Toelichting.pdf
Tekst van het document
Hoewel vanwege de aanwezigheid van een bestaand geurgevoelig object op circa 53 meter van de vaste mestopslag en op circa 58 meter tot de zomeropslag andere nieuwe woningen ook op die afstand gerealiseerd zouden kunnen worden, is voor de zomeropslag toch een grotere afstand van circa 70 meter opgenomen tot de achtertuinen van de woningen en voor het bedrijfskantoor een afstand van circa 92 meter tot de vaste mestopslag. Hiermee is sprake aanvaardbaar woon- en leefklimaat waarbij zowel rekening gehouden wordt met de belangen van de veehouder om niet verder beperkt te worden in zijn bedrijfsvoering en de belangen van de toekomstige bewoners en de werknemers in het kantoor om zo min mogelijk geconfronteerd te worden met geurhinder. Deze afstand van 70 meter vanaf de zomeropslag tot de achtertuinen van de nieuwe woningen vindt de gemeente aanvaardbaar omdat de opslag voor de dikke fractie is afgedekt en niet langdurig aanwezig is. De afstand van 92 meter vanaf de vaste mestopslag tot het kantoor vindt de gemeente tevens aanvaardbaar omdat het kantoor thans al aanwezig is. Daardoor wordt er geen geurhinder verwacht. Tenslotte heeft de gemeente een afweging gemaakt over het acceptabel woon- en leefklimaat en stelt dat de behoefte aan nieuwe woningen/volkshuisvestingsbelang een belangrijk thema is en dat landelijke geuren in een dorp als Leerbroek, met
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
52
een al lang bestaande agrarische achtergrond, nu eenmaal nooit uitgesloten kunnen worden.
Afbeelding 36: Contouren vanaf de opslag van vaste mest op het perceel Recht van ter Leede 34
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt extra ruimte tussen de melkveehouderij en de gronden waar geurgevoelige objecten worden toegestaan door de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – milieugevoelige functie’ door te trekken richting het noordoosten. Binnen deze aanduiding zijn geen vergunningsplichtige en vergunningsvrije milieugevoelige (en dus ook geurgevoelige) gebouwen toegestaan.
Verlenging zone milieugevoelige functies uitgesloten
Afbeelding 37: Verlenging zone milieugevoelige functies uitgesloten ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
53
Conclusie opslaan agrarische bedrijfsstoffen Gesteld wordt dat de melkveehouderij niet verder in de bedrijfsvoering wordt belemmerd door het plan en wordt verwacht dat er geen geurhinder optreed. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
54
5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem op het plangebied voor het toekomstig gebruik in kaart te brengen is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodem- en asbestbodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit de onderzoeken luiden: Recht van ter Leede 40-40a ‘Op basis van het bodemonderzoek kan voor alleen het onderzochte terreindeel het volgende worden geconcludeerd: De tamelijk ongeroerde bovengrond op het westelijke voorterrein (voortuin en grasveld) is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket; De bovengrond op het noordelijke onverharde terreindeel is licht verontreinigd met lood, zink en PCB.
Dit heeft geen consequenties; De bovengrond ter plaatse van het onbebouwde weiland/grasland is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket en voor de extra onderzochte parameters OCB; De geroerde dempingsgrond van 50-100 cm-mv ter plaatse van de westelijke slootdemping (boringen 9, 10 en 11) is licht verontreinigd met diverse metalen en PAK. Bij de noordelijke slootdemping is alleen het PAK-gehalte licht verhoogd aangetroffen; De dempingsgrond ter plaatse van de zuidoostelijke slootdemping (langs oprit) is sterk verontreinigd met zink en lood bij de boringen 4, 101, 102 en 103. Bij de boringen 4, 101 en 102 gaat dit om de laag van 50-100 cm en bij boring 103 van 100 tot 150 cm-mv. Bij de boringen 100, 12 en 13 is geen sterk verhoogd gehalte aangetroffen. Opgeteld zal hier sprake zijn van een ernstig geval van bodemverontreiniging; Op basis van uitgevoerde uitsplitsingen bleek de bovengrond bij boring 19 sterk verontreinigd met zink. Boring 19 is gelegen ter plaatse van een klein stuk onverharde grond (enkele m2) dat voor het overige wordt omringd door een betonvloer en door de stal. Zeer waarschijnlijk is dit verhoogde zinkgehalte toe te schrijven aan de verzinkte beplating, waaruit zowel het dak als de buitenwand van de stal is opgebouwd. Het sterk verontreinigde volume kan niet meer zijn dan een of enkele m3.
Aanvullend onderzoek ter plaatse is niet zinvol, mede omdat dit kleine stukje grond wordt omringd door beton of bebouwing; Bij het eerste onderzoek in december 2018 bleek de bovengrond bij boring 20 in de werktuigenloods sterk verontreinigd met olie. Om deze reden is hier aanvullend onderzoek verricht, waaruit geconcludeerd kan worden dat hier qua volume geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Uit de analyses blijkt dat het bij de meeste boringen gaat om een zware oliesoort (motorolie). Bij boring 107 echter is in de ondergrond sprake van een lichte dieselverontreiniging. In het grondwater uit de 2 peilbuizen 109 en 110 zijn geen verhogingen aan olie en aromaten aangetroffen; Uit een separaat door Adcim uitgevoerd asbestonderzoek op 5 terreindelen met duidelijke puinbijmengingen blijkt dat de puinhoudende bovengrond op 3 van de 5 locaties niet verontreinigd is met asbest (< 1 ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
55
mg/kgds). De geroerde puinhoudende toplaag van de werktuigenberging bevat een minimaal verhoogd asbestgehalte van 4 mg/kgds. De toplaag van de in oppervlakte beperkte verrommelde strook tussen de stal en een schuur bevat een asbestgehalte van 24 mg/kgds. Dit behoeft geen aanvullend onderzoek; Halverwege het agrarische bouwvlak staat tegen de noordgevel van de loods met hooiopslag een bovengrondse brandstoftank. Bij deze tank zijn 4 boringen uitgevoerd en is peilbuis 17 geplaatst. Boring 14 bleek tussen 0.8 en 1.8 m-mv zintuiglijk verontreinigd met olie. In de 3 boringen rondom boring 14 is dit niet het geval en met deze 3 boringen (15, 16, en 17) is de oliespot reeds afgeperkt. In november 2019 is boringen 14 nogmaals verricht en zijn nog 2 analyses uitgevoerd. De bodem van 80-120 cm is licht verontreinigd met olie (280 mg) en de ondergrond van 180-210 cm is schoon voor olie. De verwachting is dat hier enkele m3 grond gemiddeld licht verontreinigd zijn met olie. Het grondwater in peilbuis 17 is licht verontreinigd met olie (en met barium). Deze spot is meer dan voldoende onderzocht; In het grondwater uit de peilbuizen 5 en 29 is barium in een gehalte boven de streefwaarde aangetroffen. In peilbuis 5 geldt dit ook voor molybdeen.
Aanbevelingen Op grond van het uitgevoerde onderzoek dient bij de aankoop van het onroerend goed ten aanzien van het aspect bodem rekening gehouden te worden met de volgende zaken: sanering van beperkte (niet ernstige) oliespot bij de bovengrondse olietank; sanering van de sterk verontreinigde slootdempingsgrond langs de oprit; sanering van de niet ernstige olieverontreiniging in de werktuigenloods; juiste verwijdering van vertikale asbestplaten bij de schuur achter de woning; het algemene feit dat de meeste licht verontreinigde grond op het agrarisch bouwvlak bij afvoer naar elders beschouwd dient te worden als klasse industriegrond; noodzaak tot aanvullend onderzoek (zowel NEN 5740 als 5707) na de sloop op het oppervlak van met name de boerderij met stallen en de grote oppervlakte achter de stallen waar nu grotendeels beton ligt. Nu is binnen deze oppervlaktes niet of nauwelijks onderzoek verricht.
Recht van ter Leede 38a ‘Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: De tamelijk ongeroerde bovengrond onder de betonvloer bevat gangbare licht verhoogde gehalten aan koper, kwik en lood; De ongeroerde ondergrond bevat lichte verhogingen aan kobalt en nikkel; De zintuiglijk tamelijk onverdachte dempingsgrond ter plaatse van de slootdemping op de westelijke perceelsgrens bevat licht verhoogde gehalten aan lood, PAK en minerale olie. De olieverhoging is verwaarloosbaar te noemen; In het grondwater zijn de gehalten aan barium en zink boven de streefwaarden aangetroffen. Dit zijn gangbare, niet relevante overschrijdingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning op het onderzochte terreindeel.’ Conclusie Voor het onderhavige plan dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden na de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen op het perceel Recht van ter Leede 40-40a. De verontreinigingen worden gesaneerd, waardoor na sanering ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
56
geen belemmeringen meer te verwachten zijn. Het perceel Recht van ter Leede 38a vormt verder geen belemmering.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
57
5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar aanwezige archeologische waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied: een hoge verwachting (voor prehistorie tot middeleeuwen) aan of nabij het oppervlak heeft (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; een middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd heeft (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; een zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd heeft (paars).
Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
58
Plangebied
Afbeelding 38: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Onderzoek Het onderhavige plan betreft enerzijds de sloop van alle bebouwing op het perceel, behoudens de bestaande karakteristieke woning, en de nieuwbouw van 32 grondgebonden woningen en een basisschool. Hiermee worden de vrijstellingsgrenzen van de gemeentelijke beleidskaart overschreden, waardoor een archeologisch onderzoek vereist is. Om aan deze onderzoeksplicht te voldoen is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert om in de gebieden met een hoge en zeer hoge archeologische verwachtingswaarde een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Het betreft hier het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) waar een terpophoging is aangetroffen, en het centrale en noordelijke deel van het plangebied, waar crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel zijn vastgesteld. In het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) kan pas gestart worden met het proefsleuvenonderzoek na de bovengrondse sloop van de huidige bebouwing. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. De exacte
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
59
invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).’ Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Het pand met de twee huidige bedrijfswoningen aan het Recht van ter Leede 40-40a betreft een karakteristiek gebouw. Middels het onderhavige plan blijft dit gebouw en de twee woningen behouden. Conclusie Er dient een proefsleuvenonderzoek plaats te vinden op het oostelijke deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40-40a) waar een terpophoging is aangetroffen, en het centrale en noordelijke deel van het plangebied, waar crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel zijn vastgesteld. Het aanvullend archeologisch onderzoek zal als voorwaarde worden opgenomen bij de omgevingsvergunningaanvraag. Ter bescherming van de archeologische waarden worden de dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ overgenomen.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
60
5.6 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de waterloop. Voor een A-watergang geldt in de AlblasserwaardVijfheerenlanden een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de aan- en afvoer van water, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Binnen het plangebied en in de directe omgeving van deze locatie zijn enkele watergangen gelegen. Middels het onderhavige plan zullen enkele watergangen gedempt worden. De dempingen worden volledig gecompenseerd. Voor wat betreft de overige watergangen zullen in de beschermingszone van de watergangen geen werkzaamheden plaatsvinden. Voor het dempen en graven van watergangen, het plaatsen en verwijderen van kunstwerken, nieuwe lozingen van verhard oppervlak en het wijzigen van de peilvakgrens dient een watervergunning aangevraagd te worden.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
61
C-watergang 140992
C-watergang 056972 B-watergang 057459
C-watergang 140992
B-watergang 147369 C-watergang 056973
Afbeelding 39: Uitsnede legger Wateren
Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen twee peilgebieden: VHL703 en VHL 708. Het peilgebied VHL703 heeft een zomerpeil van -0,55 m NAP en een winterpeil van -0,60 m NAP. Het peilgebied VHL708 heeft een zomerpeil van -0,7 m NAP en een winterpeil van -0,8 m NAP. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Afbeelding 40: Uitsnede peilgebiedenkaart Alblasserwaard-Vijfheerenlanden
Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen nabij een waterkering. ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
62
Wegbeheer Binnen de bebouwde kom van de is de gemeente Vijfheerenlanden verantwoordelijk voor het beheer van de wegen, waaronder het Recht van ter Leede en de Kerkweg. Omdat het plangebied deel gaat uitmaken van de bebouwde kom van Leerbroek, zal het wegbeheer van de wegen binnen het plangebied onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden komen. Verder is door Adcim een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor het onderhavige plan. In het rapport is het volgende opgenomen: ‘Algemeen De realisatie van de nieuwe woonwijk vraagt om inpassing binnen het oppervlaktewater. Daarnaast dient het plan minimaal hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden, wat betekent dat er compenserend oppervlaktewater gegraven moet worden, of dat er op andere manieren waterberging gerealiseerd dient te worden. Hier ligt een extra opgave omdat het plangebied zich in twee peilgebieden bevindt. Om deze reden wordt de grens van de peilgebieden omgelegd. Bij de exacte invulling van bovengenoemde zaken zijn zowel de gemeente Vijfheerenlanden, als Waterschap Rivierenland betrokken.
Afbeelding 41: Nieuwe grens peilgebieden
Watercompensatie De benodigde compensatie vanuit de toename van verhard oppervlak wordt voorgeschreven in de algemene regels van Waterschap Rivierenland. Deze ontwikkeling bedraagt een toename van 6.745 m² verhard oppervlak, wat inhoudt dat er gecompenseerd moet worden. Momenteel ligt het plangebied in twee verschillende peilvakken, maar dit wordt voor de ontwikkeling aangepast, waardoor de compensatie zal worden verricht in 1 peilvak. Rekening houdend met de toegestane peilstijging van 0,20 m, bedraagt de te compenseren hoeveelheid 0,6745 ha x 436 m³/ha = 294 m³. Dit is gelijk aan 1.470 m². Echter, is er in het nieuwe ontwerp al 1.470 m² water toegevoegd, waardoor de benodigde watercompensatie al ingevuld is in het ontwerp. Naar aanleiding van de berekende watercompensatie hoeft geen extra water gecompenseerd te worden.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
63
Watergangen en kunstwerken In de toekomstige situatie zal de peilgebiedsgrens worden omgelegd, zodat het plangebied zich in één peilvak bevindt. Om dit te realiseren wordt één watergang deels gedempt en wordt een nieuw stuk watergang gegraven. Verder moet er een nieuwe dam worden aangelegd (aan de noordoostkant), om de werking van het watersysteem zoveel mogelijk intact te houden. Het water kan het plangebied (en daarmee het peilvak) via de bestaande stuw aan de zuidoostkant van het plangebied verlaten. ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
64
Afbeelding 42: Toekomstige situatie
Afbeelding 43: Toekomstige status watergangen
Hemelwaterafvoer De gemeente ziet graag een oppervlakkige afstroming van hemelwater naar oppervlaktewater. In het ontwerp zijn daarom alle wegen grenzend aan een watergang, op één oor gelegd en op bepaalde punten lage banden aangelegd om oppervlakkige afstroming te kunnen realiseren. Verder ziet de gemeente graag dat regenpijpen bovengronds afwateren om zo de oppervlakkige afstroming ook vanaf de dakoppervlakken te kunnen realiseren. Daarom wordt voorgesteld oppervlakkig
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
65
af te voeren waar dat mogelijk is. Op locaties waar dit niet mogelijk is ziet de gemeente graag afwatering via een wadi of een riool naar het oppervlaktewater. Riolering Vanuit de zorgplicht van de gemeente dient er een voorziening gerealiseerd te worden om afval- en regenwater in te zamelen. De aanleg van een rioolstelsel is hiertoe een doeltreffende voorziening. In het coalitieakkoord heeft de gemeente aangegeven klimaatadaptatie onderdeel te willen maken van het beleid. Dit houdt onder andere in dat de ambitie er is om regenwater af te koppelen van het VWA, voor nieuwbouw is dit verplicht. Dit wordt het liefst oppervlakkig, maar anders via een HWA stelsel afgevoerd. Voor de droogweerafvoer dient wel een DWA-stelsel aangelegd te worden, middels welke het water vervolgens onder vrij verval, of d.m.v. een pomp naar de AWZI pompt. Grondwater In het ontwerp is de maatgevende as-hoogte 0,47 m + NAP. T.o.v. het vigerend zomerpeil (0,55 m –NAP) geeft dit een drooglegging van 1,02 m. Omdat er veel oppervlaktewater in het (toekomstige) plangebied is, is het oppervlaktewaterpeil maatgevend voor de grondwaterstand. De volgende minimale peilen dienen binnen het plangebied gehanteerd te worden: As weg 0,45 m + NAP > drooglegging 1,00 m Bouwpeil 0,65 m + NAP > drooglegging 1,20 m Op basis van deze waarden kan worden geconcludeerd dat de drooglegging t.o.v.
de as van de weg voldoende groot is. De minimale drooglegging t.o.v. de as van de weg bedraagt 1,02 m. Ook de drooglegging t.o.v. het laagste bouwpeil is voldoende groot gebleken. Het maatgevende bouwpeil is 0,70 m + NAP, waardoor de drooglegging 1,25 m is. Gezien de omvang van het ontwikkelingsplan kan gesteld worden dat de invloed op de grondwaterstroming en grondwaterstand minimaal zijn. Schade aan derden, zowel in de bouwfase als in de uiteindelijke vorm, zijn niet te verwachten. Waterkwaliteit Aangezien het plangebied volledig geïntegreerd wordt met het oppervlaktewatersysteem is de kwaliteit van het oppervlaktewater van belang. Door geen uitloogbare materialen toe te passen bij de bouw wordt de vervuiling binnen de perken gehouden. Daarnaast is het van belang dat er geen ‘dood’ water kan ontstaan. Doordat er geen doodlopende stukken in het oppervlaktewatersysteem aanwezig zijn en er oppervlakkig wordt afgewaterd, spoelt het systeem goed door. Daarnaast zijn de uitstroomvoorzieningen van het HWA systeem goed verdeeld over het oppervlaktewater systeem en stroomt water van de straat gelijkmatig over het hele plangebied het oppervlaktewater in, wat de kwaliteit ten goede komt. Een risico waar wel rekening mee gehouden dient te worden is dat er geen vervuilende stoffen vanaf de straat het oppervlaktewater instromen.
Hierbij kan gedacht worden aan bewoners die hun auto op straat wassen, waarvan het zeepwater afstroomt richting de watergangen. Er bevinden zich geen overstorten van DWA in het plangebied, dus dit is geen belemmerende factor voor de waterkwaliteit.’ Conclusie Het plan vindt voor wat betreft het aspect waterhuishouding geen belemmeringen. Er wordt voldoende water gecompenseerd. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd en de begrenzing van peilvakken moet worden gewijzigd.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
66
5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan gaat uit van de sanering van alle gebouwen en de nieuwbouw van 32 woningen en een basisschool aan het Recht van ter Leede. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd op het perceel Recht van ter Leede 40-40a (voor de woningen en de school). Voor de locatie Recht van ter Leede 38a is geen ecologisch onderzoek noodzakelijk, gezien het terrein hier volledig verhard is en op voorhand de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten uitgesloten kan worden.
De conclusies uit het onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwing heeft, behoudens mogelijk vleermuis en huismus, geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Tevens dient er tijdens de uitvoering rekening gehouden te worden met het ontstaan van potentieel leefgebied, en daarmee de kans op vestiging, van de rugstreeppad op de planlocatie. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. Voor het vaststellen van aan- of afwezigheid van nestlocaties van huismus in de te slopen bebouwing dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Dit kan door middel van twee gerichte veldbezoeken in het broedseizoen, in de periode 1 april – 15 mei met minstens 10 dagen tussen ieder veldbezoek of door middel van een eenmalige inspectie van de desbetreffende daken buiten het broedseizoen. Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
67
binnen het plangebied. Het aanvullende onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de richtlijnen uit het vleermuisprotocol, met vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 1 oktober. Na uitvoering van eventuele maatregelen dienen de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht te worden en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).
Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 3,2 km ligt het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Overige Natura 2000gebieden in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen. De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km ten westen van het Natuurnetwerk Nederland. Wél maakt de planlocatie deel uit van een Belangrijk weidevogelgebied. Ten aanzien van het weidevogelgebied dient er volgens provinciaal beleid een ‘nee, tenzij’-toets uitgevoerd te worden. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de huidige bebouwing (bedrijfswoning, stallen en schuren) en de realisatie van een basisschool en 32 burgerwoningen, wat leidt tot een verkeerstoename. De nieuwbouw zal met hoge isolatiewaarden relatief lage tot geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’). Gezien de planlocatie gelegen is aan de rand van een (landelijk/agrarisch) dorp en het een kleinschalig project betreft, worden er geen enkele negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied verwacht. Blom Ecologie B.V.
adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
68
Afbeelding 44: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden
Afbeelding 45: Plangebied in relatie tot Natuurnetwerk Nederland
Afbeelding 46: Plangebied t.o.v. belangrijk weidevogelgebied
‘Nee, tenzij’-toets Een deel van de ontwikkeling vindt plaats in beschermd weidevogelgebied. Het gebied behoorde tot 1 januari 2019 tot de provincie Zuid-Holland. Daarna als
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
69
gevolg van gemeentelijke fusie tot de provincie Utrecht. In de praktijk wordt door de provincie Utrecht in beperkte mate getoetst aan het weidevogelbeleid. Onderstaand wordt beschouwd welke potentie de planlocatie heeft voor weidevogels en wat de mogelijk effecten zijn op het gebruik van (dit deel van) het weidevogelgebied. Ten aanzien van bebouwing, bomenrijen en menselijke activiteiten wordt een verstoringsafstand van tenminste 200m in acht genomen (Oosterveld et al, 2014). In onderstaande afbeelding wordt afgebeeld wat de huidige en nieuwe verstoringafstand is (op basis van 200m), hieruit blijkt dat er geen toename is van verstoring als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
Afbeelding 47: De huidige (boven) en toekomstige verstoring (onder) van de aanwezige bebouwing op de aanwezigheid van weidevogels
Volledigheidshalve is de NDFF geraadpleegd of er in het recente verleden waarnemingen zijn gedaan van weidevogels. Uit deze database bleek dat in de afgelopen 10 jaar meerdere waarnemingen bekend zijn van een breed scala aan soorten die slechts kort aanwezig waren (overvliegend/even rustend). In deze periode is één baltsende grutto waargenomen. De beoogde ontwikkellocatie maakt aannemelijk geen deel uit van voor weidevogels relevant gebied. Het gebied wordt, voor zover bekend gebruikt als algemeen leefgebied en heeft geen bijzondere waarde voor weidevogels’.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
70
Aanvullend onderzoek Op basis van de conclusie van de ecologische quickscan is door Blom Ecologie een aanvullend onderzoek naar huismus en vleermuis uitgevoerd. De conclusie uit het aanvullend onderzoek luidt: ‘Huismus Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bedrijfswoning op de planlocatie nesten bieden voor de huismus. In totaal zijn in de woning op de planlocatie 4 nesten van huismussen waargenomen. De overige nesten bevinden zich in woningen buiten het plangebied. Tevens maakt de planlocatie (in beperkte mate) onderdeel uit van het functioneel habitat. Gezien de bedrijfswoning behouden blijft, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling. Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn 3 verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bedrijfswoning op de planlocatie een functie heeft voor de laatvlieger als vaste rust- en verblijfplaats (zomerverblijfplaats). Gezien de bedrijfswoning waar deze verblijfplaats is vastgesteld behouden zal blijven, zal deze verblijfplaats niet verloren gaan. Gezien het vorengenoemde, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling.
Vervolgstappen Voor de beoogde ontwikkeling is het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.’ Notitie huismus en vleermuis Om te kunnen concluderen dat het functioneel leefgebied van zowel de huismus en de laatvlieger gewaarborgd blijft in de toekomstige situatie, is door Blom Ecologie een notitie opgesteld om deze waarborging te onderbouwen. Huismus Om de nesten van de huismus voort laten te bestaan, dient tevens functioneel leefgebied (c.q. groenblijvende hagen, grind, etc.) aanwezig te zijn. In het onderzoek van 2019 is dergelijk leefgebied vastgesteld in de (voor)tuin van de woning aan de Recht van ter Leede 40a (afbeelding 43). Deze tuininrichting zal tevens behouden blijven.
Afbeelding 48: Het vastgestelde functioneel leefgebied van de huismus.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
71
Laatvlieger Voor een verblijfplaats van vleermuizen geldt dat er een vrije aanvliegroute gewaarborgd dient te worden. Daarbij dient voorkomen te worden dat er in de toekomst (meer) lichtuitstraling plaatsvindt op de opening van de verblijfplaats. In de toekomstige situatie zullen er op enige gepaste afstand nieuwe woningen gerealiseerd worden. Daarbij zal gewaarborgd worden dat er in de omgeving van de verblijfplaats geen extra verlichting zal worden gerealiseerd [zie afbeelding 44, donkertegebied]. Indien verlichting toch een vereiste is in het plan, zal ervoor gezorgd worden dat de geplaatste armatuur vleermuisvriendelijke verlichting betreft. Dat wil zeggen geconvergeerde, naar beneden gerichte verlichting, zodat de opening van de verblijfplaats niet zal worden verlicht.
Afbeelding 49: Situatieschets met daarin aangegeven het functioneel leefgebied van huismus en de straal waarin de donkerte van het gebied gewaarborgd dient te worden
De groenstrook met bomen tussen de basisschool en de rijwoningen zal fungeren als toekomstige aanvliegroute voor vleermuizen. Voor verblijfplaatsen van de wat algemenere soorten zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger geldt dat ‘rust’ geen vereiste is. Vorengenoemde verblijfplaatsen worden ook met name in rijtjeswoningen in stedelijk gebied aangetroffen. Blom Ecologie B.V. is van mening dat de realisatie van de basisschool en 31 woningen, mits de vrije aanvliegroute en donkerte gewaarborgd zal blijven, de functionaliteit van de verblijfplaats van laatvlieger niet aan zal tasten.’ Het tuinontwerp van de bestaande bedrijfswoningen blijft behouden, waardoor het functioneel leefgebied van de huismus niet wordt aangetast. Daarnaast zijn de voorgestelde maatregelen ten aanzien van laatvlieger (donkertegebied) goed uitvoerbaar en zullen bij verdere planvorming als voorwaarde opgenomen. Conclusie De bedrijfswoningen blijven behouden, waardoor een ontheffing niet nodig is. Het tuinontwerp van de bestaande bedrijfswoningen blijft behouden en de voorgestelde maatregelen ten aanzien van laatvlieger (donkertegebied) worden bij verdere planvorming als voorwaarde opgenomen. Voor wat betreft het aspect ecologie ondervindt het plan geen belemmeringen.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
72
5.8 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.
Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Onderzoek Om de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden vanwege het onderhavige plan te bepalen is een stikstofdepositieonderzoek opgesteld. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie’.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura2000-gebieden.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
73
5.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf jan. 2015
Fijnstof (PM10)
40 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Jaargemiddelde concentratie
24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 μg/m3 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde 25 μg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf jan. 2015
Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie een advieswaarden voor fijn stof van 20 µg/m3 PM10 en 10 µg/m3 PM2,5 voor het jaar 2030. Onderzoek Voor het plangebied geeft de NSL-monitoring 2018 het volgende overzicht voor het jaar 2020: Een stikstofconcentratie van 15,3 μg/m3 NO2; Een fijnstofconcentratie van 18,2 μg/m3 PM10; Een fijnstofconcentratie van 11,1 μg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Voor het jaar 2030 geeft dezelfde NSL-monitoring het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof: Een fijnstofconcentratie van 14,9 μg/m3 PM10; Een fijnstofconcentratie van 8,3 μg/m3 PM2,5. Geconcludeerd kan worden dat tevens wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van acceptabele concentraties. Besluit Niet in Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
74
Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Voor het onderhavige plan is gebruik gemaakt van de NIBM-rekentool. Middels deze rekentool kan de bijdrage van kleine ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit vastgesteld worden. Uit het verkeersonderzoek van Megaborn blijkt dat het plan 556 extra voertuigbewegingen genereerd. Voor het percentage vrachtverkeer is uitgegaan van een worst-case scenario, namelijk dat 10% van de extra voertuigbewegingen vanwege de ontwikkeling bestaat uit zwaar verkeer. Het jaar 2021 wordt aangehouden voor de planrealisatie.
Afbeelding 50: Resultaat NIBM-rekentool
Gesteld kan worden dat het plan valt binnen het besluit NIBM en nader onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan valt in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
75
5.10 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).
Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. Volgens de risicokaart bevindt zich op een afstand van ca. 189 meter van het plangebied een inrichting (fokken en houden van varkens). Dit bedrijf valt echter niet onder de werking van het Bevi (het betreft geen Bevi-bedrijf), maar valt onder de werking van het Activiteitenbesluit. Verder zijn in de omgeving van beide locaties geen Bevi-inrichtingen gevestigd.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
76
Plangebied
Afbeelding 51: Uitsnede Risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen en vaarwegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig.
Kabels en leidingen Voor zover bekend zijn binnen het plangebied geen noemenswaardige (hoofd)kabels en (hoofd)leidingen aanwezig. Het plangebied is tevens niet gelegen nabij een hoogspanningsleiding. De gebruikelijke kabels en leidingen van de nutsbedrijven, zoals KPN, elektriciteit, gas etc. zijn aanwezig. De uitvoering van het onderhavige plan levert geen bijzondere aandachtspunten op ten gevolge van aanwezige kabels en leidingen. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
77
5.11 Brandveiligheid Beleidskader Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Een door de brandweer te gebruiken toegang van de gebouwen moet tot op een afstand van maximaal 40 meter te benaderen zijn met brandweervoertuigen. Een opstelplaats voor een blusvoertuig moet een minimale breedte hebben van 4 meter en een minimale lengte van 10 meter. De rijloper naar een opstelplaats of een bluswatervoorziening moet: 1. Een vrije breedte hebben van ten minste 4,5 meter en over een breedte van ten minste 3,25 meter zijn verhard, en over een breedte van ten minste 4,5 meter een vrije hoogte hebben van ten minste 4,2 meter; 2. Zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en een asbelasting van ten minste 100 kN; en 3. Op doeltreffende wijze kunnen afwateren; 4. Alleen bochten hebben met een straal c.q. een draaicirkel of rijcurve die afgestemd is op vrachtauto's. Bluswatervoorziening Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Primaire bluswatervoorziening Op een afstand van maximaal 40 meter van een door de brandweer te gebruiken toegang van een gebouw moet een ondergrondse brandkraan aanwezig zijn.
De capaciteit van de brandkraan dient minimaal 60 m 3 per uur te bedragen bij gelijktijdig gebruik van twee brandkranen. In onderstaande afbeelding is een voorstel gedaan waarbij alle woningen op een afstand van maximaal 40 m tot een ondergrondse brandkraan zijn gelegen.
Afbeelding 52: Voorstel positie brandkranen ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
78
Brandweerzorgnorm Regelgeving: Wet op de Veiligheidsregio's (Dekkingsplan brandweer VRZHZ, zal in de toekomst worden vervat in het dekkingsplan van de VrU). Voor (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen wordt gekeken naar de opkomsttijd van de eerste basisbrandweereenheid. In de genoemde regelgeving worden de wettelijk vastgestelde opkomsttijden per gebouwsoort aangegeven. Indien hier niet aan voldaan kan worden, dan worden door de brandweer aanvullende maatregelen geadviseerd om een gelijkwaardige veiligheid te behalen. Secundaire bluswatervoorziening Binnen een straal van 225 meter en binnen een afstand van 320 meter over de weg dient voor het gebouw en de woningen een secundaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn in de vorm van een geboorde put, een brandput, een voor de brandweer te bereiken open water of een reservoir. De capaciteit van de secundaire bluswatervoorziening dient ten minste 90 m³ per uur te bedragen. Onderzoek Het plan voldoet aan de voorwaarden ingevolge het Bouwbesluit 2012, Handboek Bluswater- voorziening en Bereikbaarheid (NVBR) en de Wet op Veiligheidsregio’s. Conclusie Het plan voldoet aan de voorwaarden wat betreft brandveiligheid.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
79
6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Ontwikkeling Leerbroek’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Ontwikkeling Leerbroek’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Ontwikkeling Leerbroek’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Herziening Kernen Zederik’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Bedrijf De bedrijfsbestemming op het perceel Recht van ter Leede 38a blijft grotendeels gehandhaafd. Enkel op het zuidwestelijk deel van het perceel zal de bedrijfsbestemming gewijzigd worden. Verder is aangesloten bij de bedrijfsregels van het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’. Hierbinnen zijn bedrijven uit de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (toegevoegd aan de bijlage van de regels) toegestaan. De grijs gemarkeerde bedrijven in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn niet toegestaan. Verder is in aanvulling op de toegestane bedrijven een bedrijf in de in- en verkoop van automobielen en opslag toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ en een kantoorruimte ten dienste van het ter plaatse aanwezige bedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor’. Ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 1’ uitsluitend bedrijven zijn toegestaan in de categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Groen Aan de noord- en westzijde van het plangebied (tussen de basisschool en de bestaande woonpercelen aan het Recht van ter Leede) wordt de bestemming ‘Groen’ gelegd, teneinde een (groene) bufferzone juridisch-planologisch vast te leggen. Ook het grasveldje bij de basisschool wordt bestemd met ‘Groen’.
Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn groenvoorzieningen, bermen, beplanting, parken, plantsoenen, nutsvoorzieningen, parkeerplaatsen, inritten, trottoirs, paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding toegestaan. Speeltoestellen worden niet meegenomen in deze bestemming. Maatschappelijk Ten behoeve van de basisschool wordt de bestemming ‘Maatschappelijk’ gebruikt. Binnen deze bestemming zijn voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, welzijn, openbare dienstverlening, godsdienstuitoefening, onderwijs, jeugdvoorzieningen, speelvoorzieningen en verenigingsleven toegestaan.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
80
Begraafplaatsen en horeca-activiteiten worden in het onderhavige plan niet opgenomen binnen deze bestemming. Tuin Ter plaatse van de voortuin van de bestaande woningen wordt de bestemming ‘Tuin’ toegekend. Verkeer Ten behoeve van de ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, trottoirs en dergelijke is de bestemming ‘Verkeer’ opgenomen. Wonen Ten behoeve van de burgerwoningen (en het aan-huis-verbonden beroep en bedrijven), tuinen, erven, wegen, inritten, trottoirs, parkeerplaatsen, water, voorzieningen voor de waterhuishouding, groenvoorzieningen, etc. wordt de bestemming ‘Wonen’ gebruikt. In de regels is het percentage sociale wooneenheden (30%) vastgelegd. Waarde – Archeologie 1, 2 en 3 Voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden worden de archeologische dubbelbestemmingen toegevoegd.
6.4 Aanduidingen De verbeelding zal voorzien worden van de aanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 4’ en ‘vrijstaand’ ter plaatse van de woningen langs de Kerkweg en de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 6’ en ‘aaneengebouwd’ voor de woningen achter de huidige bestaande bedrijfswoningen Recht van ter Leede 40-40a. Binnen de aanduiding ‘vrijstaand’ zijn uitsluitend vrijstaande en tweeonder-een-kappers toegestaan en binnen de aanduiding ‘aaneengebouwd’ uitsluitend rij- en hoekwoningen. Op het voorerf van Recht van ter Leede 38 wordt met de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 1’ 1 woning toegestaan, en op de huidige twee bedrijfswoningen wordt de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 2’ gelegd. Op de overige gronden binnen de bestemming ‘Wonen’ wordt de gebiedsaanduiding ‘overige zone – maximaal aantal wooneenheden: 21’ gelegd. Binnen de gronden met deze aanduiding zijn per saldo maximaal 21 woningen toegestaan, waardoor flexibiliteit ontstaat. De aanduiding ‘maximum goothoogte, maximum bouwhoogte’ geeft de maximale goot- en bouwhoogte van de woningen aan’.
‘’Ontwikkeling Leerbroek’’
81
Maximaal 4 woningen
Per saldo maximaal 21 woningen binnen de 2 rode contouren
Maximaal 6 woningen Maximaal 2 woningen
Maximaal 1 woning
Afbeelding 53: Uitsnede verbeelding maximaal aantal wooneenheden
Omdat de bestaande woningen aan het Recht van ter Leede als karakteristiek worden aangemerkt, wordt de aanduiding ‘karakteristiek’ toegevoegd. Hiermee wordt het slopen van de karakteristieke woningen niet zonder meer toegestaan. Ten behoeve van het behoud van de watergang langs de Kerkweg (ter hoogte van Kerkweg 12) wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – watergang’ opgenomen ter plaatse van deze watergang. In de regels is opgenomen dat de aanduiding is bestemd voor het behoud van de watergang. Daarnaast wordt aan de noordoostzijde van het plangebied, binnen de Groenbestemming, de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – ecologische oever’ toegevoegd. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt om ter plaatse van deze aanduiding een ecologische oever te realiseren. Op het nabijgelegen verblijfsplekje is de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – verblijfsplek’ gelegd, waardoor dagrecreatieve voorzieningen, zoals een steiger of een picknickbankje, hier tevens zijn toegestaan. In het kader van bedrijven en milieuhinder is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten – milieugevoelige functie' opgenomen. Deze aanduiding ligt vanaf de naastgelegen bedrijfsbestemming waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan tot 10 meter het plangebied in.
Binnen de aanduiding is geregeld dat hier geen milieugevoelige functies zijn toegestaan, zodat het naastgelegen bedrijf niet wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. De aanduiding is doorgetrokken naar het noordoosten zodat er meer afstand wordt gecreëerd tussen het agrarisch bedrijf Recht van ter Leede 34 en de nieuwe milieugevoelige objecten. Met betrekking tot het bedrijf aan het Recht van ter Leede 38a wordt de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ op de gehele bedrijfsbestemming toegevoegd teneinde bedrijfswoningen uit te sluiten. Aan de zuidwestzijde van het bedrijfsperceel wordt de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 1’ toegevoegd. Binnen deze aanduiding zijn uitsluitend bedrijven tot en met categorie 1 toegestaan. Hiermee komt er extra