CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.08 - Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Aanbieden Profielschets burgemeester Vlaardingen aan commissaris van de Koning50.740 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Naast de politiebevelen ex artikel 2.1 APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.

Geweld tegen hulpverleners De laatste jaren is het hinderen van hulpverleners, met name brandweer en ambulancepersoneel een toenemend probleem. Hoewel het een pijnlijke constatering is dat de politie soms nodig is om mensen wier beroep het is om anderen te helpen hun werk te laten doen, biedt dit artikel wel een handvat om verwijderingsbevelen te geven en om diegenen die daaraan niet voldoen te vervolgen. Op deze wijze kan tijdig gericht tegen het probleem opgetreden worden.

Derde lid De term “bevoegd gezag” is vervangen door “bevoegd bestuursorgaan”.

Artikel 2.2 Aanwijzing overlastgebied Eerste lid In het eerste lid van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid gegeven om gebieden aan te wijzen waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig wordt bedreigd of verstoord. Die verstoring of bedreiging kan samenhangen met het gebruik van of de handel in harddrugs, maar er zijn ook andere omstandigheden denkbaar op grond waarvan kan worden geconstateerd dat de openbare orde in een gebied in gevaar is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een groep jongeren waardoor omwonenden zich onveilig of zelfs bedreigd voelen. Het aanwijzen van een gebied als overlastgebied gebeurt indien sprake is van structurele overlast die de openbare orde in dat gebied aantast of bedreigt. Er kan dus geen gebied aangewezen worden als overlastgebied wanneer er sprake is van incidentele overlast.

Tweede lid In het verlengde van de aanwijzing van een gebied als overlastgebied regelt dit artikellid ook dat in een overlastgebied een samenscholingsverbod geldt, voor zover samenscholing leidt tot een verstoring van de openbare orde.

Derde lid Het derde lid van dit artikel regelt dat de aanwijzing wordt ingetrokken zodra de burgemeester van oordeel is dat de openbare orde in het gebied voldoende is hersteld. Afdeling 2 Betoging Artikel 2.3 Optochten (vervallen) Zie de toelichting bij de artikelen 2.26 e.v. Artikel 2.4 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (Wom).

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

79/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

In artikel 1 van de Wom wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Uit de artikelen 3 en 4 Wom volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 Wom kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 Wom kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 Wom bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 Wom de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen. De APV kent alleen een kennisgevingseis voor betogingen. De overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven.

Uitgangspunten Wet openbare manifestaties De Wom beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden. De Wom heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan volgens de regeling al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5 pagina 8). Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de Wom te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig. Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7 Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De inhoud mag niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij geopenbaard worden wel. De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de onderhavige grondrechten aan de gemeenten opgedragen.

Argumenten hiervoor zijn: de regeling van onder andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke openbare orde. De gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle ervaringen opgedaan.

De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de Wom aan gemeenteraden en burgemeesters toekent: •

de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke activiteiten is een kennisgeving vereist; aan welke vereisten moet een kennisgeving voldoen; welke voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd worden;

•

de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;

•

de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen beëindigen.

Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke regelgeving onttrokken. Motivering hiervoor is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een dergelijke regeling verzet en anderzijds rechtsgelijkheid een uniforme regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt. Het gaat met name om de volgende onderwerpen: •

het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8 Wom);

•

een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3, vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid Wom);

•

de bescherming van het functioneren van buitenlandse vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere volkenrechtelijke bescherming genieten, voor zover deze bescherming

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

80/223

29-04-2025, 13:30

•

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

verder dient te reiken dan ‘de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’ (artikel 9 Wom); de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de Wom gegeven normen (artikel 11 Wom) en de strafbaarstelling van verhindering en verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 Wom);

•

de bescherming van de zondagsrust, voor zover deze bescherming verder dient te reiken dan de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’ (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel III Wom).

•

Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op geestelijke grondslag is, gelet op artikel 1, derde lid Wom een eenmalige kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft twee mogelijkheden: deze bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving voorschrijven.

Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de Wom uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 Wom). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.

Openbare en andere dan openbare plaatsen De reden dat in de Wom voor openbare en andere dan openbare plaatsen verschillende regimes zijn opgenomen is dat, volgens de wetgever, regulering van manifestaties op andere dan openbare plaatsen niet zozeer nodig is. Een terughoudende opstelling van de overheid is op zijn plaats. Daarnaast maakt de redactie van artikel 6 Grondwet dit onderscheid noodzakelijk. Delegatie van de beperkingsbevoegdheid heeft de grondwetgever uitsluitend mogelijk gemaakt ten aanzien van belijdenis van godsdienst of levensovertuiging ‘buiten gebouwen en besloten plaatsen’. De regering geeft de voorkeur aan een functionele omschrijving bij de afbakening van het begrip openbare plaats, niet- openbare plaats of besloten plaats, waarin de bestemming of de wijze van gebruik van een plaats bepalend is en niet een enkel uiterlijk kenteken, zoals het al dan niet afgescheiden zijn van de plaats.

Zie ook hetgeen ter toelichting is aangegeven bij de begripsomschrijvingen in artikel 1.1. over het begrip openbare plaats.

Betoging Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad kan van een betoging worden gesproken als: •

een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en

•.

de groep er op uit is een mening uit te dragen.

De memorie van toelichting bij de Wom geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied. Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet per se een betoging. Een betoging kan een optocht zijn. De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen ‘menigte’ nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken. Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is ‘betoging’ omschreven als ‘het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied’. Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Indien onder het mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

81/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht. Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip ‘betoging’ meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen. Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaasen carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a Wom. Een dergelijke optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.

Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.

Klokgelui en oproepen tot gebed Artikel 10 Wom stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te stellen met betrekking tot duur, tijdstip en geluidsniveau van klokgelui en oproepen tot gebed De strekking van artikel 10 Wom is niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om de bevoegdheid tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend ten aanzien van deze activiteit te mogen optreden, onverlet te laten. Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen. Artikel 10 Wom vertoont een zekere overlap met artikel 4.6 (overige geluidhinder). Zie de toelichting bij dit artikel.

Gemeentelijke bevoegdheden Los van zijn bevoegdheden krachtens de Wom, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van toelichting bij de Wom geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of wanneer er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen. Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om krachtens artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel 176 Gemeentewet zich in als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is ‘dus de wet (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening van het grondrecht gedoogt’.

Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. De burgemeester heeft dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, grondwettelijk de bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Vierde lid https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

82/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat een dergelijke afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken. Artikel 2.5 Afwijking termijn (Vervallen.) Deze bepaling is opgenomen in artikel 2.4. Artikel 2.6 Te verstrekken gegevens (Vervallen.) Deze bepaling is opgenomen in artikel 2.4. Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2.7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (folderen en flyeren) Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er ‘geen gebruik van enige betekenis’ overblijft. Zie voor de uitleg van deze zinsnede de toelichting op artikel 2.56.

Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet. Artikel 2.7 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IVBPR, artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet.

Artikel 7 Grondwet luidt als volgt: 1.

Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

2.

De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.

3.

Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.

4.

De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Jurisprudentie De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat. Het in artikel 7 beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te maken. Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

83/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend maken (‘verspreiden’) van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken betreffende huishouding der gemeente.

Daklozenkrant De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2.7. Als verkoop plaatsvindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.

Wabo Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar een element van handelsreclame in zit. Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2.8 Feest, muziek of wedstrijd (Vervallen.) Zie de toelichting bij de artikelen 2.26 e.v.. Artikel 2.9 Dienstverlening (Vervallen.) Artikel 2.1.4.2 (oud) bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening. Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep, de reiniger van voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld verdwenen, anderen hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan besteldiensten van pizza’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. Het artikel is geschrapt vanwege het streven naar vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven (deregulering). Artikel 2.10 Straatartiest en straatmuzikant Artikel 2.10 is alleen van toepassing op straatartiesten en straatmuzikanten. Voordat er sprake is van een verbod, dient er door de burgemeester een aanwijzingsbesluit te worden genomen waaruit blijkt op welke openbare plaatsen geen optreden mag plaatsvinden. Deze plaatsen mogen slechts in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu worden aangewezen. De activiteiten van de straatartiest en straatmuzikant vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, van de Grondwet.

Het begrip “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 van de Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. Dit betekent dat is gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, van de Grondwet zijn toegelaten. Dit is ook de reden dat het verbod als genoemd in het vroegere eerste lid voor de straatmuzikant is komen te vervallen.

Tweede lid Ook bij de beperking tot bepaalde dagen of uren van het tweede lid is de bescherming van artikel 7 Grondwet van toepassing.

Derde lid Eveneens dient bij de beoordeling van het verzoek tot ontheffing de bescherming van artikel 7 Grondwet in acht te worden genomen. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

84/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

Vierde lid Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest of straatmuzikant op te treden zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren, en niet op aanvraag. Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan bestaan er geen duidelijke bezwaren tegen een lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen). Een ontheffing van het verbod zal vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt op het gehele artikel van toepassing verklaard. Artikel 2.10a Draaiorgel De bepalingen over draaiorgels zijn deels in een nieuw artikel terecht gekomen omdat de beperkingen die op grond van artikel 7 van de Grondwet voor straatmuziek gesteld kunnen worden, niet passen bij het maken van draaiorgelmuziek. Feitelijk kan het maken van draaiorgelmuziek ook niet op een lijn worden gesteld met het openbaren van gedachten of gevoelens als beschreven in artikel 7 Grondwet. Om beperkingen te kunnen stellen aan het maken van draaiorgelmuziek in het belang van het woon- en leefklimaat is de handhaving van de daarvoor benodigde vergunning gewenst.

De vergunning voor draaiorgels is een schaarse vergunning. Zoals is aangegeven in de toelichting op artikel 1.9 geldt voor de vergunning voor draaiorgels bij meerdere aanvragers een lotingssysteem.

Volgens de nieuwe bepalingen is het verbod als genoemd in het vroegere eerste lid van artikel 2.10 niet meer van toepassing. Het verdient daarom aanbeveling om deze verboden (uitgezonderd de bepaling betreffende elektronische of mechanische versterking) als aan de vergunning verbonden voorschriften in de vergunning op te nemen.

Eerste lid Voor draaiorgels is in het eerste lid een vergunningplicht opgenomen.

Tweede lid Een draaiorgelvergunning geldt voor maximaal één jaar. Hiervoor is gekozen om ervoor te zorgen dat elk jaar een andere aanvrager voor een vergunning in aanmerking kan komen. Bij de aanvraag kan worden aangegeven of de vergunning voor het lopende of voor het volgende kalenderjaar wordt gevraagd.

Derde lid De aanwijzing van weggedeelten waar het verboden is muziek te maken met een draaiorgel dient te worden gebaseerd op de relevante belangen van het woon- en leefklimaat.

Vierde lid Een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen is niet van toepassing. Gelet op het lotingssysteem dat wordt gehanteerd, zou dit ongewenst zijn. Wanneer de lex silencio positivo van toepassing zou zijn, is het niet meer mogelijk om de vergunningaanvragen aan te houden tot het eind van het jaar. Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2.11 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

85/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden, containers en steigers.

Eerste lid In de APV 2009 is het vergunningstelsel vervangen door een meldingsplicht. De gedachte achter afschaffing van de vergunning is dat voor een groot aantal voorwerpen dat in de openbare ruimte wordt geplaatst, een vergunning overbodig is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken. Om toch nog grip te kunnen houden op situaties waarin voorwerpen op de weg voor overlast of gevaar zorgen, is een meldingsplicht ingevoerd. Hierdoor is de gemeente op de hoogte van de voorgenomen activiteit. Een burger of ondernemer ontvangt van zijn melding een ontvangstbevestiging. In deze ontvangstbevestiging zijn algemene regels opgenomen die bij de plaatsing moeten worden opgevolgd. Wanneer de melder de ontvangstbevestiging heeft gekregen, mag hij het voorwerp in de openbare ruimte plaatsen.

Vierde lid Na binnenkomst van een melding van de plaatsing van bijvoorbeeld een container, zal een toezichthouder van de gemeente controleren of de algemene regels voor plaatsing in acht zijn genomen. Wanneer de toezichthouder constateert dat de melder de regels niet heeft opgevolgd, dient de melder ervoor te zorgen dat alsnog aan de regels wordt voldaan. Doet hij dit niet, dan kan het college op de in het vierde lid genoemde gronden alsnog de plaatsing op de weg verbieden.

Vijfde lid Het college kan nadere regels stellen over de in het vierde lid genoemde gronden.

Zesde lid, onder e Dit artikel is niet van toepassing op handelsreclame, zoals gedefinieerd in artikel 1.1, aanhef en onder g, op een onroerende zaak. Op deze handelsreclame is artikel 4.44 van toepassing. Artikel 2.11 is van toepassing op roerende zaken waarop handelsreclame is aangebracht. Tevens is het artikel van toepassing op reclame-uitingen waarbij gedachten en gevoelens worden geopenbaard. Aan een melding voor reclame voor ideële doeleinden staat echter artikel 7 van de Grondwet, regelende de vrijheid van meningsuiting, in de weg. In artikel 2.11, zevende lid, onder e wordt dan ook een uitzondering gemaakt voor ideële reclame op de verbodsbepaling van het eerste lid.

Zesde lid, onder f Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van artikel 2.27 of 2.28, dan hoeft geen melding te worden gedaan op basis van artikel 2.11. Het zesde lid, onder f coördineert het voorkomen van een samenloop van de vergunning en de melding. In het kader van een vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd.

Zesde lid, onder g Het in artikel 2.11 bedoelde verbod “gebruik van de weg” geldt niet voor terrassen behorend bij een openbare inrichting, waarvoor door de burgemeester een exploitatievergunning is verleend op grond van artikel 2.34. Een dergelijk terras maakt blijkens de definitie in artikel 2.33 deel uit van die inrichting. Daarom is in het zevende lid, onder g een afbakeningsbepaling opgenomen. In de APV is voor een terras behorend bij een openbare inrichting aansluiting gezocht bij het exploitatievergunningstelsel, overeenkomstig de vergunning op grond van de Alcoholwet voor het schenken van alcoholische dranken.

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

86/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het college – is dus bevoegd om over de melding voor een terras te beslissen. Zie verder de toelichting bij artikel 2.39, achtste lid.

In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw of een in artikel 2.34 bedoelde openbare inrichting en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2.11 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag. Het doel van artikel 2.11 houdt in dat aan het gebruik van een terras dat niet op de weg of een weggedeelte is gelegen, geen voorwaarden kunnen worden gesteld op grond van dit artikel.

Zesde lid, onder h Binnen de gemeente is gekozen voor een vaste infrastructuur voor banieren. In het Banierenplan dat het college heeft vastgesteld zijn plaatsen aangewezen waar de banieren mogen staan. Tevens is in het “Banierenplan” geregeld wanneer er van de banieren gebruik kan worden gemaakt, aan welke eisen de banieren moeten voldoen, welke uitingen op de banieren mogen worden aangebracht, en de procedure. Als aan hetgeen in het Banierenplan is geregeld wordt voldaan, is geen melding op grond van artikel 2.11 nodig.

Zesde lid, onder i Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5.17 van toepassing is.

Zesde lid, onder k Voor het plaatsen van driehoeksreclameborden is een aparte regeling opgenomen in artikel 5.30 van deze verordening.

Achtste lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, een AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling.

Gedragingen waarop artikel 2.11 ziet, kunnen onder de reikwijdte van artikel 5 van de WVW 1994 vallen. Dit artikel bepaalt dat het voor een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, zoals omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is dus artikel 2.11 niet van toepassing. Omdat het hier over gevaar op de weg gaat, is het artikel gekoppeld aan de weigeringsgrond van artikel 5, onder b.

Negende lid Alle bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn onderhevig aan welstandstoetsing. Een welstandstoetsing in het kader van artikel 2.11 is dan niet meer nodig. Artikel 2.12 Winkeluitstallingen Dit artikel is geschrapt. De winkeluitstallingen zijn onder de algemene regeling van artikel 2.11 gebracht. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

87/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

Artikel 2.13 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Er is voor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningsvereiste is wel overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat. Wabo Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). Op de vergunning voor het aanleggen van een weg is artikel 3.9, derde lid Wabo van toepassing.

Dit betekent dat de vergunning van rechtswege is verleend, wanneer de beslistermijn is verstreken. De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2 APV. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen. In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening. Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.

Eerste lid Aan artikel 2.13 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.

Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Voorkomen kan dan worden dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door een privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming nodig heeft.

Tweede lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip ‘weg’ uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte en dergelijke. Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging ‘alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

88/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

gebouwen’ opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten staat in artikel 5.1.2 van de Bouwverordening.

Vierde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Vijfde lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, een AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.

Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2.13 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen en dergelijke in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Vlaardingen 2017.

Zesde lid In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid is dat hier nogmaals opgemerkt. De raad heeft bij de vaststelling van de APV niet de vrijheid om te bepalen dat er geen lex silencio positivo van toepassing is! Artikel 2.14 Vergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.

Artikel 2.14 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen aanlegt. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de weg) te veel belemmeren. Ten aanzien van het stellen van een financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is, indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door een privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming nodig heeft.

Derde lid Een uitwegvergunning kan worden geweigerd op een van de gronden genoemd in het derde lid. Dit betekent echter niet dat ook andere weigeringsgronden ongelimiteerd kunnen worden gehanteerd. De rechtspraak van de Raad van State laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

89/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen het aantal weigeringsgronden beperkt.

Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt uitgeweegd te regelen. Daarmee komt de bepaling niet in strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid ervan. Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden. Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. Hetzelfde geldt ten aanzien van de weigeringsgrond die in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt gesteld. De weigeringsgrond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden ter weigering van het maken van een uitweg als daarbij een (gedeelte van) een gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter bescherming van groenvoorzieningen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast.

In het derde lid, onderdeel e. is ook een nieuwe afwijzingsgrond opgenomen. Deze betreft de situatie dat een tweede uitwegvergunning voor een perceel wordt aangevraagd. De aanduiding ‘zonder noodzaak‘ betekent dat het belang van een tweede uitweg kan worden afgewogen tegen dat van het verdwijnen van een parkeerplaats of het opofferen van openbaar groen.

Vierde lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, een AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. Wabo Op het maken e.d. van een uitweg is artikel 2.2, eerste lid, onder e. van de Wabo van toepassing. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn 6 weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van 6 weken). Op de vergunning voor het aanleggen van een weg is artikel 3.9, derde lid Wabo van toepassing. Dit betekent dat de vergunning van rechtswege is verleend, wanneer de beslistermijn is verstreken De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor.

Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2 van deze verordening. In artikel 7.3 van de Mor staan de aanvullende indieningsvereisten voor een aanvraag om een uitwegvergunning genoemd.

In artikel 2.18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in genoemd in het derde lid van artikel 2.14.

Vijfde lid Het is van belang zich te realiseren dat er hier sprake is van een omgevingsvergunning. De procedure van de Wabo is van toepassing, dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is. Afdeling 6 Veiligheid op de weg https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

90/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

Algemene toelichting Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV). Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan, indien dat gebeurt in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg. Voor het maken van aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds de beperking dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet uitputtend heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet altijd gemakkelijk te beantwoorden. Daarnaast is er de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever om met geheel andere motieven dan de hogere wetgever voor ogen stonden een plaatselijke regeling te treffen. Zonder problemen is het werken op grond van een ander motief ook weer niet, met name niet wanneer de hogere wetgever in zijn regeling uitdrukkelijk bepaalde situaties buiten schot heeft willen laten.

Verder geldt hier - evenals bij de eigenlijke aanvulling - dat toepassing van de gemeentelijke verordening toepassing van de hogere regeling niet onmogelijk mag maken. In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de veiligheid van het verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving aangemerkt kunnen worden. Artikel 2.15 Veroorzaken van gladheid Deze bepaling is geschrapt omdat deze niets toevoegt aan de regeling in artikel 427, aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht (strafbaar is hij die iets plaatst op of aan, werpt of uitgiet uit een gebouw op een zodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden) en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (verbod zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd). Artikel 2.16 Winkelwagentjes Uit het jaaroverzichtverslag 2006 van de Buitenlijn is gebleken, dat medewerkers van de gemeente in dat jaar meer dan 400 winkelwagentjes van de openbare weg hebben opgehaald. Dit heeft qua inzet een hoop geld gekost, hetgeen ongewenst is. Artikel 2.16 tracht het ‘zwerfkarrenprobleem’ enigszins te verkleinen.

Eerste lid De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op de winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Hij kan door de gemeente worden aangesproken voor de kosten van verwijdering van winkelwagentjes waar de naam van zijn hun bedrijf op staat, en die her en der in de wijken worden gevonden.

Tweede en derde lid Zijn het eerste en tweede lid van toepassing op de eigenaar en beheerder van het bedrijf, het tweede en derde lid van dit artikel richten zich tot de gebruiker van een winkelwagentje. Deze mag het door hem gebruikte winkelwagentje niet onbeheerd op de weg achterlaten en zich alleen met een winkelwagentje op de weg bevinden in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum.

Vierde lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, een AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

91/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

Artikel 2.17 Hinderlijke beplanting of voorwerp Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.

Bomen of struiken in voortuinen kunnen flink uitgroeien. Wanneer de bomen of struiken niet regelmatig worden gesnoeid kunnen ze over het trottoir heen gaan hangen wat hinderlijk kan zijn voor voetgangers. Omdat onder het begrip “weggebruikers” ook voetgangers vallen kan ook tegen eigenaren van dergelijke bomen en struiken worden opgetreden. Artikel 2.18 Openen straatkolken en dergelijke Deze bepaling spreekt voor zich. Artikel 2.19 Kelderingangen en dergelijke Dit artikel is geschrapt omdat het niet of nauwelijks wordt toegepast. In artikel 427 van het Wetboek van Strafrecht is de eigenaar of gebruiker die ten opzichte van toegangen tot of openingen van kluizen, kelders, onderaardse lokalen en ruimten, waar die op de openbare weg uitkomen, strafbaar wanneer hij niet de nodige voorzorgsmaatregelen neemt ten behoeve van de veiligheid van de voorbijgangers. Ook is strafbaar hij die bij een verrichting op of aan de openbare weg niet de nodige maatregelen neemt om voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen. Artikel 2.20 Rookverbod in bossen en op natuurterreinen Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is.

Afbakening In artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan. Artikel 2.21 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Artikel 2.21 gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen.

Afbakening Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, een AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Artikel 2.22 Vallende voorwerpen Dit artikel is geschrapt omdat het weinig toevoegt aan privaatrechtelijke bevoegdheden om tegen gevaarzettende situaties op te treden. Artikel 2.23 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Afbakening Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, een AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

92/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.

De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop. In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. Artikel 2.24 Veiligheid op het ijs Dit artikel is geschrapt. Door deze bepaling wordt ten onrechte gesuggereerd dat de gemeente een taak heeft bij het garanderen van de veiligheid op het ijs. Artikel 2.25 Sneeuwvrij maken van voetpad Deze bepaling is geschrapt. Dit artikel kan ten onrechte de indruk wekken dat een particulier aansprakelijk is voor kosten veroorzaakt door een valpartij, wanneer deze het gevolg is van gladheid door niet opgeruimde sneeuw.

Artikel 2.25a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen Met de komst van de veerdienst Norfolk/DFDS naar en van Engeland is het vrachtverkeer naar en van Vlaardingen enorm toegenomen. Veel chauffeurs (veelal afkomstig uit MOE-landen) die hun trailer hebben afgeleverd of erop wachten, overnachten in de cabine van hun truck, vooral rondom het gebied van de Koningin Wilhelminahaven. Dit heeft tot gevolg dat hier verloedering plaatsvindt door o.a. het dumpen van afval op straat en wildplassen. Om hiertegen te kunnen optreden is in dit artikel geregeld dat de burgemeester gebieden kan aanwijzen waar het verboden is in een voertuig of kampeermiddel te slapen. Afdeling 7 Evenementen Algemene toelichting Het is gewenst in de APV Vlaardingen een regeling op te nemen die toeziet op het reguleren van evenementen. De laatste decennia worden op grote schaal openbare vermakelijkheden georganiseerd. Op deze evenementen komen veel bezoekers af en deze evenementen hebben afwisselend een beperkte of (zeer) grote uitstraling op de openbare orde. Als zodanig kunnen zij onderwerp van gemeentelijke regelgeving zijn. De handhaving van de openbare orde rond dergelijke evenementen vereist – zo heeft de praktijk geleerd – een intensieve overheidsbemoeienis.

Gelet op de gebeurtenissen rond evenementen in Rotterdam in het jaar 2009, zoals het Bevrijdingsfestival, maar bovenal de gebeurtenissen tijdens een evenement op het strand van Hoek van Holland, kan worden geconstateerd dat de openbare ordeverstoringen rond evenementen een toenemend probleem is. Dit is aanleiding om het evenementenvergunningenbeleid aan te passen en een indeling te maken op basis van een risicoscan. Een evenement is een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak in de openbare ruimte. Dit betekent onder meer dat evenementen die op “eigen terrein” plaatsvinden, maar wel voor het publiek toegankelijk zijn, eveneens als evenement kunnen worden aangemerkt. Er wordt onderscheid gemaakt in vier soorten evenementen, afhankelijk van het effect van het evenement op het gemeenschapsleven. Hierbij wordt door middel van een risicoscan een evenement ingeschaald in een 0-evenement of een A-, B-, of C-evenement. Op basis van de risicoscan worden evenementen ingedeeld in deze verschillende risiconiveaus. De scan houdt rekening met het risico, de complexiteit en de impact op de omgeving van het evenement. De risicoscan is gebaseerd op verschillende indicatoren die zijn gerubriceerd in drie profielen, te weten: •

het publieksprofiel (bijvoorbeeld aantal en type bezoekers);

•

het ruimteprofiel (bijvoorbeeld openbare/afgesloten ruimte, ingeschatte geluidsoverlast, parkeer- of verkeersoverlast), en

https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

93/223

29-04-2025, 13:30

•

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

het activiteitenprofiel (bijvoorbeeld tijdstip, politieke gevoeligheid).

De risicoscan wordt ingevuld op basis van de aanvraag en de concrete plannen van de organisator, de ervaringsgegevens (van onder meer vergelijkbare evenementen) en specifieke informatie van de betrokken adviseurs.

Op basis van de risicoscan kan sprake zijn van een A-evenement dat een beperkte impact heeft op de omgeving en het verkeer. Een B-evenement heeft een gemiddeld risico met een grote impact op de directe omgeving en gevolgen voor het verkeer. C-evenementen hebben een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen. Artikel 2.26 Definities In artikel 2.26 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (‘namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak’) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. a.

In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.

b.

Daarnaast gelden de bepalingen niet voor warenmarkten. Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een (waren)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.

c.

De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.

d.

Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt.

e.

Voor evenementen in openbare inrichtingen is geen evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund op grond van artikel 2.34 en voor zover die evenementen tot de toegestane exploitatievorm behoren. Een en ander doet niets af aan de voorschriften ten aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en in hoofdstuk 4, afdeling 1 van deze verordening. Deze voorschriften blijven onverkort van toepassing. Voor evenementen op het terras van een openbare inrichting zal veelal een evenementenvergunning nodig zijn, omdat de activiteiten meestal niet zullen vallen binnen de toegestane exploitatievorm. Het terras maakt geen deel uit van de inrichting gelet op de Wet Milieubeheer, waardoor er voor het terras andere geluidsnormen gelden als voor in de inrichting. Uiteraard veroorzaakt geluid op het terras meer geluidsoverlast dan geluid dat binnen wordt geproduceerd. Om meer geluid te mogen produceren op het terras, dient er naast een evenementenvergunning tevens een melding te worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer te krijgen. In de evenementenvergunning kunnen aanvullende geluidsvoorschriften worden gesteld.

Aangezien er per jaar maar tien incidentele festiviteiten mogen worden gehouden, is ook het aantal evenementen op het terras beperkt tot tien. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie voor een toelichting op de Wom onder artikel 2.4.

f.

Onder f is van de evenementenbepaling uitgezonderd artikel 2.10 (Straatmuzikant). Dit gebeurt om dubbele regelgeving te voorkomen.

g.

Ten slotte zijn uitgezonderd sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder g.

Tweede lid Herdenkingsplechtigheid Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR625146/11

94/223

29-04-2025, 13:30

Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 | Lokale wet- en regelgeving

Braderie Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15709750/1