CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 15 februari 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vlietskant 12 en 24 te Leerdam14.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van 5 appartementen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele bedrijfs- en milieuhinder van de omliggende bedrijven en de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van deze bedrijven. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige of sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Hierdoor kunnen de richtafstanden ten opzichte van een ‘rustige woonwijk’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstrap worden verlaagd. In de omgeving van het plangebied komen de volgende bedrijven en/of milieubelastende functies voor.

29

Tabel 4: Omliggende bedrijven en milieubelastende functies Adres/ Functie Milieubestemming cat.

Richtafstand conform VNG

Werkelijke minimale afstand tot plangebied 21 meter 0 meter 89 meter 44 meter

Centrum - 1 Centrumbedrijven- en voorzieningen* Max. 2 10 meter Centrum - 2 Centrumbedrijven- en voorzieningen* Max. 2 10 meter Centrum - 3 Centrumbedrijven- en voorzieningen* Max. 2 10 meter Doctor C. Cultureel centrum (theater, 2 10 meter Voogdplein schouwburg) 90 Doctor C. Horeca 3 (muziekcafé) 2 10 meter 67 meter Voogdplein 90a Kerkstraat 32 Kerkgebouw 2 10 meter 172 meter Noordwal 30 Kerkgebouw 2 10 meter 139 meter Zuidwal 5 Clubhuis 2 10 meter 157 meter * Binnen de bestemming ‘Centrum – 1, 2, en 3’ zijn diverse bedrijven en voorzieningen toegestaan, zoals detailhandel, het wonen met niet-publiekgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten, publiekgerichte dienstverlening, kantoren, maatschappelijke voorzieningen, en ter plaatse van specifieke aanduidingen een galerie, horeca van categorie 2 of 3. Dit zijn bedrijven en voorzieningen die in een centrum als Leerdam thuishoren. Op basis van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering zijn deze bedrijven en functies aangemerkt met milieucategorie 1 en 2. Centrum – 1 Centrum – 2 Centrum – 3

D.C. Voogdplein 90a: 67 meter

Noordwal 30: 139 meter

Kerkstraat 32: 172 meter

D.C. Voogdplein 90: 44 meter

Zuidwal 5: 157 meter

Afbeelding 13: Omliggende bedrijven en milieubelastende functies

De omliggende bedrijven en milieubelastende functies zijn op voldoende afstand gelegen, behoudens de buurpercelen van de deelgebieden. Conform de regels van het bestemmingsplan ‘Centrum Leerdam’ zijn hier plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Dergelijke bedrijven vallen onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (activiteitenbesluit). Daarin zijn normen voorgeschreven waar de hier bedoelde bedrijven aan moeten voldoen. Deze normen zijn vooral gericht op het waarborgen van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat en beschermen dus de bestaande woningen in de 30

omgeving van deze bedrijven. Alle bestaande en nieuwe bedrijven in het plangebied moeten voldoen aan deze normen. Het plan maakt het mogelijk om woningen toe te staan/uit te breiden buiten de opgenomen bouwvlakken uit het bestemmingsplan ‘Centrum Leerdam’. De woonfunctie is echter al passend in het centrum van Leerdam en daarnaast vindt de uitbreiding plaats binnen het bestaande perceel (inbreiding). Tevens was ter plaatse van de beoogde uitbreiding al milieugevoelige objecten toegestaan, bijvoorbeeld in de vorm van een kantoor aan huis in een vergunningsvrij bijgebouw. Gesteld wordt dat een milieugevoelig object in het bestemmingsplan ‘Centrum Leerdam’ al was toegestaan en daarmee deze ontwikkeling in het kader van bedrijven en milieuzonering passend is. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven en functies niet worden belemmerd als gevolg van het plan. Conclusie Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven en functies worden niet belemmerd als gevolg van het plan. Het plan ondervindt wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

31

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het plan betreft uitsluitend een juridisch-planologische en inpandige wijziging van een bestaand pand van winkelruimte naar woonappartementen. Het plangebied heeft in het vigerend bestemmingsplan de bestemming ‘Centrum – 2’, waarbinnen onder andere het wonen is toegestaan. De percelen Vlietskant 12 en 24 zijn al jarenlang gebruikt om naast de winkelfunctie te wonen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de bodem geschikt is voor het gebruik wonen en wordt het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek voor het gebruik daardoor niet noodzakelijk geacht.

Echter is er geen informatie beschikbaar over de huidige bodemkwaliteit ter plaatse van deze percelen, welke wel nodig is om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan te kunnen tonen. Derhalve is door Linge Milieu een historisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Er wordt enig puin in de bovengrond verwacht. Dat is standaard voor historische binnensteden in Nederland. Door het vermoedelijke puin en de lange historie van wonen en werken is er sprake van historische achtergrond-verontreiniging ter plaatse van de Vlietskant. Op basis van de resultaten van het historisch bodemonderzoek wordt de kans op bodemverontreiniging ter plaatse van de twee te ontwikkelen locaties boven de interventiewaarde klein geacht. Puinhoudende grond en achtergrond-verontreiniging hebben consequenties als er grondverzet nodig is voor de ontwikkeling. Dat is niet het geval. De verbouwing vindt vooral bovengronds plaats, de bestaande verharding blijft zo veel mogelijk in tact. In zowel de huidige als nieuwe situatie is er geen sprake van onverharde bodem op de locaties.

Op basis van de beperkte bodem-verdachtheid van de locaties kan de ontwikkeling van de locaties, de gedeeltelijke sloop en herbouw, uitgevoerd kunnen worden zonder verkennend NEN 5740-onderzoek voorafgaand daaraan.’ Uit het historisch bodemonderzoek komt naar voren dat op de locatie Vlietskant 12 eventueel sprake kan zijn van een bodemverontreiniging als gevolg van een voormalig tankstation welke in de buurt was gevestigd. Een verkennend (en wellicht een aanvullend) bodemonderzoek zal moeten aantonen of hiervan sprake is. Echter heeft een eventuele bodemverontreiniging geen gevolgen voor het plan indien niet in de bodem wordt gegraven of grond wordt afgevoerd. Aan de Vlietskant 12 wordt de bestaande oppervlakteverharding niet verwijderd. De beoogde appartementen worden gerealiseerd binnen bestaande gebouwen, het ligt daardoor niet in de lijn der verwachting dat de oppervlakteverharding hier wordt verwijderd. Bij het beoogde buitenterrein zouden graafwerkzaamheden wel denkbaar zijn. Echter ligt de huidige oppervlakteverharding ter plaatse van het beoogde binnenterrein lager dan de vloer van de hoofdgebouwen, waardoor het terras van de open buitenruimte op de bestaande 32

oppervlakteverharding wordt gerealiseerd. Het plan voorziet dus niet in het verwijderen van oppervlakteverharding of in grondverzet. Het plan is voorgelegd aan de Omgevingsdienst regio Utrecht, welke aangeeft dat in dat geval het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet nodig is. Mocht in de toekomst toch de oppervlakteverharding aan de Vlietskant 12 gesloopt worden, dan zal een bodemonderzoek moeten aantonen of de bodem hiervoor geschikt is. Hierom is de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – sloop oppervlakteverharding’ opgenomen op het binnenterrein van Vlietskant 12. Met deze aanduiding wordt het juridisch-planologisch verplicht om een omgevingsvergunning aan te vragen voor het slopen van de bestaande vloer of oppervlakteverharding, waarbij middels een verkennend bodemonderzoek aangetoond moet worden dat de bodem geschikt is.

Oppervlakteverharding Vlietskant 12 blijft behouden

Afbeelding 14: Uitsnede oude bouwtekening Vlietskant 12

‘Specifieke bouwaanduiding – sloop oppervlakteverharding’

Oppervlakteverharding behouden

Afbeelding 15: Locatie ‘specifieke bouwaanduiding – sloop oppervlakteverharding’ Vlietskant 12

Conclusie Omdat de oppervlakteverharding niet wordt verwijderd, ondervindt het plan voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. Indien de oppervlakteverharding ter plaatse van het beoogde binnenterrein aan de Vlietskant 12 toch wordt verwijderd, dient met een bodemonderzoek aangetoond te worden of de bodem hiervoor geschikt is. 33

5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Afbeelding 16: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

34

De archeologische verwachtingswaarden zijn middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ juridisch verankerd in het bestemmingsplan ‘Leerdam Centrum’. Ter plaatse van gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ geldt dat bij bodemingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het plan voorziet niet in bodemingrepen. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Op basis hiervan wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. De archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is overgenomen in het plan, zodat eventueel aanwezige archeologische waarden juridischplanologisch beschermd zijn. Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Het pand Vlietskant 12 betreft een karakteristiek gebouw. Middels het onderhavige plan blijft dit gebouw behouden waarin twee appartementen worden geïntegreerd. Hierdoor blijft bewoning en daarmee onderhoud aan het karakteristieke pand verzekerd. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen. De archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is overgenomen in het plan, zodat eventueel aanwezige archeologische waarden juridisch-planologisch beschermd zijn.

Met de toevoeging van een appartement in het karakteristieke pand Vlietskant 12 wordt onderhoud aan dit pand verzekerd.

35

5.6 Waterparagraaf In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en Bwaterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de waterloop. Voor een A-watergang geldt in de AlblasserwaardVijfheerenlanden een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de aan- en afvoer van water, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watergangen Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen A-, B- en/of C-watergangen gelegen.

Onderzoek Conform het beleid is voor het onderhavige plan de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20210827-9-27473). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied VHL803. Het peilgebied heeft een winterpeil van -0,20 NAP en een zomerpeil van -0,20 NAP. Op het rondom het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) 36

kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. De percelen Vlietskant 12 en 24 te Leerdam zijn thans volledig bebouwd en verhard. Het plan voorziet in de functiewijziging van de winkelruimte naar appartementen en het slopen van een deel van de winkelruimte naar een achtertuin/open buitenruime. Daardoor zal er in ieder geval sprake zijn van een gelijke oppervlakteverharding ten opzichte van de huidige situatie dan wel een afname van de verharding. Op de afbeeldingen 7 t/m 10 is de afname aan verharding en bebouwing weergegeven in het rood.

Afhankelijk van hoeveel verharding er in de achtertuin/open buitenruimte wordt geplaatst, kan de exacte afname in verharding worden vastgesteld. Waarbij nogmaals wordt opgemerkt dat de verharding minimaal gelijk blijft. Er kan geen sprake zijn van een toename aan verharding. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet vereist dan wel noodzakelijk. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater.

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Hemelwater en afvalwater wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA). De nieuwe appartementen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden. De rioolaansluitingen dienen te worden aangevraagd via het digitale loket van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. 37

Afbeelding 17: Uitsnede legger waterkeringen

Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

38

5.7 Ecologie Beleidskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is het wettelijke kader waarin de bescherming van soorten en gebieden is verankerd. De soortenbescherming binnen de Wnb is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura 2000-gebieden en bossen. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten worden of dat er maatregelen genomen worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. In de Wnb geldt tevens dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden (ecologische quickscan). Ter bescherming van natuurwaarden is er door de Europese Unie een netwerk van speciale beschermingszones aangewezen onder de naam Natura 2000. De richtlijnen zijn in Nederland onder meer verankerd in de Wnb. De Nederlandse Natura 2000-gebieden worden op basis van de Wnb vastgelegd, waarbij de bescherming gericht is op beheer en instandhouding van natuurlijke habitats en leefgebieden van plant- en diersoorten. Kaders hiervoor zijn uitgewerkt in het Natura 2000-doelendocument.

Op basis van de Wnb worden speciale beschermingszones aangewezen. Voor deze gebieden worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Onderzoek Het plan voorziet in sloop- en verbouwwerkzaamheden. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd op de percelen Vlietskant 12 en 24 in Leerdam. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting De conclusie van de ecologische quickscan luidt: ‘Soortenbescherming De planlocaties hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocaties zijn mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

39

•

•

•

De planlocaties tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Ten aanzien van de huismus dienen de werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Het broedseizoen van de huismus loopt van maart – augustus. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd zullen worden, dient er op minimaal 2 meter van de dakrand gewerkt te worden, dit is inclusief de opbouw van de steiger. Daarbij dienen er geen werkzaamheden rondom de groenstructuren uitgevoerd te worden.

Gebiedsbescherming De planlocaties maken geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 370 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. De planlocaties maken geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour en de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 350 m ligt het Natuurnetwerk Nederland en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 610 m ligt de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 6,7 km ligt de Groene Contour.

Afbeelding 18: Afstand plangebied tot Natura 2000-gebied

40

Afbeelding 19: Afstand plangebied tot Natuurnetwerk Nederland

Afbeelding 20: Afstand plangebied tot Groene Contour

41

Stikstofdepositie Gezien er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Houtopstanden Op de planlocaties zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.’ Stikstofdepositie Zoals uit de quickscan wordt geconcludeerd is een berekening middels de AERIUS Calculator achterwege blijven. Daarnaast dient benoemd te worden dat conform artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming de bouwfase voor wat betreft stikstofdepositie achterwege kan blijven. Dit heeft als gevolg dat alleen de stikstofdepositie vanwege de gebruiksfase tot een eventuele ontheffing kan leiden. Omdat dit plan zeer kleinschalig is, wordt stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden tijdens de gebruiksfase niet verwacht en kan een stikstofonderzoek achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen, mits de te treffen maatregelen in acht worden genomen (zie het kopje ‘Te treffen maatregelen’ van deze paragraaf). Er dient tevens te allen tijde te worden voldaan aan de algemene zorgplicht.

42

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 5: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie advieswaarden voor stikstofconcentratie van 10 µg/m² en concentraties fijn stof van 15 µg/m3 PM10 en 5 µg/m3 PM2,5 voor het jaar 2030. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2021) voor het jaar 2020 het volgende overzicht (rekenpunt 183468): • Een stikstofconcentratie van 18,7 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 17,6 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 9,7 μg/m3 PM2,5; Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Voor het jaar 2030 geeft dezelfde NSL-monitoring het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof: • Een stikstofconcentratie van 13,5 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 15,9 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 8,4 μg/m3 PM2,5 Geconcludeerd wordt dat nog niet helemaal wordt voldaan aan de advieswaarden voor het jaar 2030 van de WHO, maar wel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekenende mate bijdragen vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 43

woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Conclusie Geconcludeerd wordt dat nog niet helemaal wordt voldaan aan de advieswaarden voor het jaar 2030 van de WHO, maar wel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.

44

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.

Afbeelding 21: Uitsnede Risicokaart

45

Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante vaarwegen gelegen. Invloed transport gevaarlijke stoffen – wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Invloed transport gevaarlijke stoffen – spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.

Invloed transport gevaarlijke stoffen – vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

46

5.10 Technische infrastructuur Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

47

5.11 Molenbiotoop Beleidskader In de omgeving van het plangebied is de ‘Molen ter Leede’ gelegen. In het gebied rondom deze molen is een molenbiotoop vastgesteld met een straal van 400 meter vanuit het middelpunt van de molen. Ter bescherming van de molenbiotoop is in het vigerend bestemmingsplan ‘Leerdam Centrum’ de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ opgenomen. Ten aanzien van het realiseren van bebouwing en/of beplanting binnen deze zone gelden de volgende richtlijnen: Richtlijnen t.a.v. molens in ruimtelijke planvorming 1. Binnen een straal van 100 m, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, geen bebouwing of beplanting mag worden opgericht hoger dan het onderste punt van de verticale staande wiek van de molen; 2. Binnen de straal van 100 tot 400 m, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, geen bebouwing of beplanting mag worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/30 van de afstand, gemeten tussen de bebouwing of beplanting en het onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen.

Onderzoek Het plangebied is gelegen op circa 490 meter van de ‘Molen ter Leede’. Het plangebied ligt daarmee buiten de beschermingszone (buiten de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’). Het plan vindt daardoor geen belemmeringen voor wat betreft het aspect molenbiotoop. Conclusie Het plan vindt daardoor geen belemmeringen voor wat betreft het aspect molenbiotoop.

48

6. Juridische planbeschrijving 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Vlietskant 12 en 24, Leerdam’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Vlietskant 12 en 24, Leerdam’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Vlietskant 12 en 24, Leerdam’ is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan ‘Leerdam Centrum’, vastgesteld op 7 mei 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Leerdam en het vigerend bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’, vastgesteld op 10 juni 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Centrum - 2 Het plangebied is gelegen in het centrum van Leerdam. Qua functies blijven de juridischplanologische mogelijkheden onveranderd, zodat de percelen en het centrum van Leerdam leefbaar blijven. De percelen kunnen nog steeds gebruikt worden ten behoeve van detailhandel, het wonen, publiekgerichte dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen (maximaal 300 m² bvo). Middels de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ wordt wel het maximum aantal toegestane wooneenheden beperkt. Qua regels is verder aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Leerdam Centrum’. Tuin – Binnenterrein Ter uitwerking van de Binnenstadvisie Leerdam is ter plaatse van het binnenterrein deze enkelbestemming opgenomen. De enkelbestemming is bedoeld ter instandhouding en bevordering van het stedenbouwkundige beeldkwaliteit van groene, grotendeels onbebouwde en open binnenterreinen, tuinen en dergelijke. Binnen deze bestemming zijn geen vergunningsplichtige en vergunningsvrije gebouwen toegestaan. Zodoende blijft de openheid van het binnenterrein gewaarborgd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde (zoals erfafscheidingen) zijn wel toegestaan. Waarde – Archeologie 2 De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.

49

6.4 Aanduidingen Vlietskant 12 • Bouwvlakken; • Functieaanduiding ‘karakteristiek’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van centrum – dakterras’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte: 3,5m’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte, maximum goothoogte: 9m, 7m’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte, maximum goothoogte: 7m, 4m’. • Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – sloop oppervlakteverharding’ Verder komt uit het historisch onderzoek naar voren dat er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging aan de Vlietskant 12. Echter voorziet het plan niet in het verwijderen van oppervlakteverharding, waardoor een eventuele verontreiniging geen belemmering vormt. Het plan is voorgelegd aan de Omgevingsdienst regio Utrecht, welke heeft aangegeven dat een verkennend bodemonderzoek in dat geval niet nodig is. Indien in de toekomst toch de oppervlakteverharding wordt verwijderd, dan dient met een bodemonderzoek aangetoond te worden of de bodem hiervoor geschikt is. Het verwijderen van de oppervlakteverharding ter plaatse van de beoogde appartementen ligt niet in de lijn der verwachting. Ter plaatse van de beoogde open buitenruimte is het wel denkbaar.

Daarom is ter plaatse van de open buitenruimte aan de Vlietskant 12 de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – sloop oppervlakteverharding’ toegevoegd, waarmee het verplicht wordt gemaakt om een omgevingsvergunning met een bodemonderzoek in te dienen voor de sloop van de oppervlakteverharding. Zie afbeelding 15 (§5.4) voor de locatie van deze aanduiding. Vlietskant 24 • Bouwvlakken; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van centrum – dakterras’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 4’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte: 3,3m’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte, maximum goothoogte: 10m, 8m’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte, maximum goothoogte: 7m, 7m’.

50

7. Economische uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd.

7.1 Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van dit plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een exploitatieovereenkomst met de ontwikkelaar gesloten, waarin zaken zoals planschade en financiële zekerheidstellingen zijn gewaarborgd. Daarnaast is door Linge Milieu een historisch bodemonderzoek opgesteld. De conclusie is dat de kans op bodemverontreiniging boven de interventiewaarde klein is. Echter, gezien er geen grondverzet gaat plaatsvinden en er geen oppervlakteverharding wordt verwijderd, is vervolgonderzoek of sanering (en de daarbij behorende kosten) niet aan de orde.

Het aspect bodem zit de economische uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

7.2 Kostenverhaal Conform afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. De initiatiefnemer gaat zelf de locaties ontwikkelen, de gemeente gaat dit dus niet doen. Daarnaast dienen openbare parkeerplaatsen te worden ‘omgezet’ naar vergunningshoudersparkeerplaatsen. Ook deze kosten worden volledig verhaald op de initiatiefnemer. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in kosten die de gemeente zal moeten maken, is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Voor de locaties wordt de ontwikkeling dus volledig bij de ontwikkelende partij neergelegd. De gemeente sluit met de ontwikkelende partij een overeenkomst af. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

51

8. Overleg en inspraak 8.1 Vooroverleg/inspraak Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Vijfheerenlanden bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan toegestuurd naar de Omgevingsdienst regio Utrecht, het Waterschap Rivierenland en de interne afdelingen binnen de gemeente Vijfheerenlanden. Het Waterschap Rivierenland heeft een vooroverlegreactie kenbaar gemaakt. Deze is volledig verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan. Hetgeen betreft de toevoeging van artikel 4.1 lid c in de regels, actualisatie van het waterschapsbeleid in paragraaf 5.6 van deze toelichting, daarbij tevens een tekstuele wijziging onder watercompensatie en waterkering.

8.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 7 oktober 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad 2022, nr. 435007), waarbij een ieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=6376630f-5ece-4373-b1fa-980191303b88