CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

versie aangepast toelichting.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 13 december 2022, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Werklandschap Meerkerk IVa17.858 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In het NBW hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is medesturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, dat de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen. Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De KRW is inmiddels geïmplementeerd in Nederlandse regelgeving door middel van de Waterwet.

De Waterwet geeft op nationaal niveau onder andere invulling aan de KRW. De KRW is daarmee indirect van toepassing op onderhavig plan.

24

4.3.2 Waterschap Rivierenland Het waterbeheer voor de gemeente Vijfheerenlanden is in handen van het Waterschap Rivierenland. Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'. Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toegetreden tot het klimaatverbond. Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid. In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel.

Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten' Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd.

Er is eenmalig een vrijstelling van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) toename van verhard oppervlak mogelijk bij kleinschalige particuliere initiatieven.

4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Om een juiste invulling te geven aan de waterhuishouding in het gebied is een Waterhuishoudingsplan opgesteld (Tauw, d.d. 2 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12). Onderstaand worden de belangrijkste waterhuishoudkundige aanpassingen uiteengezet. Watercompensatie De planlocatie bestaat in de huidige situatie volledig uit akkerland en watergangen. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden drie sloten en twee dwarssloten in het plangebied gedempt (zie onderstaande afbeelding). Met de uitbreiding van het bedrijventerrein neemt de oppervlakte aan verharding toe. In de navolgende tabel staat de toename aan verharding weergegeven.

25

Te dempen oppervlaktewater (rode arcering) (bron: Tauw, 2 november 2022)

Inventarisatie oppervlakten (bron: Tauw, 2 november 2022)

Uit de tabel blijkt dat de verhardingstoename 61.427 m² bedraagt. De compensatienorm bedraagt 436 m³/ha, wat overeen komt met 2.678 m³. Bij een maximale peilstijging van 0,20 m komt dit neer op 13.391 m² extra benodigd wateroppervlak. Vanuit de wateropgave van bedrijventerrein Meerkerk is er een tekort van 3.500 m² wateroppervlak. Het oppervlak water in de huidige situatie bedraagt 9.078 m². In zijn totaliteit moet het bruto wateroppervlak 25.969 m² bedragen. In de toekomstige situatie wordt er op en om het toekomstige bedrijventerrein een oppervlakte van 20.925 m² aan water mogelijk gemaakt. Dit betekent nog een bergingstekort van circa 5.050 m². In overleg met de gemeente en het waterschap is besloten om de bergingsopgave te realiseren ter plaatse van het grondperceel langs de Energieweg, direct ten zuiden van het plangebied (zie onderstaande afbeelding).

26

Resterende bergingsopgave 5.050 m² (bron: Tauw, 2 november 2022)

Het betreffende perceel is reeds gemeentelijk eigendom, wat realisatie van oppervlaktewater goed mogelijk maakt. Binnen het voorliggende plangebied wordt aan de betreffende gronden de bestemming 'Water' toegekend. Door het toepassen van een stuw met een gronddam parallel aan de huidige A-watergang wordt de benodigde peilscheiding tussen de twee peilgebieden gerealiseerd. De compensatienorm waarbij geen inundatie mag ontstaan, betreft een bergingseis van 664 m³/ha verhard oppervlak. Dit levert een bergingsopgave van 4.079 m³ wat tot aan de boveninsteek van de watergangen geborgen moet kunnen worden. Gezien de beoogde drooglegging van 1,2 m en het nieuw te realiseren wateroppervlak (11.847 m²) is ruim voldoende waterberging beschikbaar om het volume van de maatgevende bui te bergen zonder dat dit leidt tot wateroverlast. Daarmee voldoet het plan aan de gestelde wateropgave en wordt geanticipeerd op het voorkomen van wateroverlast in de toekomst en het verbeteren van de waterkwaliteit. Peil Om het plangebied goed aan te laten sluiten op het bestaande bedrijventerrein wordt ook het oppervlaktewaterstelsel op elkaar afgestemd. Om dit te bereiken wordt het plangebied gecombineerd met het peilgebied van het bestaande bedrijventerrein. Dit betekent dat het zomerpeil met 13 cm wordt verhoogd tot -1,36 m NAP. Het winterpeil wordt met 18 cm verhoogd tot -1,41 m NAP.

De belangrijkste wijziging is dat de bestaande stuw in de oostelijke watergang langs de Energieweg in zuidelijk richting wordt verplaatst, en wel zodanig dat de watergang ten zuiden van het plangebied in het huidige (lagere) peilgebied blijft. Voorgesteld wordt deze C-watergang een B-status te geven in verband met het dempen van een huidige B-watergang in het plangebied. Tevens geldt bij deze uitwerking dat het nieuwe schoonwaterstelsel niet naar de watergang langs de zuidrand mag afwateren, omdat dit afwentelen naar een ander peilgebied betreft. Er is mogelijk aan de oostzijde van het gebied, nabij de Burggraaf, óók een stuw (of gronddam) nodig om de peilscheiding te waarborgen. Het idee is dat de te verplaatsen stuw (Energieweg) instelbaar blijft om het zomer- en winterpeil in te kunnen stellen. In beide toegangswegen naar het plangebied dient een duiker in, of een brug over de A-watergang gerealiseerd te worden. Als uitgangspunt is gehanteerd dat de bestaande variabele stuw (Energieweg) zuidwaarts wordt verplaatst. De nieuwe stuw langs de Burggraaf moet nog nieuw worden ontworpen. Bij de verdere uitwerking van het plan dienen deze aanpassingen nader met Waterschap Rivierenland afgestemd te worden.

27

De watergang langs de zuidrand van het plangebied behoudt zijn huidige waterpeil. Daardoor wordt voorkomen dat de agrarische percelen ten zuiden van deze watergang natter worden in vergelijk met de huidige situatie.

Aanpassing watersysteem (bron: Tauw, 2 november 2022)

Waterafvoer Vanwege de uniformiteit wordt voor de hemelwaterstructuur hetzelfde verbeterd gescheiden stelsel uitgelegd als voor het bestaande bedrijventerrein. Schoon hemelwater afkomstig van dakoppervlak wordt in een apart schoonwaterriool verzameld en rechtstreeks afgevoerd naar oppervlaktewater. Waar mogelijk stroomt het hemelwater van dakoppervlak rechtstreeks af naar oppervlaktewater. Neerslag op overige verharding (wegen, parkeerplaatsen, trottoirs, terreinverharding) wordt verzameld in een hemelwaterrioolstelsel (vHWA), waarvan de ‘first flush’ naar het vuilwaterstelsel wordt verpompt. Dit voorkomt dat licht verontreinigd water in het oppervlaktewater terecht komt. Deze karakteristiek is gelijk aan het huidige bedrijventerrein. De wegen worden 'in de banden' uitgevoerd vanwege het industriële (zwaar)verkeer. Middels straatkolken wordt het hemelwater ingezameld. Het afvalwater van de nieuwe bebouwing wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering, een verbeterd gescheiden stelsel (VGS). Watergangen Voor wat betreft de A-status watergang stelt het Waterschap Rivierenland voor om een breedte van 7 m vanaf de Energieweg aan te houden (dit is in beheer en onderhoud van het waterschap). Alles wat de watergang breder is en de waterpartij aan de oostkant krijgt dan een B-status.

De beoogde natuurvriendelijke oevers zijn dan qua onderhoud voor de gemeente of voor de aanliggende eigenaren. Onderstaande afbeelding toont de verdeling van onderhoud.

28

Verdeling onderhoud watergangen (donkerblauw = waterschap; lichtblauw = gemeente/perceeleigenaar)

Conclusie Samenvattend kan gesteld worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

29

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder mogelijk. Daarmee is de Wet geluidhinder niet van toepassing en dient geconcludeerd te worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Het Besluit gevoelige bestemmingen legt zones vast rondom snelwegen en provinciale wegen. Binnen deze zones geldt een onderzoeksplicht naar de luchtkwaliteit, wanneer daar plannen zijn voor nieuwbouw of relevante uitbreiding van in het Besluit specifiek aangegeven gevoelige bestemmingen. De onderzoeksplicht geldt voor een afstand van 300 meter tot een rijks(snel)weg en 50 meter tot een provinciale weg. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat.

Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' verslechtert. Indien het plan wel 'in betekenende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

30

Planspecifiek Er is Luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd (Langelaar Milieuadvies, d.d. 21 januari 2021, zie bijlagen bij toelichting, zie bijlage 5). Uit dit onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

•

Het onderhavige plan maakt geen gevoelige bestemmingen zoals scholen of kinderdagverblijven mogelijk. Onderzoeksplicht op basis van de wet- en regelgeving over gevoelige bestemmingen is niet aan de orde.

•

Met behulp van de NSL-rekentool en ISL3a zijn de concentratietoenamen door de ingeschatte bedrijfsemissies en verkeersgeneratie op 16 rekenpunten in de directe omgeving van het plangebied berekend. Op kortere afstand liggen geen plaatsen waar, rekening houdend met het toepasbaarheidsbeginsel, de luchtkwaliteit onderzocht moet worden. De bedrijfsemissies en verkeersemissies leiden cumulatief op geen van de rekenpunten tot een concentratietoename stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) die groter is dan 1,2 μg/m3. (3% van de jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3). Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit op plaatsen waar de luchtkwaliteit getoetst moet worden.

•

Daarnaast is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van de NSL-monitoring 2018 (Rijksoverheid) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid plangebied (rekenpunten 727846 en 728075) bedragen respectievelijk maximaal 19,6 µg/m³, 11,8 μg/m³ en 32,4 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Cultureel erfgoed 4.6.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In of nabij het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. De kenmerkende verkavelingsopzet van lengtesloten ('slagenlandschap) is beeldbepalend in het plangebied. In toelichting paragraaf 2.2 is aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met deze verkavelingsopzet in het stedenbouwkundig plan.

4.6.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Met de overgang naar de Omgevingswet zullen enkele bepalingen uit de Erfgoedwet overgaan naar de Omgevingswet. Het betreft de bepalingen over de omgang met archeologische waarden in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de

31

Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Conform de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de voormalige gemeente Zederik (vastgesteld op 13 december 2010) gelden voor het plangebied verschillende verwachtingswaarden en beschermingsregimes. Deze zijn in de geldende bestemmingsplannen doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen (zie toelichting paragraaf 1.3). Met de ontwikkeling worden de gestelde normen in de dubbelbestemmingen overschreden. Om die reden is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, nr. 19050070, d.d. 2 november 2022, zie bijlagen bij toelichting, zie bijlage 6). Hierbij zijn de volgende bevindingen naar voren gekomen.

Voor het hele plangebied is een hoge archeologische verwachting opgesteld. Er zijn met het bureauonderzoek drie potentiële archeologische niveaus aangewezen. In het zuidoosten van het plangebied zijn op basis van een boring uit het Dinoloket rivierduinafzettingen te verwachten. Op deze rivierduin is een archeologische vindplaats uit de periode Laat-Paleolithicum – Midden Mesolithicum te verwachten. Gedurende het Midden-Mesolithicum is het plangebied onder invloed komen te staan van de Nieuwland stroomrug. Op de oevers van deze stroomrug is bewoning mogelijk geweest gedurende het MiddenMesolithicum tot en met het Neolithicum. Vanaf het Neolithicum is in het zuiden en oosten van het plangebied de Schoonrewoerd stroomrug actief geraakt. Op de oevers van deze stroomrug geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen. Er is een lage archeologische verwachting opgesteld voor de periode Nieuwe tijd, vanwege het ontbreken van bebouwing op historisch, topografisch kaartmateriaal. Er wordt in het bureauonderzoek geadviseerd om een nader verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren. Hiermee worden de gespecificeerde verwachtingen getoetst. Derhalve is een nader archeologisch bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek uitgevoerd. Op basis van het booronderzoek is er sprake van een archeologische verwachting in het gehele plangebied.

Deze verwachting geldt voor de top van de rivierduinafzettingen (vanaf 85 cm -Mv / 1,5 m-NAP) en de oevers en crevassen van de Schoonrewoerd (vanaf circa 80 cm -Mv / 1 á 1,5 m -NAP) en Nieuwland (3 á 4 m -Mv / 4 á 5 m -NAP) stroomrug in het plangebied. Er wordt geadviseerd vervolgonderzoek uit te voeren om de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te bepalen. Dit vervolgonderzoek zal in het kader van de omgevingsvergunning uitgevoerd worden.

In het voorliggende bestemmingsplan worden aan de hand van het verkennend bureau- en booronderzoek de volgende dubbelbestemmingen opgenomen:

•

'Waarde - Archeologie 1': ter plaatse van het rivierduin. Archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld;

•

'Waarde - Archeologie 4a': ter plaatse van de Schoonrewoerd stroomgordel. Archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een gezamenlijke omvang groter dan 250 m² en die dieper reiken dan 30 cm beneden het huidige maaiveld;

•

'Waarde - Archeologie 4b': ter plaatse van de Nieuwland stroomgordel. Archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een gezamenlijke omvang groter dan 250 m² en die dieper reiken dan 3 meter beneden het huidige maaiveld. 'Waarde - Archeologie 1': ter plaatse van het rivierduin;

32

De navolgende afbeelding toont de archeologische verwachtingskaart uit het verkennend archeologisch bureau- en booronderzoek. Deze verwachtingskaart is 1-op-1 vertaald naar de verbeelding, waarbij de hiervoor genoemde dubbelbestemmingen zijn gehanteerd.

Archeologische verwachtingskaart op basis van bureauonderzoek (bron Transect, d.d. 2 november 2022)

De archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd voor het volledige plangebied, met uitzondering van de uitbreiding aan de zuidwestzijde. Dit zuidelijke deel is sindsdien toegevoegd om te voldoen aan de waterbergingseisen. Voor dit aanvullende deel van het plangebied zal ook de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4a' opgenomen worden. Dit gedeelte ligt namelijk ook onderdeel van de Schoonrewoerd stroomgordel. In het geadviseerde vervolgonderzoek in het kader van de omgevingsvergunning zal dit deel van het plangebied ook worden meegenomen. Gesteld kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen vormt in het kader van het bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

33

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

34

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt (niet-zelfstandige) kantoorgebouwen tot 3.000 m² bvo per bedrijf en bedrijfsgebouwen mogelijk.

Kantoorgebouwen worden afhankelijk van hun grootte aangemerkt als kwetsbaar object of beperkt kwetsbaarobject. Bedrijfsgebouwen zijn als beperkt kwetsbaar object aangemerkt. Derhalve dient beoordeeld te worden of er in de omgeving van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart

Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen en geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over water en spoor aanwezig. Risicovolle inrichtingen

35

Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen risicovolle (Bevi-)inrichtingen mogelijk. Aan de A27 en de Beemdweg zijn twee lpg-tankstations gevestigd. De afstand van het bestemmingsvlak 'Bedrijventerrein' tot deze inrichtingen bedraagt minimaal 520 m. Daarmee wordt er ruimschoot voldaan aan de plaatsgebonden risicoafstand. De planlocatie is niet gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico en de effectafstand. Aan de Energieweg 6 is op Eputan, een bedrijf in kunststofproducten voor de bouw, gevestigd aan de Energieweg 6 op 775 m afstand. Dit betreft het een opslag voor gevaarlijke stoffen met een plaatsgebonden risicocontour van 85 m. Het plangebied is ruimschoots buiten deze contour gelegen. Het invloedsgebied van het groepsrisico reikt tot een afstand van 930 m, waarmee het plangebied binnen dit invloedsgebied ligt. De Veiligheidsregio Utrecht heeft eigen onderzoek uitgevoerd ten aanzien van externe veiligheid. Daaruit blijkt dat er voor Eputan geen verantwoordingsplicht geldt voor het groepsrisico. Vervoer van gevaarlijke stoffen De A27 ten westen van het plangebied is een transportroute van gevaarlijke stoffen over de weg en behoort tot het basisnet. Het bestemmingsvlak 'Bedrijventerrein' ligt buiten het PR-plafond (16 m), het GR-plafond (0 m) en het plasbrandaandachtsgebied (30 m).

De dichtheid van het aantal personen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van de A27 (200 m) neemt als gevolg van het voorgenomen plan toe op een afstand van minimaal 75 m tot de A27. Deelgebied A bevindt zich binnen dit invloedsgebied. Derhalve is een groepsrisicoberekening gemaakt (Kragten, d.d. 5 november 2020, zie bijlagen bij toelichting, zie bijlage 7). Uit de resultaten van de berekening blijkt dat, zowel voor als na de planrealisatie, de hoogte van het groepsrisico als gevolg van de A27 lager is dan de oriëntatiewaarde, maar wel groter dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Er vindt een rekenkundige toename plaats van de hoogte van het groepsrisico. Echter is deze toename kleiner dan 10%. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Om die reden is voor de A27 een verantwoording van het groepsrisico bijgevoegd (Kragten, d.d. 5 november 2020, zie bijlagen bij toelichting, zie bijlage 8). Verantwoording groepsrisico A27 De bijgevoegde verantwoording van groepsrisico is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht.

Het advies van de regionale brandweer/ Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. De rapportage voor de verantwoording van het groepsrisico is met de Veiligheidsregio gedeeld. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de onderhavige ontwikkeling.

4.8 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

36

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het voorliggende bestemmingplan maakt milieubelastende activiteiten mogelijk, te weten bij recht bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 en via een ontheffing tot milieucategorie 4.1. Derhalve dient beoordeeld te worden of het voorgenomen plan geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving. De richtafstand van activiteiten van milieucategorie 3.2 bedraagt volgens VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' 100 m en voor milieucategorie 4.1 200 m. De afstand van het plangebied tot gevoelige bestemmingen (woningen) in de omgeving bedraagt minimaal 260 m. Gevoelige bestemmingen in de omgeving betreffen de (bedrijfs)woningen aan de Parallelweg, Burggraaf en Bazeldijk. Daarmee wordt er voldaan aan de richtafstand en vormt het voorgenomen plan geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving. In het voorgenomen plan zijn geen gevoelige bestemmingen opgenomen. Derhalve hoeft niet beoordeeld te worden of er sprake is van hinder en gevaar door de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

37

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Om die reden is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie B.V., nr. BE/2019/392, d.d. 19 juni 2019, zie bijlagen bij toelichting, zie bijlage 9). Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Voor heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Voor het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de grote modderkruiper, heikikker en rugstreeppad is een eDNA onderzoek uitgevoerd (Datura, nr. RA2019065, d.d. 30 september 2019).

Dit onderzoek is als bijlage gevoegd bij de notitie 'eDNA onderzoek Grote modderkruiper, heikikker en rugstreeppad' (Blom Ecologie B.V., nr. BE/2019/453/n, d.d. 1 oktober 2019): zie bijlagen bij toelichting, zie bijlage 10. De resultaten van de eDNA tonen aan dat de grote modderkruiper, heikikker en rugstreeppad in geen van de watergangen binnen het plangebied en in de directe omgeving voorkomen. De watergangen leken in eerste instantie geschikt voor deze soorten. De resultaten wijzen echter op de afwezigheid van de soorten. Het dempen van een aantal sloten aan de Energieweg te Meerkerk leidt momenteel niet tot het ongeschikt raken van functioneel leefgebied van de grote modderkruiper, heikikker en rugstreeppad, gezien deze soorten niet voorkomen binnen het plangebied. In de directe omgeving (noordoosten) is een kleine (sub)populatie bekend van de heikikker. Deze populatie zal behouden blijven door de beoogde ontwikkeling. Negatieve effecten ten aanzien van de vorengenoemde soorten zijn uitgesloten. Het aanvullende onderzoek is uitgevoerd voor het volledige plangebied, met uitzondering van de latere uitbreiding aan de zuidwestzijde dat toegevoegd is om te voldoen aan de waterbergingseisen. Het is te verwachten dat de onderzochte soorten (grote modderkruiper, heikikker en rugstreeppad) in deze uitbreiding van het plangebied ook afwezig zijn.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Zouweboezem' ligt op een afstand van ca. 1,8 km van het plangebied. De planlocatie ligt op een afstand van circa 375 m ten zuidoosten van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt

38

worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat gepaard met uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd en nadien geactualiseerd met de AERIUS Calculator 2021 (Langelaar Milieuadvies, nr. 19037/03, d.d. 9 juli 2022, zie bijlagen bij toelichting, zie bijlage 11). Tot 2 november 2022 was de Wet stikstofreductie en natuurverbetering samen met het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving moest voorzien in een nieuwe, structurele aanpak van de stikstofproblematiek. Hierdoor was er een vrijstelling voor de bouw, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten en mogen deze buiten beschouwing blijven. Het plan leidt in de gebruiksfase tot verkeersbewegingen van en naar de bedrijfskavels en eventuele bedrijfsemissies door bijvoorbeeld stookinstallaties of de inzet van mobiele werktuigen. Uit het uitgevoerde stikstofdepositie onderzoek blijkt dat dat de voorgenomen ontwikkeling in de gebruiksfase leidt tot een toename van stikstofdepositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in diverse Natura 2000-gebieden waar reeds kritische depositiewaarden worden overschreden.

Echter komt een bedrijventerrein in de plaats van grasland. In beginsel kan in het kader van de ecologische analyse rekening worden gehouden met de positieve effecten van het voornemen. Het verdwijnen van het grasland (en daarmee de bemesting, waarmee NH3 wordt geëmitteerd) emissies veroorzaakt is het rechtstreekse, onlosmakelijke (positieve) gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Uit de rekenresultaten blijkt dat per saldo de NOx depositietoename op kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden tijdens de gebruiksfase niet groter is dan bij continuering van het gebruik als grasland. Rekening houdend met de rechtstreekse, onlosmakelijke (positieve) gevolgen van het plan kunnen significante gevolgen door stikstof op voorhand worden uitgesloten. Conclusie De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het beoogde initiatief uitvoerbaar. Het aspect ecologie vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

4.10 Duurzaamheid Gemeentelijk beleid Het beleid van de voormalige gemeente Zederik ten aanzien duurzaamheid is gevat in het 'Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2017 en verder' uit april 2017. Hierin is opgenomen dat duurzame ontwikkeling wordt opgevat als een ontwikkelproces gericht op het bevorderen van een evenwichtige groei (het in balans zijn) van de veerkracht en kwaliteit van de natuur (het ecologisch kapitaal), van het lichamelijke en geestelijke welzijn van mensen (het sociaal-cultureel kapitaal) en van de houdbaarheid van de economische productie en consumptie (het economisch kapitaal). De Toekomstvisie Zederik 2030 toont dat Zederik rond 2030 nog steeds een aantrekkelijke, duurzame woon- en werkomgeving is. Een gemeente waar het grootste gedeelte van de inwoners en ondernemers energiebesparende maatregelen heeft genomen en waar het merendeel van de inwoners, ondernemers en organisaties deels zelf in zijn energiebehoefte voorziet door het opwekken van duurzame energie. Een gemeente waar bij ieder ruimtelijk initiatief integraal wordt gekeken naar de mogelijkheden van een duurzame gebiedsontwikkeling. Een gemeente waar sociale samenhang bestaat en waar de ondernemers voluit streven naar een duurzame lokale economie. En misschien wel het meest concrete: een gemeentelijke organisatie die het goede voorbeeld geeft.

39

Planspecifiek Het streven is om binnen het werklandschap Meerkerk IVa het begrip duurzaamheid op verschillende niveaus en manieren gestalte te geven, om daarmee de beleving en bewustwording van het thema te vergroten. Landschappelijk raamwerk en openbare ruimte In het landschappelijk raamwerk (zie toelichting paragraaf 2.2) zijn voorbeelden van duurzaamheidmaatregelen in de openbare ruimte opgenomen. Dit heeft vooral betrekking op vergroenen, biodiversiteit, ecologie en waterbeheer. Zo is ervoor gekozen het noordelijk talud van de watergang langs de Duurzaamheidsring sterk te verflauwen en diversiteit aan te brengen in beplanting (bomen, heesters, bloemrijke weides, gras, etc.). Deze oever ligt op het zuiden en is daarmee bijzonder aantrekkelijk voor amfibieën. De bloemrijke weides lenen zich bijzonder goed voor het realiseren van enkele insectenhotels. En de doorlopende oostwest georiënteerde groenstructuren vormen een migratieroute voor soorten als vleermuizen. Gebouwen Ook op gebouwniveau heeft de gemeente ambitie ten aanzien van duurzaamheid, voortkomend uit de ambitie van de provincie Utrecht om per 2040 een energieneutrale provincie te zijn. Alle toekomstige bebouwing op Meerkerk IVa is energieneutraal. Om dit te bereiken kan de Trias Energetica ingezet worden. De Trias Energetica geeft aan te starten met energie besparen (1).

Aan de energievraag die overblijft kan worden voldaan door energie duurzaam op te wekken (2). Mocht er dan nog fossiele brandstof nodig zijn, in bijvoorbeeld industriële processen, gebruik deze dan zo efficiënt en schoon mogelijk. Architectuur De uitstraling van de gebouwen levert een belangrijke bijdrage aan het duurzame en groene imago van het werklandschap. De gemeente Vijfheerenlanden daagt architecten, bouwers en toekomstige gebruikers uit om op een inventieve wijze vorm te geven aan het begrip duurzaamheid en dit tot uitdrukking te laten komen in de bebouwing en inrichting van de kavels. Gelet op het groene karakter van de openbare ruimte, is het wenselijk dat dit een vertaling krijgt op de kavel. Ten aanzien van de bebouwing is dan ook voorgeschreven dat minimaal het dakvlak of één gevel groen worden gerealiseerd. Het toepassen van groene daken heeft diverse voordelen:

•

het toepassen van bloeiende planten, zoals diverse soorten sedum of bijvoorbeeld een mix van zaden van inheemse planten levert een aantrekkelijke voedselbron voor insecten en verhoogt daarmee de biodiversiteit;

•

isolatie van het dak door middel van groen levert in de zomer een aanzienlijke reductie van hittestress in gebouwen op, waardoor er ook minder ventilatie nodig is. In de winterperiode levert het groene dak een geringe isolatie tegen koude op;

•

het levert een bijdrage aan de verbetering van de luchtkwaliteit.

Een variant op groene daken zijn grijsbruine daken. Hierbij wordt een biotoop nagemaakt dat kenmerken heeft van een verlaten stuk bedrijfsterrein, met gebruik van grond, zand, grind, steen en/of hout. Dit materiaal is geschikt als nestmateriaal voor vele insectensoorten en deze trekken weer vogelsoorten naar het terrein. Afwisseling van groene met bruine daken verhoogt de biodiversiteit. Groene gevels worden om dezelfde reden toegepast als groene daken, maar hebben een toegevoegde waarde:

• • • •

zijn zichtbaarder en komen de beleefbaarheid ten goede; spelen tevens een rol in het verminderen van wind en geluidhinder. luchtzuivering van fijnstof; tevens bieden ze plekken voor nestkasten voor vogels.

40

Ook voor de ruimte op de kavel rondom de bebouwing geldt dat het verminderen van verhard oppervlak een bijdrage levert aan de infiltratiemogelijkheden en het verminderen van hittestress. Daarnaast kan bijvoorbeeld de oriëntatie van werkruimtes en gevelopeningen in spelen op de bezonning. Het benutten en weren van de zon kan met behulp van architectonische middelen, zoals glaspuien die dienen als lichthappers of een permanente zonwering aan de buitenzijde. Deze architectonische kenmerken kunnen tevens een rol spelen in de compositie en gevelopbouw. Circulaire- en deeleconomie Ook op het gebied van circulaire- en deeleconomie zijn er kansen voor het bedrijventerrein. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan het invoeren van een parkmanagement, inventariseren van verschillende stromen op het terrein en het stimuleren van circulaire bouw door het toepassen van materialen die hergebruikt zijn, of hergebruikt kunnen worden. Gesteld kan worden dat het onderhavige initiatief past binnen de ambities ten aanzien van duurzaamheid.

41

5 Juridische planopzet 5.1 Opzet regels Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.2 Nadere toelichting op de regels In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo, het Bor en de plansystematiek van het bestemmingsplan 'Herziening Kernen Zederik' (2017). Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1. Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. Het onderhavige bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Artikel 3.

Bedrijventerrein Het merendeel van de gronden in het plangebied is voorzien van de bestemming 'Bedrijventerrein'. Het terrein is bedoeld voor bedrijven tot en met categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Via een ontheffing zijn tevens bedrijven in categorie 4.1 toegelaten. Er wordt ook, binnen randvoorwaarden, ruimte geboden aan zelfstandige kantoren. Bedrijfswoningen zijn niet toegelaten. De bouwmogelijkheden zijn ontleend aan het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan van Spacevalue (d.d. 18 september 2018). De hierin opgenomen bouwhoogtes en bebouwingspercentages zijn enigszins aangepast, mede naar aanleiding van opmerkingen van de provincie Utrecht. Dat geldt ook voor de bij recht mogelijk gemaakte deels grotere bouwhoogte. Verder dient in de 'gevellijn' gebouwd te worden, gedifferentieerd naar drie deelgebieden. In het westelijk deel van deze bestemming is de aanduiding 'ontsluiting' opgenomen. Hier ligt de exacte ligging van een weg nog niet vast.

42

Artikel 4. Groen De structuurbepalende groenvoorzieningen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Groen'. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd zoals lichtmasten en straatmeubilair. Artikel 5: Verkeer De bestemming 'Verkeer' is opgenomen voor de beoogde wegenstructuur in het plangebied en de aansluitingen op de omgeving wegen. Binnen deze bestemming zijn ook parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen toegelaten. De bestemmingsomschrijving maakt het mogelijk gedurende de planperiode de openbare ruimte flexibel te beheren. Verder zijn bij de wegen behorende voorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. In het westelijk deel ligt de ligging van een ontsluitingsweg nog niet vast. Hiervoor is de aanduiding 'ontsluiting' opgenomen, binnen de bestemming 'Bedrijventerrein'. Artikel 6. Water Het oppervlaktewater in het plangebied is grotendeels voorzien van de bestemming 'Water'. Dat betreft ook een zone evenwijdig aan rijksweg A27. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, zoals keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en steigers. Artikel 7, 8 en 9.

Waarde - Archeologie 1, 4a en 4b (dubbelbestemmingen) Binnen het plangebied komen drie archeologische dubbelbestemmingen voor: 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 4a' en 'Waarde - Archeologie 4b', De dubbelbestemmingen en de begrenzing ervan zijn ontleend aan het archeologische onderzoek van Transect. De bestemmingen en de regels zijn qua systematiek ontleend aan het bestemmingsplan 'Herziening kernen Zederik'. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 10. Anti-dubbeltelregel Dit artikel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 11. Algemene bouwregels Dit artikel bevat algemene regels omtrent toegelaten bouwwerken met afwijkende maten, overschrijding van bouwgrenzen, nutsvoorzieningen, ondergronds bouwen en de afstand tot waterlopen. Artikel 12. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat een algemene regel omtrent strijdigheid met het bestemmingsplan en een voorwaardelijke verplichting voor het parkeren. Artikel 13. Algemene afwijkingsregels Dit artikel bevat een algemene regel omtrent het afwijken van maten en het overschrijden van bouwgrenzen. Artikel 14.

Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen in het geval bestemmingsgrenzen worden overschreden. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Daarnaast is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de archeologische dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk van de verbeelding te verwijderen.. Artikel 15 Overige regels In de Overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het benodigde parkeren. Het gebruik van de gronden is slechts toegestaan als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op basis

43

van CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren', of diens rechtsopvolger. Hierbij wordt uitgegaan van 'weinig stedelijk' en van de gemiddelde norm. Voorts wordt aangesloten bij de regeling uit het 'Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren'. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 16. Overgangsrecht Bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Artikel 17. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=45db1444-abf8-4e1c-9368-3cfb93524cbf