CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5a. Rapport Jeugd en passend onderwijs - Rekenkamercommissie Schiedam Vlaardingen

Gemeenteraad 1 april 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Lijst B16.245 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

Samenwerking (passend) onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen Onderzoek van de rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

Januari 2021

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

1 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

Bestuurlijke nota Inhoud 1

Inleiding en vraagstelling ................................................................................................................................ 4

2

Conclusies ....................................................................................................................................................... 5

3

Aanbevelingen ................................................................................................................................................ 9

4

Bestuurlijke reactie....................................................................................................................................... 10

5

Nawoord rekenkamercommissie ................................................................................................................. 12

Nota van Bevindingen .................................................................................................................................... 13

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

2 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

3 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

1

Inleiding en vraagstelling

Een goede afstemming en samenwerking tussen de jeugdhulp en het onderwijs zou kunnen bijdragen aan het bieden van passende en integrale ondersteuning aan jongeren en hun ouders. De Rekenkamercommissie (RKC) Schiedam-Vlaardingen wil de gemeenteraden daarom meer inzicht geven in hoe het onderwijs en de jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen met elkaar samenwerken en meer handvatten bieden qua sturing en beleid op de samenwerking tussen deze twee domeinen. Tegen deze achtergrond heeft de RKC Schiedam-Vlaardingen het Verwey-Jonker Instituut de opdracht gegeven om in beide gemeenten een onderzoek te doen naar de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. In onderstaand kader is de voor het onderzoek geformuleerde hoofdvraag te zien. Hoofdvraag In hoeverre is/wordt de samenwerking tussen (passend) onderwijs en jeugdhulp zo vormgegeven en gefaciliteerd dat kinderen in v(s)o en mbo die te maken hebben met problemen of ondersteuningsbehoeften die beide domeinen raken, passende en integrale hulp krijgen? Op welke wijze sturen de gemeenten op deze samenwerking en in hoeverre is deze sturing doeltreffend?

Toelichting op de hoofdvraag We gaan in dit onderzoek in op de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar. Het primair onderwijs (po) is niet meegenomen in dit onderzoek. Deze keuze is gemaakt vanuit de veronderstelling dat de samenwerking tussen het onderwijs en de jeugdhulp in het voortgezet onderwijs (vo), voortgezet speciaal onderwijs (vso) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) minder vanzelfsprekend is dan in het basisonderwijs. Daarnaast is het gebruik van jeugdhulp onder vo-leerlingen in de twee gemeenten relatief gezien groter dan onder de basisschoolleerlingen.1 Een centraal begrip in de hoofdvraag is passende en integrale jeugdhulp. In dit onderzoek is dit gedefinieerd als jeugdhulp die zo licht mogelijk is, die direct intensief is als dat nodig is, die wordt geboden vanuit het principe ‘één gezin, één plan’, en waarbij deskundigheid vanuit verschillende specialismen en sectoren optimaal wordt benut (Verheijden & De Lange, 2016). Jeugdhulp is een verzamelterm die gebruikt wordt voor een grote diversiteit aan hulp en ondersteuning aan jeugdigen en hun ouders. Voorbeelden zijn ambulante hulp door een wijkteam bij opvoedingsvraagstukken, specialistische hulp bij ggz-problematiek, pleegzorg als jongeren uit huis zijn geplaatst, en behandeling van jongeren in een instelling. Samen met jeugdbescherming en jeugdreclassering vormt jeugdhulp de overkoepelende jeugdzorg2.

Het gedwongen kader (jeugdbescherming en jeugdreclassering) laten we in dit onderzoek buiten beschouwing.

1 Het speciaal basisonderwijs in Vlaardingen vormt daarop een uitzondering. Voor de vergelijking tussen typen onder-

wijs en jeugdhulp: https://monitoraoj.nl/jeugdzorggebruik-en-onderwijs/# 2 Https://www.nji.nl/nl/Kennis/Publicaties/Wat-is-het-verschil-tussen-jeugdzorg-en-jeugdhulp RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

4 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

2

Conclusies

In de Nota van Bevindingen beschrijven we hoe in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen de afstemming en samenwerking verloopt tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp op basis van een vooraf opgesteld normenkader. In dit hoofdstuk beantwoorden we de hoofdvraag van het onderzoek: In hoeverre is/wordt de samenwerking tussen (passend) onderwijs en jeugdhulp zo vormgegeven en gefaciliteerd dat kinderen in v(s)o en mbo die te maken hebben met problemen of ondersteuningsbehoeften die beide domeinen raken, passende en integrale hulp krijgen? Op welke wijze sturen de gemeenten op deze samenwerking en in hoeverre is deze sturing doeltreffend? Na de beantwoording van de hoofdvraag doen we in hoofdstuk 3 aanbevelingen om de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten te bevorderen. Het realiseren van passende en integrale hulp lukt bij lichte problematiek, veel minder bij complexe hulpvragen De onderwijs- en jeugdhulpprofessionals zien een duidelijke meerwaarde van onderlinge samenwerking. Het draagt volgens hen bij aan het kunnen bieden van passende en integrale hulp. Onderwijsen jeugdhulpprofessionals zoeken elkaar op casusniveau dan ook regelmatig op. Wanneer het gaat om relatief eenvoudige hulpvragen verloopt de samenwerking goed.

Denk hierbij aan hulpvragen die door de gezinsspecialisten kunnen worden aangepakt binnen de onderwijscontext en aan lichte hulpvragen die via ouders bij de jeugdhulp terecht zijn gekomen en waarover de jeugdhulpprofessional even wil afstemmen met een leerkracht. Juist bij complexe hulpvragen die vragen om hulp in meerdere contexten en dus om een intensievere samenwerking tussen het onderwijs en de (specialistische) jeugdhulp, ontstaan problemen in de samenwerking. Vanwege het ontbreken van duidelijke kaders over wie welke hulp verleent, wie de regie voert en vanuit welk budget (onderwijs of jeugdhulp) de hulp wordt betaald, duurde het in sommige gevallen maanden totdat een jongeren de hulp krijgt die hij of zij nodig heeft. Het is dan afhankelijk van de betrokken professionals hoe de samenwerking verloopt en in hoeverre passende en integrale hulp geboden kan worden aan jongeren en hun ouders. Dat hangt voor een belangrijk deel samen met de beperkte afspraken over samenwerking ... Binnen de gemeenten Schiedam en Vlaardingen bestaan in zeer beperkte mate afspraken over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De gemeenten hebben met welzijnsorganisatie Minters en jeugdhulporganisatie Enver afspraken gemaakt over de inzet van hun gezinsspecialisten op middelbare scholen.

De gezinsspecialist is onderdeel van het ondersteuningsteam (samen met een zorgcoördinator en oos) en vormt een verbinding met het wijkteam. Dit gaat om lichte vormen van jeugdhulp binnen de context van het onderwijs of een eventuele doorverwijzingen richting wijkteams. Concrete en meetbare afspraken over de doelen van de samenwerking en wie wat doet om deze doelen te bereiken ontbreken. Zo zijn er geen afspraken over het uitwisselen van privacygevoelige informatie over jongeren of over de evaluatie van de samenwerking. Waar wel afspraken zijn gemaakt tussen gemeente en jeugdhulporganisaties blijken praktijkprofessionals hier niet van op de hoogte. Hoewel vanuit de gemeenten dus in zeer beperkte mate concrete afspraken zijn gemaakt over de samenwerking, heeft er wel enige onderlinge afstemming plaats tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp. Dit gebeurt onder andere in overlegstructuren als het REA, LEA en OOGO. Ook zijn er regelmatig overleggen tussen het samenwerkingsverband, v(s)o-scholen en de gemeenten.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

5 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen ... en met de beperkte sturing van de gemeenten daarop Binnen de gemeenten zijn geen concrete afspraken gemaakt over de samenwerking. Daardoor kunnen ze ook niet doeltreffend sturen op de samenwerking. Bestuurders en managers van zowel onderwijs- als jeugdhulporganisaties ervaren ook bijna geen sturing van de gemeenten op de samenwerking. De mbo’s kopen zelf hun ondersteuning in, waardoor de gemeenten hier ook geen rol spelen bij de lichte ondersteuningsvragen. De gemeente Schiedam en Vlaardingen zijn van mening dat ze een faciliterende en ondersteunende rol hebben in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Ze nemen het initiatief om overleggen te organiseren. Deze overleggen zijn evenwel vaak alleen bedoeld voor het onderwijsveld, waardoor er geen gezamenlijke overleggen met jeugdhulp en het onderwijs zijn. Beide gemeenten hebben wel ambities en doelen geformuleerd om de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp vorm te geven, maar deze moeten nog vertaald worden naar concrete en meetbare afspraken. Bij de herijking van de inkoop jeugdhulp is de samenwerking met onderwijs als bouwsteen genoemd en worden zowel onderwijs- als jeugdhulporganisaties betrokken bij het proces.

Bevorderende factoren samenwerking: gezinsspecialist en gezamenlijk beeld passende en integrale hulp Een bevorderende factor voor de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is het werk van de meeste gezinsspecialisten van Minters. De gezinsspecialisten zijn de verbindende schakel tussen het onderwijs en de jeugdhulp als het gaat om eenvoudige hulpvragen die binnen de school of door een jeugdhulpverlener vanuit het wijkteam kunnen worden opgepakt. Over hun werk bestaat doorgaans tevredenheid. Een tweede bevorderende factor is dat alle betrokkenen - wethouders, de beleidsadviseurs van de gemeente, de managers en professionals van de jeugdhulp- en onderwijsorganisaties - hetzelfde beeld hebben over bij passende en integrale hulp. Bovendien denken zij allen dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp eraan bij kan dragen dat passende en integrale hulp geboden wordt. Daarnaast streven alle professionals hetzelfde doel na, namelijk een positieve ontwikkeling van de jongeren in Schiedam en Vlaardingen. Tot slot wordt het als positief beschouwd dat de gemeenten recent stappen hebben gezet om de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp te verbeteren en dat partijen uit het veld betrokken worden bij het nadenken over en uitvoeren van deze planning.

Belemmerende factor samenwerking 1: wettelijke en institutionele kaders De drempels om te gaan samenwerken hebben vooral te maken met de wettelijke kaders en de wijze waarop het onderwijs en de jeugdhulp zijn georganiseerd en gefinancierd. Het gaat dus om een complexe institutionele context waarin de samenwerking tussen het onderwijs en de jeugdhulp vorm moet krijgen. Daarbij is het de vraag in welke mate de gemeenten deze belemmeringen zelf kunnen beïnvloeden. Het ligt voor de hand te liggen dat de gemeenten de onderwijs- en jeugdhulpsector zo goed mogelijk ondersteunen en stimuleren om ondanks deze belemmeringen gezamenlijk passende en integrale hulp te bieden aan leerlingen en hun ouders. Hieronder volgen enkele voorbeelden van de wijze waarop de institutionele context de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten beïnvloedt: - Specialistische jeugdhulp kan alleen plaatsvinden als de jongere en/of ouders zichzelf hebben gemeld bij de jeugdhulp, een hulpvraag hebben geformuleerd en toestemming hebben gegeven dat de jongere ondersteuning krijgt, of als de jeugdhulp gedwongen plaatsvindt. Hierdoor kunnen jeugdhulpverleners niet bij iedere jongere waarvan op school wordt gesignaleerd dat deze jeugdhulp nodig heeft, starten met het samen met de school geven van deze hulp, ook als . de

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

6 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

-

-

-

-

onderwijsprofessional en de jeugdhulpverlener samen het belang hiervan zien. Ook de terugkoppeling van een behandeling door de jeugdhulp naar een school kan daardoor niet altijd plaatsvinden. De financiering van jeugdhulp is verbonden aan postcodes. Wanneer een jongere woont in de ene gemeente, naar school gaat in de andere gemeente én de hulpvraag via de school bij de jeugdhulp is beland, ontstaat er regelmatig een discussie over welke gemeente de geboden jeugdhulp moet financieren, ook als dit binnen de MVS-gemeenten is. Dergelijke discussies blijken de start van de hulpverlening te vertragen. In beide gemeenten werkt een groot aantal jeugdhulporganisaties. Dit is nodig om bij iedere hulpvraag de best passende hulp te kunnen bieden. Onderwijsprofessionals ervaren het grote aantal jeugdhulporganisaties echter ook als een belemmering om met de juiste organisatie – en daarbinnen met de juiste persoon - in contact te komen. De grote hoeveelheid onderwijs- en jeugdhulporganisaties maakt het ook lastig om overkoepelende afspraken te maken tussen onderwijs en jeugdhulp. Het blijkt onmogelijk om met een dergelijk aantal organisaties afspraken te maken over de samenwerking met het onderwijs of de jeugdhulp. De onderwijsorganisaties hebben een regionale functie en vallen bovendien niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente.

Dit maakt het voor de gemeente moeilijk om de v(s)o-scholen en de mbo’s in de regio aan te sturen en te stimuleren om samen te werken met jeugdhulp. Dit geldt in het bijzonder voor het mbo.

Belemmerende factor samenwerking 2: onduidelijkheid over rollen en taken Daarnaast belemmeren of frustreren onduidelijkheden over de regievoering, taakverdeling en uitwisseling van privacygevoelige informatie en de wachtlijsten bij specialistische hulp de samenwerking op casusniveau. - Er heerst onduidelijkheid over wie op casusniveau de regie heeft en wie de regie wil pakken. Vooral bij complexe problematiek is het onduidelijk bij welke professional de regie ligt, waardoor het regelmatig voorkomt dat niemand de regie pakt. Hulpverlening komt traag van de grond omdat mensen naar elkaar wijzen. - Er heerst onduidelijkheid over welke informatie gedeeld mag worden tussen de onderwijs- en jeugdhulporganisaties. Dit belemmert de samenwerking en levert onderlinge frustraties op. - Er heerst onduidelijkheid over wie welke taken op zich neemt. De verantwoordelijkheden zijn op papier duidelijk gescheiden, maar dat blijkt in de praktijk diffuser. Zo komt de thuissituatie snel ter sprake wanneer onderwijsprofessionals op school in gesprek gaan met een kind, terwijl hier juist de competentie van de jeugdhulp van waarde kan zijn. - Bij de specialistische jeugdhulp in Schiedam en Vlaardingen zijn lange wachtlijsten. Dit draagt bij aan de ontevredenheid over de jeugdhulp bij het onderwijs en daarmee niet aan de bereidheid tot samenwerking met de jeugdhulp.

- Er is soms discussie over waar de financiering vandaan moet komen. Het is geregeld onduidelijk welke ondersteuning door het onderwijs moet worden betaald en welke ondersteuning door de jeugdhulp. Daardoor stagneert hulp en belemmert het de samenwerking. Draagvlak voor de verbetering samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp Twee factoren in de samenwerking tussen het onderwijs en de jeugdhulp in Schiedam en Vlaardingen bieden mogelijkheden om tot een betere samenwerking te komen en daarmee tot het bieden van passende en integrale hulp voor jongeren en hun ouders. De eerste factor is dat vanuit beide sectoren en op alle niveaus draagvlak is voor samenwerking. Zowel het onderwijs als de jeugdhulp zien samenwerking als een van de voorwaarden om leerlingen en hun ouders de hulp te geven die zij nodig hebben, met de kanttekening dat dit tijd en geld kost. De tweede factor is dat de gemeenten, organisaties en professionals de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp verder willen ontwikkelen. De gemeenten hebben hun ambities verwerkt in beleidsplannen en er vinden gesprekken plaats

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

7 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen op bestuurlijk en strategisch niveau, wat een basis biedt voor het maken van concrete afspraken over de samenwerking in de praktijk. Samenvattend: het kan en het moet beter We concluderen dat er binnen de gemeenten Schiedam en Vlaardingen maar heel beperkt afspraken zijn over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulporganisaties. De afspraken die er zijn gaan over de relatief eenvoudige hulpvragen die binnen een ondersteuningsteam op een vo-school of een wijkteam opgepakt kunnen worden. In deze gevallen kan er passende en integrale hulp geboden worden. Voor de complexere problematiek ontbreken kaders over wie regie voert en wie betaalt. Terwijl juist in deze gevallen de meerwaarde van samenwerking tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp groot is, kan niet altijd passende en integrale hulp geboden kan worden. Beide gemeenten hebben wel ambities om de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs te verbeteren, waarbij de verschillende partijen betrokken worden.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

8 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

3

Aanbevelingen

Op basis van deze conclusies beveelt de RKC beide raden aan: 1. om de colleges te stimuleren om in te zetten op het inrichten van de samenwerking volgens het netwerk- of integrale model (zie Van der Grinten et al., 2018, zie par 3.3. van de Nota van Bevindingen). Op dit moment kenmerkt de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen zich door volgtijdelijkheid van beide domeinen in de hulpverlening. Dit wordt ook wel het ketenmodel genoemd. Het netwerk- en integrale model worden landelijk ervaren als een meerwaarde en scoren hoger op werkzame factoren in de samenwerking, zoals een gezamenlijke visie. Het betrekken van de verschillende betrokkenen bij de invulling van de nieuwe inkoop van de jeugdhulp is hier een eerste stap in. 2. om de colleges ertoe te bewegen een (nog) sterker faciliterende rol te spelen door ervoor te zorgen dat professionals uit de onderwijs – en jeugdhulpwereld elkaar beter leren kennen en meer zicht en kennis krijgen van elkaars domeinen, taken en (on)mogelijkheden. Professionals hebben behoeften aan meer gezamenlijke overleggen. Uitwisseling over en kennis van elkaars professionele waarden en kaders, werkwijzen, en handelingsperspectieven versterkt het onderlinge vertrouwen.

Gemeenten kunnen dit vertrouwen verder stimuleren door ervoor te zorgen dat partijen hun taken goed kunnen uitvoeren, te stimuleren dat ze vertrouwen krijgen in elkaars deskundigheid, te investeren in persoonlijk contact tussen organisaties, ervoor te zorgen dat partijen zich aan onderlinge afspraken houden en ervoor te zorgen dat partijen elkaar inzicht geven in hun werkwijze (Van der Grinten et al., 2018). 3. om de colleges te vragen om met onderwijs- en jeugdhulporganisaties gezamenlijke richtlijnen opstellen over het delen van privacygevoelige informatie en over afspraken omtrent casusregie. Voor het opstellen van richtlijnen kan gekeken worden naar goede voorbeelden in andere gemeenten. Dit verbetert de mogelijkheden om tijdig passende en integrale hulp te bieden en leidt tot een efficiëntere werkwijze. 4. de colleges te vragen om, samen met schoolbesturen en het samenwerkingsverband, richtlijnen op te stellen voor de financieringsarrangementen rond casussen waarbij zowel het onderwijs als de jeugdhulp betrokken zijn. 5. het mogelijk te maken dat meer van de door de gemeente aangeboden preventieve ondersteuning beschikbaar te maken op vo-scholen – denk aan sociale vaardigheidstrainingen. Volgens professionals is de stap voor jongeren en ouders om van een ondersteuningsaanbod gebruik te maken kleiner als het dichtbij – lees: op school - georganiseerd wordt.

De aanbevelingen 1 tot en met 3 zijn eenvoudiger te realiseren indien het aantal jeugdhulpaanbieders dat beschikbaar is drastisch wordt teruggedrongen. Het maakt het speelveld voor (de professionals in) het onderwijs overzichtelijker (aanbeveling 2). Daarnaast zal het realiseren van een netwerkof integraal samenwerkingsmodel (aanbeveling 1) en van het opstellen van een richtlijn over het delen van privacygevoelige informatie en over casusregie (aanbeveling 3) in zo’n speelveld makkelijker zijn. De Rekenkamercommissie realiseert zich dat dit de wijze van inkoop direct raakt en dat daarbij ook andere overwegingen een rol spelen.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

9 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

4

Bestuurlijke reactie

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

10 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

11 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

5

Nawoord rekenkamercommissie

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

12 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

Nota van Bevindingen

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

13 van 14

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

Nota van Bevindingen Inhoud 1

2

3

Inleiding ............................................................................................................. 15 1.1

Onderzoeksvragen en leeswijzer .......................................................................... 15

1.2

Achtergrondinformatie ...................................................................................... 16

Onderzoeksopzet ................................................................................................... 18 2.1

Dataverzameling ............................................................................................. 18

2.2

Nota van bevindingen ....................................................................................... 18

Jeugdhulp en onderwijs in Schiedam en Vlaardingen ........................................................ 20 3.1

Lokale context van Schiedam en Vlaardingen ........................................................... 20

3.2

Aantal jongeren dat jeugdhulp ontvangt ................................................................. 21

3.3

De samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs in Schiedam en Vlaardingen ................... 23

4

Afspraken over de samenwerking onderwijs en jeugdhulp en de rol van de gemeenten daarbij ..... 25

5

De uitvoering en doelmatigheid van de samenwerking ...................................................... 28

6

Sturing van de gemeenten ........................................................................................ 34

7

Referenties .......................................................................................................... 37

8

Bijlage A. Aanvullende informatie onderzoeksvraag 1a ...................................................... 38

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

14 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

1

Inleiding

Een goede afstemming en samenwerking tussen de jeugdhulp en het onderwijs zou kunnen bijdragen aan het bieden van passende en integrale ondersteuning aan jongeren en hun ouders. De Rekenkamercommissie (RKC) Schiedam-Vlaardingen wil de gemeenteraden daarom meer inzicht geven in hoe het onderwijs en de jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen met elkaar samenwerken en meer handvatten bieden qua sturing en beleid op de samenwerking tussen deze twee domeinen. Tegen deze achtergrond heeft de RKC SchiedamVlaardingen het Verwey-Jonker Instituut de opdracht gegeven om in beide gemeenten een onderzoek te doen naar de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. In onderstaand kader is de voor het onderzoek geformuleerde hoofdvraag te zien. Toelichting op de hoofdvraag Hoofdvraag In hoeverre is/wordt de samenwerking tussen (passend) onderwijs en jeugdhulp zo vormgegeven en gefaciliteerd dat kinderen in v(s)o en mbo die te maken hebben met problemen of ondersteuningsbehoeften die beide domeinen raken, passende en integrale hulp krijgen? Op welke wijze sturen de gemeenten op deze samenwerking en in hoeverre is deze sturing doeltreffend? We gaan in dit onderzoek in op de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar. Het primair onderwijs (po) is niet meegenomen in dit onderzoek.

Deze keuze is gemaakt vanuit de veronderstelling dat de samenwerking tussen het onderwijs en de jeugdhulp in het voortgezet onderwijs (vo), voortgezet speciaal onderwijs (vso) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) minder vanzelfsprekend is dan in het basisonderwijs. Daarnaast is het gebruik van jeugdhulp onder vo-leerlingen in de twee gemeenten relatief gezien groter dan onder de basisschoolleerlingen.1 Een centraal begrip in de hoofdvraag is passende en integrale jeugdhulp. In dit onderzoek is dit gedefinieerd als jeugdhulp die zo licht mogelijk is, die direct intensief is als dat nodig is, die wordt geboden vanuit het principe ‘één gezin, één plan’, en waarbij deskundigheid vanuit verschillende specialismen en sectoren optimaal wordt benut (Verheijden & De Lange, 2016). Jeugdhulp is een verzamelterm die gebruikt wordt voor een grote diversiteit aan hulp en ondersteuning aan jeugdigen en hun ouders. Voorbeelden zijn ambulante hulp door een wijkteam bij opvoedingsvraagstukken, specialistische hulp bij ggz-problematiek, pleegzorg als jongeren uit huis zijn geplaatst, en behandeling van jongeren in een instelling. Samen met jeugdbescherming en jeugdreclassering vormt jeugdhulp de overkoepelende jeugdzorg2. Het gedwongen kader (jeugdbescherming en jeugdreclassering) laten we in dit onderzoek buiten beschouwing.

1.1

Onderzoeksvragen en leeswijzer

Om tot een antwoord op de hoofdvraag te komen hebben we een aantal meer concrete onderzoeksvragen geformuleerd. Het merendeel van de onderzoeksvragen heeft een normerend karakter, wat inhoudt dat deze zijn gebruikt om de afstemming tussen het onderwijs en de jeugdhulp in de twee gemeenten te beoordelen. Een kleiner deel van de onderzoeksvragen heeft een beschrijvend karakter. Tezamen vormen ze het normenkader, zoals dat in de hoofdstukken 4 t/m 6 wordt gehanteerd. Hieronder presenteren we alle onderzoeksvragen. Dit is tevens de leeswijzer voor deze rapportage. De eerste twee onderzoeksvragen (1a en 1b) zijn beschrijvende vragen en zijn bedoeld om de context van het onderzoek te schetsen. Ze worden beantwoord in hoofdstuk 3 en luiden als volgt: - 1a. Hoeveel jongeren in de leeftijd 12-18 jaar uit de gemeenten Schiedam en Vlaardingen ontvangen jeugdhulp, welk type hulp ontvangen zij en van welke jeugdhulpaanbieders? - 1b. In hoeverre vindt in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen afstemming plaats tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp, welke modellen van samenwerking zijn daarbij te herkennen, en welke onderwijs en jeugdhulporganisaties waren betrokken bij deze afstemming?

1 Het speciaal basisonderwijs in Vlaardingen vormt daarop een uitzondering. Voor de vergelijking tussen typen onder-

wijs en jeugdhulp: https://monitoraoj.nl/jeugdzorggebruik-en-onderwijs/# 2 Https://www.nji.nl/nl/Kennis/Publicaties/Wat-is-het-verschil-tussen-jeugdzorg-en-jeugdhulp RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

15 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen In hoofdstuk 4 beantwoorden we de onderzoekvragen 2a en 2b. Deze gaan over de afspraken die in de gemeenten zijn gemaakt over de vormgeving en doelstelling van de samenwerking. Voor deze vragen zijn de volgenden twee normen opgenomen in het normenkader. - 2a. Er zijn in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen afspraken gemaakt over de vormgeving en de doelstellingen van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. - 2b. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben vastgelegd hoe zij sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp bij het bieden van passende en integrale hulp aan leerlingen en hun ouders. Hoofdstuk 5 gaat vervolgens over de uitvoering en doelmatigheid van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp (vragen 3a t/m 3e). Voor deze vragen zijn de volgende normen opgenomen in het normenkader. - 3a. De samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam is binnen de gemeentelijke organisaties - op bestuurlijk en op ambtelijk niveau - zo vormgegeven dat het is ingebed in het beleid en het werk van het gemeentebestuur en de ambtenaren. - 3b.

Op het niveau van de organisaties - dus tussen de onderwijsinstellingen en jeugdhulporganisaties op bestuurlijk en strategisch niveau - is de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp zo vormgegeven dat het is ingebed in het beleid en het werk van de organisaties. - 3c. De uitvoering van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam is doelmatig vormgegeven op het niveau van de professionals. - 3d. De uitvoering van de samenwerking tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam komt overeen met de gemaakte afspraken. - 3e. De betrokken actoren ervaren dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen leidt tot passende en integrale hulp aan kinderen en gezinnen. In hoofdstuk 6 behandelen we de mate waarin de gemeenten sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp en in welke mate organisaties sturing van de gemeenten ervaren. Hiervoor hebben we drie normen (4a, 4b en 4d) en een beschrijvende onderzoeksvraag ontwikkeld (4c). - 4a. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. - 4b. De sturing van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp komt overeen met de gemaakte afspraken. - 4c.

Hoe ervaren de bestuurders, managers en professionals bij de onderwijs- en jeugdhulporganisaties de sturing van de gemeente op de afstemming tussen het onderwijs en de jeugdhulp? - 4d. De gemeente gebruiken sturingsstrategieën om vanuit de domeinen onderwijs en jeugdhulp de betrokken actoren te faciliteren om gezamenlijk passende en integrale hulp te bieden aan leerlingen en hun ouders.

1.2

Achtergrondinformatie

Bij een onderzoek naar samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs is het belangrijk om meer te weten over hoe deze sectoren in Nederland zijn georganiseerd. Voor de jeugdhulp geldt dat gemeenten sinds 2015 verantwoordelijk zijn voor preventief jeugdbeleid, specialistische jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Deze decentralisatie van de jeugdhulp heeft ertoe geleid dat meer kinderen en jongeren in beeld zijn en jeugdhulp ontvangen dan voorheen (Van Yperen, Van de Maat & Prakken, 2019). Echter, zij ontvangen nog steeds niet altijd en allemaal de hulp die ze nodig hebben (Inspectierapport gezondheidszorg en Jeugd, 2018). Ook staan zorgaanbieders onder druk door een combinatie van de transformatie, de bezuinigingen op veel plaatsten en het toenemende zorggebruik (Van Yperen et al., 2019). Door de beleidsvrijheid per gemeente om de jeugdhulp naar eigen inzicht vorm te geven, zijn er grote kwaliteitsverschillen in de jeugdhulp tussen gemeenten (De Kinderombudsman, 2018). Ook in het onderwijsdomein is een grote beleidswijziging geweest. In 2014 werd de Wet Passend Onderwijs ingevoerd. Hiermee werd de verantwoordelijkheid voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften gedecentraliseerd, waarbij samenwerkingsverbanden van schoolbesturen een budget ontvangen om passend onderwijs te organiseren voor leerlingen in het primair- en het voortgezet onderwijs.

Alle schoolbesturen en scholen voor cluster 3 (motorisch en/of verstandelijk gehandicapt en langdurig zieke kinderen) en 4 (kinderen met psychische stoornissen en gedragsproblemen) zijn verplicht lid van een dergelijk samenwerkingsverband (Ledoux & Waslander, 2020). De scholen die bij een samenwerkingsverband horen liggen niet altijd binnen dezelfde gemeente. Dit is mogelijk een complicerende factor voor de samenwerking met jeugdhulp, omdat die per gemeente is georganiseerd.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

16 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Een van de wettelijke taken van de samenwerkingsverbanden is het voeren van overleg met gemeenten over de afstemming met de jeugdhulp. De samenwerkingsverbanden moeten in zogenoemde ondersteuningsplannen aangeven welke vormen van ondersteuning op de scholen beschikbaar zijn en welke procedures daarbij gelden. De samenwerkingsverbanden moeten dit ondersteuningsplan bespreken met de gemeenten waarin zij werken. Tegelijkertijd moeten gemeenten over hun jeugdplan3 overleggen met het samenwerkingsverband (Ledoux & Waslander, 2020). Een deel van de jongeren tussen de 12 en 18 jaar gaat naar het mbo. Mbo’s ontvangen zelf budget om extra ondersteuning te bieden aan studenten met een zorgbehoefte. Zij moeten een ondersteuningsaanbod hebben beschreven en meedoen aan overleggen tussen gemeenten en samenwerkingsverbanden. Ook moeten de mbo’s voor elke leerling met extra ondersteuningsbehoeften een bijlage opstellen bij de onderwijsovereenkomst die ze met een student aangaan. Hoewel mbo’s hun ondersteuning zelf inkopen, zijn ze voor de ondersteuning van jongeren met complexe problematiek afhankelijk van de hulpverlening die de gemeente heeft ingekocht (Ledoux & Waslander, 2020). Samenwerking onderwijs en jeugdhulp: landelijk beeld Onlangs is de eindevaluatie van de Wet Passend Onderwijs verschenen.

Hieruit blijkt dat er regelmatig overleg is tussen de samenwerkingsverbanden, schoolbesturen en mbo-instellingen met gemeenten over leerlingen die extra ondersteuning ontvangen op school én jeugdhulp of specifieke zorg ontvangen. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie dat onderwijs en jeugdhulp in de praktijk nog vaak gescheiden werelden zijn. Vrijwel alle gemeenten en samenwerkingsverbanden ervaren knelpunten in de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp. Sommige gemeenten ervaren dat scholen een te groot beroep doen op de jeugdhulp. Andersom blijken scholen het als lastig te ervaren om met jeugdhulp afspraken te maken over de extra ondersteuning die leerlingen nodig hebben. Verder is er volgens de gemeenten en de samenwerkingsverbanden onduidelijkheid over de regie, onder andere door krappe budgetten en gescheiden geldstromen. Ook zijn er wachtlijsten voor onderzoek en behandeling en veel personeelswisselingen bij jeugdhulp. Daarnaast hebben onderwijs en jeugdhulp andere verwachtingen en gebruiken ze verschillende werkwijzen (Ledoux & Waslander, 2020). Ten slotte blijken veel gemeenten onvoldoende toe te komen aan het verbinden van onderwijs en jeugdhulp. Bijvoorbeeld door onduidelijkheden over verantwoordelijkheden, door problemen met de financiering en door wachtlijsten in de jeugdhulp (Friele et al., 2019).

3 Voor meer informatie zie: https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Onderwijs-zorgarrangementen/Wet-en-regelge-

ving/Jeugdwet RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

17 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

2

Onderzoeksopzet

In dit onderzoek zijn meerdere typen data verzameld en geanalyseerd. In paragraaf 2.1 is weergegeven op welke manier gegevens over de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp zijn verzameld. Paragraaf 2.2 gaat in op de manier waarop de resultaten aan de hand van de nota van bevindingen beschreven worden.

2.1

Dataverzameling

Deskresearch We hebben een online literatuursearch gedaan en de gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben beleidsdocumenten opgestuurd. Daarnaast is naar data gezocht over hoeveel jongeren welke vorm van onderwijs en jeugdhulp ontvangen binnen beide gemeenten, waarbij we bijvoorbeeld CBS-data hebben verzameld. Met het Kenniscentrum MVS is gesproken om in kaart te brengen welke jongeren jeugdhulp ontvangen binnen de gemeenten. Interviews met gemeenten Om een eerste indruk te krijgen van de manier waarop het (passend) onderwijs en de jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen is vormgegeven, zijn we gestart met interviews met wethouders en beleidsadviseurs van de gemeenten. In de interviews werden de indicatoren uit het voorlopige normenkader behandeld die voor de gemeente van toepassing waren en werd besproken in welke mate aan de voorwaarden wordt voldaan in de gemeenten. Deze vier gesprekken vonden vanwege de Covid-19 maatregelen digitaal plaats. Bij de interviews met de wethouders was een lid van de Rekenkamercommissie Schiedam Vlaardingen aanwezig. Naar aanleiding van deze interviews is het normenkader aangepast en in overleg met de RKC definitief gemaakt.

Individuele interviews met bestuurders en managers De beleidsadviseurs van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben vervolgens een lijst opgesteld met de meest relevante onderwijs- en jeugdhulporganisaties in de gemeenten. Hier hebben wij in overleg met de Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen een selectie in gemaakt, waarbij geprobeerd is zoveel mogelijk een spreiding te hebben over de onderwijstypen, jeugdhulporganisaties en gemeenten. Na de selectie hebben we interviews gevoerd met negen bestuurders en managers van de belangrijkste onderwijs- en jeugdhulporganisaties in de gemeenten. De geïnterviewden waren van de volgende onderwijs- en jeugdhulporganisaties: Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord, de Vlaardingse Openbare Scholengroep, Spieringshoek, Albeda, Ericaschool, Minters, Leerrecht MVS, InZicht en Forta Jeugd. De interviews waren vanwege de Covid-19 maatregelen online. In de interviews werd besproken in welke mate aan de indicatoren uit het normenkader wordt voldaan, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen onderwijsniveaus, jeugdhulporganisaties en gemeenten. Groepsgesprekken met professionals Aan de bestuurders en managers is gevraagd om uitvoerende professionals uit te nodigen om deel te nemen aan een groepsgesprek. Daarnaast hebben we suggesties voor deelnemers ontvangen van de gemeenten.

Er zijn drie groepsgesprekken gevoerd met uitvoerende professionals van de volgende onderwijs- en jeugdhulporganisaties: Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord, Steunpunt Onderwijs, Leerrecht MVS, St. Jozef Mavo, Stedelijk gymnasium Schiedam, Mavo Schravelant XL, Spieringshoek, Minters, CJG Rijnmond locatie Vlaardingen, Ericaschool, Albeda, ProNoVa college en Forta Jeugd. In totaal hebben 21 onderwijs- en jeugdhulpprofessionals deelgenomen aan een groepsgesprek. Bij deze gesprekken is geprobeerd om professionals onderwijs en jeugdhulporganisaties beiden uit te nodigen voor een gesprek, zodat beide domeinen vertegenwoordigd waren. De groepsgesprekken vonden plaats op het Stadskantoor in Schiedam, waar de RIVMmaatregelen in het kader van Covid-19 nageleefd konden worden. Alle respondenten van de individuele interviews en groepsgesprekken hebben via de e-mail een verslag ontvangen, met de vraag het verslag te controleren en eventuele verbeteringen en toevoegingen te maken.

2.2

Nota van bevindingen

Aan de hand van het normenkader beschrijven we de resultaten van het onderzoek in de nota van bevindingen. Het normenkader bestaat uit onderzoeksvragen (1) en normen (2, 3 en 4). Voor elke norm beschrijven we op basis van een aantal indicatoren in welke mate aan de norm wordt voldaan. Per indicator geven we aan in welke mate aan deze voorwaarde wordt voldaan in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen. Een + betekent RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

18 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen wel aanwezig, +/- gedeeltelijk aanwezig en – vrijwel niet aanwezig. Vooraf is het belangrijk om te vermelden de mate waarin aan een indicator wordt voldaan, geen waardeoordeel is. Soms is bijvoorbeeld vanwege het landelijk beleid niet mogelijk om aan een voorwaarde te voldoen, en soms is het voor de uitvoering in de praktijk ook niet nodig dat een bepaalde voorwaarde aanwezig is. Er zijn weinig cijfers en feitelijke afspraken in documenten over dit onderwerp beschikbaar. De documenten gaven vooral inzicht in de visies en ambities van de gemeenten. Daardoor berust de nota van bevindingen vooral op de data uit de interviews en analyses daarvan. Waar niets over het verschil tussen de gemeenten Schiedam en Vlaardingen is geschreven, is geen relevant verschil tussen de gemeenten gevonden. Hetzelfde geldt voor verschillen tussen het vo, vso en mbo. Indien er geen verschillen zijn beschreven, zijn deze niet gevonden. In deze rapportage houden we consequent de alfabetische volgorde van de namen van de gemeenten aan. In overleg met de RKC is de dataverzameling voor het onderzoek in oktober 2020 beëindigd. Overleggen en afspraken die na dat moment hebben plaatsgevonden, zijn niet meer in deze rapportage meegenomen.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

19 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

3

Jeugdhulp en onderwijs in Schiedam en Vlaardingen

In dit hoofdstuk beschrijven we eerst hoe de domeinen van (passend) onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen zijn vormgegeven. Vervolgens beschrijven we het aantal jongeren tot 18 jaar dat jeugdhulp ontvangt (onderzoeksvraag 1a) en de wijze waarop de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs in de praktijk is georganiseerd (onderzoeksvraag 1b).

3.1

Lokale context van Schiedam en Vlaardingen

Voor het interpreteren van de resultaten van een onderzoek naar samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs in Schiedam en Vlaardingen is het nodig om kennis over de lokale situatie te hebben. Uit bestuursrapportages en jaarrekeningen van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen blijkt dat er in deze gemeenten substantiële overschrijdingen zijn in de jeugdhulp (Herijking inkoop jeugdhulp in de MVS-gemeenten; Herijking beleid sociaal domein Gemeente Vlaardingen: Inwoner voorop)4. Ook zijn er wachtlijsten bij de gespecialiseerde jeugdhulp, waardoor jongeren langer bij de wijkteams blijven en daar de druk op de werkzaamheden verder toeneemt (Herijking inkoop jeugdhulp in de MVS-gemeenten). Deze contextfactoren kunnen de mogelijkheden voor samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp beïnvloeden. Ten tijde van dit onderzoek naar de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp waren de gemeenten Maassluis, Vlaardingen en Schiedam (MVS) bezig met een traject gericht op de herijking van de inkoop van jeugdhulp. Hiervoor worden onder andere interviews en bijeenkomsten georganiseerd met professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties. Binnen de herijking zijn verschillende bouwstenen benoemd, waaronder de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp. Het herijkingsproces loopt nog steeds (oktober 2020) en heeft nog niet tot concrete afspraken geleid.

Tot 2021 kopen de MVS-gemeenten specialistische jeugdhulp in via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR). Vanaf 2022 willen ze dit zelf gaan doen5. De herijking moet richting geven een eenvoudiger wijze van resultaatgericht en financieel sturen door de gemeenten (Herijking inkoop jeugdhulp in de MVS-gemeenten). Organisatie van het vo en vso De extra ondersteuning aan leerlingen op het v(s)o wordt gecoördineerd vanuit het Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord. Alle schoolbesturen uit het v(s)o zijn hierbij aangesloten. Alle vo scholen hebben een ondersteuningsteam om leerlingen met een additionele ondersteuningsbehoefte te begeleiden. Een ondersteuningsteam bestaat uit een zorgcoördinator (vanuit school), onderwijsondersteuningsspecialist (Oos; vanuit het samenwerkingsverband) en gezinsspecialist (gefinancierd vanuit de gemeente)6. De gezinsspecialist is verantwoordelijk voor de aansluiting tussen jeugdhulp en onderwijs en kan zelf kortdurende ondersteuning bieden als er problemen in de thuissituatie zijn. Bij langdurige problemen kan de gezinsspecialist, via het wijkteam, ondersteuning inschakelen in de wijk waar een kind woont. De Oos is verantwoordelijk voor onderwijsvragen vanuit school en kan onderwijsarrangementen inzetten. Deze zijn bedoeld voor extra ondersteuning op het gebied van onderwijs, zoals leerwegondersteuning en praktijkonderwijs.

Als voor leerlingen op een bepaald moment geen passend aanbod beschikbaar is, kunnen ze gebruik maken van de bovenschoolse voorziening, InZicht. Hier worden leerlingen begeleid bij hun leerproces tot zij terug kunnen naar hun school of een andere passende leerplek (Ondersteuningsplan 2018-2022 Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord). Het vso is bedoeld voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben die het reguliere onderwijs niet kan bieden. Binnen het vso zijn clusters voor leerlingen met visuele problematiek (cluster 1), auditieve problematiek (cluster 2), motorische en leerproblematiek (cluster 3) en psychische ondersteuningsproblematiek (cluster 4). Cluster 3 en 4 zijn onderdeel van een samenwerkingsverband.7 De gemeenten Schiedam en Vlaardingen

4 De stijging van de kosten van de jeugdhulp is een landelijke trend (Peeters et al., 2019) 5 6 oktober 2020 hebben de colleges van de MVS-gemeenten officieel aangekondigd uit de GRJR te willen treden:

https://www.jeugdhulprijnmond.nl/2020/10/12/ontwikkeling-binnen-de-grjr-mvs/ 6 De meeste gezinsspecialisten zijn in dienst van Minters. Op Mavo Schravelant en Spieringshoek zijn de gezinsspecialisten in dienst van Enver. 7 Voor meer informatie zie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs/speciaal-onderwijs RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

20 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen willen structurele afspraken maken met het samenwerkingsverband over een sluitend aanbod van onderwijszorgarrangementen (REA-overleg, maart 2020)8. Deze afspraken zijn nog niet gemaakt. Organisatie van het mbo Op het mbo zijn er verschillen per mbo-instelling. Door de gemeente Schiedam is gefinancierd dat er op het mbo Lentiz voor 0,2 fte een gezinsspecialist beschikbaar is. Daarnaast zijn er schoolverpleegkundigen aanwezig voor gemiddeld 4 uur per week op locaties van Albeda, Zadkine en Lentiz, maar er is geen inzet vanuit het samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord (Op weg naar een effectievere ondersteuning en hulpverlening voor Rijnmondse Mbo-studenten, 2017). Het Albeda Collega in Vlaardingen heeft een schoolmaatschappelijk werker ingehuurd die werkzaam is bij de jeugdhulporganisatie Enver. De taak van de schoolmaatschappelijk werker is om bij mbo-studenten aanwezige problemen in de onderwijscontext aan te pakken en om door te verwijzen naar de hulpverlening als sprake blijkt te zijn van bredere opgroeiproblemen. Deze taak is dus vergelijkbaar met de taak van de gezinsspecialist in het v(s)o. Vanuit het Regionaal Meld- en Coördinatiepunt worden jongeren begeleid die nog geen startkwalificatie hebben.9 In de gemeenten Schiedam en Vlaardingen is de coördinatie belegd bij Leerrecht.

De uitvoering is belegd bij Stichting Zorg voor Onderwijs, waaronder het Steunpunt Onderwijs en het Steunpunt Jongeren vallen. Het Steunpunt Onderwijs heeft onder andere Oos’en in dienst die onderdeel zijn van de ondersteuningsteams op vo-scholen. Het Steunpunt Jongeren richt zich op het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. 10 De gezinsspecialisten die op de v(s)o-scholen werken zijn voor het overgrote deel in dienst van Minters. In Schiedam zijn de gezinsspecialisten een onderdeel van de WijkOndersteuningsTeams (WOT). In Vlaardingen stuurt Minters de wijkteams ook aan. Organisatie van de jeugdhulp De jeugdhulp voor jongeren uit Schiedam of Vlaardingen wordt uitgevoerd door meer dan 30 partijen in deze of andere gemeenten.11 Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen partijen die jeugdhulp, jeugdbescherming en/of jeugdreclassering bieden. Partijen die jeugdhulp bieden, richten zich o.a. op basis of specialistische ggz. Deze zorg wordt ingezet wanneer hulp door de gezinsspecialist, het wijkteam of de POH-GGZ niet voldoende is. Jeugdhulporganisaties richten zich geregeld op een specifieke doelgroep of hebben specialisaties, zoals de zorg voor jeugd met een beperking of ernstige enkelvoudige dyslexie. Financiering Het passend onderwijs (via samenwerkingsverbanden) en vroegtijdig schoolverlaten (via RMC-taken) worden vanuit de Rijksoverheid gefinancierd.

De financiering van de jeugdhulp is gedecentraliseerd. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben de specialistische jeugdhulp regionaal ingekocht: Schiedam en Vlaardingen hebben jeugdhulp deels met 15 andere gemeenten via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR) jeugdhulp ingekocht, en deels in MVS-verband. Daarnaast worden voorliggende vormen van zorg lokaal ingekocht, zoals de inzet van wijkteams en de gezinsspecialisten.

3.2

Aantal jongeren dat jeugdhulp ontvangt

Zowel in Schiedam als in Vlaardingen staan grofweg 4000 leerlingen ingeschreven in het voortgezet onderwijs.

8 Het proces van ondersteuning op school en andere jeugdhulp is in kaart gebracht en vastgelegd in een routekaart en

informatieblad. Dit zal uiterlijk begin 2021 gepubliceerd worden. De gemeente is nu in overleg met betrokkenen, zoals het samenwerkingsverband, over de financiering. De laatste stap is het structureren van het aanbod en tegelijkertijd ruimte hebben voor maatwerk. 9 Een startkwalificatie is een diploma op minimaal havo, vwo of mbo-niveau 2 opleiding. Voor meer informatie over de leer- en kwalificatieplicht zie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/vsv/minder-voortijdig-schoolverlaters 10 Voor meer informatie zie: https://www.steunpuntonderwijsenjongeren.nl/ 11 Aantallen zijn uit 2018. Verkregen uit Aanbieders jeugdhulp Schiedam, Vlaardingen, Maassluis 2018 van https://zel.nl/wp-content/uploads/2018/01/Aanbieders-jeugdhulp-Schiedam-Vlaardingen-Maassluis-2018.pdf op 0710-2020 RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

21 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Van deze leerlingen staat ongeveer 90% ingeschreven op het vo, ongeveer 4% op het v(s)o en 4% zit op het praktijkonderwijs. Daarnaast staan jongeren wonend in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen ingeschreven bij diverse mbo’s. De grootste groep gaat naar het Albeda en Zadkine in Rotterdam. Ook gaat een substantiële groep naar het Lentiz in Vlaardingen12. In vergelijking met de gemiddelde cijfers van Nederland wordt in Schiedam en Vlaardingen procentueel gezien minder van jeugdhulp gebruik gemaakt door jongeren tot 18 jaar (zie tabel 1). Qua type jeugdhulp is er vooral sprake van ambulante hulp op locatie van een jeugdzorgaanbieder. De jongeren die in een jeugdzorgtraject zitten, hebben vaker te maken met jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het percentage jeugdhulp uitgevoerd door een wijk- of buurtteam ligt relatief laag in zowel Schiedam als Vlaardingen. De gemeente Vlaardingen geeft hiervoor als verklaring dat in de geboden ondersteuning door het wijkteam geen onderscheid wordt gemaakt tussen basisondersteuning en jeugdhulp.

Jeugdhulp uitgevoerd door het wijkteam wordt daarom niet als dusdanig geregistreerd en komt daardoor niet in de cijfers van het CBS terug.13 Het SCP heeft een statistisch model ontwikkeld waarbij op wijkniveau voorspelling wordt gedaan over het verwacht gebruik van jeugdhulp, op basis van verschillende kenmerken zoals de sociaaleconomische status van gezinnen. Zowel in gemeente Schiedam als Vlaardingen ligt het gerapporteerde gebruik van jeugdhulp zonder verblijf ongeveer 2% lager dan het verwachte gebruik 14. Tabel 1: Aantallen en percentages jeugdhulp voor jongeren tot 18 jaar per type jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen en gemiddeld in Nederland.15 Schiedam Vlaardingen Nederland Totaal jeugdhulp A 1.225 (6,3%) 1.340 (7,5%) 430.670 (9,7%) Jeugdhulp zonder verblijf Uitgevoerd door wijk-of buurtteam Niet uitgevoerd door wijk- of buurtteam Ambulante hulp op locatie aanbieder Jeugdhulp met verblijf

1.075 (5,5%) 15 (0,1%)

1.205 (6,8%) 25 (0,1%)

404.980 (9,1%) 79.435 (1,8%)

1.065 (5,4%)

1.190 (6,7%)

354.740 (8,0%)

900 (4,6%)

1.030 (5,8%)

293.985 (6,6%)

180 (0,9%)

185 (1,0%)

42.975 (1,0%)

A Jongeren kunnen verschillende typen jeugdhulp ontvangen. Daardoor tellen de aantallen voor de verschillende typen niet

op tot het totale aantal jongeren met jeugdhulp. De percentages geven aan hoeveel jongeren relatief gezien dit type jeugdhulp ontvangen in beide gemeenten en in Nederland.

Overeenkomstig met het gemiddelde in Nederland, ontvangen vooral jongeren in het vso jeugdhulp (zie tabel 2). De percentages zijn substantieel lager in het vo en het mbo. Het is voor ons onbekend welke jeugdhulpaanbieders de hulpverlening bieden. Uit overleg met Kenniscentrum MVS bleek dat er geen mogelijkheden waren om de jeugdhulp- en onderwijsgegevens met elkaar te koppelen.

12 Uitgebreide informatie kan via DUO gevonden worden, in bijlage A staat een samenvatting. 13 De cijfers van het CBS laten zien dat het percentage jeugdigen dat jeugdhulp vanuit een wijkteam krijgt, in zowel

Schiedam als Vlaardingen tegen de nul aan zit. Landelijk ligt dit percentage een stuk hoger. Het niet bij het CBS registreren van jeugdhulp door het wijkteams is dan ook naar alle waarschijnlijkheid de reden dat het totale jeugdhulppercentage in Schiedam en Vlaardingen beduidend onder het landelijk gemiddelde ligt. 14 Het dashboard van het SCP is te vinden op: https://digitaal.scp.nl/jeugdhulp-in-de-wijk/ 15 De meest recente data die beschikbaar was bij het CBS bij het ophalen van de gegevens, zijn de voorlopige cijfers over 2019. Voor meer gedetailleerde uitsplitsingen van type jeugdhulp zie: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84134NED/table?ts=1601291017293 RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

22 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Tabel 2: Percentages leerlingen die jeugdhulp ontvangen naar schooltype, in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen en gemiddeld in Nederland.16 Schiedam Vlaardingen Nederland Vo 8 9 11 Vso 41 45 61 Mbo 6 7 8 Totaal (0-18) 6,3 7,5 9,7 Aantal leerlingen dat ondersteuning krijgt binnen scholen Leerlingen kunnen ook ondersteuning krijgen binnen de school van de onderwijsondersteuningsspecialist (Oos) van het samenwerkingsverband als ze een aanvullende onderwijs ondersteuningsbehoefte hebben. Deze leerlingen worden besproken in de ondersteuningsteams bestaande uit een zorgcoördinator vanuit school, Oos en de gezinsspecialist. In 2019 werden 84 leerlingen uit Schiedam en 81 leerlingen uit Vlaardingen besproken in een ondersteuningsteam. Bij ongeveer de helft van deze leerlingen werd besloten tot de inzet van de Oos. Daarnaast kunnen leerlingen een langdurige vorm van ondersteuning nodig hebben. Vanuit de 3 MVSgemeenten17 hadden 1640 leerlingen een dergelijk onderwijsarrangement, zoals leerwegondersteuning, praktijkonderwijs, InZicht en extra ondersteuning cluster 3 en 4 (Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord, Jaarverslag 2019). Een schatting, gebaseerd op de naar inwonertal evenredige verdeling van deze leerlingen over de drie gemeenten, leert dat circa 16% van alle v(s)o-leerlingen in Schiedam en Vlaardingen extra ondersteuning krijgt.

Het aantal leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften is niet te vergelijken met de cijfers van samenwerkingsverbanden in andere gemeenten. Samenwerkingsverbanden mogen namelijk zelf bepalen wat onder basisondersteuning valt op hun scholen, en wat onder extra ondersteuning. In bijlage A staan meer specifieke data en verantwoording van de cijfers bij deze onderzoeksvraag.

3.3

De samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs in Schiedam en Vlaardingen

De vormgeving van de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs In de gemeenten Schiedam en Vlaardingen vindt enige afstemming plaats tussen onderwijs en jeugdhulp, door middel van verschillende overlegstructuren die hieronder staan toegelicht. Deze afstemming is voornamelijk voorbereidend op toekomstig beleid. De afstemming die de gemeente organiseert is meestal niet met onderwijs en jeugdhulp gezamenlijk. Wanneer onderwijs- en jeugdhulporganisaties met elkaar afstemmen, zijn dit voornamelijk professionals die op casusniveau contact hebben. De gemeente heeft uiteenlopende overlegstructuren gecreëerd om de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp te creëren of te verbeteren. De belangrijkste overlegstructuren zijn de volgende: - REA: Regionaal Educatieve Agenda. In dit overleg zijn afgevaardigden van de MVS-gemeenten, de samenwerkingsbanden po en vo en schoolbestuurders van po, vo, so, vso en mbo aanwezig. Het overleg vindt drie keer per jaar plaats en is niet wettelijk verplicht. - LEA: Lokaal Educatieve Agenda. Dit overleg is wettelijk verplicht om eenmaal per jaar te organiseren. Het wordt per gemeente georganiseerd. In dit overleg zijn afgevaardigden van de specifieke gemeenten, het samenwerkingsband en schoolbestuurders aanwezig. - OOGO: Op Overeenstemming Gericht Overleg.

Er is een OOGO passend onderwijs (minimaal eenmaal per jaar) waarin de samenwerkingsverbanden (po en vo), wethouders en beleidsadviseurs samen komen, onder andere om het ondersteuningsplan te bespreken. Ook is er een OOGO jeugd waar de gemeente haar jeugdplannen met de samenwerkingsverbanden bespreekt. Deze overleggen kunnen ook gecombineerd worden. Naast deze overlegstructuren zijn er werkgroepen en kerngroepen waarin afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp ter sprake komt. Ook is de wethouder van Vlaardingen deelnemer van de stuurgroep transformatie namens het algemeen bestuur van de ‘Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond’. Daarin wordt de transformatie van de jeugdhulp en de aansluiting op het onderwijs besproken. Verder hebben de 16 De gegevens zijn afkomstig van: https://monitoraoj.nl/jeugdzorggebruik-en-onderwijs/# 17 In deze cijfers is geen onderscheid gemaakt tussen de MVS-gemeenten.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

23 van 26

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen onderwijsondersteuningsspecialisten meerdere keren per jaar overleg met de gezinsspecialisten. Dergelijke overlegstructuren leveren bouwstenen op voor het verbeteren van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Er wordt momenteel veel over het verbeteren van de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp gepraat. In het kader van de herijking van de jeugdhulp zijn onderwijs- en jeugdhulporganisaties en de gemeenten verschillende keren bij elkaar gekomen 18. Tot op heden zijn er in het herijkingsproces nauwelijks afspraken gemaakt over de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp. De gemeenten willen dit met de herijking van de jeugdhulp en bovengenoemde overlegstructuren verder vorm te geven. Daarnaast is de ‘Ontwikkelagenda jeugdhulp en passend onderwijs’ opgesteld door po- en vo-scholen, samenwerkingsverbanden en de MVS-gemeenten. De uitwerking van deze agenda vindt plaats in uiteenlopende werkgroepen die hier relevante partijen bij betrekken. In de gemeenten Schiedam en Vlaardingen zijn enkele organisaties betrokken bij het maken van afspraken over de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp, namelijk: - Het samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord overlegt met de gemeente over het ondersteuningsplan. Daarnaast hebben zij geregeld overleg waarin ook de afstemming met de jeugdhulp ter sprake komt.

- Welzijnsorganisatie Minters is vanuit de gemeenten aangewezen om de gezinsspecialist op de v(s)o-scholen te leveren. De gemeenten hebben met Minters afspraken gemaakt over het aantal uren dat zij een gezinsspecialist leveren bij een onderwijslocatie en over de taken die de gezinsspecialist uitvoert. De gezinsspecialisten zijn voor scholen de schakel naar de wijkteams. - V(s)o-scholen maken met gemeenten afspraken over de inzet van de gezinsspecialisten van Minters. Op deze manier zijn scholen ook betrokken bij het maken van afspraken over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. - Op mbo Lentiz is een gezinsspecialist die gefinancierd wordt door de gemeente Schiedam. Ook zijn er op diverse locaties schoolverpleegkundigen aanwezig (Op weg naar een effectievere ondersteuning en hulpverlening voor Rijnmondse Mbo-studenten, 2017). Daarnaast hebben mbo’s zelf afspraken gemaakt met jeugdhulporganisaties, o.a. Enver, over de inzet van schoolmaatschappelijk werkers. Modellen voor samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs In heel Nederland vindt samenwerking plaats tussen jeugdhulp en onderwijs, of worden pogingen ondernomen om deze samenwerking vorm te geven. Van der Grinten et al. (2018) hebben op basis van een inventarisatie hiervan vier modellen onderscheiden waarop de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp georganiseerd is.

- In het schottenmodel werken onderwijs en jeugdhulp los van elkaar en zijn de financiën en verantwoordelijkheden gescheiden. - In het ketenmodel is sprake van geschakelde verantwoordelijkheden voor de afzonderlijke actoren die elkaar in een vaste volgorde opvolgen, waarbij de nadruk ligt op het versterken van de overgang tussen de actoren, zoals bijvoorbeeld de keten wijkteam - specialistische hulp. - In het netwerkmodel wordt steeds per hulpdoel bij een casus besloten met welke partijen een verbinding aan wordt gegaan. - In het integrale model ten slotte, zijn er multidisciplinaire teams met een eigen budget die zelf hulp en ondersteuning in kunnen zetten. We constateren dat er in Schiedam en Vlaardingen sprake is van een ketenmodel. Er is in de gemeenten sprake van geschakelde verantwoordelijkheden voor de afzonderlijke actoren. Deze actoren volgen elkaar in vaste volgorde op. Een mogelijke route is dat in het voortgezet onderwijs eerst preventieve jeugdhulp wordt geboden door de gezinsspecialist. Wanneer dit niet voldoende is volgt ondersteuning vanuit het wijkteam. Als meer ondersteuning nodig is, kan een jongere specialistische jeugdhulp krijgen van één of meerdere aanbieders 19.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9858186/1