droge stof, lutum, organische stof, zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PAK

4)

Gehalte lutum en organisch stof.

5)

NENw: pH, Ec, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, vluchtige aromaten (benzeen, tolueen,

(10 van VROM), polychloorbifenylen (PCB, 7 stuks) en minerale olie (GC), conform AS3000.

ethylbenzeen, xylenen, styreen en naftaleen), gehalogeneerde koolwaterstoffen (17 verbindingen) en minerale olie (GC), conform AS 3000.

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is besloten de werkzaamheden uit te voeren zonder veiligheidsmaatregelen, omdat geen gehalten boven het humane risiconiveau (SRChumaan) worden verwacht. Bij de uitvoering van het veldwerk is een afwijking van de NEN 5707 opgetreden. Vanwege de aanwezigheid van de betonverharding was het niet mogelijk asbestinspectie-gaten te graven. Hierdoor is er minder bodemmateriaal verzameld dan vereist conform NEN5707 waardoor resultaten van het asbestonderzoek als indicatief moeten worden beschouwd. Op het analysecertificaat in bijlage 5 wordt deze opmerking eveneens genoemd. Nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek 2020 Het nader onderzoek en verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd door Sialtech B.V. (certificaatnummer VB-059/6) op 6, 7, 8 en 28 januari 2020. Het veldwerk (vanaf acceptatie van de opdracht voor het veldwerk tot en met de overdracht van de veldgegevens, veldwerkrapportage en monsters aan Sweco Nederland B.V.) is verricht onder de - en waterbodemonderzoek) en de bijbehorende protocollen 2001, 2002 en 2018 (zie bijlage 10). Het veldwerk is uitgevoerd door persoonlijk gecertificeerde veldwerkers waarvan de naam vermeld is bij de profielen in bijlage 4-1. De bemonstering van de peilbuizen heeft plaatsgevonden door D. Lichtendahl op 28 januari 2020.

17 (38)

Tabel 3-3

Veld- en laboratoriumonderzoek 2020

Deellocatie

Strategie

Maaiveld inspectie

Aantal asbestinspectiesleuven en boringen

Aantal en soort analyses (grond)

Asbestinspectiesleuf 2,0 x 0,3 x 1,0 m

Boring tot 2,0 m -mv

143

43 (AR 1-6 met snijdende peilbuis)

-

-

-

-

5 (waarvan 1 gestaakt) 3x lood en lutum/os4 2x lood, zink en lutum/os4 7 8x koper, nikkel en

NTA 57552

-

-

Binnenterrein noordwest

NTA 57552

-

-

Westelijk van gebouwen B7a en B9 Binnenterrein midden

NEN 5707 NO gemiddeld gehalte NTA 57552

-

4

-

-

Gebouw B6a en B7c Voormalig gebouw A6

NTA 57552

-

-

NTA 57552

-

-

(Voormalige) NTA 57552 ondergrondse tank Westhavenkade 73-74

-

-

11

18

Locatiedekkend verkennend asbestonderzoek Gehele terrein VED-HE1 11 2 (11.720 m ) Nader bodemonderzoek Voormalig NTA 57552 gebouw A1 Voormalig NTA 57552 gebouw A5 Gebouw 70-70A

15x asbest 2x minerale olie

lutum/os4 7 (AR1-6 met snijdende 4x koper, minerale olie en peilbuis) lutum/os4 1x zink en lutum/os4 3x minerale olie 15 (M4-5 met snijdende 19x zink en lutum/os4 peilbuis) 1x lood en lutum/os4 1x minerale olie 2x PFAS 4x asbest

5 (waarvan 1 gestaakt 4x minerale olie en os4 en M6-3 met snijdende 1x zink en lutum/os4 peilbuis) 3

1x PFAS 3x NENg5

10 (waarvan 3 gestaakt) 5x VOCl 7X BTEXN, olie C6-C40 en os4 1x PFAS 1 (M9-1 met snijdende 1x minerale olie peilbuis)

Totaal 57 (waarvan 4 als snijdende peilbuis en 3 gestaakt)

1)

VED-HE: verdacht heterogeen belast.

2)

NTA 5755: maatwerkstrategie om onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. De asbestinspectiesleuven en boringen tot 2 m -mv zijn gecombineerd met de boringen van het nader onderzoek. Organische stof. NENg: droge stof, lutum, organische stof, zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PAK (10 van VROM), polychloorbifenylen (PCB, 7 stuks) en minerale olie (GC), conform AS3000.

3)

4) 5)

Bij de uitvoering van het veldwerk dat is uitgevoerd op 6, 7, 8 en 28 januari 2020 voor onderhavig onderzoek zijn er geen afwijkingen van de veldwerkrichtlijnen, de NEN 5740 en de NEN 5707 opgetreden.

18 (38)

3.2 Maaiveldinspectie Uitvoering Gezien de asbestverdachtheid van de onderzoekslocatie is, ondanks dat de locatie nagenoeg geheel verhard is, een indicatieve maaiveldinspectie uitgevoerd op 8 januari 2020. Hierbij is het maaiveld per ruimtelijke eenheid van 1.000 m2 beoordeeld op aanwezigheid van asbest. Daarnaast zijn stelconplaten opgetild ten behoeve van het graven van sleuven. Hierbij is het maaiveld onder de stelconplaten . Bij de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De maaiveldinspectie heeft geen aanleiding gegeven tot herindeling van de deellocaties. 3.3 Visuele beoordeling grond Uitvoering Bij het verrichten van de boringen en het graven van de sleuven is de grond visueel

Tijdens het veldwerk in 2017 is ter hoogte van boorpunt 16 zintuiglijk een oliegeur waargenomen en is met behulp van de oliepan een zwakke olie/waterreactie aangetoond. Tijdens het veldwerk in 2019 zijn boringen 9 en 12a gestaakt wegens de aanwezigheid van betonverharding met een dikte groter dan circa 80 cm ter plaatse van de aangegeven boringen (zie bijlage 2). Deze boringen zijn verplaatst en weergegeven als 9a en 12a in bijlage 2. Boring 10 is gestaakt omdat er bij metingen een LEL (Lower Explosive Limit) nabij de 100% werd gedetecteerd. Dit duidt op de aanwezigheid van een brandbaar gas. In verband met het mogelijk explosie gevaar is deze boring eveneens verplaatst en doorgezet. Deze boring wordt weergegeven als 10a in bijlage 2. Tijdens het veldwerk in 2020 zijn boringen M1-2, M2-5, M4-7, M6-2, M7-1, M8-1 , M-8-6 en M8-8 gestaakt in verband met de aanwezigheid van betonverharding of vanwege de aanwezigheid van overvloedig water. Boringen M8-6 en M8-8 zijn verplaatst, waarna boring M8-6a wederom gestaakt is wegens de aanwezigheid van betonverharding. Voor het in 2020 uitgevoerde asbest-bodemonderzoek is de grond gezeefd over een zeef asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen asbestverdachte stukken aangetroffen. De boringen en gaten zijn beschreven in boorprofielen, weergegeven in bijlage 4-1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12336726/1