CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels bestemmingsplan - Walsland 44, Vianen.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 juli 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Walsland 44 Vianen22.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Vervolgonderzoek huismus en vleermuis Middels een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) is vastgesteld dat de gebouwen binnen het plangebied geschikte nest- en verblijfplaatsen bevatten voor huismus en vleermuizen. Naar aanleiding hiervan is huismus- en vleermuisonderzoek uitgevoerd in het seizoen van 2020, om nesten van huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen dan wel met voldoende zekerheid uit te sluiten. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen van dit plan. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit vervolgonderzoek. Binnen het plangebied zijn geen nestlocaties van huismus, dan wel rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot huismus of een vleermuissoort is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en. Wel dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen:  De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.

Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus;  Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied. 4.6.3 Conclusie Op grond van de uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘ecologie’ geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4

31

4.7 Bodem 4.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2 Onderzoek In het kader van de functiewijziging is er in 2018 een nader bodemonderzoek uitgevoerd (Milieutechniek ZVS Eemnes BV rapport met kenmerk BO18232 d.d. 1-10-2018). In dit rapport is geconcludeerd dat er zich een kleine puntverontreiniging met PAK bevindt ter plaatse van boring 6 van het bodemonderzoek dat eerder is uitgevoerd door Hopman en Peeters en dat ter plaatse van de voormalige kolenschuur er sprake lijkt te zijn van een sterk heterogeen verontreinigde ondergrond.

Als wordt aangenomen dat op de zuidelijke helft van het perceel over een oppervlakte van circa 325 m2 sterk verhoogde gehalten aan PAK, lood of zink in het traject van 1,0 – 1,5 m-mv. kunnen voorkomen dan is formeel sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In verband met het aantreffen van puin in de bodem moet er onderzoek uitgevoerd worden naar asbest in grond/puin. Dit onderzoek moet minimaal voor de aanvraag omgevingsvergunning bouwen worden uitgevoerd. De procedure voor de instemming van het bevoegd gezag Wet bodembescherming (RUD) met de sanerende maatregelen valt buiten de bestemmingsplanprocedure. Verder onderzoek lijkt op basis van deze conclusie vooralsnog niet zinvol. Bij een bestemmingswijziging of grondroerende activiteiten dient de bevoegde overheid in kennis te worden gesteld van de verontreinigingssituatie en de voorgenomen saneringsmaatregelen (ontgraven, isoleren of aanbrengen leeflaag) door middel van een zogeheten BUS-melding (BUS = Besluit Uniforme Saneringen). De BUS-melding dient samen met de uitgevoerde bodemonderzoeken te worden aangeleverd. De bevoegde overheid zal de BUS-melding en de bijgevoegde onderzoeken op hun volledigheid beoordelen alvorens een beschikking te verlenen. Een eventuele omgevingsvergunning treedt pas in werking, nadat het bevoegd gezag formeel heeft ingestemd met het saneringsvoorstel (saneringsplan of BUS-melding).

4.7.3 Conclusie Verder onderzoek wordt op basis van het uitgevoerde onderzoek vooralsnog niet zinvol geacht. Ten behoeve van de beoogde bestemmingswijziging of grondroerende activiteiten zal de bevoegde overheid in kennis te worden gesteld van de verontreinigingssituatie en de voorgenomen saneringsmaatregelen (ontgraven, isoleren of aanbrengen leeflaag) door middel van een zogeheten BUS-melding.

Hoofdstuk 4

32

4.8 Water 4.8.1 Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting om een watertoets uit te voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het kabinet heeft het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het NWP bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik tot 2050.

Onderdeel van het NWP zijn:  de Deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie);  de Beleidsnota Noordzee;  de verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit het Energieakkoord;  de Natuurvisie;  de Internationale Waterambitie;  de geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma’s om te voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu. Met het Bodem-, Water en Milieuplan is het beleid van de Provincie Utrecht wettelijk vastgelegd voor bodem, water en milieu voor de periode 2016-2021. Hierin worden vier prioriteiten onderscheiden:  Waterveiligheid en wateroverlast;  Schoon en voldoende oppervlaktewater;  Ondergrond;  Leefkwaliteit stedelijk gebied. Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid van waterschap Rivierenland. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in het watersysteem kan een vergunning nodig zijn.

De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Voor Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. Per 1 januari 2019 is de gemeente Vijfheerenlanden ontstaan uit de samenvoeging van de voormalige gemeenten Vianen, Zederik en Leerdam.

Hoofdstuk 4

33

Het gemeentelijk beleid is opgenomen in een waterplan en Coalitieakkoord van de gemeente Vijfheerenlanden (2019-2022). In het plan wordt een visie gegeven op het stedelijk water en het realiseren van een klimaatbestendig watersysteem. Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Binnenstedelijk is vaak nog een gemengd stelsel aanwezig. Wanneer oppervlaktewater nabij een ontwikkeling aanwezig is, is het wenselijk om het schoon hemelwater hierop af te laten stromen. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Ter compensatie wordt bij voorkeur berging op eigen perceel aangelegd. Waterberging op locatie kan ook op gebied van klimaat positieve effecten hebben, zoals bijvoorbeeld het tegengaan van hittestress. De waterhuishoudkundige situatie van het plangebied is beknopt onderzocht in het kader van de watertoets. In het waterhuishoudkundige onderzoek is aandacht besteed aan de huidige bodemkundige- en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden, en de (on)mogelijkheden om neerslag in de toekomstige situatie te bergen en te verwerken.

De eerste afstemming voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (dossiercode 20200304- 9-22641). De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Voor dit plan is een toename aan verhard oppervlak te verwachten. Bij het definitieve bouwplan dient rekening gehouden te worden met de genoemde aandachtspunten in de rapportage. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing / infiltratie of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden middels het Omgevingsloket. 4.8.2 Waterhuishouding Bij een herontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de bestaande waterhuishouding en eventuele reeds aanwezige knelpunten. Een belangrijk aspect hierbij is de drooglegging van het gebied. De hoogteligging van het plangebied bepaald mede of ter plaatse grondwateroverlast te verwachten is. Het plangebied ligt aan de straat Walsland en ligt aan de oostelijke rand van de binnenstad van Vianen.

Vianen ontstond als nederzetting aan de Voorstraat, de huidige centrale noord-zuid georiënteerde verbindingsas van Vianen, die oorspronkelijk een dijk vormde in het landschap. Omstreeks 1335-1336 kreeg de nederzetting stadsrechten en kort daarna werden stadsmuren met waltorens en stadsgrachten aangelegd. In 1566 werden de stadsmuren voorzien van bolwerken. De stadsmuren met waltorens en de bolwerken worden in het begin van de 19e eeuw geslecht waardoor deze verdedigingswerken niet meer aanwezig zijn. Sindsdien ligt het plangebied direct aan de stadsgracht. Dit is zo ook zichtbaar op de hoogtekaart, zie afbeelding 4.3. Oostelijk naast de stadsgracht ligt het sluiscomplex in het Merwedekanaal. De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 3,5 meter +NAP westelijk en is aflopend in oostelijke richting naar het water (ca.1,4 m +NAP). De

Hoofdstuk 4

34

bestaande woning ligt op eenzelfde peil als de weg. De belendende percelen noordelijk liggen op eenzelfde maaiveldniveau met een grotere, laaggelegen tuin.

Figuur 4.3: Uitsnede hoogtekaart Nederland met aanduiding plangebied (bron: hoogtekaart Nederland)

Watersystemen De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grond-, oppervlakte-, hemel- en afvalwater. Grondwater Voor het verkrijgen van gekende data zijn o.a. het bodemloket, data van het waterschap Rivierenland en het Dinoloket geraadpleegd. Voorts is gebruik gemaakt van recent uitgevoerd archeologisch bureauonderzoek Walsland 44 te Vianen (Aeres Milieu AM20013 d.d. 13 februari 2020). Door de ligging in het stedelijk gebied is beperkte kaartdata bekend (niet gekarteerd gebied). Het plangebied ligt in de Rijn-Maasdelta en maakt deel uit van het Utrechts-Gelders rivierengebied. Het ligt in een landschappelijk gebied dat tijdens het Holoceen tot stand is gekomen door (voormalige) meanderende riviersystemen. Onder het holoceen pakket bevindt zich het eerste watervoerend pakket gevormd door de grove en grindrijke Formaties van Kreftenheye, Urk en Sterksel. Op deze fluviatiele formaties liggen holocene oever-en komafzettingen die tijdens diverse overstromingen afgezet zijn. Onder invloed van de zeespiegelstijging kregen de rivieren in de pleistocene riviervlakte een meanderend karakter, zoals die nu aanwezig is in het rivierengebied.

Door natuurlijke verleggingen van de loop door de jaren heen bevinden zich meerdere stroomgordels van verschillende ouderdom in de ondergrond van het rivierengebied die veelal bedekt zijn met jongere holocene afzettingen afzettingen (Formatie van Echteld)4. Op circa 150 meter ten noorden van het plangebied ligt de Lek. Op circa 45 meter ten oosten van het plangebied ligt de stroomgordel van Tienhoven. Het plangebied ligt grotendeels op een oude meandergeul. Het meeste noordelijke deel van het plangebied ligt op de meest recente stroomgordel, 4

Berendsen 2005, 125.

Hoofdstuk 4

35

de Lek stroomgordel. De Lek stroomgordel is ontstaan in de Romeinse tijd door afdamming van de Lek5. De rand van de stroomgordelafzettingen valt samen met de huidige zomerdijk, op circa 200 meter ten noorden van het plangebied. Langs de stroomgordels zijn door de rivier oeverwallen (hoger gelegen zones in het landschap) gevormd met daar achter komafzettingen. Om overstromingen van de Lek in dit gebied tegen te gaan, werd in de late middeleeuwen (vanaf 12e eeuw, maar hoofdzakelijk in de 13e eeuw) de Lek bedijkt6. Het oorspronkelijke reliëf is binnen en rondom het plangebied niet meer te zien, gezien de ligging in de historische stadskern van Vianen. De kern van Vianen is door de eeuwen heen geleidelijk aan opgehoogd. Volgens het Dinoloket bestaat de bodemopbouw uit een Holocene deklaag van circa 11 meter. Het hieronder gelegen eerste watervoerende pakket wordt gevormd door de Formaties van Boxtel, Kreftenheye, Urk en Sterksel tot een diepte van circa 55 meter beneden maaiveld. Het plangebied ligt in peilbeheerst gebied. Volgens de peilenkaart Vijfheerenland wordt ter plaatse gestreefd naar een zomerpeil en een winterpeil op 1 meter NAP (VHL201). Het grondwater is door de ligging nabij de stadsgracht op eenzelfde hoogte te verwachten. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Ter plaatse is zover bekend geen grondwateroverlast aanwezig. Een eventuele kelder dient waterdicht uitgevoerd te worden en instroom van het buitenterrein dient zoveel mogelijk vermeden te worden. Het plangebied ligt binnen de boringsvrije zone behorende bij drinkwaterwinning Vianen Hofplein. De regels die gelden binnen grondwaterbeschermingszones zijn opgenomen in de Provinciale milieuverordening Utrecht. Het grondwater ter plaatse dient als bron voor de lokale drinkwatervoorziening. Ter bescherming van de drinkwatervoorziening is door de provincie een aantal 'Milieubeschermingsgebieden voor grondwater" aangewezen waar extra aandacht voor de bodem en grondwaterkwaliteit is geregeld. Om de kwaliteit hiervan te waarborgen zijn er aanvullende regels opgesteld in de provinciale milieuverordening om het grondwater te beschermen. Afhankelijk van de betrokken zone geldt een lichter of zwaarder beschermingsregime.

In de boringsvrije zone zijn alleen het hebben van boorputten en het graven dieper dan 2,5 meter nog verboden. Bij activiteiten in de boringsvrije zone (zie de Provinciale Milieuverordening) dient voor alle grondroerende zaken een vergunning/ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie en dienen gaten die zijn ontstaan na bijvoorbeeld boringen of sonderingen, correct afgedicht te worden met klei. Daarnaast geldt in het algemeen de bijzondere zorgplicht: “Een ieder is verplicht verontreiniging van het grondwater in een beschermingsgebied te voorkomen, of, voor zover verontreiniging niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.” Wanneer een bronnering noodzakelijk is voor de bouwwerkzaamheden of bij andere ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing / infiltratie of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen of een melding worden aangevraagd via de daarvoor bedoelde procedure (Omgevingsloket).

5 6

Sprangers et al., 2011. Bekius, 2009; Sprangers et al., 2011.

Hoofdstuk 4

36

Oppervlaktewater Oostelijk van het plangebied stroomt een B-watergang, beter bekend als de stadsgracht. Bwatergangen zijn van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. Aan weerszijden van de kernzone (tweedimensionale contour van een watergang) is een beschermingszone van 1 meter breed vastgelegd om de toegankelijkheid voor inspectie van de watergang te garanderen. De stadsgracht stroomt in zuidwestelijke richting af naar een primair oppervlaktewater. Oostelijk van de Kanaalweg ligt een C-watergang met oostelijk het sluiscomplex van Vianen in het Merwedekanaal. Noordelijk van het centrum stroomt de Lek. De ligging van de genoemde waterlopen zijn aangegeven in afbeelding 4.4.

Figuur 4.4: Uitsnede leggerkaart met aanduiding plangebied (bron: waterschap Rivierenland)

Hoofdstuk 4

37

Hemel- en afvalwater Het plangebied is deels bebouwd met een kleine tegelverharding. Verder is het perceel in gebruik als tuin. De woning is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Het is niet bekend of het hemelwater van de bebouwing ook op het gemeentelijk stelsel afvoert. Het rioleringsstelsel in de binnenstad bestaat uit een gemengd stelsel daterend uit de jaren ‘70 wat inhoudt dat de inzameling van vuil- en hemelwater plaats vindt in één hoofdriool. Naast het vuil- en regenwater uit de binnenstad wordt ook het rioolwater van de Buitenstad en de wijk Zederik, middels een pompgemaal, op dit stelsel geloosd. Het afvalwater van de binnenstad wordt verzameld en verpompt naar de zuivering van het Waterschap Rivierenland. Om overlast bij grote hoeveelheden regenwater te beperken, kende het stelsel een drietal overstorten op de Stadsgracht, namelijk bij de Spekdam, het Klooster en de Molenstraat. Om de bergingscapaciteit van de riolering in de binnenstad te vergroten, werd in het Klooster een groot bergbezinkriool aangelegd. Tevens is een klein gedeelte van het verhard oppervlak van het Walsland, de gehele Schoolstraat en Weesdijk afgekoppeld (zuidelijk van het plangebied). Het hemelwater van dit verharde oppervlak (wegverharding en dakoppervlakken) loost middels een apart riool het relatief schone regenwater op de stadsgracht.

Het gemeentelijk beleid is erop gericht op het scheiden van afvalwater en hemelwater bij herontwikkelingen. Vanuit het beleid van het waterschap is voor plannen met een toename van verharding compenserende waterberging noodzakelijk. In overleg kan een particulier een eenmalige vrijstelling van 500m2 krijgen bij nieuwbouw in stedelijk gebied. In alle andere gevallen dient u compenserende maatregelen te treffen. De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%, mits er geen complicerende zaken als kwel aan de orde zijn. De maximaal toelaatbare peilstijging in het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden bij een bui T=10+10% bedraagt 0,20 meter vanwege de beperkte drooglegging in het gebied. Bij een bui T=100+10% mag geen inundatie optreden. De maatgevende afvoer is 1,5 l/s/ha. In stedelijk gebied kan de waterberging eventueel ook worden geregeld via een waterbergingsbank (indien beschikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1500 m2 komen hiervoor in aanmerking.

Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden waarbij het afvalwater op het gemeentelijk stelsel aangesloten zal worden. De methode voor het verwerken van het hemelwater hangt echter wel af van verschillende factoren zoals: beschikbaarheid van oppervlaktewater, grondwaterstand, vrije ruimte,... Verderop worden de gevolgen door en de aandachtspunten voor de planontwikkeling toegelicht. Overige aspecten Waterkering Noord(oost)elijk van het plangebied stroomt de Lek. Ter bescherming voor het rivierwater is een primaire waterkering de Zuiderlekdijk (Ringdijk/Zomerdijk). Aan de oostzijde wordt het plangebied beschermd door een secundaire of regionale waterkering (rondom het Merwedekanaal). Het plangebied valt in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering en buiten de beschermingszone van de secundaire waterkering (zie afbeelding 4.5).

Hoofdstuk 4

38

Op deze waterkeringen is de Keur van Waterschap Rivierenlanden van toepassing. Bouw- en graafwerkzaamheden binnen deze zones dienen voorgelegd te worden aan de beheerder van de waterkering (hiervoor is ontheffing van de Keur noodzakelijk). Daarmee wordt voorkomen dat de veiligheid van de waterkering wordt geschaad. Het waterschap verzoekt om de buitenbeschermingszone aan te duiden middels een algemene aanduidingsregel: Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 2' zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, aangeduid als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering.

Figuur 4.5: Uitsnede legger waterkeringen met aanduiding plangebied (bron: waterschap Rivierenland)

4.8.3 Gevolgen planvoornemen Het perceel is momenteel deels verhard (garageboxen en woning met tuin). Ter plaatse wil men een nieuwbouwappartementencomplex realiseren (vergelijkbaar met de noordelijke bebouwing). Nabij de Walsland wordt het langsparkeren vervangen door dwars parkeren. Het wooncomplex heeft vanaf de straatzijde 2 bouwlagen en vanaf de waterzijde 3 bouwlagen (kelderverdieping). Het bouwpeil wordt 0,5 meter boven het straatpeil aangelegd. Oostelijk wordt het maaiveldprofiel aangepast zodat een volwaardige kelderverdieping aangelegd kan worden. Het profiel is tevens opgenomen in bijlage 2. Voor de overige verharding in de tuin (pad/terras) is een inschatting opgenomen van 25 m2 per tuin. In onderstaande tabel is een overzicht van de (toekomstige) verharde oppervlaktes weergegeven.

Hoofdstuk 4

39

Bij de voorgenomen planontwikkeling neemt het verhard oppervlak met circa 690 m2 toe. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd te worden. Aan de milieuhygiënische randvoorwaarden kan worden voldaan. Al de neerslag binnen het plangebied zal niet of zeer gering verontreinigd zijn. Het afvalwater van de nieuwbouw dient via een aan te leggen DWA-stelsel op het gemeentelijk stelsel aangesloten te worden. De verwachte afvalwaterhoeveelheid voor de 12 appartementen bedraagt ca. 0,36 m3/uur. Dit kan naar verwachting zonder aanpassingen verwerkt worden in het bestaande vrijvervalstelsel De rioolaansluiting dient ten tijde afgestemd en aangevraagd te worden bij de gemeente Vijfheerenlanden. Westelijk nabij de Walsland blijft het maaiveld behouden ten behoeve van de aanleg van parkeerplaatsen (niveau ca. 3,5-3,6 m +NAP) en wordt het voetpad licht opgehoogd. Het peil van de begane grond van de nieuwbouw wordt ca. 0,5 meter hoger aangelegd op ca. 4-4,1 m +NAP. Op basis van het profiel wordt de kelderverdieping op ca. 1-1,1 m +NAP aangelegd. Het grondwater is net als het oppervlaktewater ter plaatse van het plangebied op ca. 1 meter +NAP te verwachten. In het oppervlaktewater zijn fluctuaties van 20 cm te verwachten. Geadviseerd wordt om een hoger bouwpeil ofwel een lagere kelderverdieping aan te houden om (grond)wateroverlast te vermijden.

Bij de noordelijke bebouwing is nabij het water een peil van ca. 1,5 meter +NAP aanwezig. De kelder dient tevens waterdicht uitgevoerd te worden. Tevens dient instroom van neerslag van het buitenterrein zoveel mogelijk vermeden te worden. Het hemelwater van de nieuwbouw kan in elk geval 100% afgekoppeld worden en gescheiden op het gemeentelijk stelsel aangeleverd worden. Bij toekomstige scheiding van het gemeentelijk stelsel kan het plangebied dan eenvoudig hierop aangesloten worden. Gezien de ligging nabij de Stadsgracht kan in overleg met het waterschap (een gedeelte van de nieuwbouw) rechtstreeks aangesloten worden op de nabijgelegen Stadsgracht. Voor het plangebied kan en zal een eenmalige vrijstelling van watercompensatie voor 500 m2 aangevraagd worden bij het waterschap. Door de uitbreiding van het verhard oppervlak dient op eigen perceel voor ca. 190 m2 compensatie ingepast te worden. De waterberging bedraagt ca. 8,3 m3 voor een bui van T=10+10% en ca. 12,6 m3 voor een bui van T=100+10% (kunstmatige voorziening). Het hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds via mol-/grindgoten of via een traditioneel afwateringsstelsel verzameld. Hieronder zijn de mogelijke verwerkingsmogelijkheden opgesomd.De mogelijkheden voor de toekomstige hemelwaterverwerking zijn: 1. Alles aanleveren op het gemeentelijk stelsel (in overleg met de gemeente); 2.

Alles afvoeren naar Walsland (al dan niet met aanleg van een bergende voorziening onder de parkeerplaatsen); 3. Voorzijde afvoeren naar Walsland (al dan niet met aanleg van een bergende voorziening onder de parkeerplaatsen) en achterzijde naar de Stadsgracht (in overleg WRSL). Alles aanleveren op de stadsgracht (in overleg WRSL); Bij opties 1 en 2 dient gekeken te worden hoe het dakwater naar de Walsland gevoerd wordt. Als op korte termijn het gemeentelijk stelsel heraangelegd wordt tot een gescheiden stelsel, kan in overleg met de gemeente hierop aangesloten worden Bij optie 2 kan aan de straatzijde onder de parkeerplaatsen een waterberging voor de toename ingepast als dat vereist wordt vanuit de gemeente. Dit kan door de aanleg van een ondergelegen bufferende voorziening bestaande uit bijvoorbeeld kratten, een waterbergende fundering (bijvoorbeeld

Hoofdstuk 4

40

grind of lavakoffer) of rockflow zijn. Middels een leegloopvoorziening of straatkolk kan dit hemelwater dan vertraagd afvoeren op het gemeentelijk stelsel. Hiervoor is onder de 21 nieuwe parkeerplaatsen ruimte aanwezig. Het naar de Stadsgracht afstromende oppervlak is dan ca. 75 m2 minder dan de bestaande afvoerende verharding op het perceel (geen versnelde afvoer naar het oppervlaktewater tegenover de bestaande situatie). Opties 3 en 4 betreft een (deels of volledige) hemelwaterafvoer naar het oppervlaktewater. Optie 4 vereist aanvullend overleg met het waterschap.. Voor de toename aan verharding dient in principe bijkomend oppervlaktewater aangelegd te worden (ca. 63 m2 nieuw wateroppervlak (20 cm stijging). Dit kan niet op eigen perceel plaatsvinden (de kleine tuin neemt dan met ca. 0,8 meter af). In samenspraak kan deze waterberging misschien ook elders in hetzelfde peilgebied ingepast worden. De voorkeur voor de planontwikkeling gaat uit naar optie 2 of 3 waarbij de benodigde waterberging van ca. 12,6 m3 onder de parkeerplaatsen aangelegd wordt. Dit kan eenvoudig door onder 2 parkeervakken infiltratiekratten te plaatsen. De afvoersnelheid en -hoeveelheid kan verder beperkt worden door de aanleg van een halfverharding of waterpasserende bestrating in plaats van dichte verharding.

Op de bergende voorziening dient een leegloop naar het gemeentelijk stelsel en noodoverlaat aangelegd te worden middels bijvoorbeeld een straatkolk naar het openbaar gebied of afstroom naar het nabijgelegen oppervlaktewater. Het buitenterrein dient zo aangelegd te worden dat water niet in het gebouw stroomt. Het plangebied valt in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering en buiten de beschermingszone van de secundaire waterkering. Op deze waterkeringen is de Keur van Waterschap Rivierenlanden van toepassing. Bouw- en graafwerkzaamheden binnen deze zones dienen voorgelegd te worden aan de beheerder van de waterkering (hiervoor is ontheffing van de Keur noodzakelijk). Daarmee wordt voorkomen dat de veiligheid van de waterkering wordt geschaad. Het waterschap verzoekt om de buitenbeschermingszone aan te duiden middels een algemene aanduidingsregel: Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 2' zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, aangeduid als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten is er geen (grond)wateroverlast te verwachten bij de voorgenomen planontwikkeling. De uiteindelijke hemelwaterinpassing zal voorafgaand aan de omgevingsvergunning nader uitgewerkt worden en overlegd worden met het bevoegd gezag.

De uiteindelijke hemelwateroplossing wordt in de bouwtekeningen opgenomen. Algemene aandachtspunten Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij andere ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing / infiltratie of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen worden aangevraagd via de reguliere procedure (Omgevingsloket). In de afvoersystemen moeten voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop.

Hoofdstuk 4

41

Toe te passen duurzame materialen:  Hellende daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal.  Platte daken: beton of bekleed met EPDM rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen.  Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium of zink, alle gecoat.  Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijke of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of (gebakken) betonproducten. Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet ten alle tijden worden voorkomen dat wateroverlast bij de nieuwbouw en bij derden ontstaat. Schade, direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken.

Geadviseerd wordt alternatieve middelen te gebruiken. 4.8.4 Conclusie Het aspect ‘water’ zorgt niet voor belemmeringen voor het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan.

4.9 Archeologie 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.9.2 Onderzoek Per 1 januari 2019 is de gemeente Vijfheerenlanden ontstaan uit de samenvoeging van de voormalige gemeenten Vianen, Zederik en Leerdam. Aangezien er nog geen geactualiseerde beleidskaart is, zal gebruik worden gemaakt van de beleidskaart van de voormalige gemeente Vianen (2011). Het

Hoofdstuk 4

42

plangebied ligt volgens de Archeologische beleidskaart, deelkaart historische stadskern Vianen (bijlage 3B) deels in een zone AWG2: terrein van hoge archeologische waarde (AMK, historische kern). Het zuidelijke, bebouwde deel ligt in een zone AWV5: lage archeologische verwachting (veronderstelde bodemverstoring). Voor de zone AWG2 zijn geen bodemingrepen toegestaan. Voor de zone AWV5 gelden geen voorwaarden.3 Volgens het bestemmingsplan Binnenstad (2013) geldt de Waarde – Archeologie 1 en geldt de Waarde Beschermd stadsgezicht. Voor de Waarde – Archeologie 1 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen vanaf 0,3 meter -mv en het ophogen van de bodem met meer dan 1,0 meter. In overleg met de gemeente Vijfheerenlanden is kortgesloten dat in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek wordt uitgevoerd. In februari 2020 is door Aeres Milieu een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de planlocatie. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van dit onderzoek. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.

Op basis van het onderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor resten uit de periode Romeinse tijd en vroege middeleeuwen en een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van bebouwingsresten (woonhuizen, bijgebouwen, waterputten, erven) uit de periode vanaf de 13e eeuw (concreet vanaf tenminste de 16e eeuw). Tevens worden resten verwacht van de voormalige stadsmuren en waltorens (begin 14e eeuw – begin 19e eeuw). Resten worden verwacht vanaf het maaiveld. 4.9.3 Conclusie Op basis van de middelhoge verwachting en met name vanwege de hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd, wordt geadviseerd om het verwachtingsmodel te toetsen middels een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit proefsleuvenonderzoek kan alleen plaatsvinden op basis van een Programma van Eisen (PvE). Deze is aan de omgevingsdienst voorgelegd ter goedkeuring. Dit advies moet gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Vijfheerenlanden. Deze zal vervolgens een besluit nemen over de vervolgprocedure. Tot die tijd kan er nog niet begonnen worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoring.

4.10 Cultuurhistorie 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Hoofdstuk 4

43

4.10.2 Onderzoek De binnenstad van Vianen is in 1975 aangewezen als beschermd stadsgezicht. Overeenkomstig de Monumentenwet is in het geldende bestemmingsplan Binnenstad voor het beschermd stadsgezicht een beschermende regeling vastgelegd. Daarvoor is een nieuwe cultuurhistorische inventarisatie van de binnenstad uitgevoerd. De conclusies daarvan zijn meegenomen in de beschermende regeling voor de binnenstad. De aanwijzing van het plangebied tot beschermd stadsgezicht heeft gevolgen voor het gebruik en de vormgeving van de panden en terreinen binnen het beschermd stadsgezicht. Doel van de aanwijzing is om de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is niet bedoeld om de bestaande toestand in al zijn facetten te 'bevriezen'. De binnenstad moet kunnen leven. Bovendien kunnen nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van waardevolle aspecten binnen het gebied.

Voor zover bebouwing en openbare ruimten als gevolg van de aanwijzing worden aangemerkt als waardevol, is het de bedoeling om de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van gebouwen en terreinen hierop af te stemmen. Het beschermd stadsgezicht vormt in dit verband een historische stedenbouwkundige eenheid. De opgave van dit bestemmingsplan is om bij nieuwe ontwikkelingen die historische stedenbouwkundige eenheid zoveel mogelijk te versterken. In de aanwijzingstekst van het beschermd gezicht uit 1975 staan de criteria vermeld (behoud van rooilijnen, kappen, bouwhoogtes en dergelijke). In de tekst worden drie zones vermeld, met elk hun eigen beschermingsgraad: 

Zone A: gebied van groot belang vanwege het patroon van straten en wegen, het profiel en de groenvoorziening van de openbare ruimte en de afmetingen en vormgeving van de bebouwing (hoogte, breedte, gevelindeling, bekappingen), benevens de aard van de toegepaste materialen. De bebouwing langs de Voorstraat met de kerk, de Kortendijk en de Langendijk tussen de nummers 2-26 en 1-17 vallen onder deze hoogste graad van bescherming; Zone B: gebied van belang vanwege het patroon van straten en wegen, de rooilijnen van de bebouwing aan de openbare ruimten en de "schaal" van de bebouwing. Het betreft het overige gedeelte van de Langendijk, het Hofplein, de Buitenstad en het gebied rond de kerk, dat de Korte Kerkstraat bevat en het zuidelijkste gedeelte van de Kerkstraat met de beschermde monumenten Kerkstraat 62-64-66; Zone C: gebied van belang vanwege de hoofdstructuur van straten en wegen, benevens de hoogte van de bebouwing. De overige straten van de kern van Vianen, voor zover deze binnen de aangegeven begrenzing liggen, vallen binnen deze klasse.

In het geldende bestemmingsplan Binnenstad is het van groter belang welke panden op basis van de cultuurhistorische inventarisatie positief gewaardeerd zijn. Naast de zones wordt dan ook uitgegaan van de cultuurhistorische en bouwhistorische waarde van de individuele panden; het bestemmingsplan is daardoor meer maatwerk. Doorwerking plangebied In het vigerende bestemmingsplan geldt dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde- Beschermd stadsgezicht’ met de nadere gebiedsaanduiding ‘zone C’. Het historische beeld van zone C van het

Hoofdstuk 4

44

beschermde stadsgezicht Vianen wordt bepaald door de hoofdstructuur van straten en wegen, benevens de hoogte van de bebouwing. Binnen het plangebied zijn geen bouwhistorische en architectonische waarden aanwezig die zijn opgenomen in de bouwhistorische verwachtingskaart Vianen. Met de voorgestane plannen wordt geen inbreuk gedaan op de hoofdstructuur van bestaande wegen als de Walsland, maar wordt aangesloten op de historische omgeving, hetgeen in het opgestelde beeldkwaliteitsplan is beschreven (zie bijlagen). Onderhavig plan zal daarom ook geen negatieve invloed hebben op cultuurhistorie. 4.10.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.11 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) nodig. Doorwerking plangebied Met dit planvoornemen wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De activiteit is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r.

De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden. Derhalve is uitsluitend een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde.

D.11.2

Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1: een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan

Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Hiertoe is een aanmeldingsnotitie opgesteld. De aanmeldingsnotitie7 met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. De gemeente dient, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan, een separaat besluit te nemen omtrent het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure.

7

BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan Coornhertkade Alkmaar, november 2019

Hoofdstuk 4

45

Conclusie Gezien de bevindingen als beschreven in de aanmeldingsnotitie, en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg hebben die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. In de aanmeldingsnotitie wordt daarom aanbevolen om een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan “Walsland 44 Vianen” geen milieueffectrapportage wordt vereist.

Hoofdstuk 4

46

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Op 1 juli 2012 zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld op grond van de Wro en het Bro. Op grond van artikel 3.1.3 van het Bro moet een bestemmingsplan worden uitgewerkt in:  een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven;  bestemmingen die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven;  regels die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven;  voor zover nodig uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsregels. Ook moet een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1.6 van het Bro samengaan met een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: 1. een onderbouwing van de in het bestemmingsplan gemaakte keuze van bestemmingen; 2. de resultaten van de (noodzakelijke) voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken; 3. de resultaten van het overleg en de inspraak op grond van artikel 3.1.1 van het Bro. Op grond van artikel 1.2.1 van het Bro moet het bestemmingsplan digitaal beschikbaar gesteld worden. Om dit mogelijk te maken moet het bestemmingsplan worden uitgewerkt in een zogenoemde GML. In de GML is er een koppeling tussen de kaart (verbeelding), regels en toelichting (het bestemmingsplan) gemaakt.

Deze koppeling van de kaart, regels en toelichting is de zogenoemde verbeelding van het bestemmingsplan. Hiervoor moet het bestemmingsplan worden opgesteld overeenkomstig de ROstandaarden:  Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).  Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012).  Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). Dit bestemmingsplan is zo opgesteld dat het digitaal beschikbaar gesteld kan worden. Dit betekent dat:  alle verschillende onderdelen van de kaart een zogenoemde IMRO2012-code hebben;  de digitale kaart is opgesteld volgens de standaardtechniek voor uitwisseling GML;  de regels overeenkomstig de SVBP2012 zijn opgesteld;  de toelichting en regels digitaal aan de kaart zijn gekoppeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wabo is een deel van de Wro opgenomen in de Wabo. Op grond van de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning ingevoerd. In de omgevingsvergunning worden verschillende vergunningtrajecten (zoals bouwvergunning, milieuvergunning etc.) gebundeld. In artikel 2.1 van de Wabo is een algemeen gebruiksverbod opgenomen.

Op grond hiervan is voor een gebruik dat op grond van een bestemmingsplan niet is toegestaan een omgevingsvergunning noodzakelijk.

Hoofdstuk 5

47

Door de inwerkingtreding van de Wabo en het Bor is een aantal begrippen op grond van de Wro vervallen. Deze begrippen worden ook in de SVBP2012 gebruikt. In september 2010 zijn er door Geonovum, als beheerder van de RO-standaarden, werkafspraken voor de SVBP2012 uitgegeven. Op basis van deze afspraken is er in bestemmingsplannen geen sprake meer van ontheffingen, maar van afwijkingen. De, in het overgangsrecht opgenomen, bouwvergunning is vervangen door een omgevingsvergunning voor het bouwen.

5.2 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Verkeer - Verblijfsgebied Een klein gedeelte van de gronden in het plangebied is bestemd als Verkeer – Verblijfsgebied. Deze gronden zijn onder andere bedoeld voor wegen, straten, fiets- en voetpaden, parkeer-, - groen en speelvoorzieningen en ook voor water(berging). Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde gebouwd worden., zoals licht- en andere masten, speeltoestellen en overige bouwwerken (maximaal 3 meter hoog). Artikel 4 Wonen De gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het wonen in een woning/ wooneenheid, beroep of bedrijf aan huis en bijbehorende tuinen/ erven, voetpaden en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen het bouwvlak mogen 12 woningen/ wooneenheden gebouwd worden, met een maximale gooten bouwhoogte zoals aangegeven op de verbeelding. Buiten het bouwvlak zijn gebouwen niet toegestaan. Om het aanzicht op de achterpercelen van de woningen te waarborgen dient een erfafscheiding te worden gerealiseerd van een minimale hoogte van minimaal 0,8 meter en maximaal 1,2 meter . Dit is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels en verbeelding. In de verbeelding is dit aangegeven met ‘specifieke bouwaanduiding – 1’.

In de specifieke gebruiksregels wordt bewoning van bijgebouwen en gebouwen buiten het bouwvlak uitgesloten (anders dan ten behoeve van mantelzorg). Waarde - Archeologie – 1 Deze dubbelbestemming zorgt ervoor dat de gronden mede zijn bestemd voor het behoud en bescherming van aanwezige en beschermde archeologische monumenten. Deze bescherming vindt plaats door regels met betrekking tot bouwen en het uitvoeren van werken- en werkzaamheden, gekoppeld aan een verbod en omgevingsvergunning. Waarde - Beschermd stadsgezicht Deze dubbelbestemming zorgt ervoor dat de waarden binnen het beschermd stadsgezicht behouden blijven en versterkt worden. Het plangebied ligt binnen de aanduiding ‘overige zone – c’, waar specifieke regels gelden ten behoud van het historische beeld van zone C van het beschermde stadsgezicht Vianen. Zo dienen de gebouwen binnen het plangebied voorzien te worden van een zadeldak of schilddak met een dakhelling tussen 35º -60º en mag de voorgevelbreedte niet minder dan 4,5 meter bedragen. Met de genoemde voorgevelbreedte wordt de gevel benoemd die op zichzelf als gevel is aan te duiden. De genoemde bandbreedte van 4,5 meter en 10 meter geldt niet voor per

Hoofdstuk 5

48

woning/wooneenheid. In figuur 5.1 is aangegeven wat wordt bedoeld met de voorgevelbreedte. Per gevel dient te worden voldaan aan de bandbreedte van 4,5 meter en 10 meter. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat voor twee woningen, één bandbreedte geldt, afhankelijk of de gevels door elkaar heenlopen.

Figuur 5.1: uitleg voorgevelbreedte

Ook zijn regels opgenomen met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk slopen van hoofdgebouwen en met betrekking tot het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.

Hoofdstuk 5

49

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het wijzigingsplan moet worden vastgesteld. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.

Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. De gemeente gaat de locaties niet zelf ontwikkelen of bouw- en woonrijp maken. Voor de locatie wordt de ontwikkeling dus volledig bij de ontwikkelende partij neergelegd. De gemeente sluit met de ontwikkelende partij een anterieure overeenkomst af.

Hoofdstuk 6

50

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.2.1 Omgevingsdialoog Voorafgaand aan en tijdens de daadwerkelijke planprocedure hebben initiatiefnemers de belangen van omwonenden bij de ontwikkeling betrokken. Op 2 juli 2020 heeft een plenaire bijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens de avond is met de aanwezige omwonenden de huidige stand van zaken qua procedure en planvorming doorgenomen. De algemene tendens is dat het plan qua ontwerp aansprekend en mooi wordt gevonden, maar er vanzelfsprekend wel nog diverse vragen zijn ten aanzien van de gevolgen voor de omliggende woningen. Dit zowel voor de periode van de bouw als de nieuwe situatie. Waar mogelijk zullen de opmerkingen/vragen worden meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. De omwonenden zullen in de verdere procedure ten aanzien van bestemmingsplan worden geïnformeerd over verdere planontwikkeling.

6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan is aan de wettelijk verplichte overheden en belanghebbenden voorgelegd in het kader van het vooroverleg. Het vooroverleg is opgenomen in artikel 3.1.1. van de Wet ruimtelijke ordening. Het vooroverleg met de overleginstanties liep met de volgende instanties:  Waterschap Rivierenland (diverse opmerkingen/ vragen omtrent waterparagraaf)  Provincie Utrecht (heeft aangegeven geen aanleiding te zien opmerkingen te plaatsen)  Veiligheidsregio Utrecht (heeft geen reactie op het plan gegeven)  Omgevingsdienst regio Utrecht (diverse opmerkingen over omgevingsonderzoeken) De inhoud van de inspraak en de gemeentelijke reactie op het plan zijn allen verwerkt in de toelichting en de omgevingsonderzoeken van dit bestemmingsplan. 6.2.3 Zienswijzen Het college van de gemeente Vijfheerenlanden heeft op 18 februari 2021 bekend gemaakt (Gemeenteblad 2021, 50769) dat het ontwerpbestemmingsplan “Walsland 44, Vianen” zes weken ter inzage heeft gelegen.

Tijdens deze terinzagelegging kon eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar maken.

Hoofdstuk 6

51

Tijdens de terinzagelegging is er 1 zienswijze ontvangen. De zienswijze is binnen de daarvoor geldende termijn ingediend, en is ontvankelijk verklaard. In de als bijlage bijgevoegde Nota beantwoording van zienswijzen wordt inhoudelijk op de ingediende zienswijzen ingegaan. Naar aanleiding van de ingediende zienswijze is de waterparagraaf aangepast en zijn de effecten van de ligging binnen een grondwaterbescherminsgebied verder uitgewerkt. De aanpassingen zijn zowel doorgevoerd in bijlage 5 als de bestemmingsplantoelichting. In aanvulling op de als bijlage bijgevoegde Nota beantwoording van zienswijzen is de toelichting ambtshalve gewijzigd. Op 16 juli 2020 is nieuw woonbeleid door de gemeenteraad van Vijfheerenlanden vastgesteld. Paragraaf 3.3.2 is naar aanleiding hiervan aangepast. Ook is de parkeernorm aangepast naar 1,4 parkeerplaatsen per woning, gezien vanwege de ligging binnen de stadsgracht van Vianen een lagere parkeernorm toegepast kan worden. Paragraaf 4.1 is naar aanleiding hiervan aangepast. Artikel 8.3 van de planregels is aangevuld. Het voorziet nu in een maximale overschrijding van de balkons. Ten slotte is ook de uitgevoerde stikstofberekening geactualiseerd, waarbij gebruik gemaakt is van de meest actuele AERIUS-tool. Het bestemmingsplan wordt naar aanleiding van de ingediende zienswijzen gewijzigd vastgesteld.

Hoofdstuk 6

52

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: Nader bodemonderzoek 2018 Bijlage 5: Waterparagraaf Bijlage 6: Archeologisch onderzoek Bijlage 7: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 8: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 9: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 10: Vervolgonderzoek huismus en vleermuis Bijlage 11: Nota beantwoording van zienswijze

Hoofdstuk 6

53

Walsland 44, Vianen

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 9

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

10

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Waarde - Archeologie - 1 Waarde - Beschermd stadsgezicht

10 11 13 16

Hoofdstuk 3

Algemene regels

18

Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

18 19 20 21 22 23

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

24

Artikel 13 Artikel 14

Overgangsrecht Slotregel

24 25

2

Bestemmingsplan "Walsland 44, Vianen" (vastgesteld)

Regels

Hoofdstuk 6

55

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

Plan

het bestemmingsplan Walsland 44, Vianen met identificatienummer NL.IMRO.1961.bpVIwalsland44-VA01 van de gemeente Vijfheerenlanden; 1.2

Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

aan- of uitbouw

een gebouw dat aangebouwd is aan een woning of woongebouw en rechtstreeks van daaruit toegankelijk is; 1.6

archeologisch deskundige

de gemeentelijke (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologie; 1.7

archeologische monumenten

terrein dat van algemeen belang is wegens de daar aanwezige zaken die ten minste 50 jaar geleden zijn vervaardigd en die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde; 1.8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=8d51866b-35ed-4897-9f7f-94ad0b40e569