CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Dorpsstraat 23 Hagestein

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 4 juli 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Dorpsstraat 23 in Hagestein15.237 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? De indicatoren zijn in het hele plangebied aangetroffen.

o

Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Gezien de datering van het opwerpen van het ophoogdek, en de activiteitsfase van de Hagestein stroomgordel zullen de indicatoren uit de Middeleeuwen dateren. De indicatoren zelf zijn echter ongedateerd. Het is niet uit te sluiten dat de indicatoren in de top van de oeverafzettingen nabij de Dorpsstraat dateren van voor de vorming van het antropogene dek. Gezien het ontbreken van bodemvorming of ontkalking is de waarschijnlijkheid hiervan echter laag.

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De hoge verwachting voor archeologische resten in het plangebied kan blijven gehandhaafd.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De bodemverstorende ingrepen van de geplande ontwikkelingen zullen enkel ter hoogte van de geplande nieuwbouw plaatsvinden. Bij de eerste variant voor de funderingsconstructie wordt de ondergrond tot 0,60 cm -mv geroerd. Het is aannemelijk dat bij de graafwerkzaamheden het archeologisch niveau zal worden geraakt. Indien het terrein opgehoogd wordt met 0,4 m zal er geen ernstig informatieverlies optreden aan de archeologische sporen en het risico op fragmentatie van vondsten is gering. Aangezien de vondsten zich in slappe bodemlagen bevinden is het aannemelijk dat bezwijken pas plaatsvindt bij een totale druk van de reeds aanwezige afdekkende lagen inclusief de ophoging van 350 KPa. De beoogde ophoging van 0,4 m zand staat gelijk aan een druk van 7,2 KPa en ligt dus ver onder druk waarbij het risico op fragmentatie optreed. Een risico bij het aanbrengen van een ophoging is dat de bodemlagen verblauwen waardoor de archeologische sporen niet meer herkenbaar zijn. Dit betreft een ernstig informatie verlies. Dit effect kan verkleind worden door er voor te zorgen dat de bodem niet volledig wordt afgedekt, waardoor bodemvocht niet kan verdampen, noch dat regenwater op de oorspronkelijke

Pagina 34 van 57

bodem stagneert. Het aanbrengen van drainage op het huidige maaiveld in combinatie met zand als ophogingsmateriaal wordt daarom geadviseerd indien verkozen wordt om het maaiveld op te hogen. •

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? De aan- of afwezigheid van archeologische resten in het plangebied is met het uitgevoerde onderzoek niet vastgesteld. Om de aan- of afwezigheid van archeologische resten vast te kunnen stellen wordt, indien het niveau door voor de aanleg van de funderingen wordt bedreigd, geadviseerd een archeologisch proefsleuvenonderzoek, protocol begeleiding uit te voeren tijdens het uitgraven van de funderingssleuven. Indien gekozen wordt voor de funderingsvariant met een ophoging van het maaiveld van 0,4 m wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd, mits de bodem niet volledig wordt afgedekt door de ophoging maar drainage op het huidige maaiveld wordt aangebracht en zand als ophogingsmateriaal wordt gebruikt.

Aanbeveling Het is niet uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. ADC ArcheoProjecten adviseert om in het plangebied tijdens de graafwerkzaamheden in een archeologische begeleiding te voorzien, indien de geplande nieuwbouw zonder ophoging wordt aangelegd. De archeologische begeleiding dient hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (AB/IVO-P). Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).

Indien gekozen wordt voor een funderingsvariant met een ophoging van het maaiveld van 0,4 m wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd, mits de bodem niet volledig wordt afgedekt door de ophoging maar drainage op het huidige maaiveld wordt aangebracht en zand als ophogingsmateriaal wordt gebruikt.” Selectiebesluit Het bevoegd gezag heeft het volgende selectieadvies genomen: ‘Op basis van het uitgevoerde bureau- en inventariserend veldonderzoek geldt voor het ophogingspakket binnen het plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Het onderzoeksbureau adviseert een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding uit te laten voeren indien toekomstige ingrepen de bodem dieper dan de top van het archeologische niveau (0,6 m mv; 4,74 m +NAP) zullen verstoren. Wij onderschrijven de conclusie dat een vervolgonderzoek bij verstoring van het ophogingspakket nodig is, maar houden hierbij een buffer van 30 cm aan in verband met werkruimte. Dit betekent dat toekomstige ingrepen de bodem niet dieper dan 0,3 m -Mv mogen verstoren. Ook zijn wij van mening dat in plaats van door middel van een archeologische begeleiding, de archeologische verwachting onderzocht moet worden door middel van een regulier proefsleuvenonderzoek.

Deze onderzoeksvorm is de standaard volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De variant archeologische begeleiding wordt doorgaans toegepast in geval van bijzondere Pagina 35 van 57

omstandigheden of belemmeringen, zoals al aanwezige bebouwing. Deze zijn hier niet van toepassing. Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt ook de optie genoemd om het terrein op te hogen, waardoor vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. Wij kunnen ons hierin vinden, maar stellen dat hierbij de ‘Handreiking Archeologievriendelijk Bouwen’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gevolgd moet worden. Dit betekent dat ook het palenplan archeologievriendelijk moet worden opgesteld, met minimaal 4 meter afstand tussen de rijen palen.’ Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan/bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Er bevinden zich, op basis van de Utrechtse Cultuurhistorische atlas, in de directe omgeving van het plangebied enkele rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Gezien de locatie, aard en omvang van dit plan is geen sprake van aantasting van deze cultuurhistorische waarden.

Verder zijn de cultuurhistorische waardenkaarten van de gemeente Vijfheerenlanden geraadpleegd. Deze bestaan uit de volgende kaarten: 1. Inventarisatie historisch cultuurlandschap 2. Waardering historisch cultuurlandschap 3. Inventarisatie historische bouwkunst en stedenbouw 4. Waardering historische bouwkunst en stedenbouw

Afbeelding 12: Kaart inventarisatie cultuurhistorisch landschap

Pagina 36 van 57

Afbeelding 13: Kaart waardering historisch landschap

Afbeelding 14: Kaart waardering historische bouwkunst en stedenbouw

Pagina 37 van 57

Afbeelding 15: Kaart inventarisatie historische bouwkunst en stedenbouw

Ten aanzien van het cultuurlandschap is het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom dat is geclassificeerd als ‘0 niet gewaardeerd’. Dit betekent dat er geen bijzondere landscapswaarde zijn. Het landschap is sterk veranderd ten opzichte van 1850 of 1930. Voor wat betreft de historische bouwkunst en stedenbouw is het plangebied gelegen binnen het stedenbouwkundig ensemble Hagestein. Het ensemble bestaat uit historische woonhuizen, boerderijen, kerk met entourage en andere artefacten, voornamelijk langs de Dorpsstraat, de hoofdas in de nederzetting. Er is sprake van een bebouwing met een opvallende en gave samenhang in schaal, korrelgrootte, traditionele bouwvormen en -typen en materiaalgebruik, ingebed in een bijzondere en kenmerkende historische nederzettingsstructuur. In het plangebied is geen bouwkunst aanwezig. Het plan ondervindt geen belemmeringen ten aanzien van cultuurhistorische waarden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Er dient aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden. Dit is niet het geval indien wordt gekozen voor een funderingsvariant met een ophoging van het maaiveld van 0,4 m, mits de bodem niet volledig wordt afgedekt door de ophoging maar drainage op het huidige maaiveld wordt aangebracht en zand als ophogingsmateriaal wordt gebruikt.

Pagina 38 van 57

5.6

Waterparagraaf

Beleidskader In het plangebied is waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Watergangen In de omgeving van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied VHL103. Het peilgebied heeft een winter- en zomerpeil van +0,85 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Pagina 39 van 57

Plangebied

Afbeelding 16: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. Het plan voorziet in de realisatie van een woning. Daarmee zal er sprake zijn van een toename in de verharding. Om een indicatie te krijgen van het oppervlak van de toename, is de verharding in de bestaande situatie inzichtelijk gemaakt, alsook in de nieuwe situatie.

Voor wat betreft de nieuwe situatie is uitgegaan dat het erf van de nieuwe vrijstaande woning met 70% zal worden verhard. Daarmee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het waterschap Rivierenland. Tevens is in de regels van dit plan opgenomen dat de verharding ter plaatse van de ontsluiting wordt teruggebracht naar maximaal 50% van het oppervlak. Ook dit aspect is meegenomen in de verhardingsbalans.

Pagina 40 van 57

Afbeelding 17: Overzicht verharding bestaande en nieuwe situatie

In de bestaande situatie is er sprake van (398 + 37 =) 435 m² aan verharding. In de nieuwe situatie zal dat (233 + 308 + 109 =) 650 m² zijn. Zodoende voorziet het plan in een toename van 215 m² aan verharding. Conform de stelregel van het waterschap is daarmee een watercompensatie-opgave nodig van (215 ÷ 10.000 × 436 =) 9,38 m³. Uitgaande van een peil van 0,2 m is daarmee sprake van 46,90 m² aan watercompensatie. Omdat de toename aan verharding kleiner is dan 500 m², kan ook gebruik worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling. In dat geval is er geen watercompensatie nodig. De afdeling Vergunningen van het waterschap zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling. Waar de erfverharding uiteindelijk gaat plaatsvinden zal inzichtelijk worden gemaakt bij de omgevingsvergunningaanvraag. De eventuele watercompensatie zal inzichtelijk worden gemaakt bij de watervergunning. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Pagina 41 van 57

Het beleid van het waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Hemelwater en afvalwater wordt afgevoerd via het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden. Nieuwe rioolaansluitingen dienen te worden aangevraagd via het digitale loket van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

Pagina 42 van 57

5.7

Ecologie

Beleidskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is het wettelijke kader waarin de bescherming van soorten en gebieden is verankerd. De soortenbescherming binnen de Wnb is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura 2000-gebieden en bossen. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten worden of dat er maatregelen genomen worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Ter bescherming van natuurwaarden is er door de Europese Unie een netwerk van speciale beschermingszones aangewezen onder de naam Natura 2000. De richtlijnen zijn in Nederland onder meer verankerd in de Wnb. De Nederlandse Natura 2000-gebieden worden op basis van de Wnb vastgelegd, waarbij de bescherming gericht is op beheer en instandhouding van natuurlijke habitats en leefgebieden van plant- en diersoorten. Kaders hiervoor zijn uitgewerkt in het Natura 2000-doelendocument. Op basis van de Wnb worden speciale beschermingszones aangewezen. Voor deze gebieden worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd.

Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Onderzoek Het plan voorziet in de bouw van een woning, waarbij er tevens groeningrepen plaats zullen vinden. Hiermee is er sprake van werkzaamheden die nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna.

Schuur A

Schuur C

Schuur B

Afbeelding 18: Beoogde ingrepen

Pagina 43 van 57

Om de effecten van het plan op beschermde flora en fauna in beeld te brengen, is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De resultaten van de quickscan luiden: “Soortenbescherming Er dient voorafgaande de sloop van schuur c aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Echter heeft gemeente Vijfheerenlanden verzocht om een Voortoets stikstofdepositie uit te voeren. Een Voortoets is derhalve noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

Conclusie De beoogde sloop van drie schuren, de kap van vijf bomen en de verwijdering van een gedeelte van de heg ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woning aan de Dorpsstraat 23 te Hagestein is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen schuur c een relevante functie heeft voor vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een voortoets stikstof uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden Pagina 44 van 57

gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen • Voor de beoogde sloop van schuur c dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 [van de quickscan] uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator een voortoets stikstof. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).

• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.” Er dient een aanvullend onderzoek naar vleermuis uitgevoerd te worden. De initiatiefnemer heeft Blom Ecologie reeds opdracht gegeven tot het uitvoeren van dit onderzoek. Om te kunnen voldoen aan het vleermuisprotocol, kan het aanvullend onderzoek naar vleermuis niet eerder dan in het najaar van 2024 opgeleverd worden. Omwille van de tijd en de druk op de woningmarkt wordt de Pagina 45 van 57

bestemmingsplanprocedure alvast doorlopen. Dit kan zonder het aanvullend vleermuisonderzoek, als er voldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het soortenbeschermingsregime de planrealisatie niet in de weg staat (zie de uitspraak van de Raad van State, 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1740). Proces De eerste stap in het proces is het uitvoeren van een Quickscan Wet natuurbescherming. Uit dit onderzoek is gebleken dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling resulteert in een overtreding Wet natuurbescherming. De mogelijke overtreding betreft uitsluitend het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen en het verstoren van vleermuizen (Wet nb art. 3.5 lid 2 en lid 4). Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen betreft een jaarrond onderzoek. Hiermee kunnen de resultaten in het najaar van 2024 verkregen worden. Het onderzoek heeft twee mogelijke uitkomsten: 1. Er is geen sprake van vleermuisverblijfplaatsen die weg worden genomen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Er hoeft geen ontheffing Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de ontwikkeling uitgevoerd kan worden. Er hoeven geen verdere vervolgstappen inzake Wet natuurbescherming te worden genomen. 2. Er is wel sprake van vleermuisverblijfplaatsen die weg worden genomen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling.

Er dient een ontheffing Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de ontwikkeling uitgevoerd kan worden. Voorwaarde 1 (Wet nb, artikel 3.8, lid 5a): er bestaat geen andere bevredigende oplossing Voorafgaand van de sloopwerkzaamheden wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen om een woning op de locatie Dorpsstraat 23 te Hagestein toe te kunnen voegen. Om tot een stedenbouwkundig aanvaardbare situatie te komen en de verharding terug te dringen, dienen de bestaande bijgebouwen gesloopt te worden. Daarnaast is het bijgebouw wat verouderd om in de huidige staat te gebruiken als bijgebouw bij een woning. Het pand dient in dat geval beter geïsoleerd te worden en gaatjes en kieren gedicht te worden. Daarbij zou tevens een dakbeschot gerealiseerd kunnen worden. Deze werkzaamheden zouden leiden tot ongeschikt worden van de eventuele verblijfplaatsen. Er is geen bevredigende oplossing voorhanden waarbij eventuele vleermuisverblijfplaatsen behouden kunnen blijven. Voorwaarde 2 (Wnb, artikel 3.8, lid 5b): er is sprake van een wettelijk belang Er zijn diverse wettelijke belangen aan te voeren voor het wegnemen van een vleermuisverblijfplaats.

Het belang zoals omschreven in de Wnb artikel 3.8 lid 5 onder b sub 3 (belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten), is van toepassing op het project. Volgens het in 2019 gesloten Klimaatakkoord moet een op de vijf Nederlandse huizen en gebouwen in 2030 van het gas af zijn (www.rijksoverheid.nl). Ontwikkelingen laten echter zien dat dit met de bestaande bebouwing zeer lastig tot vrijwel onmogelijk is. Nog te bouwen bouwwerken (nieuwbouw) krijgen sinds 1 juli 2018 in beginsel geen aardgasaansluiting meer. De wetgever heeft de Gaswet gewijzigd en zodoende is de uitfasering van het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving in gang gezet. De nieuwe woningen wordt niet meer aangesloten op het gasnetwerk. De woning wordt voorzien van voldoende voorzieningen voor het opwekken van schone energie zodat wordt voldaan aan de huidige EPC-eisen voor nieuwbouw. Pagina 46 van 57

Alle vergunningaanvragen voor nieuwbouw (woningbouw en utiliteitsbouw) moeten voldoen aan de eisen voor Bijna-energie neutrale gebouwen (BENG) zodra deze eisen ingaan. Verder is per 1 juli 2018 de Gaswet veranderd. Hierdoor krijgen de meeste nieuwe gebouwen geen gasaansluiting meer. Dit geldt voor nieuwe gebouwen in de categorie kleinverbruikers, waarvoor de bouwvergunning is aangevraagd op of na 1 juli 2018 (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2020). De nieuwbouw zal derhalve gerealiseerd worden met hoge isolatiewaarden, waardoor minder energie gebruikt hoeft te worden om deze te verwarmen. Dit betekent dat de realisatie van de nieuwbouw zal bijdragen aan het afgesloten Klimaatakkoord en de huidige bouweisen. Op landelijk niveau is er sprake van een woningtekort. Met het toevoegen van een woning contribueert de beoogde ontwikkeling bij aan vergroting van de lokale en nationale woningaanbod. Met vorengenoemde argumenten wordt onderbouwd dat de ontwikkeling nodig is in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.

Voorwaarde 3 (Wnb, artikel 3.8, lid 5c): er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Indien uit het aanvullend vleermuisonderzoek blijkt dat vleermuis het pand gebruikt als verblijfplaats, zal door Blom Ecologie een mitigatie- en compensatieplan worden opgesteld. Hierbij worden voldoende alternatieve tijdelijke en permanente verblijfplaatsen voor vleermuizen aangeboden, zodat de mogelijk aanwezige vleermuizen tijdens en na de ontwikkeling gebruik kunnen maken van geschikte verblijfplaatsen. Het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om voldoende alternatieve tijdelijke en permanente voorzieningen voor vleermuizen toe te passen. Daarnaast voorziet het compensatie- en mitigatieplan in maatregelen om het onnodig verwonden of doden van vleermuizen te voorkomen. Voor alle mogelijk voorkomende soorten geldt dat Blom Ecologie in het verleden met succes ontheffingen hebben aangevraagd en verkregen in diverse provincies, waaronder Utrecht. Daarnaast gaat het om een streven naar, oftewel Blom Ecologie doet op basis van de meest actuele kennis een zo goed en passend mogelijk voorstel ter mitigatie en compensatie.

Dat een eventuele verlening van een ontheffing in de lijn der verwachting ligt, blijkt tevens uit vergelijkbare projecten waarbij een ontheffing Wet natuurbescherming voor het wegnemen van een vleermuisverblijfplaats is verleend. Gewezen wordt op de volgende projecten waar sprake is geweest van een vergelijkbare situatie: • Wegnemen van een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis te Odijk (ZWNBRI-REG-2019-0152) • Wegnemen van een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis te Benschop (ZWNB-RI-REG-2019-2373) • Wegnemen van twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis te Laren (OD.296565) • Wegnemen van een verblijfplaats van gewone grootoorvleermuis te Culemborg (2020-000500) • Wegnemen van vier verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis te Strijen (ODH-2019-00141916) • Wegnemen van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis te Rotterdam (ODH-2021-00017808)

Pagina 47 van 57

Conclusie Uit vorengenoemde blijkt dat, mits noodzakelijk, een ontheffing Wet natuurbescherming redelijkerwijs te verkrijgen is voor de beoogde ontwikkeling aan de Dorpsstraat te Hagestein. Hiermee bestaan er aanknopingspunten voor het oordeel dat het soortenbeschermingsregime de planrealisatie niet in de weg staat. Stikstofdepositie Verder is onderzocht of de aanleg- en gebruiksfase het plan voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Hiervoor is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. De voortoets is toegevoegd als bijlagen bij deze toelichting. De conclusie van de voortoets luidt: “Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.” Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen. Wel dient voorafgaand aan de sloop dient een aanvullend onderzoek naar vleermuis plaats te vinden. Indien uit het aanvullend onderzoek blijkt dat vleermuizen het plangebied niet gebruiken als verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied kan het plan uitgevoerd worden.

Indien uit het aanvullend onderzoek blijkt dat het plangebied wel wordt gebruikt voor vleermuizen, dien een ontheffing te worden aangevraagd. Het verkrijgen van de eventueel benodigde ontheffing ligt in lijn der verwachting. Daarmee is het plan uitvoerbaar.

Pagina 48 van 57

5.8

Luchtkwaliteit

Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Jaargemiddelde Fijnstof (PM10) concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m³

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Vanaf 2015

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekenende mate bijdragen vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2022 voor het jaar 2021 het volgende overzicht (receptor 73547026_16066838): • Een stikstofconcentratie van 15,4 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,9 μg/m3 PM10 met niet meer dan 7 overschrijdingsdagen per jaar; • Een fijnstofconcentratie van 9,7 μg/m3 PM2,5;

Pagina 49 van 57

Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Daarnaast is het plan kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.

Pagina 50 van 57

5.9

Externe veiligheid

Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvind.

Pagina 51 van 57

Plangebied

Afbeelding 19: Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving – veilige leefomgeving

Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In de omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

Pagina 52 van 57

5.10 Technische infrastructuur Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Pagina 53 van 57

6.

Juridische planbeschrijving

6.1

Inleiding

Het bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 23, Hagestein’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 23, Hagestein’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2

Systematiek van de regels

Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Dorpsstraat 23, Hagestein’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Dorpen’ (NL.IMRO.0620.bp0022VG01), het bestemmingsplan ‘Reparatieplan bijgebouwen’ (NL.IMRO.0620.bp0038VG01) en het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ (NL.IMRO.1961.BPWoonenparkeren-VA01). De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3

Bestemmingen

Tuin De tuinbestemming is overgenomen uit het moederplan. In de bestemmingsomschrijving is toegevoegd dat binnen de bestemming ook een toegangsweg is toegestaan. Wonen De woonbestemming wordt overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Binnen de woonbestemming wordt een bouwvlak opgenomen ter plaatse van de beoogde woning. Binnen deze bestemming zijn woningen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak is een maatvoeringsaanduiding opgenomen waarin de maximale goot- en bouwhoogte van 4 en 9 meter zijn opgenomen. Een 'aan-huisverbonden beroep of bedrijf' is niet direct toegestaan. Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de regels om een aan-huisverbonden beroep of bedrijf worden toegestaan, mits wordt voldaan aan de in de regels opgenomen voorwaarden.

Pagina 54 van 57

Bijbehorende bouwwerken zijn binnen en buiten het bouwvlak toegestaan, maar dienen wel in het achtererfgebied te worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte van deze gebouwen betreffen 3 en 4,5 meter. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, zijn aparte maximale maatvoeringen opgenomen. Waarde – Archeologie 1 Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden, is de archeologische dubbelbestemming overgenomen uit het moederplan.

6.4 • • •

Aanduidingen Bouwvlak; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – parkeren’ Maatvoeringsaanduiding: maximum goothoogte: 4,0 m, maximum bouwhoogte: 9 m.

Pagina 55 van 57

7.

Economische uitvoerbaarheid

7.1

Uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van dit plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarin zaken zoals planschade en financiële zekerheidstellingen zijn gewaarborgd.

7.2

Kostenverhaal

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan/ bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt het plan gerealiseerd op particulier initiatief. Initiatiefnemer draagt hiermee de kosten voor de gewenste ontwikkeling. Voor de gemeente Vijfheerenlanden is geen sprake van kosten verbonden aan opstellen van het bestemmingsplan en de uitvoering hiervan. De initiatiefnemer is leges verschuldigd voor het in procedure brengen van dit bestemmingsplan. Met betrekking tot planschade wordt er een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer van dit plan. Hiermee zijn de kosten voor de gemeente anderszins verzekerd. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. Het is niet nodig om voor onderhavig bestemmingsplan een exploitatieplan op te stellen.

Pagina 56 van 57

8.

Overleg en inspraak

8.1

Vooroverleg/inspraak

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Vijfheerenlanden bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan toegestuurd naar de Omgevingsdienst regio Utrecht, de Veiligheidsregio Utrecht, het waterschap Rivierenland, Oasen, Dunea en de interne afdelingen binnen de gemeente Vijfheerenlanden. De reacties uit het vooroverleg gaven geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

8.2

Zienswijzen

Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Dorpsstraat 23, Hagestein’ is conform de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening ter inzage gelegd. Het ontwerpwijzigingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij de mogelijkheid is geboden om zienswijzen in te dienen. Tijdens de terinzagelegging is er één zienswijze ontvangen. De zienswijze is binnen de daarvoor geldende termijn ingediend, en is ontvankelijk verklaard. In de 'Nota beantwoording van zienswijzen' is de ingediende zienswijze samengevat, is de zienswijze voorzien van een beantwoording en is aangegeven of de zienswijze aanleiding geeft tot het aanpassen van het bestemmingsplan. De Nota beantwoording van zienswijzen is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Tevens wordt in de Nota ook ingegaan op de ambtshalve wijzigingen die zijn doorgevoerd.

Pagina 57 van 57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=0d8ba142-cb3d-4075-9fed-06f535815286