CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Floris de Vijfdelaan - toelichting

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Bestemmingsplan Floris de Vijfdelaan17.736 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 3.1.6 van het Bro: Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Lid 3: indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het bestemmingsplan als bedoeld in dat artikel. Lid 4: een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 28

4.2.2 Relatie tot het plangebied De voorgenomen ontwikkeling beoogt de realisatie van 64 woningen. In de voormalige situatie was sprake van 76 woningen en circa 4.500 m2 aan commerciële functies. Ten aanzien van het aantal woningen geldt een afname van 12 eenheden. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan elf woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voor de projectlocatie geldt in dit kader dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft om deze reden niet te worden gemotiveerd. 4.2.3 Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.3

Verkeer- en parkeeraspecten

4.3.1 Parkeren De parkeernorm conform parkeerbeleid gemeente is van toepassing. Op basis van de parkeernormen (zie Bijlage 1 Beleidsregel Parkeernormen 2019) geldt in woonwijken i.r.t. het bouwplan: 1. Huurwoningen zijn bij tweelaags onder kap 85 m2 GBO (norm 1,1 per woning) en bij tweelaags met kap 110 m2 GBO (norm 1,3 per woning); 2. Koopwoningen zijn 130m2 GBO (norm woonwijk 1,7 per woning). Op basis van het beoogde bouwplan zijn in totaal 89 parkeerplaatsen benodigd (50 x 1,3 = 65 plus 14 x 1,7 = 24). In het verkavelingsplan zijn in totaal 89 parkeerplaatsen opgenomen. Het plan voldoet hiermee aan de voorwaarden van het gemeentelijk parkeerbeleid. 4.3.2 Verkeersgeneratie Om de verkeersgeneratie van het plan in kaart te brengen, is het beoogde programma ingevoerd in de CROW-rekentool. Op basis van de functie wonen, 'tussen/hoek' in de rest bebouwde kom van Vlaardingen, geldt dat voor 14 woningen is sprake van een verkeersgeneratie van 94 motorvoertuigbewerkingen (mvt) per etmaal op een gemiddelde weekdag. Voor de 50 huurwoningen geldt op basis van de functie wonen, 'huurhuis sociale huur' in de rest bebouwde kom van Vlaardingen, een verkeersgeneratie van 216 mvt per etmaal op een gemiddelde weekdag. In totaal is sprake van een verkeersgeneratie van 310 motorvoertuigbewerkingen per etmaal op een gemiddelde weekdag.

Om een vergelijking te maken is getracht te verkeersgeneratie van de voorheen geldende situatie in kaart te brengen. In de voormalige situatie was sprake van ca. 4.500 m2 commerciële ruimte in de plint en 76 woningen op de bovengelegen verdiepingen. De woningen hadden een totale verkeersgeneratie van 328 mvt per etmaal, uitgaande van de functie wonen, 'huurhuis sociale huur' in de rest bebouwde kom van Vlaardingen. De commerciële plint kan functioneel worden beschouwd als klein wijkcentrum, aangezien op het plein een diversiteit aan voorzieningen was ondergebracht. Op basis van 4.500 m2 bvo is sprake van een verkeersgeneratie van 2483 mvt per etmaal. Dit levert een totale verkeersgeneratie van 2.811 motorvoertuigbewerkingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. In vergelijking met de voormalige situatie is derhalve sprake van een afname van 2.501 motorvoertuigen per etmaal. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 29

doorstroming en ontsluiting ter plaatse. 4.3.3 Ontsluiting Het plangebied heeft diverse ontsluitingswegen. Deze wegen monden uit op de Floris de Vijfdelaan, de Dirk de Derdelaan en de Graaf van Egmondstraat en via de Graaf van Hoornestraat op de Philips de Goedestraat. Met uitzondering van de ontsluitingslus in het zuiden van het plangebied, blijft de wegenstructuur onaangetast. De voormalige lus ontsloot het gebied via twee zijden op de Floris de Vijfdelaan. Een van de twee ontsluitingen wordt verlegd in de richting van de Dirk de Derdelaan. In de randvoorwaarden uit het IPvE wordt vermeld dat uit het oogpunt van externe veiligheid vanwege Rotterdam-The Hague Airport het plangebied vanuit tenminste uit twee verschillende richtingen bereikbaar moet zijn voor hulpdiensten. De ontsluitingswegen zijn gelegen aan meerdere wegen en hiermee is het plangebied vanuit meerdere richtingen bereikbaar. 4.3.4

Conclusie

Gezien de afname van het aantal motorvoertuigbewegingen levert de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de bestaande wegenstructuur. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde bouwplan op het gebied van verkeer- en parkeeraspecten inpasbaar is in de omgeving en voldoet aan de daartoe gestelde eisen.

4.4

Archeologie

4.4.1 Kader Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt in combinatie met de Wro en de komende Omgevingswet de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: de veroorzaker betaalt. In het proces van ruimtelijke ordening moet tijdig rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor de overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Rijk, provincies en gemeenten (laten) bepalen welke archeologische waarden bedreigd worden bij ruimtelijke plannen. Tijdens de voorbereiding van deze plannen is (vroeg)tijdig archeologisch (voor)onderzoek belangrijk. De keuze voor een andere bouwlocatie voorkomt de verstoring van belangrijke bodemvondsten. Als dit geen optie is, bestaat de mogelijkheid om binnen de bouwlocatie zelf naar een archeologievriendelijke aanpak te streven. In het uiterste geval wordt een archeologische opgraving uitgevoerd. 4.4.2 Relatie tot het plangebied Door onderzoeksbureau Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie is een archeologische vooronderzoek (8 oktober 2018) uitgevoerd.

De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2 Archeologisch vooronderzoek aan de bijlagen van het bestemmingsplan. Het onderzoek is uitgevoerd in voorbereiding op de herontwikkeling van de Floris de Vijfdelaan. Dit gebied kent op basis van het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. De resultaten van het onderzoek worden hieronder opgenomen. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat tijdens het Neolithicum bewoning plaats heeft kunnen vinden op de oeverwallen van de oudere kreken. Binnen het plangebied worden echter geen sporen van bewoning verwacht. Archeologische waarden uit de IJzertijd en Romeinse tijd worden verwacht in de top van het Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 30

veen langs veenkreken. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor deze periode. In de Late Middeleeuwen kon bewoning plaatsvinden op de verlande kreken (getij-inversieruggen). Hier kunnen ook huisplattegronden uit de Nieuwe Tijd worden aangetroffen. De kans hierop is laag vanwege de afwezigheid van bebouwing op historisch kaartmateriaal. Op het veen kunnen verder sporen worden verwacht van het ontginning van het veengebied in de Late Middeleeuwen, zoals greppels en een toemaakdek. In het onderzoek wordt tevens vermeld dat bij het verkennend booronderzoek een relatief dun ophoogdek aangetroffen met daaronder slappe getijdeafzettingen (Laagpakket van Walcheren). De top van de klei laat geen sporen van bodemvorming zien. Vermoedelijk is de oorspronkelijke top van de afzettingen afgegraven ten behoeve van de bouw van de inmiddels gesloopte bebouwing. Naar onderen toe werden deze afzettingen steeds veniger met een scherpe overgang naar Hollandveen op een diepte van 3,7 meter beneden maaiveld. De top van het Hollandveen is niet intact. Binnen 4 meter beneden maaiveld zijn geen afzettingen uit het Laagpakket van Wormer aangetroffen. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat zich binnen het plangebied geen getij-inversieruggen in de ondergrond bevinden.

Op basis van de resultaten van het booronderzoek, kan de archeologische verwachting voor het plangebied voor alle archeologische perioden naar beneden worden bijgesteld tot 'laag'. Vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) worden dan ook niet noodzakelijk geacht. Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Vlaardingen, om een besluit te nemen ten aanzien van het beëindigen van het onderzoeksproces. Ook wanneer het bevoegd gezag op basis van de resultaten van het van archeologisch vooronderzoek besluit dat het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische 'toevalsvondst' wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het bevoegd gezag, de gemeente Vlaardingen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt voorgesteld de archeologische verwachtingswaarde naar beneden bij te stellen en de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4' te laten vervallen in voorliggend bestemmingsplan.

4.4.3 Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek kan de verwachting voor het plangebied voor alle archeologische perioden naar beneden worden bijgesteld tot 'laag'. Vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) worden dan ook niet noodzakelijk geacht. In voorliggend bestemmingsplan is geen dubbelbestemming t.b.v. archeologische waarden opgenomen. Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Vlaardingen, om een besluit te nemen ten aanzien van het beëindigen van het onderzoeksproces. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.5

Cultuurhistorie

4.5.1 Kader De gemeente heeft beleid met betrekking tot objecten die karakteristiek zijn als gevolg van hun cultuurhistorische en architectonische waarde en situering. De definitieve lijst en het beleid zijn 11 januari 2011 door het college vastgesteld. Daarnaast zijn binnen de gemeente Vlaardingen zijn drie beschermde gebieden gelegen. De beschermde gebieden vormen samen één beschermd stadsgezicht.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 31

4.5.2 Relatie tot het plangebied Binnen het plangebied zijn geen panden of objecten gelegen met een monumentale waarde. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen beschermd stadsgebied. In het plangebied is wel sprake van objecten met cultuurhistorische waarde. Zo is het driehoekige voorterrein aan de zijde van de Floris de Vijfdelaan in de Cultuurhistorische Waardebepaling van SteenhuisMeurs aangemerkt als stedenbouwkundig waardevol en staat het beeld "de Heier" van de beeldhouwer Han Rehm (1908-1970) in het plangebied. 4.5.3 Conclusie Het driehoekige voorterrein blijft in de toekomstige situatie onbebouwd en wordt verlengd in de richting van Dirk de Derdelaan, waardoor dit een ruimtelijk herkenbaar element blijft. Het beeld "de Heier" krijgt een nieuwe standplaats in het plangebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het beoogde plan.

4.6

Water

In het kader van een ruimtelijke procedure dient de watertoets te worden doorlopen. Op basis hiervan dient een waterparagraaf opgesteld te worden. In deze waterparagraaf zijn de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten vastgelegd. Het hoogheemraadschap van Delfland is de waterbeheerder van het binnendijks gebied. Rijkswaterstaat is de waterbeheerder van de Nieuwe Maas en het buitendijks gebied. De waterparagraaf is opgesteld in afstemming met het hoogheemraadschap van Delfland. 4.6.1 Kader 4.6.1.1 Europees beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die verplichtingen oplegt om aan strengere normen voor de waterkwaliteit te voldoen. Het doel van deze richtlijn is te zorgen dat de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater uiterlijk in 2027 op orde is. De komende jaren wordt gewerkt aan schoon en gezond water, wat belangrijk is voor planten, dieren en mensen. Omdat water zich niet aan grenzen houdt, bepaalt de KRW dat waterbeheerders per stroomgebied moeten samenwerken om te komen tot een maatregelenpakket. Het pakket maatregelen omvat onder meer de aanleg van natuurvriendelijke oevers, maatregelen voor herstel van verdroging, het saneren van bodemverontreiniging bij drinkwaterwinning en het saneren van ongezuiverde lozingen. De gemeente Vlaardingen is onderdeel van het deelstroomgebied Rijn-West.

4.6.1.2 Landelijk beleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets is

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 32

in 2003 verplicht gesteld voor ruimtelijke plannen. 4.6.1.3 Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan Zuid-Holland Het Waterplan Zuid-Holland beschrijft wat in de periode 2016 – 2021 moet gebeuren om de provincie in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. Het plan werkt de strategische wateropgaven voor drie gebieden verder uit, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van hoogwaterrisico's. Gemeenten worden gevraagd bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting te maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en te verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de provinciale Verordening ruimte. De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks (RAB) ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. In deze methodiek bedraagt de oriëntatiewaarde van het risico op individueel overlijden (LIR) 1x10-5.

4.6.1.4 Gemeentelijk beleid Handreiking Watertoets voor gemeenten Om de kans op wateroverlast te verkleinen is het van belang ervoor te zorgen dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Hiervoor hanteert Delfland het stand-still beginsel. Dit houdt in dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op het watersysteem, bijvoorbeeld door een toename van het verhard oppervlak. Ook kan een gebied van functie veranderen, waardoor het vereiste beschermingsniveau verandert. Indien ontwikkelingen tot een verandering van de belasting op het watersysteem leiden, moet dit conform het stand-still beginsel worden gecompenseerd. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienormen, de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans – per – jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grote afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door (ruimtelijke) ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).

Om de benodigde compensatie voor een (ruimtelijke) ontwikkeling te berekenen, heeft Hoogheemraadschap van Delfland de Watersleutel ontwikkeld. De Watersleutel toont het verschil tussen de benodigde waterberging in de huidige situatie én in de toekomstige situatie. Waterplan De gemeente Vlaardingen en het Hoogheemraadschap van Delfland hebben gezamenlijk het Waterplan Vlaardingen opgesteld. Het waterplan is een integratiekader voor het totale waterbeheer in Vlaardingen. In de plannen geven Vlaardingen en het hoogheemraadschap een gezamenlijke visie op de gewenste ontwikkeling van het watersysteem op middellange termijn (2030). Het watersysteem van Vlaardingen kenmerkt zich door een snelle afvoer van regenwater, voornamelijk via de riolering. In de stedelijke polders stroomt veel water vanuit de singels de riolering in en wordt het water via overstortbemaling afgevoerd naar de Nieuwe Maas. De visie van het waterplan is gericht op een robuust systeem, waarin meer water wordt vastgehouden en meer waterberging wordt aangelegd. In het waterplan is de integrale wateropgave bepaald en worden maatregelen uitgewerkt om die opgave te realiseren. De hoofddoelstellingen van het waterplan Vlaardingen zijn: Water draagt in belangrijke mate bij aan de ruimtelijke kwaliteit van Vlaardingen. De stedelijke polders van Vlaardingen voldoen aan de NBW-normering wateroverlast.

Het water in Vlaardingen is schoon en voldoet op termijn aan de eisen van de KRW. De vuilemissie uit de riolering is teruggebracht volgens de normering basisinspanning.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 33

Het oppervlaktewater wordt niet meer via riolering afgevoerd. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019 beschrijft hoe de gemeente Vlaardingen invulling geeft aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In dit plan vertaalt de gemeente de ambities voor de rioleringszorg naar concrete doelen, een strategie en daarvoor benodigde activiteiten. De gemeente Vlaardingen werkt samen met haar gebiedspartners aan de thema's. Schoon & Gezond; Droog & Veilig; Duurzaam & Doelmatig. 4.6.1.5 Beleid Waterschap Hoogheemraadschap: Waterbeheerplan Delfland Het Waterbeheerplan (WBP 5) van het Hoogheemraadschap van Delfland beschrijft de strategie ten behoeve van de uitvoering van zijn kerntaken voor de komende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop, de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Keur Delfland Voor werkzaamheden en activiteiten aan het water of aan waterkeringen gelden regels. Deze regels zijn vastgelegd in een verordening 'Delflands Algemene Keur'. In deze Keur staan gedoogplichten, geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen.

In de Keur is geregeld dat kern- en beschermingszones voor waterkeringen (en watergangen) in acht dienen te worden genomen. Concreet komt het erop neer dat binnen de beschermingszone van waterkeringen en wateren niets zondermeer gebouwd en opgeslagen mag worden, waarbij voor de kernzone een strenger regime (bouwen binnen de kernzone is niet toegestaan) geldt dan voor de aangrenzende beschermingszone. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel van de waterkering en/of veiligheid wordt aangetast dan wel het onderhoud van de waterkering/water wordt gehinderd. De breedte en maatvoeringen van deze beschermingszones zijn vastgelegd in de 'Legger'. Watersleutel Delfland maakt gebruik van de watersleutel. Dit is een rekentool die helpt bepalen hoeveel waterberging gecompenseerd moeten worden. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervalk toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel. Tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Hierbij wordt gelet op een aantal relevante kenmerken binnen het watersysteem van de huidige situatie en de toekomstige situatie. 4.6.2 Relatie tot het plangebied In deze paragraaf worden de afzonderlijke aspecten rondom de waterhuishouding nader toegelicht.

Het plangebied is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Waterkwantiteit Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 13.250 m2. In de huidige situatie is hiervan 12.503 m2 verhard. In de toekomstige situatie is 10.337 m2 verhard, dit betekent dat er sprake is van een afname van 2.166 m2 aan verharding. In de IPvE is aangegeven dat als de footprint van de bebouwing in de proefverkaveling niet wordt vergroot, er geen watercompensatiemaatregelen benodigd zijn. In het kader van de IPvE is destijds de watersleutel doorlopen. De watersleutel in het IPvE is verouderd, daarom is de nieuwe watersleutel doorlopen. De uitkomsten zijn opgenomen in Bijlage 3 van dit bestemmingsplan. Hieruit volgt opnieuw dat er geen extra oppervlaktewater gerealiseerd behoeft te worden, omdat de totale oppervlakte aan verharding kleiner is dan de oppervlaktie in de oorspronkelijke situatie. Er wordt geen extra verharding aangebracht. Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 34

Grondwater Het plangebied is gelegen in de Westwijk. De Westwijk is gebouwd op een slappe ondergrond, bestaande uit klei en veen. De bodem heeft een gemiddelde zettingssnelheid van 3,1 mm per jaar. Op basis van de meetgegevens van Munisense open data portal blijkt de grondwaterstand in het gebied gemiddeld rond de 3 meter onder NAP. Figuur 9. Meetgegevens grondwaterstanden nabij het plangebied (bron: opendata.munisense.net)

Onttrekking van grondwater komt in Westwijk niet voor. Het plangebied is verder niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de toekomstige situatie zal ook geen oppervlaktewater worden gerealiseerd. Figuur 10. Uitsnede legger, plangebied rood omlijnd (bron: Hoogheemraadschap Delfland)

Riolering Het rioolstelsel in de wijk Westwijk is overwegend van het gemengde type. In principe worden de te realiseren woningen voorzien van een gescheiden rioleringssysteem, mits de gemeente in het openbaar gebied voorziet in een gescheiden rioleringssysteem. In andere gevallen worden de woningen voorzien van een gemengd rioleringssysteem.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 35

Veiligheid en waterkeringen In het plangebied zijn geen waterkeringen of beschermingsgebieden hiervan aanwezig. Afvalwater en riolering In Vlaardingen is het rioleringsbeleid erop gericht dat alle nieuwe ontwikkelingen moeten zijn voorzien van een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel. Voorwaarde is wel dat er voldoende open water in de directe omgeving aanwezig is om het hemelwater naar af te kunnen voeren. In de omgeving van het plangebied is weinig oppervlaktewater aanwezig. In principe dient hemelwater op eigen terrein verwerkt te worden. Dat kan door het aanleggen van groene daken, regentonnen, kratjes onder het maaiveld of bijvoorbeeld door de aanleg van groene tuinen. De voorgenomen ontwikkeling betreft sloop-nieuwbouw, er is in de toekomstige situatie minder verharding dan in de oorspronkelijke situatie. Daarnaast worden tuinen gerealiseerd en zal er sprake zijn van een toename van de hoeveelheid groen binnen het plangebied. De hemelwaterafvoeren van de bergingen wordt vertraagd afgevoerd naar het gescheiden rioleringssysteem, waardoor de bodem regenwater kan opnemen. Er zal dan ook geen extra hydraulische belasting te verwachten zijn op het rioleringsstelsel. Het gebruik van niet-uitlogende materialen is een voorschrift, ook in gebieden met een gemengd stelsel.

Verder voorziet het plan bij alle woningen in een voortuin inclusief een (bij oplevering) aangelegde haag, wat een positief effect heeft op hittestress. 4.6.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van het beoogde initiatief.

4.7

Ecologie

4.7.1 Kader Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming (Wnb). De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Floraen Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. De uitspraak van de Raad van State waarmee het Programma Aanpak Stikstof is komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603) heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). Op het moment dat een ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie vraagt dit om nadere aandacht.

Wanneer sprake is van een bijdrage zal worst case een passende beoordeling gemaakt moeten worden. In geval van een bestemmingsplan leidt dit tot een planMER-plicht. Soortenbescherming De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 36

rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. 4.7.2

Relatie tot het plangebied

Gebiedsbescherming Binnen een straal van 3 kilometer vanaf het plangebied bevindt zich geen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Oude Maas op circa 5 kilometer afstand van het plangebied. In dit gebied bevinden zich volgens gegevens uit de AERIUS Calculator geen stikstofgevoelige habitattypen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofstofgevoelige habitattypen betreft 'Solleveld & Kapittelduinen', gelegen op een afstand van circa 11 kilometer ten westen van de planlocatie. De dichtstbijzijnde delen van de NNN bevinden zich op een afstand van circa 0,6 kilometer. Met betrekking tot het aspect stikstofdepositie is door Mees Ruimte & Milieu een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als Bijlage 4 Onderzoek stikstofdepositie van dit plan. De meetresultaten laten zien dat zowel in de aanleg- als de gebruiksfase geen meetbare effecten op omliggende Natura 2000-gebieden zijn te verwachten. De ontwikkeling leidt daarmee niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Soortenbescherming De voormalige bebouwing in het plangebied is reeds gesloopt. In de huidige situatie vormt het plangebied een depot van grond en gebroken puin.

Verblijfplaatsen kunnen hier worden uitgesloten, aangezien het plangebied is te beschouwen als ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. Een quickscan ecologie is niet noodzakelijk voor de realisatie van het beoogde plan. 4.7.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het beoogde initiatief.

4.8

Geluid

4.8.1 Kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluid-bronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming (zoals een woning) altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn. geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels' De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). 4.8.2 Relatie tot het plangebied Door M+P raadgevende ingenieurs BV is onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting vanwege wegverkeer, industrie en bedrijvigheid op de beoogde woningbouw in het plangebied (Bijlage 5 Akoestisch onderzoek). Wegverkeerslawaai Het bouwplan ondervindt een verhoogde geluidsbelasting vanwege de rijkswegen en de Floris de Vijfdelaan. Om het plan mogelijk te maken zijn hogere grenswaarden nodig. De hoogste geluidsbelastingen bedragen: Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 37

Nabijgelegen Rijkswegen: onder de voorkeursgrenswaarde; Floris de Vijfdelaan: maximaal Lden = 57 dB; Voor de niet gezoneerde 30 km/u wegen is een geluidsbelasting bepaald van ten hoogste Lden = 50 dB na aftrek. Bij deze rekenresultaten is rekening gehouden met een tuinmuur van deels 0,6 meter en deels 1,8 meter hoog ter plaatse van het oostelijke bouwblok (zie figuur 2 in Bijlage 5). Deze tuinmuur is toegevoegd om ervoor te zorgen dat de woningen op deze hoek over een geluidsluwe tuin en zoveel mogelijk over een geluidsluwe eerste verdieping beschikken. De geluidbelasting overschrijdt de voorkeursgrenswaarde en blijft onder de maximale ontheffingswaarde die het wettelijke kader van wegverkeerslawaai toestaat. Wel dient er een Besluit hogere waarden te worden vastgesteld. Hierbij dient te worden getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Het geluidbeleid van de gemeente Vlaardingen geeft als randvoorwaarde dat alle woningen waarop een overschrijding van de grenswaarde plaatsvindt moet beschikken over een geluidsluwe zijde waaraan het (merendeel) van de slaapkamers gesitueerd moet worden. Een gevel is geluidsluw wanneer de geluidsbelasting van alle bronnen samen gelijk aan of kleiner is dan 53 dB (zonder aftrek wegverkeer). Alle woningen waar sprake is van een overschrijding beschikken over een geluidsluwe begane grond en bijbehorende buitenruimte.

Voor nagenoeg alle woningen is daarbij tevens sprake van een geluidsluwe eerste en tweede verdieping, zodat aan die zijden de slaapkamers mogelijk gerealiseerd kunnen worden. Om aan het gemeentelijk geluidsbeleid te voldoen zijn maatregelen nodig bij bouwnummers 51, 52, 53 en 54. Voor bouwnummers 51 t/m 53 geldt dit voor zowel de eerste als de tweede verdieping, bij bouwnummer 54 alleen voor de tweede verdieping. Aangezien maatregelen op stedenbouwkundig niveau niet mogelijk zijn, wordt als alternatief een gebouwgebonden maatregel voorgesteld als gelijkwaardige oplossing. Het voorstel betreft een spuivoorziening voor de verblijfsruimten aan de betreffende gevel die als geluidsluw kan worden gekenmerkt doordat deze wordt afgeschermd van het (bepalende) wegverkeersgeluid. De geluidsbelasting dient op het maatgevende punt met 4 dB gereduceerd te worden om tot een totale geluidsbelasting van wegverkeer te komen die niet hoger is dan 53 dB bij een draairaam. Met het plaatsen van een 300 mm diep (glazen) scherm langs de kozijnen op de verdiepingen wordt minimaal 4 dB reductie gerealiseerd. De draairamen moeten maximaal 200 mm breed uitgevoerd worden en direct gelegen zijn aan de zijde van het scherm. Op deze wijze kan met open ramen gespuid worden. De locatie van de oplossing is opgenomen in figuur 6 van Bijlage 5.

In onderhavig geval is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. In het kader hiervan wordt het tuinscherm gerealiseerd en worden maatregelen in de vorm van spuivoorzieningen getroffen. Bij de bouwvergunningsaanvraag dient een rapport ingediend worden met daarin berekeningen van de geluidswering conform het Bouwbesluit om zo het binnenniveau te garanderen. Industrielawaai Het industrielawaai vanwege Botlek-Pernis voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Dit geldt ook voor het industrielawaai vanwege Vulcaanhaven, Koningin Wilhelminahaven en Klein Vettenoord. Daarmee is er geen sprake van een verhoogde geluidsbelasting vanwege de gezoneerde industrieterreinen. De bedrijvigheid in de nabijheid van het plan wordt niet extra belemmerd in de bedrijfsactiviteiten doordat het plan op dezelfde afstand van de huidige woonbebouwing is gesitueerd.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 38

4.8.3 Conclusie De geluidbelasting door wegverkeer- en industrielawaai is voor alle woningen lager dan de maximale ontheffingswaarde. Een Besluit hogere waarden is wel benodigd, aangezien de voorkeursgrenswaarde bij meerdere woningen wordt overschreden. Voor de woningen waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden dient te worden getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Hier wordt middels maatregelen aan voldaan.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Kader Op 15 november 2007 is de paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer gewijzigd (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Staatsblad 2007, 414) en zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer vernieuwde luchtkwaliteitseisen opgenomen. Gelijktijdig zijn de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Staatscourant 2007, 220), het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) in werking getreden. Een belangrijk element uit deze wetswijziging is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM). Luchtkwaliteitseisen vormen nu geen belemmering voor ontwikkelingen, als: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.

AMvB 'niet in betekenende mate' In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Op verzoek van de Nederlandse overheid heeft de EU verlenging van de termijn (derogatie) gegeven waarbinnen de luchtkwaliteitseisen gerealiseerd moeten zijn. Per 1 augustus 2009 is het NSL vastgesteld (een belangrijke voorwaarde voor het verkrijgen van de derogatie). Hierdoor kan volledig gebruik worden gemaakt van deze derogatie. Bovendien is de definitie van 'niet in betekenende mate' verlegd van 1% naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m³ (µg/m³) voor zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Op 7 juni 2012 is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen aangepast, zodat het mogelijk wordt gemaakt om bij ministeriële regeling (Regeling NIBM) bepaalde gebieden en bepaalde broncategorieën aan te wijzen waarbinnen geen gebruik meer kan worden gemaakt van de NIBM-grond. Het zal gaan om gebieden waar de grenswaarde voor PM10 wordt overschreden of waar overschrijding van de grenswaarde dreigt. Dit betreft naar verwachting een enkele gemeente in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland met veel intensieve veehouderijen, pluimveehouderijen in het bijzonder. De aanwijzing van gebieden en broncategorieën zal plaatsvinden in nauwe samenspraak met betrokken overheden en sectoren en zal gepubliceerd worden in de Regeling NIBM.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 39

Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. 4.9.2 Relatie tot het plangebied In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 64 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden kan geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Goed woon- en leefklimaat Voor toetsing aan de achtergrondconcentraties geldt voor NO2 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 25 µg/m3. Op www.nsl-monitoring.nl (geraadpleegd op 20 maart 2020) is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie op rekenpunt 15954256: de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van fijnstof PM10 19,6 µg/m3, van fijnstof PM2,5 11,7 µg/m3 en van stikstofdioxide NO2 22,7 µg/m3 zijn. De verwachting is dat de achtergrondconcentraties in het nieuwe decennium geleidelijk zullen afnemen.

Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geldt dat sprake is van een afname aan motorvoertuigbewegingen. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer desondanks wordt opgeteld, blijven de achtergrondconcentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide alsnog ruim onder de grenswaarden. Op basis van de NIBM-tool geldt voor een verkeersgeneratie van 310 motorvoertuigen per etmaal een toename van 0,12 µg/m3 aan NO2 en 0,02 µg/m3 aan PM10. Ook in dit geval blijven de achtergrondconcentraties ruim onder de grenswaarden en de grens voor 'Niet in betekenende mate'. Tabel

1: GCN-achtergrondconcentraties

ter plaatse

van rekenpunt

15954256

(bron:

nsl-monitoring.nl/viewer)

4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het beoogde plan. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 40

4.10

Externe veiligheid

4.10.1 Kader Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) van belang. Plaatsgebonden risico (PR) Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.

Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR) Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een professionele risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de professionele risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu.

4.10.2 Relatie tot het plangebied Voor de beoordeling van risico's is de risicokaart geraadpleegd. De kaart is opgenomen in figuur 11. Het plangebied is hierop paars omlijnd.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 41

Plaatsgebonden risico Het plangebied bevindt zich niet binnen de plaatsgebonden risicocontouren, zie figuur 10. Hiermee vormen dergelijke contouren geen belemmering voor de realisatie van kwetsbare objecten, zoals woningen, binnen het plangebied. Groepsrisico Rondom het plangebied bevinden zich meerdere buisleidingen, zoals weergegeven op figuur 10. Hierbij dient met betrekking tot het groepsrisico gekeken te worden op het plangebied binnen de 1%-letaliteitscontour van de buisleidingen ligt. Indien het plangebied hierbinnen is gelegen, moet het groepsrisico worden bereiken. De 1% letaliteitscontour van de buisleiding aan de noordzijde van het plangebied is 170 meter. De buisleiding ligt op een afstand van circa 320 meter van het plangebied. Hiermee is het plan niet binnen de 1% letaliteitscontour gelegen van deze buisleiding. De 1% letaliteitscontour van de buisleiding aan de oostzijde van het plangebied is 380 meter. Deze buisleiding ligt op een afstand van circa 530 meter van het plangebied. Hiermee is het plan niet binnen de 1% letaliteitscontour gelegen van deze buisleiding. De 1% letaliteitscontouren voor de buisleidingen aan de westzijde van het plangebied zijn: 230 meter, 70 meter en 180 meter. De buisleidingen liggen op een afstand van circa 600 meter van het plangebied.

Wederom is het plangebied niet binnen de 1% letaliteitscontouren gelegen van deze buisleidingen gelegen. Er hoeft geen groepsrisicoverantwoording plaats te vinden. Tevens dient gekeken te worden of de projectlocatie is gelegen in de nabijheid van een transportroute, artikel 8 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De projectlocatie is niet binnen 200 meter van de transportroute over de weg (A20) en het spoor gelegen, de projectlocatie ligt op een afstand van circa 550 meter. Hierdoor hoeft eveneens geen uitgebreide groepsrisco verantwoording (zoals: QRA-berekeningen) plaatst te vinden. Tenslotte is het plangebied deels gelegen binnen het verantwoordingsgebied van Rotterdam-the Hague Airport (RtHA). Om deze reden dient het groepsrisico te worden verantwoord. In voorliggend plan is sprake van vervangende nieuwbouw, waarbij het aantal personen in het gebied ten opzichte van de huidige situatie afneemt. Om deze reden hoeft het groepsrisico niet Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 42

nader te worden gemotiveerd. 4.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.11

Bodem

4.11.1 Kader Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. 4.11.2 Relatie tot het plangebied Ten behoeve van de herontwikkeling van het plangebied, is door DS milieu-consult een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek. Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat de bovengrond van het plangebied licht verontreinigd is. Er is sprake van een diffuse, heterogene verontreiniging. In de bovengrond is geen asbest aangetoond. Tevens zijn in de diepere bodem geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd. De hypothese dat de bodem verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de onderzoeksresultaten te worden bevestigd.

De lichte verontreinigingen in de bovengrond en in het grondwater geven echter geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De bodemkwaliteit wordt als geschikt ten behoeve van de beoogde woonfunctie beschouwd. 4.11.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het plan.

4.12

Bedrijven en milieuzonering

4.12.1 Kader Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 43

aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie. Tabel

2.Richtafstanden

bedrijven

en milieuzonering

(bron:

VNG-brochure)

4.12.2 Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen in een omgevingstype 'gemengd gebied'. In het moederplan "Westwijk" wordt tevens het volgende vermeld: "Het gebied waar de ontwikkeling Centrumplan is beoogd heeft een overwegend gemengde functie. Hier wordt detailhandel en horeca gecombineerd met wonen en maatschappelijke voorzieningen. Voor dit deel van het plangebied is sprake van een omgevingstype ‘gemengd gebied’. De aanwezige bedrijvigheid is toelaatbaar in een gebied met functiemenging." Het plangebied maakt onderdeel uit van het Centrumplan. De voorgenomen ontwikkeling voorziet uitsluitend in de realisatie van woningen. Woningen leveren geen milieuhinder op ten opzichte van andere woningen. Aan de noordzijde van het plangebied is een garagebedrijf gesitueerd op een afstand van circa 12 meter. Ter plaatste van het garagebedrijf is een milieucategorie tot en met 2 toegestaan. In principe geldt hiervoor een richtafstand van 30 meter. Echter, gezien de diversiteit aan functies rondom het plangebied en het feit dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het Centrumplan, kan gesproken worden van een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstand met één stap verlaagd kan worden tot 10 meter. Hiermee houdt het plan voldoende afstand van het garagebedrijf. Daarnaast was reeds sprake van woningbouw op 12 meter afstand van het garagebedrijf.

Derhalve diende het garagebedrijf reeds rekening te houden met gevoelige functies op een kortere afstand. Deze situatie blijft ongewijzigd, waardoor sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Aan de noordoostzijde van het plangebied is op een afstand van circa 50 meter een maatschappelijke functie ten behoeve van religie mogelijk. Op basis van de VNG-handreiking (SBI-2008: 9491) is voor kerkgebouwen sprake van een richtafstand van 30 meter in het type gebied 'rustige woonwijk'. Gezien sprake is van het type gebied 'gemengd gebied' kan de richtafstand met één stap worden verlaagd naar 10 meter. De woningen zijn op voldoende afstand van de maatschappelijke functie gelegen. Aan de zuidzijde van het plangebied is een sporthal gelegen. Op basis van de VNG-handreiking (SBI-2008: 931A) is hier sprake van een richtafstand van 50 meter in een 'rustige woonwijk' en 30 meter in 'gemengd gebied'. De sporthal is gelegen op een aftand van 50 meter van de grens van het plangebied. Dit betekent dat voldoende afstand van de sporthal wordt gehouden. 4.12.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 44

4.13

Duurzaamheid

De ontwikkelende partij heeft voor de sociale huurwoningen in het plangebied een hoge energieambitie geformuleerd, zodat voor de woningen de Energie Prestatie Vergoeding (EPV) kan worden ontvangen. De uitgangspunten voor de EPV staan ongeveer gelijk aan Nul-Op-De-Meter als energieconcept. Deze berekeningen worden uitgevoerd conform- en getoetst aan de ‘Wet Energieprestatievergoeding huur’ en de NEN 7120. Om die ambitie te behalen is er voor gekozen om de woningen te ontwerpen op basis van een gemiddelde Rc-waarde van 5,5, dubbel glas, zeer goede kierdichting (Qv10=0,25), elektrische (lucht-water)warmtepomp, WTW-ventilatie en circa 18 zonnepanelen. Dit resulteert in een EPC waarde in de bandbreedte van -0,32 en -0,36. De koopwoningen worden energieneutraal gerealiseerd (EPC=0,0) met een soortgelijke schilisolatie en warmtevoorzieningstoestel, een goede kierdichting (Qv10=0,4), ventilatie op basis van mechanische afzuiging en natuurlijke luchttoevoer en circa 10 zonnepanelen. Het voorgestane bouwsysteem is een droogstapelbouwsysteem bestaande uit geprefabriceerde dragende wanden van beton, kanaalplaatvloeren, prefab houten binnenwanden en houten dakelementen. Hout elementen worden grotendeels vervaardigd uit FCS gekeurd uit (mix 70%). Gezien de voorgenomen duurzaamheidsmaatregelen kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de vereisten met betrekking tot duurzaamheid.

De huurwoningen worden verhuurd binnen de EPV-regeling hetgeen betekent dat de bouwkundige schilisolatie is geoptimaliseerd om warmteverlies/ instraling te voorkomen en een zeer energiezuinige installatie is gekozen zodat er minimale zonnepanelen hoeven worden ingezet om energiestromen te compenseren.

4.14

M.e.r.-beoordeling

4.14.1 Kader De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. 4.14.2

Relatie tot het plangebied

Het onderhavige bestemmingsplan betreft een onderdeel van een groter project (Herstructurering Centrumplan Westwijk). De woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt, worden gebouwd als vervanging voor het inmiddels gesloopte appartementencomplex met commerciële functies in de eerste laag. Voor de voorgenomen ontwikkeling is D11.2 relevant.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 45

In voorliggend bestemmingsplan is beoordeeld welke nadelige milieugevolgen door de uitvoering van de herstructurering in het algemeen en dit deelplan in het bijzonder zijn te verwachten. Het in de voorgaande paragrafen beschreven onderzoek naar milieuaspecten geeft aan dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de in dit plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zijn uitgesloten. Het aantal verkeersbewegingen neemt af. Daarnaast zijn geen (significant) negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde natuurgebieden te verwachten. Omdat sprake is van vervangende nieuwbouw, waarbij het aantal woningen en daarmee de impact op de omgeving kleiner is dan voorheen, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit Milieueffectrapportage. Andere activiteiten uit het Besluit mer zijn tevens niet van toepassing. Nadere toetsing aan het Besluit mer is niet aan de orde.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 46

Hoofdstuk 5 Planopzet

5.1

Algemeen

De vorm van het bestemmingsplan wordt in belangrijke mate bepaald door de vereisten ten aanzien van uitwisselbare, vergelijkbare en digitale plannen. Deze standaarden zijn vanaf 1 januari 2010 wettelijk van kracht en worden periodiek aangepast. Voor de planopzet (en vorm) is vooral de momenteel geldende SVBP 2012 van belang. De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Concreet moet hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan: de benaming van bestemmingen en aanduidingen; het onderbrengen van (hoofd)functies onder bepaalde bestemmingen; de kleurstelling en/of vormgeving van bestemmingen en aanduidingen; de opbouw, volgorde en nummering van de regels; de aanhef van (onderdelen van) artikelen; de omschrijving van diverse begrippen. De standaarden hebben geen betrekking op de inhoud van een bestemmingsplan. Dit blijft een zaak van het bevoegde gezag (de gemeente). Het bestemmingsplan is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting. Tevens is het plan aangepast aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Concreet betekent dit dat de terminologie in de regels van het plan zijn afgestemd op de ‘Wabo-terminologie’.

Zo is bijvoorbeeld de term ‘ontheffing’ vervangen door ‘afwijken’ en is de term ‘aanlegvergunning’ vervangen door ‘omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’.

5.2

Bestemmingen en dubbelbestemmingen

Onder een bestemming wordt de bestemming verstaan die ingevolge artikel 3.1 Wro aan gronden wordt toegekend. Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies (en bebouwingsmogelijkheden), met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. In het bestemmingsplan Westwijk is aan de soortgelijke gronden de bestemming "Wonen - 1" toegekend. In voorliggend bestemmingsplan is deze bestemming gewijzigd naar de bestemming "Wonen", aangezien slechts één vorm van wonen mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - industrie'. In dit bestemmingsplan worden naast de bestemming 'Wonen', de bestemmingen 'Verkeer' en 'Groen' mogelijk gemaakt. In feite wordt de methodiek gevolgd die ook in recente bestemmingsplannen is toegepast. Daartoe zijn de volgende bestemmingen opgenomen. Bestemming 'Groen' De groenvoorzieningen binnen het plangebied hebben deze bestemming gekregen. Bestemming 'Horeca' In de bestemming 'Horeca' is horeca in de vorm van een afhaal-/bezorgrestaurant toegestaan. Bestemming 'Verkeer' De wegen, parkeervoorzieningen en overige verblijfsgebieden hebben de bestemming “Verkeer”. Binnen deze bestemming mogen tot een beperkte omvang gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd.

Bestemming 'Wonen' In de bestemming ‘Wonen' zijn uitsluitend (grondgebonden) aaneengebouwde woningen toegestaan. Het medegebruik van een deel van de woning voor een beroep of bedrijf aan huis is Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 47

toegestaan. De hoofdfunctie wonen mag daardoor echter niet worden verdrongen. Voor de erfbebouwingsregeling zijn de gebruikelijke regels overgenomen. De stedenbouwkundige accenten (differentiaties) van het bouwplan zijn in het bestemmingsplan alle mogelijk gemaakt. De differentiatie ten aanzien van de plaatselijk doorgetrokken gevel (de “dakkapel” aan de voorzijde) is toegestaan middels de regeling die toestaat dat over een lengte van maximaal 50% van de woningbreedte een hogere goothoogte mag worden gerealiseerd. De maximaal toegestane bouwhoogte is opgenomen in de verbeelding van het bestemmingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 48

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Onderhavig bestemmingsplan is een van de deelplannen binnen het Centrumplan Westwijk. Het Centrumplan Westwijk bestaat uit verschillende ontwikkellocaties en tezamen vormen deze het herstructureringsgebied. Het kostenverhaal van de door de gemeente voor dergelijke ontwikkellocaties te maken kosten, dient verzekerd te zijn. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin de gemeentelijke kosten zijn verzekerd.

Mees Ruimte & Milieu | Floris de Vijfdelaan te Vlaardingen

Pagina | 49

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Bestuurlijk vooroverleg

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10871795/1