Toelichting BPHazelaarplein-VA01.pdf
Tekst van het document
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op voorziet in de realisatie van maximaal 130 woningen. Deze worden in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Voor de onderhavige aanvraag moet inzichtelijk gemaakt worden of er voor de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of de nieuwe woningen bestaande bedrijven niet in bedrijfsvoering hinderen. De VNG-publicatie stelt dat een gebied gezien kan worden als 'gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Daarnaast wordt een gemengd gebied omschreven als een gebied dat direct langs hoofdinfrastructuur is gelegen. In dit geval is er sprake van een gebied direct langs hoofdinfrastructuur, gezien de ligging van de planlocatie aan de Brugstraat. Verder komen in de directe omgeving onder andere de bestemmingen 'Gemengd' en 'Bedrijf' voor, waardoor er sprake is functiemenging. Om die reden is er sprake van ‘gemengd gebied’. Volgens de VNG brochure is de richtafstand die aangehouden moet worden voor gevoelige functies in gemengd gebied één trede lager, en geldt er derhalve een kortere richtafstand.
24
Onderstaand zal worden ingegaan op de in de nabijheid gelegen bedrijven/ inrichtingen en bijbehorende richtafstanden op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'. De afstanden zijn gemeten vanaf de grens van het plangebied tot aan de betreffende inrichting. Lekdijk 1 Ter plaatse is een opslag van Rijkswaterstaat gevestigd ten behoeve van de opslag van sluisschotten. Binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Kom Vianen' zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 10 m binnen gemengd gebied. In de toekomstige situatie zal de bebouwing op een ruimere afstand dan 10 m van de opslag worden gerealiseerd en wordt dus voldaan aan de richtafstand. Lekdijk 2 Dit betreft de rioolwaterzuivering (RWZI) aan de Lekdijk. Door ODRU is onderzocht wat de feitelijk vergunde situatie en de invloed op het plangebied is (memo 30 januari 2020 kenmerk Z/19/449895/D-360536). De capaciteit van de RWZI bedraagt maximaal 100.000 i.e. Daarmee valt deze onder milieucategorie 4.1 (SBI: 3700 A1). Binnen gemengd gebied geldt voor het aspect geur een afstand van 100 m en voor het aspect geluid een afstand van 50 m. De afstand tussen het plangebied en de rioolwaterzuivering is ca. 75 m. Het plangebied is derhalve gelegen binnen de geurcontour van de rioolwaterzuivering gelegen.
Derhalve is een nadere onderbouwing nodig om aan te tonen dat de inrichting niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de planlocatie voor het aspect geur. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt tevens ingegaan op het aspect geluid. Geur Geuremissie van een RWZI wordt veroorzaakt op plekken waar het onbehandelde afvalwater in turbulentie wordt gebracht. Op de RWZI Vianen is veel aandacht besteed aan het voorkomen van overlast door geur en geluid voor de omgeving. De verontreinigde lucht uit de onderdelen van de RWZI waar stankstoffen kunnen ontstaan, wordt afgezogen en behandeld in geurfilters. Daarnaast zijn extra maatregelen genomen door het afdekken van het beluchtingscircuit. De mogelijke geurbelasting in de omgeving is bij het oprichten van de RWZI in beeld gebracht (geuronderzoek van DHV van 2 februari 1994). In het onderstaand afbeelding zijn de berekende geurcontouren te zien.
Geurimmissie van de RWZI Vianen (bron: Omgevingsdienst regio Utrecht)
Uit de afbeelding blijkt dat het plangebied valt buiten de aangegeven geurcontouren. Er kan aangenomen worden dat binnen het gebied waar nieuwe woningen gerealiseerd worden geen sprake is van geurhinder als gevolg van de activiteiten van de RWZI. Het aspect geur vormt geen belemmering voor realisatie van woningen. Geluid Het aspect geluid is beoordeeld bij de oprichting van de RWZI. Er is vastgesteld dat installatie-onderdelen van de RWZI die veel geluid produceren geplaatst zijn in geluidsisolerende ruimten. Er is verder sprake van enkele mobiele bronnen, namelijk enkele vrachtauto’s per week (voor transport van slib en afval) en personeelsauto’s. Om de geluidhinder in de omgeving in beeld te brengen zijn na realisatie van de RWZI geluidmetingen op het terrein van de inrichting uitgevoerd. Er is geconstateerd dat de geluidbelasting op de grens van de inrichting lager was dan 50 dB(A). Het voorgenomen plan wordt gerealiseerd op een afstand van ca. 75 m van de inrichtingsgrens. Daardoor kan worden gesteld dat de RWZI door toepassing van betonnen afdekkingen van akoestisch relevante onderdelen, ruimschoots aan de gestelde richtwaarden uit
25
VNG-publicatie voor gemengd gebied voldoet. Geluid afkomstig van verkeersbewegingen op de rijkswegen A2 en A27 zijn in toelichting paragraaf 4.3 behandeld en bij de nieuwe woningen maatgevend. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor realisatie van woningen. Lekdijk 3 Ter plaatse is het Rioolgemaal Vianen-De Hagen gevestigd van Waterschap Rivierenland. Een rioolgemaal valt in milieucategorie 2 (SBI: 3700 B), met een richtafstand van 10 m binnen 'gemengd gebied'. In de toekomstige situatie zal de bebouwing op een ruimere afstand dan 10 m worden gerealiseerd en wordt dus voldaan aan de richtafstand. Jan Blankenweg 1 Ter plaatse is een commandotoren voor de bediening van de sluis gesitueerd. Binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Kom Vianen' zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan met een richtafstand van 10 m binnen gemengd gebied. Het plangebied is op een afstand van ca. 90 m gelegen. Derhalve is het plangebied op voldoende afstand gelegen. Vijfheerenlanden 62 Ter plaatse is een tankstation gevestigd, zonder de afzet van LPG. Voor een benzineservicestation zonder LPG geldt milieucategorie 2 (SBI: 473 3), met een richtafstand van 10 m binnen gemengd gebied. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 90 m, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Hof van Batenstein Aan de Brugstraat, op een afstand van ca.
35 m is het Hof van Batenstein gelegen. In het geldende bestemmingsplan geldt voor de locatie de bestemming 'Maatschappelijk'. Hierbinnen zijn maatschappelijk voorzieningen in de categorieën 1 en 2 toegestaan met een richtafstand van 10 m binnen gemengd gebied. Het plangebied is op voldoende afstand gelegen van het Hof van Batenstein. Overige inrichtingen bevinden zich op een grotere afstand en zijn niet van invloed op het plangebied. Anderzijds vormt het initiatief zelf geen belemmering voor functies in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
26
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: • scholen;
• •
kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden maximaal 130 woningen gerealiseerd De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met behulp van de Atlas Leefomgeving, is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.
In onderstaande tabel zijn de globale concentraties over 2019 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde. De advieswaarden van de GGD en WHO worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarde voor PM10 maar niet voor PM2,5. Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Stof
Grenswaarde
Advieswaarden WHO en GGD
Specifieke concentraties over 2019
stikstofdioxide (NO2)
40 µg/m3
-
18 µg/m3
fijnstof (PM10)
40 µg/m3
20 µg/m3
18 µg/m3
fijnstof (PM2,5)
25 µg/m3
10 µg/m3
11 µg/m3
27
Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi)
28
worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)
Transport gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen in de nabijheid van de A27. De A27 is aangewezen als transportroute van (zeer) toxische stoffen. Hiervoor geldt een effectafstand van 880 m, waarbij stofcategorie Liquid Toxic 2 (LT2) maatgevend is. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 850 m van de A27. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de A27 is gelegen.
29
Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) wordt geborgd dat, ondanks een kleine kans, ook het effect van een ongeval met gevaarlijke stoffen wordt beoordeeld op de punten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bij een dergelijke calamiteit met een giftige gaswolk zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Voor hulpdiensten is de toegang tot het plangebied gegarandeerd middels Brugstraat of de Hazelaarstraat. Verder is het plangebied gelegen op een afstand van ca. 650 m van de Lek en op een afstand van ca. 1,25 km van de A2. Deze afstand is dermate groot dat deze geen risico vormen voor het plangebied. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de A2 en de Lek. Inrichtingen Op een afstand van circa 1 kilometer zijn twee tankstations met LPG aanwezig. Daarmee liggen de woningen ver buiten het invloedsgebied van 150 m. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in de nabijheid van het plangebied, op ca. 1 km van het plangebied, buisleidingen zijn gelegen. Het betreft een aardgasleiding, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Het plangebied is gelegen op voldoende afstand van de aardgasleiding Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Royal Haskoning DHV, 23 juni 2020) uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen mogelijk beschermde vleermuizen van de Wet natuurbescherming voor. Daarnaast kunnen in de bomenrijen rondom het plangebied nesten aanwezig zijn van algemene broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. Als laatste komt mogelijk de beschermde rugstreeppad voor op de zandgrond binnen het plangebied. Door het nemen van mitigerende maatregelen wordt overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen, broedvogels en amfibieën voorkomen en is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wnb niet noodzakelijk. Voorgenoemde maatregelen dienen door (of ten minste onder begeleiding van) een ecoloog deskundige te
30
worden uitgevoerd. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Dit ecologisch werkprotocol dient tijdens de werkzaamheden op locatie aanwezig te zijn. Op dinsdag 28 mei 2019 zijn de bomen door een ecoloog van Royal Haskoning DHV nader onderzocht op aanwezige spechtenholen, ingerotte knoesten, loszittende schors en scheuren. Tevens zijn de bomen nogmaals gecontroleerd op de aanwezigheid jaarrond beschermde nesten van vogels, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5. In de bomen binnen het plangebied zijn er geen jaarrond beschermde nesten van vogels. Daarnaast kunnen verblijfplaatsen voor vleermuizen in de bomen binnen de grenzen van het plangebied worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek Rugstreeppad In de periode van april 2020 tot en met juni 2020 is er onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vaste voortplantings- en verblijfplaatsen van de rugstreeppad, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6. De rugstreeppad is niet aangetroffen. Op de basis van de verrichte onderzoeksinspanning kan het voorkomen van de rugstreeppad binnen het plangebied daarom worden uitgesloten. Indien er gedurende de werkzaamheden geschikt biotoop voor de rugstreeppad ontstaat, kan deze echter alsnog het plangebied koloniseren.
Door het nemen van voorzorgsmaatregelen, zoals het plaatsen van amfibiewerend schermen, kan vestiging van de rugstreeppad en daarmee een mogelijke overtreden van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden voorkomen. De maatregelen dienen door (of ten minste onder begeleiding van) een ecoloog deskundige te worden uitgevoerd. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Dit ecologisch werkprotocol dient tijdens de werkzaamheden op locatie aanwezig te zijn. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op ten minste 10 kilometer afstand van het plangebied. Het betreft onder meer de Rijntakken en de Zouweboezem. Op dergelijke afstanden zijn effecten op voorhand uitgesloten, onder meer door tussenliggend landgebruik als steden, (snel)wegen, industrie en dergelijke, zodat een effectbeoordeling in dit kader niet nodig is. Uitzondering vormt stikstofdepositie in Natura 2000gebieden. Het is niet op voorhand uitgesloten dat deze stikstof neerslaat op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten die een instandhoudingsdoelstelling in het kader van Natura 2000 hebben. Voor Natuurnetwerk Nederland geldt het volgende. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het toetsingskader van het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden daardoor op voorhand uitgesloten. Er is geen sprake van compensatieplicht. Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUS-berekening (zie bijlagen bij toelichting bijlage 8, Buro SRO, SR190252, 3 augustus 2021) uitgevoerd. Uit de AERIUSberekening blijkt dat er in totaal sprake is van een NOx-emissie van 101,18 kg/j en een NH3 emissie van 6,77 kg/j. Voor de Natura 2000 gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Voor de bouwfase geldt dat de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 in werking is getreden. Hierdoor is er een vrijstelling voor de bouw, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is de ontwikkeling uitvoerbaar. Houtopstanden In het voornemen is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van houtopstanden. Wel is het verboden om bomen die deel uitmaken van de gemeentelijke beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen.
Voor de bomen op het dijktalud aan de noordgrens van het plangebied geldt dat de gemeente een kapmelding moet doen. Voor de overige bomen in het plangebied gelden geen beperkingen. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.
31
4.8 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan en is de opvolger van de Monumentenwet, die op 1 juli 2016 is vervallen. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Archeologie Voor het grootste deel van het plangebied geldt dat de gronden binnen het 'Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 2' vallen. Hiervoor geldt dat er geen bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv mogen plaatsvinden bij een plangebied groter dan 30 m².
Omdat deze normen bij het voorgenomen plan worden overschreden, is er door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8. In opdracht van de gemeente Vijfheerenlanden heeft Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen verricht in het kader van de voorgenomen woningbouw aan het Hazelaarplein in Vianen. Aan de hand van het onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen beantwoord: Wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied? De ondergrond van het plangebied bestaat onder een bouwvoor/geroerde bovengrond uit oever- en beddingafzettingen van de Lek. Voordat de Lek bedijkt werd, heeft de rivier hier op natuurlijke wijze gestroomd en ook oever- en komafzettingen gevormd. De Lek is actief sinds ca. 1950 BP.40 Sindsdien ligt deze stroomgordel relatief hoog in het landschap en is daarom een aantrekkelijke plaats voor mensen om zich te vestigen. De bovengrond in het plangebied is relatief diep omgewerkt; de oorspronkelijk voorkomende bodemtypen zijn hier waarschijnlijk polder- en ooivaaggronden geweest (met roest- en grijze vlekken respectievelijk binnen en dieper dan 50 cm -mv).
In hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen? De bovengrond in het plangebied is relatief diep omgewerkt; met uitzondering van boringen 4276012 en 4276013 bevindt de onderzijde van de geroerde toplaag zich meer dan 90 cm beneden maaiveld. In boring 4276001 is het profiel zelfs tot op of in het beddingzand van de Lek verstoord. Bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze? Met uitzondering van een stukje bot zijn buiten de geroerde toplaag geen indicatoren aangetroffen. Het stukje bot dat op 145-150 cm -mv in boring 4276013 is aangetroffen, is een sterk verweerd stukje materiaal dat lang in het water heeft gelegen en dat zou kunnen hebben toebehoord aan een middelgroot zoogdier. Gezien de ligging in de oeverafzettingen van de Lek en gezien de staat van het bot in de ouderdom ingeschat als vroeg-holoceen, is het zeer waarschijnlijk dat het is opgewoeld uit bovenstrooms gelegen afzettingen en hier hernieuwd (maar uit context) is afgezet.
Geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg? Gezien de aangetroffen verstoringen binnen het plangebied en de aangetroffen landschappelijke situatie, kan worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats klein is. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan de archeologische verwachting voor de bovenste 4 m -mv worden bijgesteld naar ‘laag’. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert dan ook geen vervolgstappen
32
in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Er is dan ook geen archeologische dubbelbestemming meer opgenomen. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Voorliggende bestemmingsplanwijziging maakt de bouw van de beoogde appartementengebouwen mogelijk. In fysieke zin worden hiermee geen cultuurhistorische kwaliteiten in de omgeving aangetast. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.9.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft
33
maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.9.2 Beleid Waterschap Rivierenland Waterschapsbeleid Het plangebied is gelegen in het Waterschap Rivierenland. Waterschap Rivierenland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. 4.9.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Op 15 oktober 2019 is de digitale watertoets uitgevoerd.
Uit de digitale watertoets blijkt dat het waterschap een belang heeft en dat de normale procedure doorlopen dient te worden. In overleg met het waterschap zal gekeken worden hoe met het aspect water omgegaan dient te worden. Waterkeringen Binnen het plangebied is sprake van een kernzone en van beschermingszones van de primaire waterkering. Binnen deze kernzone en de beschermingszones gelden geboden en verboden voor bepaalde activiteiten, werkzaamheden en beheer. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de zones gehanteerd zoals die begin 2023 in de nieuwe legger worden vastgelegd. De kernzone is voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Voor het bouwen ten behoeve van andere bestemmingen binnen deze zone geldt dat vooraf schriftelijk advies bij de betreffende waterbeheerder ingewonnen moet worden. Tevens zijn ‘vrijwaringszone – 1’ en ‘vrijwaringszone - 2’ opgenomen: ‘vrijwaringszone – 1’ ziet toe op de bescherming van de primaire waterkering, terwijl 'vrijwaringszone - dijk 2' de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering regelt. Vanwege de dijkversterkingsopgave en de ambitie tot woningbouw hebben de gemeente Vijfheerenlanden en Waterschap Rivierenland een Samenwerkings- en een Realisatieovereenkomst opgesteld. Daarin zijn afspraken gemaakt onder welke voorwaarden woningbouw in beschermingszone van deze primaire waterkering mogelijk is.
Zo is bepaald dat de bebouwing minimaal op 5 meter afstand van het zgn. pipingscherm moet komen te staan. Aan deze afstandseis wordt (ruimschoots) voldaan.
34
Waterberging Onderstaande tabel geeft de verhardingsbalans van de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie weer: Oppervlak huidige (m²)
situatie
Oppervlak toekomstige situatie (m²)
Verharding (wegen, paden, parkeren) Semiverharding (parkeren)
5.415
2.872
-
1.375
Bebouwing Groen Water Totaal
3.252 12.838 21.505
4.282 12.976 21.505
Verschil verhard oppervlak (m²) -2.543 687,50 (50%) 1.030 -138 -963,50
Met het voorgenomen plan zal de verharding ten behoeve van wegen, paden en parkeerplaatsen met 2.543 m² afnemen. Ten behoeve van de parkeerplaatsen zal 1.375 m² aan semiverharding worden toegevoegd, hiervan wordt 50% gezien als een toename aan verhard oppervlak. Verder zal de bebouwing met 1.030 m² toenemen en is er sprake van een toename groen van 138 m². In totaal voorziet het voorgenomen plan in een afname van het verhard oppervlak van 963,50 m². Omdat er geen sprake zal zijn van een toename van verharding in het plangebied zal watercompensatie voor de beoogde ontwikkeling niet nodig zijn. Waterafvoer Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel (vuilwaterriool). Het hemelwater uit het plangebied zal worden afgevoerd via het bestaande vijver- en duikerstelsel in directe aansluiting op het plangebied. De capaciteit hiervoor is toereikend. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Grondwater Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Wel vormt het plangebied, op basis van de Provinciale Milieuverordening, een boringsvrije zone voor de instandhouding en bescherming van de kleilaag diep in de bodem ten behoeve van de drinkwatervoorziening. Dit wordt veiliggesteld met de gebiedsaanduiding 'milieuzone'. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.10 Niet-gesprongen Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks conventionele explosieven gevonden. Onder Conventionele Explosieven wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden CE ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.
35
Planspecifiek Uit de CE-Bodembelastingkaart van 27 september 2019 blijkt dat het plangebied niet verdacht is voor wat betreft de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Zie hiervoor onder de uitsnede van de 'CEBodembelastingkaart'.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect niet-gesprongen explosieven geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11 Verkeer en Parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
36
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Oude situatie Het plangebied is gelegen grenzend aan de Lekdijk, Hazelaarstraat, Esdoornstraat en Brugstraat binnen de bebouwde kom van Vianen. De Hazelaarstraat is een 30 km/u-weg en vormt de toegangsweg tot het plangebied in de huidige situatie. In de huidige situatie is het plangebied bestemd met een maatschappelijk bestemming. Voorheen was theater de Stadshof gevestigd binnen het plangebied, met een oppervlakte van ca. 4.500 m². CROW-publicatie 381 geeft hiervoor de bijbehorende verkeersgeneratie. Uitgaande van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk' bedroeg de maximale verkeersgeneratie van een 'theater/schouwburg (gemiddeld) met een oppervlakte van ca. 4.280 m² volgens CROW-publicatie 381 ca. 560 verkeersbewegingen per etmaal.
Nieuwe situatie In de toekomstige situatie vindt de ontsluiting op de Brugstraat plaats en via de Hazelaarstraat. De beoogde situatie betreft de realisatie van maximaal 130 woningen. Hiervoor geldt een verkeersgeneratie van ca. 533 verkeersbewegingen per etmaal, uitgaande van huur appartement midden/goedkoop (incl. sociale huur) volgens de CROW-publicatie 381. De bestaande infrastructuur is in staat om deze verkeersgeneratie te verwerken, mede omdat ten opzichte van de voormalige (planologische) situatie sprake zal zijn van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Conclusie Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Parkeerbehoefte Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van maximaal 130 huurwoningen. Op basis van de CROWnormen ontstaat de volgende parkeerbehoefte, uitgaande van de gemiddelde parkeernormen van de betreffende categorieën:
Huur midden/goedkoop huur) Totaal
appartement (incl. sociale
Aantal woningen
Norm per woning
130
1,4
Aantal parkeerplaatsen 182
130
-
182,0
37
Uitgaande van berekening van gelijktijdige aanwezigheid bewoners/bezoek volgens de daartoe gegeven tabellen in de CROW-publicatie 381 ligt het piekmoment op de ‘werkdag avond’. Dan zijn er 160 parkeerplaatsen nodig. De parkeerbehoefte voor de voorgenomen ontwikkeling betreft derhalve 160 parkeerplaatsen. Het voorgenomen plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied. Een deel van de parkeerbehoefte wordt in het openbaar gebied gerealiseerd en een deel onder en tussen de appartementengebouwen. Het uitgangspunt is dat voor sociale huur 30% gebouwd parkeren wordt gerealiseerd en voor vrije sector 50%. Conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
BENG vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. Milieuprestatie Gebouw (MPG) Vanaf 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²). Samenhangend duurzaamheid beleid Vijfheerenlanden In 2021 is door de gemeenteraad van Vijfheerenlanden de nota ‘Samenhangend duurzaamheid beleid' vastgesteld. In toelichting paragraaf 3.3.5 wordt nader ingegaan op deze beleidsnota. Planspecifiek Het voorliggende initiatief past volledig binnen de doelstellingen van Samenhangend duurzaamheid beleid Vijfheerenlanden. Het plan zal voldoen aan de uitgangspunten van BENG.
38
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
39
5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de (dubbel-)bestemmingen: Bedrijf - Nutsvoorziening De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor een nutsvoorziening. Er is een bouwvlak opgenomen ter plaatse van de bestaande bebouwing. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, water en bij deze bestemming behorende dan wel eraan ondergeschikte voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, paden, water en groen. Verder zijn bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde toegestaan, zoals kunstobjecten, lichtmasten en straatmeubilair. Verkeer - Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting (waaronder begrepen water en waterberging), straatmeubilair en bruggen, duikers en andere kunstwerken. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met een bouwhoogte van maximaal 3 meter. Wonen - Gestapeld De voor 'Wonen - Gestapeld' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van gestapelde woningen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis. Op de verbeelding zijn bouwvlakken, waarbij een maximale bouwhoogte is opgenomen. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
In de regels wordt het maximaal aantal wooneenheden geregeld. Verder gelden de in de gemeente gebruikelijk bouw- en gebruiksmogelijkheden. Voorts zijn ook de Algemene bouwregels van toepassing, waarin geregeld is dat ondergeschikte bouwdelen niet mee gerekend hoeven te worden bij het bepalen van de hoogtes (bijv. schoorstenen, antennes, liftopbouwen e.d. 10% en een maximum van 1 meter) en bij de bouwvlakken en bestemmingsgrenzen (luifels, brandtrappen, overstekende daken e.d. tot een maximum van 0,5 meter en balkons tot een maximum van 2 meter). Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om veilig te stellen dat stil asfalt (SMA-NL G8+) wordt aangebracht en in stand wordt gehouden Het gaat om het deel van de Brugstraat ter hoogte van het plangebied, tussen de aansluiting Lekdijk/Jan Blankenweg en de aansluiting De Lafayettestraat/Acaciastraat. Daarnaast is in hoofdstuk 3, in de Algemene gebruiksregels, een regeling opgenomen voor bed&breakfast en voor het parkeren. Tevens is in de Algemene afwijkingsregels een bepaling opgenomen voor kamergewijze verhuur en/of woon (zorg) initiatieven met meerdere huishoudens. Leiding - Riool De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor een rioolpersleiding met de daarbij behorende beschermingszone. Met het toekennen van de bouwvlakken van 'Wonen - gestapeld' is rekening gehouden met deze beschermingszone.
Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is gericht op het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, Er zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kunstwerken, dijksloten en andere waterstaatswerken toegelaten, waarbij uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd van ten hoogste 1 m. Het bouwen ten behoeve van de andere bestemming(en) is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan.
40
Milieuzone Deze gebiedsaanduiding regelt een boringsvrije zone voor de instandhouding en bescherming van de kleilaag diep in de bodem ten behoeve van de drinkwatervoorziening. Vrijwaringszone - dijk 1 en vrijwaringszone - dijk 2 De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1' regelt de bescherming, onderhoud en instandhouding van de primaire waterkering. De 'vrijwaringszone - dijk 2' regelt de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering.
41
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Dit bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er worden immers drie appartementengebouwen gebouwd. De gemeente heeft ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten met de initiatiefnemer. Het verhaal van kosten is anderszins verzekerd.
42
7 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De eerste plannen en impressies voor nieuwbouw zijn tijdens een inloopbijeenkomst op 11 september 2019 gepresenteerd aan omwonenden en geïnteresseerden. De opkomst was hoog, want velen waren benieuwd naar de eerste plannen. Er zijn veel reacties, vragen en suggesties ontvangen; deze zijn meegenomen in de verdere planvorming. In september 2021 worden alle omwonenden opnieuw op de hoogte gebracht van de laatste stand van zaken tijdens een inloopbijeenkomst. Met enkele bewoners van de Hazelaarstraat heeft naar aanleiding van de inloopbijeenkomst van 11 september 2019 overleg plaatsgevonden om de plannen en aanpassingen nader toe te lichten. Op 13 oktober 2021 is opnieuw een informatiebijeenkomst gehouden waarin het aangepaste plan is getoond en toegelicht. In de gesprekken met aanwezigen zijn met name opmerkingen gemaakt over privacy, bezonning, parkeren en verkeer, hoewel daar in de aangepaste plannen al zo veel als mogelijk aan tegemoet gekomen is. Om mensen te informeren wordt tevens periodiek de 'Nieuwsbrief Hazelaarplein Vianen' uitgegeven. Voorts hebben zowel de gemeente Vijfheerenlanden als Lekstedewonen informatie over het project Hazelaarplein op hun website staan.
43
7.2 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan aan de wettelijke overlegpartners ter kennis gesteld met het verzoek om op de inhoud van het bestemmingsplan te reageren. De provincie Utrecht heeft geen opmerkingen op het bestemmingsplan. Waterschap Rivierenland en Veiligheidsregio Utrecht hebben inhoudelijke reacties gegeven. Onderstaand zijn die vooroverlegreacties samengevat en van een reactie in cursief voorzien. Veiligheidsregio Utrecht Uit de beoordeling blijkt dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in het voorontwerpbestemmingsplan. Naast het aspect externe veiligheid is ook gekeken naar de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen van en in het plangebied. Het stedenbouwkundig ontwerp laat in onvoldoende mate zien of het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Geadviseerd wordt om bij verdere uitwerking aandacht te hebben voor de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (2012) van Brandweer Nederland en gebruik te maken van de CROW publicatie 164 a t/m d met als aanvulling CROW publicatie 165. Bovenstaande opmerkingen komen aan bod bij de verdere uitwerken en geven geen aanleiding tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
Waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland geeft aan dat de relatie met de ontwikkeling van de dijkversterking aan de Lekdijk mist. Er wordt in de toelichting alleen genoemd dat het plangebied in de beschermingszone van de primaire waterkering ligt en vervolgens de conclusie dat het aspect water geen belemmering vormt voor de realisatie van dit plan. Er wordt aangegeven dat de samenwerking tussen beide partijen is vastgelegd in een Samenwerkings- en een Realisatieovereenkomst m.b.t. de realisatie van de woningbouw en de dijkversterking. Het waterschap geeft aan dat er moet worden ingegaan op hoe de beoogde woningbouw gerealiseerd gaat worden in de beschermingszone van de primaire waterkering. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie is in toelichting in paragraaf 1.1 (Inleiding) en in paragraaf 4.9 (Waterhuishouding), nader ingegaan op de relatie van voorliggend bestemmingplan met het project van de dijkversterking langs de Lekdijk.