5a. Rapport Jeugd en passend onderwijs - Rekenkamercommissie Schiedam Vlaardingen
Tekst van het document
18 De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben een extern adviesbureau opdracht gegeven voor de fases gericht
op visievorming en speerpunten voor het MVS-model. Dit gedeelte is afgerond. In de Herijking inkoop jeugdhulp in de MVS-gemeenten staan de verdere stappen en tijdsplanning weergegeven. 19 In de regio Rijnmond wordt gewerkt met arrangementen waarbij het doel centraal staat en niet het type jeugdhulp, zoals basis of specialistische GGZ. Voor meer informatie zie: https://www.jeugdhulprijnmond.nl/werkwijze/resultaatgericht-werken/ RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
24 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen
4
Afspraken over de samenwerking onderwijs en jeugdhulp en de rol van de gemeenten daarbij
In dit hoofdstuk gaan we in op de afspraken die binnen de gemeenten zijn gemaakt over de samenwerking tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp. Het gaat hierbij in norm 2a om afspraken over de vormgeving en doelstellingen van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. In norm 2b gaat het om afspraken over de manier waarop de gemeenten sturen op de samenwerking bij het bieden van passende en integrale hulp aan leerlingen en hun ouders. Norm 2a. Binnen de gemeentelijke organisaties van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen bestaan afspraken over de vormgeving en de doelstellingen van samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Binnen de gemeenten Schiedam en Vlaardingen zijn er vrijwel geen afspraken over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De afspraken die er wel zijn, hebben de vorm van ambities en strategische doelstellingen. Concrete en meetbare doelen van de samenwerking ontbreken. De rollen van de twee sectoren en de richtlijnen voor informatie-uitwisseling zijn onduidelijk. Ook over de financiering van de ondersteuning aan jongeren ontbreken concrete afspraken, anders dan dat ondersteuning op school en in de klas wordt betaald vanuit de onderwijsbudgetten en hulp buiten de school voor rekening valt van jeugdhulpbudgetten. Indicatoren voor norm 2a De afspraken voldoen aan de volgende criteria: 1.
Ze zijn concreet en meetbaar over de doelen van de samenwerking. 2. Ze maken duidelijk welke partijen een rol vervullen in de samenwerking, wat ieders rol is, en wie de leiding heeft over de samenwerking in de praktijk(netwerken). 3. Ze maken duidelijk hoe de betrokken partijen informatie met elkaar uit kunnen wisselen, en hoe om te gaan met het uitwisselen van privacygevoelige informatie. 4. Ze maken duidelijk wie wat betaalt, in het bijzonder als het gaat om de investeringen van de gemeente en het onderwijs. 5. Ze maken duidelijk hoe de samenwerking wordt geëvalueerd en op basis daarvan eventueel wordt bijgesteld. 6. De afspraken zijn bij alle betrokken partijen bekend.
Mate waarin eraan wordt voldaan +/-
-
+/-
Onderbouwing Indicator 1 Er zijn volgens alle geïnterviewden - dus de wethouders, de beleidsadviseurs, de managers van de onderwijsen jeugdhulporganisaties en de onderwijs- en jeugdhulpprofessionals - binnen de gemeentelijke organisaties nog geen concrete en meetbare doelen opgesteld voor wat de samenwerking moet opleveren. Wel zijn er tussen de gemeenten en individuele organisaties afspraken die te maken hebben met de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Hier komen we op terug onder norm 2b over de afspraken over hoe de gemeenten sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Indicator 2 De ambities die de gemeenten hebben opgesteld voor de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp zijn in beperkte mate vertaald naar plannen hierover. De MVS-gemeenten20 gaan een routekaart en informatieblad uitbrengen waarop staat wie welke rol vervult in de ondersteuning op school en wanneer de school dient door te verwijzen naar het wijkteam of andere jeugdhulp. 21 De beleidsadviseurs van de gemeente Schiedam beogen dat met het informatieblad de managers en professionals in de onderwijs- en de jeugdhulpsector meer begrip voor elkaars rol en positie krijgen en vaker en sneller met elkaar gaan samenwerken.
20 Dit gebeurt vanuit de metrolijn onderwijszorgarrangementen waarvan de gemeente Schiedam de trekker is. 21 De inhoud hiervan is afgerond. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen (en Maassluis) zijn van plan dit voor het nieuwe
jaar uit te brengen. RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
25 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Indicator 3 Er zijn geen duidelijke afspraken over het delen van informatie over jongeren tussen jeugdhulporganisaties en onderwijsinstellingen. Ook zijn de mogelijkheden voor informatie-uitwisseling niet voor iedereen duidelijk. Meerdere geïnterviewden vertelden dat zij vanwege privacywetgeving geen informatie mogen delen, terwijl anderen aangeven dat er meer mag dan men denkt. Indicator 4 In algemene zin is vanuit de Jeugdwet en de Wet Passend Onderwijs vastgelegd welke hulp vanuit onderwijsbudgetten wordt betaald en welke hulp vanuit de lokale jeugdhulpbudgetten. Bij ondersteuning op school of in de klas komen de benodigde financiën uit het onderwijsbudget. Bij ondersteuning aan de jongere voor bijvoorbeeld onderliggende ggz-problematiek komen de benodigde middelen vanuit de gemeente. De scheiding tussen hulp op school en hulp bij onderliggende problemen of hulp in het gezin is in de praktijk in Schiedam en Vlaardingen echter veel minder duidelijk dan op papier.22 Daarnaast financieren de gemeenten de gezinsspecialisten op vo-scholen. De gemeente Vlaardingen geeft aan dat ze vanuit bestaande budgetten, flexibele budgetten wil creëren om ervoor te zorgen dat onduidelijkheden over de verantwoordelijkheid van het onderwijs of de gemeente geen oplossing in de weg staan (Herijking beleid sociaal domein Gemeente Vlaardingen).
Indicator 5 Er zijn geen afspraken over de evaluatie van de samenwerking. Er is wel een evaluatie geweest van de ondersteuningsteams binnen de MVS-gemeenten (Samenwerking ondersteuningsteams Maassluis, Schiedam, Vlaardingen, oktober 2019). Indicator 6 Bij de meeste betrokkenen is veel onduidelijk over de afspraken. Bestuurders van de jeugdhulp- en onderwijsorganisaties geven aan dat er geen afspraken zijn binnen of met de gemeenten over de samenwerking. Het is voor iedereen wel bekend wat de rol van de gezinsspecialist is en welke afspraken daarover zijn. Norm 2b: De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben vastgelegd hoe zij sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp bij het bieden van passende en integrale hulp aan leerlingen en hun ouders. Binnen de gemeenten Schiedam en Vlaardingen zijn er geen concrete afspraken zijn over hoe de gemeenten sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Wat wel gezien kan worden als een vorm van sturing is de financiering van de gezinsspecialisten op de scholen. Door de inzet van gezinsspecialisten, is er een verbinding tussen het onderwijs en de wijkteams. De gezinsspecialisten komen op scholen, hebben wekelijks overleg met een vertegenwoordiger van een school en het samenwerkingsverband (in het ondersteuningsteams) en zijn onderdeel van dezelfde organisatie als de wijkteams.
De gemeenten zien hun rol in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp ook niet als sturend, maar meer als faciliterend en ondersteunend waar nodig. In Schiedam is één beleidsadviseur verantwoordelijk voor de aansluiting jeugd en onderwijs. In Vlaardingen zijn aparte teams, maar sluiten beleidsambtenaren aan bij overleggen. Indicatoren voor norm 2b De afspraken over de sturing voldoen aan de volgende criteria: 7. Er zijn concrete en meetbare afspraken geformuleerd over hoe de gemeente de samenwerking tussen de onderwijs- en jeugdhulporganisaties aanstuurt/faciliteert. 8. De afspraken over de sturing van de gemeente zijn schriftelijk vastgelegd en voor alle betrokkenen toegankelijk. 9. Bij de gemeente is iemand verantwoordelijk voor het aansturen en faciliteren van de samenwerking, en het is voor alle betrokkenen duidelijk wie dit is.
Mate waarin eraan wordt voldaan +/-
+/-
22 Uit de evaluatie passend onderwijs blijkt dit landelijk een probleem te zijn (Ledoux & Waslander, 2020).
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
26 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Onderbouwing Indicator 7 De beleidsdocumenten en interviews tonen geen concrete en meetbare afspraken over de aansturing of facilitering van samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De gemeenten hebben wel afspraken hebben met Minters over de inzet van gezinsspecialisten op de vo-scholen in Vlaardingen en Schiedam. De gezinsspecialisten worden geleverd door Minters, die een grote rol hebben in de wijkteams in de gemeenten, hierdoor kunnen zij gemakkelijk verbinding leggen met de wijkteams en eventuele inzet van jeugdhulp vanuit het wijkteam organiseren. Indicator 8 De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben niets op papier vastgelegd over hoe zij sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De afspraken zijn dan ook niet toegankelijk. De gemeenten hebben (grotendeels via de GRJR) contracten afgesloten met jeugdhulpaanbieders over het leveren van jeugdhulp waarin ook afspraken staan die betrekking hebben over aansluiting bij betrokken partners. In de interviews zijn deze afspraken niet ter sprake gekomen, dus we concluderen dat ze niet op het netvlies van de betrokkenen staan. Indicator 9 In de gemeente Schiedam is één beleidsadviseur verantwoordelijk voor de aansluiting onderwijs en jeugdhulp.
In Vlaardingen zijn er aparte teams voor onderwijs en jeugd, maar sluiten beleidsambtenaren aan bij overleggen met onderwijs- en jeugdhulporganisaties. Beleidsadviseurs vinden dat ze in de samenwerking vooral een faciliterende rol hebben, en deze uit zich hoofdzakelijk in het organiseren van sectorale overlegstructuren, zoals het REA, het LEA en de strategische agenda onderwijs. Kenmerkend voor deze overlegstructuren is dat deze contact en overleg faciliteren tussen partijen uit de eigen sector en maar heel beperkt partijen uit beide sectoren met elkaar in contact brengen.
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
27 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen
5
De uitvoering en doelmatigheid van de samenwerking
In dit hoofdstuk gaan we in op de manier waarop de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten is ingebed in het beleid en het werk van het gemeentebestuur en de ambtenaren (norm 3a) en op het niveau van de organisaties (norm 3b). Bij norm 3c beschrijven we in hoeverre de uitvoering van de samenwerking doelmatig is vormgegeven op het niveau van de professionals. In hoeverre de uitvoering van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten overeenkomt met de gemaakte afspraken, komt aan bod bij norm 3d. Tot slot gaan we bij norm 3e in op de mate waarin de geïnterviewden ervaren dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp leidt tot passende en integrale hulp aan kinderen en gezinnen in de gemeenten. Norm 3a: De samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam is binnen de gemeentelijke organisaties - op bestuurlijk en op ambtelijk niveau - zo vormgegeven dat het is ingebed in het beleid en het werk van het gemeentebestuur en de ambtenaren. De samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is geen direct onderwerp van gesprek in het college en de gemeenteraad. Het onderwerp wordt wel genoemd in diverse beleidsstukken die hier besproken worden. De wethouders van beide gemeenten hebben zowel onderwijs als jeugdhulp in hun portefeuille.
Schiedam heeft een team ‘Onderwijs en jeugd’ waarin beleidsambtenaren van beide onderwerpen vertegenwoordigd zijn. In Vlaardingen zijn er aparte teams, maar sluiten beleidsambtenaren aan bij overleggen met onderwijs- en jeugdhulporganisaties en zijn overlegstructuren waar ze elkaar tegenkomen.
10. De samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is onderwerp van gesprek in het college en in de gemeenteraad. 11. In de beleidsplannen van zowel het jeugd- als het onderwijsbeleid is aandacht voor de samenwerking. 12. Er vindt regelmatig afstemming plaats over de samenwerking tussen de betrokken ambtenaren van verschillende beleidsafdelingen
Mate waarin eraan wordt voldaan + +
Onderbouwing Indicator 10 In Schiedam was de samenwerking tot aan de herijking geen direct onderwerp van gesprek in de gemeenteraad en het college. Maar het onderwerp wordt wel aangestipt in (zomer)nota’s en jaarverslagen die besproken worden in de gemeenteraad. De samenwerking is geen onderwerp in het college, maar wel bij het strategisch agenda overleg. In Vlaardingen is een soortgelijk beeld, namelijk dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp terugkomt in stukken, zoals de herijking en onderwijsvisie, die door de gemeenteraad en het college besproken worden23. Indicator 11 De gemeenten hebben veel ambities om de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp te verbeteren, zoals blijkt uit de gesprekken en documenten (bijvoorbeeld ‘Ambitie aansluiting jeugdhulp en onderwijs, versie 21 maart 2020’; Strategische agenda onderwijs 2020-2024 Gemeente Schiedam, januari 2020; ‘Onderwijsvisie Vlaardingen 2020-2025. Rapportage, 2020’). Ook zijn ze trajecten gestart, zoals de Herijking Inkoop Jeugdhulp MVS-gemeenten, waarin de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp een bouwsteen is die verder uitgewerkt gaat worden. Indicator 12 De wethouders van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben beiden onderwijs en jeugdhulp in hun portefeuille. Dat is een bewuste keuze geweest om de verbinding te zoeken en gemakkelijker te kunnen
23 In de gemeente Vlaardingen en Schiedam is op 6 oktober een rapportage over het inverdieneffect van het jeugdmodel,
die onderdeel uitmaakt van een Raadsvoorstel, vastgesteld door het college en dit wordt medio november in de gemeenteraad besproken.
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
28 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen handelen. In de vorige colleges was dit niet het geval. De gemeente Schiedam heeft een team ‘Onderwijs en jeugd’ waar beleidsmedewerkers betrokken bij beiden thema’s onder vallen. Daarnaast is er een beleidsmedewerker die zich bezighoudt met de verbinding tussen beide domeinen. Zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau zijn er zes wekelijks overleggen waar de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp besproken kunnen wordt. In Vlaardingen zijn beleidsmedewerkers onderdeel van verschillende teams, maar betrekken beleidsadviseurs van beide domeinen elkaar actief. Bij de vormgeving van de onderwijsagenda worden beleidsadviseurs van jeugdhulp betrokken en vice versa. Ook komen de teamleiders van onderwijs en jeugd in MT-overleggen. Onder het REA-overleg is een ambtelijke kerngroep, die maandelijks overlegd met de directeuren van de samenwerkingsverbanden, daarin sluiten ambtenaren van onderwijs en jeugd aan. Norm 3b. Op het niveau van de organisaties - tussen de onderwijsinstellingen en jeugdhulporganisaties op bestuurlijk en strategisch niveau - is de samenwerking zo vormgegeven dat het is ingebed in het beleid en het werk van de organisaties. De mate waarin de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is ingebed in het beleid van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties in Schiedam en Vlaardingen verschilt sterk tussen de organisaties.
Een belangrijke constatering daarbij is dat daar waar de samenwerking is ingebed binnen de organisaties het gaat over samenwerking tussen het onderwijs en de meer preventieve jeugdhulp. Voor de samenwerking tussen het onderwijs en de specialistische jeugdhulp is vrijwel geen aandacht binnen zowel het onderwijs als de jeugdhulp. Indicatoren voor norm 3b
13. In beleidsplannen van de organisaties is aandacht voor de samenwerking. 14. De bestuurders/managers van de onderwijsinstellingen en jeugdhulporganisaties zorgen ervoor dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp een gespreksonderwerp in hun organisaties is. 15. Tussen de bestuurders en/of managers van de onderwijsinstellingen en jeugdhulporganisaties vindt regelmatig afstemming plaats over bijvoorbeeld:
Mate waarin eraan wordt voldaan +/+/-
-
- de onderwijszorgarrangementen - de aanpak van thuiszitters - de toegang tot gespecialiseerde jeugdhulp - de flexibiliteit die de inkoopafspraken bieden om de jeugdhulp aan te laten sluiten op hulpvragen vanuit het onderwijs - de betrokkenheid van het onderwijs bij de inkoop van jeugdhulp door gemeenten - de wachttijden en wachtlijsten
16. De organisaties hebben afspraken gemaakt over de onderlinge samenwerking. De afspraken voldoen onder andere aan de volgende criteria:
-
- Ze maken duidelijk wie in de praktijk(netwerken) de leiding heeft over de samenwerking. - Ze maken duidelijk op welke manier de betrokken partijen informatie met elkaar uitwisselen, in het bijzonder als het gaat om privacygevoelige informatie. - Ze maken duidelijk bij wie de casusregie is belegd. - Ze maken duidelijk hoe de samenwerking wordt geëvalueerd en op basis daarvan eventueel wordt bijgesteld.
Onderbouwing Indicator 13 In het beleid van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties is op één organisatie na weinig aandacht voor de onderlinge samenwerking. In de beleidsplannen van de instellingen voor v(s)o is aandacht voor de samenwerking via de inzet van de gezinsspecialist, het komt aan bod wanneer leerplicht ingeschakeld wordt en voor de zorgadviesteams. Mbo’s hebben enige aandacht voor de samenwerking met jeugdhulp in hun plannen. Zij kopen zelf inzet van jeugdhulpverlening in. Het gaat binnen de onderwijsinstellingen vrijwel altijd over de samenwerking met de meer preventieve jeugdhulp, zoals de gezinsspecialisten, leerplicht, de wijkteams of jongerenwerk.
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
29 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Indicator 14 De ondersteuningsteams binnen de vo-scholen, waarin de zorgcoördinator en de gezinsspecialist samenkomen en de gezinsspecialist vervolgens verbinding kan leggen met een wijkteam, zorgen ervoor dat bij deze scholen de samenwerking met jeugdhulp structureel een onderwerp van gesprek is. Doordat de gezinsspecialisten van de vo-scholen van dezelfde organisatie deel uitmaken als de organisatie die het wijkteam organiseert, is de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs structureel onderwerp van gesprek. Ook een jeugdhulporganisatie die laagdrempelige hulp verzorgt heeft uitgebreid aandacht voor de samenwerking met het onderwijs. Voor de samenwerking tussen het onderwijs en de specialistische jeugdhulp, zoals de geestelijke gezondheidszorg, is vrijwel geen aandacht in de beleidsplannen van zowel de onderwijs- als de jeugdhulporganisaties. Indicator 15 Er vindt geen afstemming plaats tussen bestuurders van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties over de onderwerpen zoals beschreven bij de indicator. Indicator 16 Minters maakt elk jaar afspraken met scholen voor voortgezet onderwijs in Schiedam en Vlaardingen, waarbij specifieke aandacht is voor de manier waarop samenwerking tussen de organisaties wordt vormgegeven 24.
Voor alle andere organisaties geldt dat er alleen afstemming plaatsvindt op casusniveau en dat de samenwerking niet is ingebed in de organisatie. Het maken van afspraken met de (specialistische) jeugdhulp wordt in de ervaring van bestuurders/managers van onderwijsorganisaties bemoeilijkt door het grote aantal jeugdhulpaanbieders. Specialistische jeugdhulpaanbieders geven hetzelfde aan: er zijn te veel onderwijsorganisaties om contact mee te houden. Bovendien is terugkoppeling volgens jeugdhulpaanbieders niet altijd nodig, omdat de jeugdhulp losstaat van de schoolgang en scholen niet van de specifieke hulpverlening op de hoogte hoeven te zijn. Illustratief voor de onduidelijkheid over informatie-uitwisseling is dat de betrokken professionals niet weten welke privacyregels gelden en daardoor voor de meest veilige optie kiezen: helemaal geen informatie delen. In een van de groepsinterviews werd duidelijk dat sommigen denken te weten dat er niets uitgewisseld mag worden met andere professionals zonder toestemming van de ouders. Terwijl anderen aangeven dat er meer mag dan vaak wordt gedacht. In het algemeen regelt de Jeugdwet dat uitwisseling van cliëntgegevens tussen organisaties alleen mogelijk is met instemming van ouders en/of jeugdige (afhankelijk van de leeftijd). Daarnaast is het mogelijk om casuīstiek anoniem te bespreken.
De casus mag daarbij niet herleidbaar zijn naar kind of gezin. Tussen de onderwijs- en jeugdhulporganisaties zijn volgens onderwijs- en jeugdhulpprofessionals geen afspraken over wie in welke situatie de casusregie voert en hoe de informatie-uitwisseling plaatsvindt. Dit speelt voornamelijk bij de complexe casussen waarbij allerlei organisaties een rol hebben, zoals school, specialistische jeugdhulp en leerplicht. Bij eenvoudige casussen is veel duidelijker dat de gezinsspecialist, de schoolmaatschappelijk werker (op het Albeda) of het wijkteam de regie heeft. Over de samenwerking vindt enige evaluatie plaats. Minters en de jeugdverpleegkundigen evalueren de samenwerking met scholen. Er vindt soms evaluatie plaats op casusniveau, maar hier zijn geen afspraken over. Norm 3c. De uitvoering van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam is doelmatig vormgegeven op het niveau van de professionals. De mate waarin de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam in de praktijk doelmatig is vormgegeven, verschilt per organisatie, en zelfs per professional of per casus (zie ook Herijking inkoop jeugdhulp in de MVS-gemeenten). Het valt daarbij op dat professionals uit beide sectoren soms meer en soms juist minder van de ‘ander’ verwachten.
Dit is een signaal dat er onduidelijkheid bestaat over ieders rol in de samenwerking. Daarnaast bestaat er op casusniveau onduidelijkheid wie de regie heeft wanneer uiteenlopende partijen (waaronder onderwijs- en jeugdhulporganisaties) een rol hebben bij de jongere of het gezin.
24 Jeugdhulpverpleegkundigen vanuit het CJG werken deels school gebonden en stemmen jaarlijks met de scholen en
leerrecht af wat de verwachtingen van elkaar zijn. CJG Rijnmond biedt jeugdgezondheidszorg en meer preventieve opvoedondersteuning en beschouwd zichzelf niet als jeugdhulporganisatie. RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
30 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Bij lichte problematiek die binnen de school of in het wijkteam kan worden opgelost, levert dit geen problemen op. Juist bij de complexe casussen, waarin verschillende organisaties een rol hebben vanwege meervoudige problematiek bij de jongere of het gezin, ontstaat discussie over wie waarvoor verantwoordelijk is. In sommige gevallen heeft dit ertoe geleid dat jongeren maanden moesten wachten tot zij de hulp kregen die zij nodig hadden. Indicatoren voor norm 3c Mate waarin eraan wordt voldaan 17. De taken en verantwoordelijkheden in de uitvoeringspraktijk zijn helder voor de betrokken professionals. 18. De professionals weten welke partijen betrokken zijn bij de samenwerking, wat de rol is van iedere partij en wie de leiding heeft over de samenwerking in de praktijk(netwerken). 19. Er is een communicatiestructuur die eventuele verschillen tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp in bijvoorbeeld werkwijzen, culturen, werktijden en privacyregels overbrugt. 20. De betrokken professionals spreken elkaar met enige regelmaat face-to-face. +/21. De betrokken professionals evalueren met enige regelmaat met elkaar hoe de samenwerking verloopt en of de samenwerking bijdraagt aan het bereiken van de doelen. 22. Er is een cultuur waarin de professionals uit onderwijs en jeugdhulp elkaar ge+/makkelijk kunnen aanspreken. 23.
De professionals beschikken over de kennis over elkaars sector die nodig is om doeltreffend samen te kunnen werken en snappen en respecteren de mogelijkheden en onmogelijkheden in de andere sector. Onderbouwing Indicator 17 De professionals en de managers vanuit het onderwijs en de jeugdhulp weten wat de taken en verantwoordelijkheden zijn van beide sectoren, zoals deze wettelijk en financieel zijn vastgelegd. In de praktijk blijken de beelden over ieders taken en verantwoordelijkheden echter veel diffuser dan op papier. Een voorbeeld hiervan dat in de interviews werd genoemd is dat een deel van de onderwijsprofessionals en -managers ervaren dat zij vormen van (lichte) hulpverlening kunnen bieden. Een deel van de jeugdhulpverleners ziet het bieden van lichte ondersteuning echter als een taak voor de jeugdhulp. Aan de andere kant zijn er ook jeugdhulpverleners die van mening zijn dat scholen wel zelf lichte ondersteuning kan bieden waardoor zij in sommige situaties minder snel de jeugdhulp in hoeven te schakelen. Bijvoorbeeld als het gaat om het inzetten van een adhd-aanpak, zonder dat de diagnose daadwerkelijk is gesteld. Een ander voorbeeld van de van elkaar verschillende beelden over ieders taken en verantwoordelijkheden heeft betrekking op wie het intakegesprek voert.
De meeste hulpverleners vertelden dit echt als een taak van de hulpverlening te zien, omdat zij anders niet goed kunnen inschatten welke hulp nodig en passend is. Onderwijsprofessionals vertelden echter dat zij ervaren dat jeugdhulpprofessionals onnodig opnieuw met een jongere een volledig intakegesprek voeren, terwijl op school ook al een deel van de intake of een diagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Vanwege de onduidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheden vertelden vertegenwoordigers van zowel de onderwijsinstellingen als de jeugdhulporganisaties dat ze veel waarde hechten aan jeugdhulp in de school. Leerlingen (en ouders) zouden volgens hen hiermee in een voor hen vertrouwde omgeving hulp kunnen ontvangen, waardoor de stap voor ouders en jongeren om met jeugdhulp te starten kleiner is dan dat ze met hun kind naar een wijkteam of specialistische hulpverlener moeten gaan. Indicator 18 De professionals en managers van onderwijs- en jeugdhulporganisaties zijn tevreden over de rol die de gezinsspecialist vervult in de samenwerking. Docenten weten de gezinsspecialist over het algemeen goed te vinden als zij vragen hebben over een leerling. Andersom zijn ook de jeugdprofessionals positief over de inbreng van de gezinsspecialist in de school. De samenwerking rond preventieve en relatief eenvoudige hulp lijkt hiermee in de praktijk goed te verlopen.
Dit is anders bij de meer complexe hulpvragen. Als de stap naar specialistische
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
31 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen jeugdhulp gezet moet worden, is het voor de professionals vaak onduidelijk wie de casusregie heeft en wil of kan pakken. De mate waarin de samenwerking doelmatig is vormgegeven is dan sterk persoonsafhankelijk. Indicator 19 Bij professionals en managers van onderwijs- en jeugdhulporganisaties zijn er de nodige irritaties zijn over de communicatie tussen de onderwijs- en jeugdhulporganisaties, in het bijzonder waar het gaat om specialistische jeugdhulp. In de ervaring van de onderwijsprofessionals zijn jeugdhulpverleners beperkt bereikbaar en brengen ze scholen niet op de hoogte van het verloop van de hulpverlening. Ook vanuit de gezinsspecialist verwachten ze soms meer terugkoppeling over de ingezette jeugdhulpverlening. Andersom ervaren veel jeugdhulpprofessionals een te hoog verwachtingspatroon vanuit scholen. Zij geven aan dat zij simpelweg onvoldoende tijd hebben om over iedere casus met scholen contact te houden. Daarnaast denken veel jeugdhulpverleners dat ze geen informatie over het hulptraject met scholen mogen delen vanwege privacyregels. Volgens een geïnterviewde onderwijsbestuurder interpreteert iedereen de wet op privacy op een andere manier, wordt er veel angst gezaaid, en is het persoonsafhankelijk of er informatie gedeeld wordt.
Het valt op dat de mate waarin en welke informatie wordt gedeeld per professional en per casus verschilt. De punten waarover irritatie is rondom de communicatie tussen het onderwijs en de specialistische jeugdhulp illustreren de onduidelijkheid over hoe de samenwerking in de praktijk vormgegeven kan en mag worden. Indicator 20 De zorgcoördinator, Oos en gezinsspecialist spreken elkaar regelmatig face-to-face in het ondersteuningsteam. Daarnaast spreekt de gezinsspecialist regelmatig de andere jeugdhulpprofessionals in het wijkteam. Verder is er alleen afstemming op casusniveau. In de groepsinterviews met de professionals bleek dat de jeugdhulpprofessionals en de onderwijsprofessionals elkaar nog niet kenden. We merkten bijvoorbeeld dat ze tijdens de groepsinterviews nieuwe inzichten kregen over elkaars perspectief op de onderlinge samenwerking en ook de mogelijkheden die de professionals vanuit de eigen organisatie hebben om de samenwerking aan te gaan. Deze observatie onderstreept het belang van persoonlijke contacten tussen de professionals uit beide sectoren. Het vergroot het onderlinge begrip en daarmee vaak ook de motivatie om samen aan de slag te gaan met een casus. Indicator 21 Evaluatie vindt plaats op casusniveau, afhankelijk van de casus en de betrokken professional. Er vindt verder geen evaluatie plaats over de samenwerking.
Indicator 22 De mate waarin men elkaar aanspreekt op wat wel en niet goed gaat is sterk persoonsafhankelijk. Indicator 23 Onderwijs- en jeugdhulpprofessionals vertelden beiden dat ze beperkt kennis hebben over de andere sector. Dit is een mogelijke verklaring voor de hierboven beschreven onduidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheden van de onderwijs- en de jeugdhulpsector bij het samen bieden van passende en integrale hulp. De professionals geven aan dat de onbekendheid met de andere sector ertoe leidt dat verwijzingen niet goed gaan en dat als gevolg hiervan jongeren weer naar een andere jeugdhulporganisatie moeten als bij de intake blijkt dat de op dat moment betrokken jeugdhulporganisatie niet de hulp kan bieden die nodig is. Als dit gebeurt komt de jongere opnieuw op een wachtlijst terecht. Een ander voorbeeld is dat in de ervaring van de jeugdhulpprofessionals niet alle onderwijsprofessionals en -managers begrijpen dat (a) de jeugdhulp alleen een hulptraject kan starten als ouders hier toestemming voor geven of (b) een bezoek door de hulpverlener aan het onderwijs niet past binnen het budget dat zij voor de hulpverlening ontvangen. Norm 3d. De uitvoering van de samenwerking tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam komt overeen met de gemaakte afspraken. Deze norm kent geen indicatoren.
We beschrijven in hoeverre de samenwerking in de praktijk overeenkomt met de daarover gemaakte afspraken, zoals beschreven onder norm 2a en 2b. De gemeenten hebben met Minters concrete afspraken gemaakt over welke rol Minters vervult in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp, namelijk het leveren van gezinsspecialisten op v(s)o-scholen. Deze afspraken worden uitgevoerd zoals beoogd. Daarmee wordt aan de norm voldaan.
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
32 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Norm 3e. De betrokken actoren ervaren dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen leidt tot passende en integrale hulp aan kinderen en gezinnen. Op alle niveaus in zowel het onderwijsdomein als in de jeugdhulp geven betrokkenen dezelfde definitie over wat passende en integrale hulp is en over het belang van samenwerking daarbij. Daar waar de professionals uit deze domeinen met elkaar samenwerken om lichte hulpvragen van jongeren te ondersteunen, hebben zij de ervaring dat ze over het algemeen passende en integrale hulp kunnen bieden. Als het gaat om complexe hulpvragen van jongeren ervaren professionals niet altijd dat ze passende en integrale hulp kunnen leveren, mede doordat de samenwerking niet soepel verloopt. Indicatoren voor norm 3e
24. Binnen de domeinen onderwijs en jeugdhulp heerst op alle niveaus (gemeente, strategisch niveau bij de organisatie en de uitvoerende professionals) hetzelfde beeld over wat passende en integrale hulp is en over het belang ervan. 25. De betrokken professionals ervaren dat zij door de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp nog beter passende en integrale hulp kunnen leveren.
Mate waarin eraan wordt voldaan +
+/-
Onderbouwing Indicator 24 De gemeentebestuurders, de beleidsadviseurs van de gemeente, de managers bij de jeugdhulp- en onderwijsinstellingen en de jeugdhulp- en onderwijsprofessionals hebben allemaal hetzelfde beeld hebben over wat passende en integrale hulp is. Ook vinden zij het allemaal belangrijk dat de jeugd in Schiedam en Vlaardingen passende en integrale hulp krijgt, en zien zij een duidelijke meerwaarde van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp om passende en integrale hulp te kunnen bieden. Bovendien streven alle door ons geïnterviewde professionals hetzelfde doel na, namelijk een positieve ontwikkeling van de jongeren in Vlaardingen en Schiedam (zie ook ‘Samenwerking ondersteuningsteams Maassluis, Schiedam, Vlaardingen, oktober 2019’). Indicator 25 In de ervaring van de geïnterviewde jeugdhulp- en onderwijsprofessionals voldoet de huidige samenwerking op casusniveau om passende en integrale hulp te verlenen bij lichte hulpvragen. In dit kader noemt vrijwel iedereen de inzet van de gezinsspecialist als een belangrijke succesfactor. Op het moment dat onderwijsprofessionals samen met de gezinsspecialist signaleren dat de hulpvraag complexer is of wordt en/of als er specialistische jeugdhulp nodig is, wordt het samen bieden van integrale en passende hulp echter moeilijk.
Zowel de onderwijs- en jeugdhulpprofessionals vertelden dat dit vooral wordt veroorzaakt door praktische belemmeringen, die in veel gevallen te maken hebben met rolonduidelijkheid in de samenwerking. Dit speelt vooral bij complexe hulpvragen die vanuit de school worden aangedragen 25 of casussen waarbij de jeugdhulpprofessional constateert dat er ook ondersteuning binnen de school nodig is. Dan is het onduidelijk wie de regie heeft en uit welk ‘potje’ de hulp wordt gefinancierd. Dit heeft nogal eens als gevolg dat het maanden duurt voordat een jongere de ondersteuning krijgt die hij of zij nodig heeft. Wanneer een jongere wordt doorverwezen naar de specialistische jeugdhulp speelt ook dat er sprake is van lange wachtlijsten. Ook hierdoor duurt het regelmatig maanden tot passende ondersteuning geboden wordt. Of het door de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs mogelijk is om passende hulp te bieden, verschilt tussen het voortgezet (speciaal) onderwijs en het mbo. In het voortgezet (speciaal) onderwijs is de samenwerking sterk afhankelijk van de inzet van de zorgcoördinator, de gezinsspecialist en jeugdverpleegkundige. Het mbo werkt nauwelijks samen met jeugdhulporganisaties.
Enkele van de geïnterviewde professionals vanuit het mbo zouden wel graag meer samenwerken met de jeugdhulp omdat ze denken dat dit kan helpen bij het geven van passende hulp aan studenten die dit nodig hebben.
25 Onderwijs kan niet rechtstreeks doorverwijzen naar specialistische jeugdhulp, dit gebeurt via het wijkteam.
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
33 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen
6
Sturing van de gemeenten
In dit hoofdstuk is de mate van sturing door de gemeenten beschreven. Bij norm 4a beschrijven we of er sturing op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp plaatsvindt. Norm 4b gaat in op de mate waarin de sturing overeenkomt met de gemaakte afspraken. De mate waarin onderwijs- en jeugdhulporganisaties sturing ervaren op de afstemming tussen het onderwijs en de jeugdhulp komt aan bod bij norm 4c. Tot slot beschrijven we bij norm 4d welke sturingsstrategieën de gemeenten gebruiken om passende en integrale hulp te creëren. Sturing is een breed begrip en kan op verschillende manieren plaatsvinden. In dit onderzoek hebben we een aantal indicatoren in het normenkader opgenomen op basis van de literatuur over intersectorale samenwerking (e.g. Koelen et al., 2012; Bryson et al., 2016) en de landelijke evaluatie passend onderwijs (Van der Grinten et al. 2018). We hebben de gemeentelijke sturing op de samenwerking tussen het onderwijs en jeugdhulporganisaties op deze indicatoren beoordeeld. Norm 4a. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben veel ambities en plannen voor de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. We stellen echter vast dat de gemeenten beperkt sturen op deze samenwerking. Een vorm van sturing die beide gemeenten toepassen is dat ze overlegstructuren faciliteren.
De overleggen zijn over het algemeen apart voor het onderwijs of jeugdhulpdomein, terwijl er nog geen gezamenlijke overlegstructuren zijn. Wel blijken de gemeenten in de sectorale overleggen steeds meer aandacht te besteden aan de samenwerking. Indicatoren voor norm 4a
26. De managers van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties hebben bij de gemeente een vaste contactpersoon die gaat over de samenwerking. 27. De gemeente stuurt op de samenwerking door de ervaren belemmeringen en drempels tijdens de samenwerking weg te nemen. 28. De gemeente stuurt op de samenwerking door contacten tussen onderwijs- en jeugdhulporganisaties te stimuleren en faciliteren op zowel strategisch niveau als in de praktijk. 29. Scholen en jeugdhulporganisaties zijn transparant richting de gemeente, waardoor de gemeente haar taak als faciliterende en ondersteunende partij kan uitvoeren.
Mate waarin eraan wordt voldaan +/+/-
+/-
Onderbouwing Indicator 26 Sommige bestuurders van een onderwijs- of jeugdhulporganisatie hebben een vaste contactpersoon bij de gemeente. Anderen vertelden geen vaste contactpersoon te hebben. Indicator 27 De gemeente neemt geen belemmeringen of drempels weg die in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp aanwezig zijn. De belemmeringen en drempels die bestuurders en professionals ervaren zijn o.a. onduidelijk over de casusregie en wachtlijsten. De gemeente Schiedam geeft aan het ook niet als haar directe rol te zien belemmeringen of drempels weg te nemen. Wel is er de doorbraaktafel van de gemeente, waar casussen die zijn vastgelopen, besproken kunnen worden. In de gemeente Vlaardingen is er ook een opschaalroute, waarbij een ambtenaar kan worden ingeschakeld als een casus vastloopt. Als er sturing plaatsvindt, is dit op casusniveau en niet structureel. Indicator 28 De gemeenten tonen initiatief door bijeenkomsten te organiseren, zoals het REA, LEA en in het kader van de strategische agenda onderwijs en de herijking MVS. Door de herijking ervaren bestuurders en professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties meer sturing dan voorheen. Het is mede daardoor voor RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
34 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen bestuurders/managers en professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties duidelijk dat de gemeenten de ambitie hebben de samenwerking te verbeteren. Maar, zoals reeds eerder benoemd blijven de bijeenkomsten sectorale aangelegenheden. Indicator 29 De bestuurders van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties zeggen transparant te zijn over de samenwerking richting de gemeenten. Door de beperkte mate van sturing op de samenwerking vanuit de gemeenten, geven sommige bestuurders echter aan dat zij niet weten waar zij transparant over zouden moeten zijn. In de ervaring van de beleidsadviseurs van de gemeenten verschilt het ook per school en per jeugdhulporganisatie hoe transparant ze zijn. Bij de minder transparante organisaties is het voor de gemeenten mogelijk moeilijker om te sturen op intersectorale samenwerking. Norm 4b. De sturing van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp komt overeen met de gemaakte afspraken. Deze norm kent geen indicatoren. Duidelijke afspraken over hoe de gemeenten sturen op de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs ontbreken, daardoor is het niet mogelijk om uitspraken te doen over deze norm. Onder norm 3b is wel te lezen dat de gemeenten met Minters afspraken hebben over de rol die hun gezinsspecialisten vervullen in de samenwerking.
Dit kan gezien worden als een vorm van sturing. De afspraken hierover worden uitgevoerd zoals beoogd. Het mbo koopt zelf jeugdhulp in. Hierdoor heeft de gemeente weinig zicht op de samenwerking tussen mbo-instellingen en de jeugdhulp en heeft de gemeente ook geen mogelijkheden om hierop te sturen. Norm 4c. Hoe ervaren de bestuurders, managers en professionals bij de onderwijs- en jeugdhulporganisaties de sturing van de gemeente op de afstemming tussen het onderwijs en de jeugdhulp? Deze norm kent geen indicatoren. Onderwijs- en jeugdhulpprofessionals en bestuurders en managers van onderwijs- en jeugdhulpinstellingen ervaren (vrijwel) geen sturing van de gemeenten op de onderlinge samenwerking. Enkele geïnterviewden vertellen wel te ervaren dat zowel de gemeente Schiedam als de gemeente Vlaardingen bezig zijn om het thema op de kaart te zetten. Bijvoorbeeld in de eerdergenoemde overlegstructuren, werkgroepen en het herijkingstraject. Norm 4d. De gemeenten gebruiken sturingsstrategieën om vanuit de domeinen onderwijs en jeugdhulp de betrokken actoren te faciliteren om gezamenlijk passende en integrale hulp te bieden aan leerlingen en hun ouders. De gemeenten gebruiken vrijwel geen sturingsstrategieën om samenwerking te faciliteren om passende en integrale hulp vorm te geven. Dit is ook de ervaring van alle onderwijs- en jeugdhulporganisaties.
De gemeenten hebben er met de gezinsspecialisten wel voor gezorgd dat de laagdrempelige hulp aansluit bij de scholen en een verbinding is met de wijkteams. Sturing op een goede afstemming en samenwerking tussen het onderwijs en de gespecialiseerde jeugdhulp voor het aanpakken van complexere problematiek ontbreekt echter. Indicatoren voor norm 4d
30. De gemeente stimuleert partijen uit onderwijs en jeugdhulp om een gezamenlijk doel voor het bieden van passende en integrale hulp op te stellen 31. De gemeente zorgt ervoor dat de hulpverlening op elkaar aansluit en dat er zo min mogelijke wachttijden zijn tussen verschillende vormen van zorg. 32. De gemeente stimuleert en faciliteert de onderwijs- en jeugdhulporganisaties om met kinderen en ouders samen te zoeken naar de zorg die bij hun past. 33. De gemeente stimuleert onderwijs- en jeugdhulporganisaties om bij leerlingen de problemen op meerdere gebieden, zoals school, thuis en vrije tijd, aan te pakken.
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
Mate waarin eraan wordt voldaan +/-
35 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Onderbouwing Indicator 30 De bestuurders en professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties ervaren – op één organisatie na – niet dat de gemeenten hen op dit moment stimuleren om een gezamenlijk doel op te stellen voor het bieden van passende en integrale hulp. Dit ondanks de ambities en plannen voor de samenwerking die terug te vinden zijn in de strategische agenda onderwijs en de herijking MVS. Onder de bestuurders/managers en professionals in de domeinen onderwijs en jeugdhulp leeft de hoop dat deze ambities en plannen uiteindelijk zullen leiden tot duidelijkere kaders en afspraken over de samenwerking. Indicator 31 De gemeente heeft gezinsspecialisten ingezet op scholen. Deze laagdrempelige zorg sluit goed op het onderwijs aan en kan vrijwel direct ingezet worden. Er is vanuit de gemeente geen sturing op de aansluiting tussen wijkteams en gespecialiseerde jeugdhulp. Er zijn lange wachtlijsten bij gespecialiseerde jeugdhulp (meestal maanden), net als in veel andere gemeenten 26. Met de huidige overschrijdingen van het jeugdhulp budget en de tekorten van personeel in de jeugdhulp is het de vraag of het realistisch is dat wachtlijsten sterk af kunnen nemen. Indicator 32 De meeste bestuurders en professionals ervaren niet dat gemeenten het gezamenlijk op zoek gaan naar de beste zorg stimuleren.
Medewerkers van wijkteams gaan met ouders en jongeren in gesprek over hun hulpvraag en op basis daarvan op zoek naar passende ondersteuning. Volgens zowel verschillende bestuurders als professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties weten jongeren en ouders niet altijd wat hun hulpvraag is of kunnen zij deze niet zelf formuleren. Het gevolg kan zijn dat de jeugdhulp stopt, terwijl de problematiek volgens professionals nog steeds speelt. Indicator 33 Het aanpakken van problemen op meerdere gebieden (zoals school, thuis en vrije tijd) wordt volgens bestuurders en professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties nauwelijks gestimuleerd. Sinds kort is Yets aanwezig op een deel van de v(s)o-scholen, waarmee dit wel wordt gestimuleerd. Zij zetten coaches om kwetsbare jongeren te ondersteunen in hun ontwikkeling en uitval te voorkomen.27
26 Bijvoorbeeld bij de gemeente Amsterdam (Van Rooijen & Strating, 2020). 27 Https://www.yetsfoundation.nl/
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
36 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen
7
Referenties
Bryson, J. M., Crosby, B. C., & Stone, M. M. (2006). The design and implementation of cross-sector collaborations: Propositions from the literature. Public Administration Review, 66(SUPPL. 1), 44-55. Friele, R. D., Bruning, M.R., Bastiaanssen, I. L. W., Boer, R. de, Bucx, A. J. E. H., Groot, J.F. de, Pehlivan, T., Rutjes, L., Sondeijker, F., Yperen, T. A. van, & Hageraats, R. (2018). Eerste Evaluatie Jeugdwet. Den Haag: ZonMw. Grinten, M. van der, Walraven, M., Kooij, D., Bomhof, M., Smeets, E., & Ledoux, G. (2018). Landelijke inventarisatie aansluiting onderwijs en jeugdhulp 2018. Utrecht/Nijmegen/Amsterdam: Oberon/KBA Nijmegen/Kohnstamm Instituut. Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (2018). Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd: Toezicht bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering Signalement Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd: Jeugdbeschermingsketen in gevaar. Utrecht: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Kalverboer, M. (2018, 19 april). Position paper betreffende de evaluatie van de Jeugdwet [brief van de kinderombudsvrouw]. Koelen, M. A., Vaandrager, L., & Wagemakers, A. (2012). The healthy alliances (HALL) framework: Prerequisites for success. Family Practice, 29(SUPPL. 1), i132-i138. Ledoux, G. & Waslander, S., m.m.v. Eimers, T. (2002). Evaluatie passend onderwijs. Eindrapport Mei 2020.
Amsterdam: Kohnstamm Instituut | Tilburg: TIAS School for Business and Society, Tilburg University| Nijmegen: KBA Nijmegen Peeters, C., Batterink, M., Schumacher, G. & Tazelaar, P. (2019). Benchmarkanalyse uitgaven jeugdhulp in 26 gemeenten: Leren van overeenkomsten en verschillen in beleid en uitvoering jeugdhulp. Barneveld: Significant. Verheijden, E. & De Lange, M. (2016). Wat werkt bij integrale jeugdhulp? Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut. Van Yperen, T., Van de Maat, A., Prakken, J. (2019). Het groeiend jeugdzorg gebruik, duiding en aanpak. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
37 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen
8
Bijlage A. Aanvullende informatie onderzoeksvraag 1a
In de lopende tekst hebben we een samenvatting van de data gegeven. In deze bijlage staan de specifieke cijfers en bronnen vermeld. Jongeren in het v(s)o en mbo uit de gemeenten Schiedam en Vlaardingen In 2019 staan in Schiedam 4073 jongeren ingeschreven in het voortgezet onderwijs, daarvan zitten 3703 (90,9%) leerlingen in het reguliere voortgezet onderwijs, 182 (4.5%) in het voortgezet speciaal onderwijs en 188 (4,6%) in het praktijkonderwijs. In Vlaardingen gaat het om vergelijkbare aantallen. In totaal zitten er 3458 (92,2%) leerlingen op het reguliere voortgezet onderwijs, 163 (4,3%) in het voortgezet speciaal onderwijs en 130 (3,5%) in het praktijkonderwijs. In totaal gaat het om 3751 leerlingen 28. Mbo’s zijn meer regionaal georganiseerd. Uit gegevens van DUO blijkt dat in 2019 de meeste jongeren die wonen in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen staan ingeschreven bij Albeda in Rotterdam (4700 Schiedam; 4700 Vlaardingen) en Zadkine (3700 Schiedam; 5200 Vlaardingen) en een kleinere groep jongeren bij Lentiz in Vlaardingen (700 Schiedam; 1100 Vlaardingen). Jongeren die jeugdhulp ontvangen De aantallen en percentages jongeren dat in Schiedam en Vlaardingen jeugdzorgtrajecten, jeugdhulptrajecten, jeugdbeschermingstrajecten en jeugdreclasseringstrajecten ontving in 2019 staat in tabel B1.
Het aantal kinderen en jongeren dat in Schiedam en Vlaardingen jeugdhulp ontvangt en welke typen jeugdhulp, wijkt op enkele elementen af van het gemiddelde in Nederland. Zo ligt het percentage jongeren dat jeugdhulp krijgt lager dan in de rest van Nederland en hebben iets meer jongeren te maken met jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het percentage jeugdhulp uitgevoerd door een wijk- of buurtteam ligt relatief laag in zowel Schiedam als Vlaardingen. Tabel A1: Aantallen en percentages jeugdhulp voor jongeren tot 18 jaar per type jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen en gemiddeld in Nederland.29 Schiedam Vlaardingen Nederland Totaal jeugdzorga 1.360 (6,9%) 1.440 (8,1%) 443.265 (10,0%) Totaal jeugdhulp 1.225 (6,3%) 1.340 (7,5%) 430.670 (9,7%) Jeugdhulp zonder verblijf 1.075 (5,5%) 1.205 (6,8%) 404.980 (9,1%) Uitgevoerd door wijk-of buurt15 (0,1%) 25 (0,1%) 79.435 (1,8%) team Niet uitgevoerd door wijk- of 1.065 (5,4%) 1.190 (6,7%) 354.740 (8,0%) buurtteam Ambulante hulp op locatie aan900 (4,6%) 1.030 (5,8%) 293.985 (6,6%) bieder Jeugdhulp met verblijf 180 (0,9%) 185 (1,0%) 42.975 (1,0%) Jeugdbescherming 240 (1,6%) 230 (1,7%) 41.080 (1,2%) Jeugdreclassering 70 (0,7%) 65 (0,8%) 9.110 (0,4%) a : Jeugdzorg wordt door het CBS als overkoepelende term gebruikt, daaronder volgt de uitsplitsing in het type ondersteuning (e.g.
jeugdbescherming) Kijkend naar de ontwikkeling over de afgelopen jaren (2015-2018) zien we landelijk een stijgende trend van het jeugdzorggebruik in Nederland (in 2015 gemiddeld 8,5% in 2018 gemiddeld 9,7%). In de gemeenten Vlaardingen zien we een licht stijgende trend in het gebruik van jeugdzorg (Vlaardingen 7,4% in 2015, 7,8% in 2018). In Schiedam is het totale jeugdzorggebruik licht gedaald (7,1% in 2015 en 6,8% in 2018).
28 Voor meer informatie zie: https://monitoraoj.nl/aanbod-onderwijssoorten/# 29 De meest recente data die beschikbaar was bij het CBS bij het ophalen van de gegevens, zijn de voorlopige cijfers
over 2019. Voor meer gedetailleerde uitsplitsingen van type jeugdhulp zie: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84134NED/table?ts=1601291017293 RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
38 van 26
Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Het is voor ons onbekend welke jeugdhulpaanbieders de hulpverlening bieden die in de tabellen is weergegeven. Jeugdhulp per onderwijstype In tabel A2 zijn het type jeugdzorg uitgesplitst naar v(s)o en mbo. We zien hier een soortgelijk beeld als bij de data over de totale jeugdhulp. In vergelijking met de gemiddelde cijfers van Nederland wordt in Schiedam en Vlaardingen relatief gezien minder van jeugdzorg gebruik gemaakt, alleen voor jeugdbescherming liggen de percentages hoger. Tabel A2. Jeugdhulp in percentages voor jongeren tot 23 jaar per onderwijstype in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen in 2018. Gebaseerd op cijfers van het CBS, bewerking door het NJI.30 Schiedam Vlaardingen Nederland vo vso mbo vo vso mbo vo vso mbo Jeugdzorg 7,8% 40,6% 6% 9% 44,8% 6,7% 11% 61% 8% Jeugdhulp 7,1% 39,1% 5,3% 8,6% 41,4% 7,5% 10,8% 59,4% 7,5% Jeugdbescherming 1,2% 8,9% 0,9% 0,9% 12,6% 1,2% 0,8% 11,1% 0,7% Jeugdreclassering 0,4% 0% 1,1% 0,3% 6,3% 1,1% 0,1% 3% 0,7% Koppeling onderwijs & jeugdhulpgegevens In overleg met het Kenniscentrum MVS is gekeken welke gegevens bij hen beschikbaar waren en in hoeverre onderwijsgegevens en jeugdhulpgegevens gekoppeld kunnen worden. Er waren geen mogelijkheden om het Burgerservicenummer van jongeren die jeugdhulp ontvingen te koppelen aan gegevens die het onderwijs verzamelt.
30 Op dit moment staan de cijfers voor 2019 al in de monitor. Een aantal categorieën zijn, zoals de jeugdbescherming in
het vso voor de gemeente Vlaardingen is echter 0%. Dus het leek ons meer passend om de cijfers van 2018 te laten staan. Voor de vergelijking met andere gemeenten, zie: https://monitoraoj.nl/jeugdzorggebruik-en-onderwijs/# RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs
39 van 26