CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels bestemmingsplan - Walsland 44, Vianen.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 juli 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Walsland 44 Vianen22.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Walsland 44, Vianen Gemeente Vijfheerenlanden Vastgesteld

Bestemmingsplan Walsland 44, Vianen Gemeente Vijfheerenlanden Vastgesteld

Rapportnummer:

P02607_3

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1961.bpVIwalsland44-VA01

Datum:

20 mei 2021

Projectteam BRO:

RF, DvM

Concept:

maart 2020

Voorontwerp:

juli 2020

Ontwerp:

november 2020

Vaststelling:

mei 2021

Bron foto kaft:

Voss Architecture

Beknopte inhoud:

--

BRO Vestiging Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E info@bro.nl

Toelichting

Hoofdstuk 6

54

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 6 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

8 8 9

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

11 11

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

11 12 12 13

3.2.1 Provinciaal ruimtelijke structuurvisie 2013 - 2028 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 3.3 Gemeentelijk beleid

13 13 14

3.3.1 Structuurvisie Vianen 2030 3.3.2 Woonvisie Vijfheerenlanden 2020-2025 3.3.3 Beschermd stadsgezicht 3.3.4 Welstandsnota Vianen 3.3.5 Nota Parkeernormen

14 15 16 16 18

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

19 19

4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid

19 19 21 21

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

21 22 23 23

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek

23 24

Inhoudsopgave

1

4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

25 25

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Externe veiligheid

25 26 27 27

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Ecologie

27 28 29 29

4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Bodem

29 30 31 32

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Water

32 32 32 33

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Waterhuishouding 4.8.3 Gevolgen planvoornemen 4.8.4 Conclusie 4.9 Archeologie

33 34 39 42 42

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Cultuurhistorie

42 42 43 43

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling

43 44 45 45

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Bestemmingen

47 47 48

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

50 50

6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inhoudsopgave

50 50 51

2

6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Zienswijzen

51 51 51

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: Nader bodemonderzoek 2018 Bijlage 5: Waterparagraaf Bijlage 6: Archeologisch onderzoek Bijlage 7: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 8: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 9: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 10: Vervolgonderzoek huismus en vleermuis Bijlage 11: Nota beantwoording van zienswijze

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om op de gronden ter plaatse van Walsland 44 te Vianen een nieuw wooncomplex te realiseren. Op de percelen staat momenteel een vrijstaand woonhuis en enkele bijgebouwen. De bestaande bebouwing zal worden gesloopt. In de gewenste situatie wordt een wooncomplex gerealiseerd waarin maximaal 12 appartementen gerealiseerd moeten worden, 6 op de begane grond en 6 op de eerste en tweede verdieping. Daarnaast worden er voldoende parkeerplaatsen aan de westkant van het terrein gerealiseerd om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Het plangebied is volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (vastgesteld op 6 juni 2013) bestemd voor wonen, bedrijfsdoeleinden en tuin. De beoogde appartementen kunnen niet gerealiseerd worden binnen deze bestemmingen. Om deze reden is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk om de gewenste appartementen te realiseren en geeft de nieuwe kaders voor het plangebied aan.

1.2 Plangebied Het plangebied ligt aan de oostelijke rand van de binnenstad van Vianen, ingeklemd tussen het Walsland en de stadsgracht welke de binnenstad van Vianen omringt. Het betreft het perceel ter hoogte van huisnummers 44 en 44a welke kadastraal bekend staat als gemeente Vianen, sectie A en perceelnummer 2883. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied in de omgeving weergegeven. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 1.475 m2.

Hoofdstuk 1

4

Binnenstad Vianen

Figuur 1.1: Ligging en globale begrenzing plangebied

Hoofdstuk 1

5

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (vastgesteld op 6 juni 2013). Een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied, is weergegeven in figuur 1.2. Hierop is te zien dat binnen het plangebied (rood omkaderd) een deel bestemd is voor ‘wonen’, een deel voor ‘tuin’ en een deel bestemd is voor bedrijfsdoeleinden.

Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding ‘Binnenstad’ (d.d. 6 juni 2013)

Het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Binnenstad’ staat de ontwikkeling van het beoogde wooncomplex niet rechtstreeks toe, aangezien de locatie - met uitzondering van het perceel waarop de vrijstaande woning staat- bestemd is voor tuin- en bedrijfsdoeleinden. In het bestemmingsplan is ter plaatse van het betreffende perceel een gebiedsaanduiding opgenomen die het mogelijk maakt de bestemmingen ‘bedrijf’ en ‘tuin’ te wijzigingen in o.a. de bestemming ‘wonen’. Er kan echter geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid, aangezien het aantal woningen meer bedraagt dan de toegestane 10 woningen in de wijzigingsvoorwaarden. Daarbij dienen de woningen zoveel mogelijk in de bestaande rooilijn te worden gebouwd. Het bouwplan voldoet niet aan deze voorwaarden. Om deze redenen is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk om de gewenste appartementen te realiseren en geeft de nieuwe kaders aan het plangebied.

Hoofdstuk 1

6

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is conform het geldende bestemmingsplan in de huidige situatie bestemd voor woon-, tuin- en bedrijfsdoeleinden. Ter plaatse van de woon- en tuinbestemming staat momenteel een vrijstaand woonhuis met omliggende tuin. Aan de waterkant staan twee in het bomenregister benoemde treurwilgen. Ter plaatse van de bedrijfsbestemming staat nu een loods (figuren 2.1 en 2.2). Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door een bibliotheek. Aan de oostzijde vormt de stadsgracht de grens van het plangebied. Verder komen rondom het plangebied enkel woningen voor.

Figuur 2.1: Zicht op vrijstaande woning vanuit noorden (boven) en op bedrijfsloods vanuit het noorden (onder) (Bron: Google Maps)

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.2: Luchtfoto huidige situatie plangebied vanuit het zuidwesten (bron: Google Maps)

2.2 Toekomstige situatie In de nieuwe situatie wordt op het perceel een appartementengebouw gerealiseerd van (aan straatzijde) twee bouwlagen met kap. Het complex biedt plaats aan 12 appartementen, waarvan 6 appartementen met vloer op de begane grond en waterniveau en 6 appartementen met vloer op de eerste en tweede verdieping. Aan de waterzijde kan door het aflopende profiel van de kavel een derde, verdiepte bouwlaag worden gerealiseerd (zie figuur 2.3). Dit sluit aan op de woningen die direct ten noorden van het perceel liggen. De voor- en achtergevels van het gebouw wisselen in breedte en rooilijn, waardoor een gevarieerd beeld ontstaat. De gevels zijn opgebouwd uit losse verticaal georiënteerde volumes met zadeldaken. De rooilijn van het wooncomplex ligt terug van de straat om aan de straatzijde parkeren mogelijk te maken, door middel van haaksparkeren (figuur 2.4). Er worden in totaal 21 parkeerplaatsen gerealiseerd, onderbroken door vijf groenaccenten. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gemeentelijke parkeernota, welke 18 parkeerplaatsen verplicht stelt bij de beoogde ontwikkeling. Aan de waterzijde worden drie bomen geplant, ter compensatie van de twee te kappen bomen op het perceel.

Hoofdstuk 2

9

Figuur 2.3: Opzet wooncomplex (bron: Voss Architecture)

Figuur 2.4: Nieuwe situatie, met verspringende rooilijn (bron: Voss Architecture)

Hoofdstuk 2

10

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid:  een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;  ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;  ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;  efficiënt gebruik van de ondergrond;  een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;  betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen;  het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen;  verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;  ruimte voor waterveiligheid, een duurzame

zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;  ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;  ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;  ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;  zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd. Doorwerking plangebied Onderhavig plangebied bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van Rijksbelang. Daarnaast worden in het SIVR geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Gelet op de aard en de geringe omvang van het plan zijn er geen Rijksbelangen in het geding. In paragraaf 3.1.3 wordt ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Hoofdstuk 3

11

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied De voorgenomen ontwikkeling speelt zich af op lokaal niveau en heeft, gelet op de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkeling, geen relatie met het ruimtelijkeordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking binnen dit bestemmingsplan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (Artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Uit jurisprudentie blijkt dat er bij een planomvang vanaf 12 woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In voorliggend geval worden er ten opzichte van de huidige situatie, waarin reeds één woning aanwezig is, 11 extra wooneenheden gerealiseerd.

Geconcludeerd wordt dat in onderhavige situatie geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro) is dus niet verplicht. Gelet op de ligging van het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied en de ruimtelijke structuren kan tevens geconcludeerd worden dat er sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Via dit initiatief wordt immers voldaan aan de wens en ambitie om nieuwe ontwikkelingen waar mogelijk te ontwikkelen binnen bestaand stedelijk gebied. Bovendien wordt er ingespeeld op de doelstelling die gesteld is in de woonvisie van de gemeente Vijfheerenlanden (vastgesteld op 16 juli 2020) om 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

12

levrensloopbestendige woonruimtes te creëren voor senioren (zie paragraaf 3.3.2). Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 12 appartementen die voornamelijk bestemd zijn voor senioren met een hoger inkomen. Hiermee wordt aangesloten op de woonvisie van de gemeente Vijfheerenlanden en past het plan binnen het gedachtegoed van de ladder voor duurzame verstelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal ruimtelijke structuurvisie 2013 - 2028 De provinciaal ruimtelijke structuurvisie is op 4 februari 2013 vastgesteld door de Provinciale Staten. De provinciaal ruimtelijke structuurvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Na diverse correcties en verrijkingen hebben de Provinciale Staten van Utrecht op 20 december 2018 de geconsolideerde versie van de PRS 2013-2028 vastgesteld. De ambitie is dat de provincie Utrecht aantrekkelijk blijft om te wonen, werken en recreëren. De met vele regiopartijen opgestelde Strategie Utrecht2040 is daarbij de stip aan de horizon. Het ruimtelijk beleidsvizier is daar op gericht. De doelen uit Strategie Utrecht2040 vragen om een integrale aanpak die voor het ruimtelijk beleid resulteert in drie pijlers:  een duurzame leefomgeving  vitale dorpen en steden  landelijk gebied met kwaliteit Deze pijlers leiden tot belangrijke beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats. Dit leidt er onder andere toe dat het accent op binnenstedelijke opgaven wordt gelegd. Gestreefd wordt om ten minste 2/3 van de woningbouwopgave binnenstedelijk te realiseren.

Dit sluit aan bij de vraag, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave. Doorwerking plangebied De ontwikkeling past binnen de ruimtelijke structuurvisie want de bestemmingswijziging draagt bij aan vitale dorpen en steden. Daarbij wordt het woningbouwprogramma gerealiseerd binnen de rode contouren van de beleidsvisiekaart en wordt er een bijdrage geleverd aan de binnenstedelijke ontwikkeling van woningen. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening De verordening is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht. De verordening is een uitwerking van het ruimtelijk beleid uit de provinciale structuurvisie in toetsbare regels. De verordening stelt regels en voorwaarden waaraan de inhoud van (gemeentelijke) bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen moeten voldoen. Op 12 december 2016 hebben Provinciale Staten van Utrecht de herijking van de PRV 2013-2028 vastgesteld. Na diverse correcties en verrijkingen hebben de Provinciale Staten van Utrecht op 12 december 2018 de geconsolideerde versie van de PRV 2013-2028 vastgesteld.

Hoofdstuk 3

13

Doorwerking plangebied Voorliggend plangebied is gelegen in het stedelijk gebied. De provinciale verordening geeft maar beperkt randvoorwaarden voor het stedelijk gebied. In de verordening staat dat een bestemmingsplan regels kan omvatten voor verstedelijking. Voorliggend plan betreft het vastleggen van bestaande verstedelijking. Er is derhalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de provinciale ruimtelijke verordening. Voorliggend plan is dan ook niet in strijd met de provinciale verordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Vianen 2030 De Structuurvisie Vianen 2030, vastgesteld op 4 december 2012 door de gemeenteraad van Vianen (nu gemeente Vijfheerenlanden), vormt een actualisatie van de gemeentelijke Structuurvisie Vianen 2015 en borduurt daar in hoofdlijnen op voort. Het doel van de actualisatie van de structuurvisie is te voldoen aan de Wet ruimtelijke ordening. De visie (het wensbeeld) loopt tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De structuurvisie formuleert beleid en bevat doelstellingen voor de diverse thema’s zoals landschap, natuur, water, recreatie en toerisme, voorzieningen, wonen, bedrijventerreinen en infrastructuur en verkeer. De gemeente beoogt de komende jaren de binnenstad van Vianen en het aangrenzende Sluiseiland verder te versterken als hoofdvoorzieningencentrum en toeristische trekker (binnenstad), in combinatie met nieuwe woningen (Sluiseiland). Belangrijke kwaliteiten van het hoofdvoorzieningencentrum moeten zijn de aanwezigheid van horeca en een kernwinkelapparaat. Ook dienen er sociaal culturele voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen en publieke ruimten aanwezig te zijn. Doorwerking plangebied De locatie is gelegen in een bestaand woongebied. Op de kaart van de structuurvisie ligt het plangebied in de ‘Oude Binnenstad’.

Verder worden er in de structuurvisie geen regels of restricties genoemd die van toepassing zijn op dit gebied. Voorliggend plan is daarom niet in strijd met dit beleid.

Hoofdstuk 3

14

Figuur 3.1: Uitsnede structuurvisie, plangebied zwart omkaderd

3.3.2 Woonvisie Vijfheerenlanden 2020-2025 De gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden heeft op 16 juli 2020 de nieuwe woonvisie ‘samen sterk, met eigenheid en diversiteit’ vastgesteld. Het doel van de nieuwe Woonvisie voor Vijfheerenlanden is dat het voor iedereen goed wonen is in Vijfheerenlanden en de woonwensen en woningbehoefte van al onze inwoners zoveel mogelijk binnen onze gemeentegrenzen mogelijk te maken. Het resultaat is een Woonvisie op hoofdlijnen met puntig geformuleerd waar Vijfheerenlanden naar toe wil de komende jaren op het gebied van wonen, passend binnen de ambities zoals die zijn neergelegd in de regionale samenwerkingsverbanden U16, en de netwerksamenwerking Alblasserwaard- Vijfheerenlanden.

De hoofdonderwerpen van de woonvisie zijn als volgt:  Goed wonen in Vijfheerenlanden: de kwaliteit van de woningvoorraad is belangrijk: duurzaam en levensloopbestendig;  Betaalbaarheid en beschikbaarheid: betaalbare woningen en meer mogelijkheden om door te stromen;  Vitale kernen: in elke kern zijn bouwmogelijkheden en is aandacht voor levenloopbestendig maken en verduurzamen van bestaande woningen;  Aantrekkelijke nieuwbouw: we bouwen passend bij de kern en hanteren minstens 30% sociale woningbouw over de hele gemeente;  Wonen, zorg en langer zelfstandig wonen: we stimuleren levensloopbestendig maken van woningen en blijversleningen om dit te bekostigen voor inwoners die zo lang mogelijk thuis willen blijven wonen;  Aanpasbaarheid en duurzaamheid: we stimuleren het verduurzamen van woningen en maken afspraken met corporaties en particulieren om dit te realiseren;  De bewoner aan zet: initiatieven van onderop. We denken graag mee in wooninitiatieven en ideeën van bewoners over wonen in hun eigen kern.

Hoofdstuk 3

15

Doorwerking plangebied Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 12 appartementen die voornamelijk bestemd zijn voor senioren met een hoger inkomen. De voorgenomen woningbouwontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt past binnen de gemeentelijke woonvisie. Door (deels levensloopbestendige) woningen aan te bieden in het juiste segment en de juiste doelgroepen (senioren) wordt een bijdrage geleverd aan de lokale woningbouwbehoefte en wordt de doorstroming op de woningmarkt bevordert. Vanuit kwantitatief oogpunt past een toevoeging van 12 woningen in het dorp Vianen binnen de nog in te vullen woningbouwbehoefte op nog ‘vrij’ te ontwikkelen locaties. Het onderhavige plan zorgt voor een kwalitatieve impuls aan de woonomgeving en zorgt voor doorstroming in de (lokale) woningmarkt en draagt bij aan de visie bij te dragen bij de vitaliteit van de kernen in de gemeente. 3.3.3 Beschermd stadsgezicht De aanwijzing van het plangebied tot beschermd stadsgezicht heeft gevolgen voor het gebruik en de vormgeving van de panden en terreinen binnen het beschermd stadsgezicht. Doel van de aanwijzing is om de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied.

De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voort bouwt. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is niet bedoeld om de bestaande toestand in al zijn facetten te 'bevriezen'. De binnenstad moet kunnen leven. Bovendien kunnen nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van waardevolle aspecten binnen het gebied. Voor zover bebouwing en openbare ruimten als gevolg van de aanwijzing worden aangemerkt als waardevol, is het de bedoeling om de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van gebouwen en terreinen hierop af te stemmen. Het beschermd stadsgezicht vormt in dit verband een historische stedenbouwkundige eenheid. De opgave van het momenteel vigerende bestemmingsplan “Binnenstad” is om bij nieuwe ontwikkelingen die historische stedenbouwkundige eenheid zoveel mogelijk te versterken. Welstandsnota / Beeldkwaliteitplan Architectonische aspecten zoals materiaalkeuze, kleurgebruik, gevelindeling en detaillering vallen veeleer op het terrein van het Welstandsadvisering. De welstandsnota is, naast het bestemmingsplan, een essentieel instrument voor de bescherming van het stadsgezicht. In de welstandsnota is al rekening gehouden met deze bijzondere gebieden. Daarbij is aangesloten op de ABC-zonering uit het beschermd stadsgezicht.

Zie hierover paragraaf 3.3.3van deze toelichting. Het beeldkwaliteitplan “Walsland 44 te Vianen” (zie bijlagen) is een nadere uitwerking van de Welstandsnota voor de Walsland. Dit beeldkwaliteitplan geeft een nader kader voor de welstandtoetsing de ontwikkeling aan de Walsland 44. Het voorziet de benodigde welstandskaders voor dit gebied door het benoemen aan welke architectonische en inrichtingseisen het bouwplan moet voldoen. 3.3.4 Welstandsnota Vianen De voormalige gemeente Vianen heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet. Met de herziening van 2015 heeft de gemeente het beleid geactualiseerd en waar mogelijk vereenvoudigd. Op 29 september 2015 is de herziening van de Welstandsnota Vianen vastgesteld. Doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen

Hoofdstuk 3

16

en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. De Welstandsnota kent aan elk gebied in Vianen een welstandsniveau toe. Bouwaanvragen ten aanzien van het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken worden aan welstandseisen getoetst. De binnenstad van Vianen valt onder de categorie ‘bijzonder’. Het beleid is gericht op het behoud van het aanwezige historische karakter met gevarieerde bebouwing in een samenhangende structuur van afwisselende straten. Bij de advisering zal onder meer aandacht geschonken worden aan het behoud van het kleinschalige, gegroeide karakter dat af te lezen is aan de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.

Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving getoetst aan de hand van de volgende criteria: Ligging  het kleinstedelijke karakter van het gebied behouden en versterken;  rooilijnen van de hoofdmassa’s zijn aaneengesloten en verspringen hier en daar, bij rijen is de rooilijn in samenhang;  gebouwen oriënteren op de belangrijkste openbare ruimte(n);  per kavel is er één hoofdmassa, welke direct aan de straat of het plein staat. Bouwmassa  de bouwmassa is evenwichtig, in harmonie met het gebiedskarakter en afgestemd op oorspronkelijke bebouwingskenmerken (hoofdvorm en nokrichting);  gebouwen zijn individueel en afwisselend en hebben een eenvoudige tot gedifferentieerd opbouw met in beginsel een rechthoekige of op de situatie aangepaste plattegrond;  de individuele woning binnen een rij of complex is deel van het geheel;  gebouwen hebben in beginsel één of twee lagen met eenduidige, nadrukkelijke kap;  kapvormen zijn afwisselend, de nok is evenwijdig aan of staat haaks op de weg;  goothoogten en gevelbeëindigingen verschillen van belendingen;  de entree ligt in principe aan de belangrijkste openbare ruimte;  uitbreidingen waaronder op- en aanbouwen zoals dakkapellen vormgeven als toegevoegd;  ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa.

Architectonische uitwerking  de architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en evenwichtig;  de architectuur volgt het beeld van kleinschalige bebouwing met nadruk op de kap, grotere massa’s onderverdelen;  gevels hebben in beginsel een klassieke indeling met een verticale geleding• begane grondlaag afstemmen op geleding, ritmiek en stijl van de hele gevel;  elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen, zijgevels hebben in beginsel vensters;  traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen zijn het uitgangspunt  ramen in beginsel staand of (verticaal) onderverdelen;  wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume.

Hoofdstuk 3

17

Materiaal en kleur  materialen en kleuren zijn in beginsel traditioneel en passen in het stadsbeeld;  gevels in hoofdzaak uitvoeren in baksteen of in een witte of lichte grijstint pleisteren, hellende daken dekken met (matte) keramische pannen, natuursteen leien of natuurlijk riet (zink in beperkte mate);  houtwerk schilderen in traditionele kleuren;  kleuren afstemmen op belendingen;  aan- en bijgebouwen in kleur en materiaal afstemmen op het hoofdgebouw. Doorwerking plangebied Het wooncomplex wordt dusdanig ontworpen, zodat het bouwplan past binnen de welstandseisen uit de Welstandsnota Vianen. 3.3.5 Nota Parkeernormen Bij nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwbouw, uit en inbreidingsprojecten hanteert de gemeente de parkeernorm zoals deze is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen’ van de voormalige gemeente Vianen 23 april 2013. Het aantal parkeerplaatsen per woning is daarbij afhankelijk van het type stedelijke zone (wel of geen binnenstad) en het soort woning (o.a. prijsklasse). Zie hierover paragraaf 4.1 van deze toelichting.

Hoofdstuk 3

18

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Verkeer Een toename of wijziging van functies zorgt voor een verandering in de verkeersgeneratie. Met behulp van de CROW-publicatie 381 kan de verkeersgeneratie van een bepaalde functie worden berekend. Een eventuele toename mag niet voor negatieve effecten zorgen met betrekking tot de verkeersdrukte en –veiligheid. Parkeren De parkeernormen van de gemeente Vijfheerenlanden zijn opgenomen in de “Nota Parkeernormen” van de voormalige gemeente Vianen (d.d. 23 april 2013). De gemeente Vianen gebruikt als uitgangspunt voor de parkeernormen de richtlijnen van het CROW.

Tabel 4.1: Parkeernormen woningen

In de tabel mag gekozen worden voor: ‘weinig stedelijk’ en ‘centrum’ vanwege de ligging binnen de stadsgracht van Vianen. Er dient gerekend te worden met een gemiddelde van minimum en maximum. Het parkeerkerncijfer per appartement is dus 1,4 p.p. per woning. 4.1.2 Onderzoek Verkeer Met gebruik van de CROW verkeersgeneratie tool is berekend dat de 12 gewenste appartementen in totaal 49 personenwagenbewegingen per gemiddelde weekdag genereren. Vergeleken met de vroegere situatie2 zal de verkeersgeneratie dan ook toenemen met ca. 29 mvt/etmaal (zie tabel 4.2).

2

Berekening CROW-tool, uitgaande van 1 vrijstaande koopwoning (7 mvt/etmaal) en 400 m2 bedrijf afbeidsext./ bezoekersext. (16 mvt/etmaal)

Hoofdstuk 4

19

Verkeersgeneratie (gemiddelde weekdag) Bestaande situatie 1 vrijstaande woning Arbeids-/bezoekersextensief bedrijf (ca. 325 m 2 bvo) Toekomstige situatie 12 appartementen Toename

7 mvt/etmaal 13 mvt/etmaal 49 mvt/etmaal 29 mvt/etmaal

Tabel 4.2: Effect van beoogde ontwikkeling op de verkeersgeneratie

Er kan daarom vanuit gegaan worden dat de huidige infrastructuur het toekomstige verkeer goed kan verwerken. Het Walsland is een weg waar de snelheid maximaal 30 km/uur bedraagt. Dit verandert met het plan niet. Een nieuwbouwplan in deze omvang past goed binnen dit verkeersregiem. Het verkeer van de nieuwe woningen wordt middels de bestaande Walsland afgewikkeld. Dit kan op een verkeersveilige en overzichtelijke wijze. Het onderdeel ‘verkeer’ zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Parkeren Met betrekking tot parkeren wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota parkeernormen 2013' van de voormalige gemeente Vianen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen woningen in het centrum/binnenstad en de rest van de bebouwde kom. Essentieel is wat er in de huidige situatie in het plangebied aanwezig is. Momenteel staan in het plangebied een loods en een vrijstaand woonhuis. De loods valt het in publicatie 317 CROW onder de categorie “arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf”. Vianen valt in de stedelijkheidsklasse “weinig stedelijk”. De gemeente hanteert voor bedrijven het gemiddelde tussen de minimum en de maximum kencijfers. Het gebied bevindt zich in het centrum. Gehanteerde norm wordt dan het gemiddelde tussen 0,4 en 0,9 = 0,65 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Het te slopen bedrijf heeft een oppervlakte van 325 m2 bvo.

De parkeereis voor het te slopen bedrijf is daarmee 3,25 x 0,65 = 2,1 parkeerplaatsen. De te slopen woning valt onder de categorie ‘woning duur’ en heeft daarmee een parkeereis van 1,8 parkeerplek. Gezamenlijk is de parkeereis in de huidige situatie 3,9 parkeerplaatsen, welke middels langsparkeren in de openbare ruimte worden opgevangen. Met onderhavig plan worden 12 appartementen mogelijk gemaakt. De beoogde appartementen vallen onder de categorie ‘appartement, midden’. Voor deze woningen geldt daarom een parkeernorm van minimaal 1,4 parkeerplaats per woning. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van 18 parkeerplaatsen.

Bestaande situatie 1 vrijstaande woning Arbeids-/bezoekersextensief bedrijf (ca. 325 m 2 bvo) Toekomstige situatie 12 appartementen (appartement, midden)

Hoofdstuk 4

Norm

Minimaal aantal parkeerplaatsen

1, 8 pp 0.65 pp

1,8 pp 2,1 pp

1,4 pp

17 pp

20

Aantal Bestaande situatie Openbare parkeerplaatsen Toegewezen parkeerplaatsen aan huidige bebouwing

6 pp 3,9 pp

Algemene openbare parkeerplaatsen

3 pp

Toekomstige situatie 12 appartementen (woning midden) Vervallen algemeen openbare parkeerplaatsen

17 pp 3 pp

Totaal te realiseren parkeerplaatsen

20

Tabel 4.3: Parkeereis in huidige en toekomstige situatie

De huidige parkeerplaatsen in het openbaargebied die komen te vervallen (3 parkeerplaatsen) dienen herplaatst te worden. In totaal moeten daarom 20 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Zoals blijkt uit de planbeschrijving (paragraaf 2.2.) worden er in totaal 21 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen van de voormalige gemeente Vianen. Het onderdeel ‘parkeren’ zorgt dan ook niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. 4.1.3 Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied

Hoofdstuk 4

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

21

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale

Artikel

ontheffingswaarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

4.2.2 Onderzoek Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, zoals wonen, binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Omdat het plan gelegen is binnen de geluidzone van de Kanaalweg, Brugdijk en Jan Blankenweg is er akoestisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van dit onderzoek. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de Jan Blankenweg, Brugdijk en de Brugstraat respectievelijk maximaal 41, 37 en 35 dB is, incl. aftrek artikel 110g. Deze waarden liggen onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze wegen hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze wegen geen restricties op aan het plan. De geluidbelasting ten gevolge van de Kanaalweg is maximaal 52 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde wel overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Bij de gemeente Vijfheerenlanden kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd tussen bestaande woningen in.

Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding stuit op financiële bezwaren. Het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidsscherm/wal om de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de gevel te verlagen stuit op bezwaren van financiële- en stedenbouwkundige aard.

Hoofdstuk 4

22

Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, wordt bij de gemeente Vijfheerenlanden aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden gesteld beschreven in het hogere waarde beleid. Dit betekent dat elke woning dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Zoals uit het akoestisch onderzoek blijkt beschikt het gebouw over tenminste één geluidluwe gevel, de voorgevel is een geluidluwe gevel. Indien de woning beschikt over één of meer buitenruimtes dan dient minimaal één buitenruimte te liggen aan een geluidluwe zijde. Volgens tabel 4.1 t/m 4.4 is zichtbaar dat de voorgevel van het gebouw beschikt over een geluidluwe gevel, de buitenruimtes dienen aan deze gevel gelegen worden. Indien dit niet mogelijk is dan stelt het hogere waarde beleid de optie dat de gevel grenzend aan de buitenruimte niet meer dan 5 dB hoger te zijn dan de voorkeurswaarde. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat alle gevels van het gebouw hieraan voldoen. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, wordt bij de gemeente Vijfheerenlanden aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden gesteld beschreven in het hogere waarde beleid.

Vanuit het hogere waarde beleid van de gemeente Vijfheerenlanden wordt tevens de voorwaarde gesteld dat bij een cluster van 10 woningen of meer er meerder planopzetten beschouwd worden en wordt gemotiveerd waarom er voor de voorgestelde planopzet is gekozen met een afweging over een goede woon- en leef kwaliteit van de woningen. Voor onderhavig project is in eerste instantie een planopzet uitgewerkt waarin de benodigde parkeervoorzieningen onder het complex waren geprojecteerd. Vanuit financiële overwegingen bleek dit ontwerp niet haalbaar. In het nieuwe ontwerp is er daarom voor gekozen de benodigde parkeerplaatsen op straatniveau op te lossen. Omdat de woningen hierdoor meer naar achter (richting de Kanaalweg) zijn geschoven, is ervoor gekozen de woningen in de breedte op te zetten (ca. 11 meter) en de diepte van de woningen in te korten (naar ca. 8 meter). Hierdoor wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het akoestisch klimaat ter plaatse van de woningen en wordt er tevens een oplossing geboden voor de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners van het complex. Bovendien is in het ontwerp rekening gehouden met de indeling van de woningen. Zo bevinden zich de geluidgevoelige vertrekken zoveel mogelijk aan de geluidluwe gevel.

4.2.3 Conclusie Uit de berekeningen van het wegverkeerslawaai blijkt dat de Kanaalweg leidt tot (lichte) overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Er zal bij de gemeente Vijfheerenlanden een verzoek ingediend moeten worden voor het verlenen van een hogere waarde.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Hoofdstuk 4

23

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Invloed van het plan op de luchtkwaliteit Het beoogde initiatief om maximaal 12 woningen te realiseren ligt ruim onder de NIBM-grens voor woningbouwontwikkelingen.

Een project draagt in niet betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als het gaat om de realisatie van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg en minder dan 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen. Geconcludeerd wordt dat de bijdrage van het verkeer door onderhavig plan ‘niet in betekenende mate’ is. Om deze reden wordt een nader onderzoek naar luchtkwaliteit niet noodzakelijk geacht. Invloed van de luchtkwaliteit op het plan Ook moet gekeken worden naar de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. De achtergrondwaarden van stikstof en fijnstof in de lucht, kunnen worden achterhaald middels de NSLmonitoringstool. In figuur 4.4 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de waarden ruim onder de norm liggen. Om deze reden kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

24

1

2

3

Figuur 4.1: Achtergrondwaarden luchtkwaliteit (bron: NSL-monitoringstool)

Meetpunt

Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

1 2 3 Norm

184151 184159 184153

20,6 20,6 20,6 40

18,7 18,7 18,9 40

PM10 overschrijdingsdagen 6,6 6,6 6,8 35

PM2.5 μg/m3 11,2 11,2 11,4 25

4.3.3 Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden

Hoofdstuk 4

25

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Onderhavig plangebied kan gezien worden als een rustige woonwijk. 4.4.2 Onderzoek Invloed van het initiatief op de omgeving Met dit initiatief worden in totaal maximaal 12 woningen mogelijk gemaakt. Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. Een woning kent dan ook geen milieucategorie of een aan te houden richtafstand. Negatieve invloed op het woon- en leefklimaat bij omliggende milieugevoelige functies is dan ook uit te sluiten. Invloed van de omgeving op het initiatief Woningen worden aangemerkt als gevoelige functie. Om te bepalen of sprake is van een goed woonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen, is van belang dat er geen hinder ontstaat vanwege bijvoorbeeld geur of geluid door omliggende milieubelastende functies. Direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich bestemming “Gemengd-1”. Binnen deze bestemming zijn maatschappelijke functies, horeca en maximaal bedrijven met milieucategorie 2 togestaan. Daarvoor geldt richtafstanden van 10 meter.

Momenteel is op deze locatie Direct ten aan de Spekdam 2 ‘Bibliotheek Vianen’ gevestigd. Voor dergelijke instanties geldt een richtafstand van 10 meter in rustig woongebied. Geluid is hierbij het maatgevende aspect. Zoals blijkt uit de verbeelding, ligt het toekomstige appartementencomplex zo goed als direct tegen deze bibliotheek aan en wordt er niet aan deze richtafstand voldaan. Gezien de kleinschaligheid van de bibliotheek en de aard van de hier gevestigde functies wordt niet verwacht dat er onevenredige hinder zal optreden ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen. De ingang van de bibliotheek is daarbij aan de zuidkant gelegen, aan het overdekte wandelpad. Daarbij wordt de bibliotheek reeds omringd door woningen die maatgevend zijn voor de bedrijfsactiviteiten. De nieuwe woningen zouden vergelijkbaar (niet groter) beperking vormen. Bij 3

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

26

eventuele toekomstige wijziging van het gebruik van de kavel met bestemming “Gemengd-1” moet rekening gehouden worden met bestaande woningen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat bij de bibliotheek geen eigen autoparkeerplaatsen aanwezig zijn en hier dus redelijkerwijs geen activiteiten zullen plaatsvinden met een grote verkeers/publieksaantrekkende werking. Tevens is een bibliotheek een gebiedseigen voorziening voor rustige woongebieden. Verder is er in de nabijheid van het plangebied geen bedrijvigheid aanwezig. Geconcludeerd wordt dat de toekomstige woningen niet worden gehinderd door milieubelastende functies in de omgeving. Om deze reden kan gesteld worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen. 4.4.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de

Hoofdstuk 4

27

verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Figuur 4.2: Achtergrondwaarden luchtkwaliteit (bron: NSL-monitoringstool)

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.5.2 Onderzoek Om inzicht te krijgen in eventuele risicobronnen in de omgeving kan gebruik worden gemaakt van de Risicokaart. In figuur 4.2 is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Op basis van de Risicokaart kan worden gesteld dat in de directe omgeving van de ontwikkeling geen risico’s als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Dit heeft zowel betrekking op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. In bijgaande figuur is te zien dat pas op ca. 700 meter afstand sprake is van een dergelijke transportroute. Risico’s voor de ontwikkeling vanwege de aanwezigheid van deze route op grote afstand zijn verwaarloosbaar klein. Op ca. 700 meter ligt aan de Buitenstad 69 een propaantank met een risicoafstand van 25 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.

Hoofdstuk 4

28

4.5.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.6 Ecologie 4.6.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Uiterwaarden Lek”, bevindt zich op circa 6,2 kilometer afstand ten zuidwesten van het projectgebied . Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 12 woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Gezien de geruime afstand tot een Natura 2000-gebied en de beperkte uitstoot van woningbouw is een toename aan stik-stofdepositie op een Natura 2000-gebied niet te verwachten. Desalniettemin is er een Aerius-berekening uitgevoerd (zie bijlagen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.

Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000- gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische

Hoofdstuk 4

29

begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Daarnaast wordt binnen de provincie Utrecht ook de Groene contour beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.6.2 Onderzoek Er is door BRO in januari 2020 een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor onderhavig plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Uiterwaarden Lek”, bevindt zich op circa 6,2 kilometer afstand ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 12 woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten.

Gezien de geruime afstand tot een Natura 2000-gebied en de beperkte uitstoot van woningbouw is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet te verwachten. Desalniettemin is er een Aeriusberekening uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000- gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 200 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Hoofdstuk 4

30

Soortenbescherming Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort in de garageboxen op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Er heeft daarom vervolgonderzoek plaatsgevonden (zie verderop);  Met betrekking tot foerageer- en vliegroutefuncties van het water voor vleermuizen wordt geadviseerd licht gericht en uitschijnend op het oppervlaktewater te vermijden;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=8d51866b-35ed-4897-9f7f-94ad0b40e569