Toelichting BP Hei- en Boeicopseweg 66 en naast 74
Tekst van het document
bestemmingsplan
Hei- en Boeicopseweg 66 en naast 74 Gemeente Vijfheerenlanden
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1961.BPHBheiboeicop66-VA01
Datum:
2021-02-04
Contactpersoon Buro SRO:
L. Toppen | H.J.M. van Arendonk
Kenmerk Buro SRO:
SR180311
Opdrachtgever:
Gemeente Vijfheerenlanden
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 8
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 10 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 10 3.2 Provinciaal en regionaal beleid ......................................................................................................................... 12 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 15
4 Milieu- & omgevingsaspecten .............................................................................................................. 18 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 18 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 19 4.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 20 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 24 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 24 4.6 Archeologie ....................................................................................................................................................... 26 4.7 Cultuurhistorie ..................................................................................................................................................
27 4.8 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.9 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 30 4.10 Ecologie ........................................................................................................................................................... 31 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 33
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 35 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 35 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 35 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 35 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 36
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 37 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 38 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 38 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 39
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De Wilgenhoeve aan de Hei- en Boeicopseweg 66 in Hei- en Boeicop wil een woongebouw op het voorerf van het zorgcentrum afbreken en de vrijkomende grond vervolgens herinrichten. Ter compensatie van de woning is het de bedoeling iets verderop, naast de Hei- en Boeicopseweg 74, een nieuwe woning te realiseren. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Herziening Kernen Zederik', vastgesteld op 15 september 2017. De bestaande woning valt binnen de bestemming 'Wonen'. Voor het perceel waarbinnen de woning wordt gerealiseerd geldt de bestemming 'Agrarisch'. Om de hierboven geschetste ontwikkeling mogelijk te maken, wordt de bestaande bestemming 'Wonen' gewijzigd naar de bestemming 'Maatschappelijk' aansluitend op de bestemming van Woonzorgcentrum de Wilgenhoeve en wordt de bestemming 'Wonen' toegekend aan een verderop gelegen perceel. Daar wordt ook de bestemming 'Tuin' toegevoegd. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat sturing biedt bij de toekomstige ontwikkeling van het gebied.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied bestaat uit twee percelen aan de Hei- en Boeicopseweg ten noordwesten van Hei- en Boeicop. Op het perceel aan de Hei- en Boeicopseweg 66, kadastraal bekend onder perceel 140 sectie C, staat de huidige woning. Dit betreffende perceelsgedeelte heeft een oppervlakte van 220 m². De toekomstige woning wordt gebouwd binnen het perceel aan de Hei- en Boeicopseweg 78, kadastraal bekend onder perceel 146 sectie C. Het plangebied wordt binnen dit perceel afgebakend tot de omvang van de beoogde ontwikkeling en heeft een oppervlakte van bijna 2.000 m². Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied (rode omkadering | Bron: Google Maps)
4
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering | Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan In het vastgestelde bestemmingsplan 'Herziening Kernen Zederik' (2017) is het plangebied voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en deels 'Waarde - Archeologie 1'. In het onderliggende bestemmingsplan 'Kernen Zederik', vastgesteld door de raad van de toenmalige gemeente Zederik op 27 mei 2013 heeft het plangebied de bestemming ‘Agrarisch' en de bestemming 'Wonen'. De volgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan.
Bestemmingen van het plangebied (rood omkaderd) Bron: ruimtelijkeplannen.nl
Om de beoogde ontwikkeling, het wijzigen van de bestaande bestemming 'Wonen' naar de bestemming 'Maatschappelijk' en het compenseren van de bestemming 'Wonen' (inclusief de bestemming 'Tuin') op een verderop gelegen perceel, mogelijk te maken zal het vigerend bestemmingsplan moeten worden herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin. De gronden voor de huidige woning bij De Wilgenhoeve hebben de bestemming 'Tuin'; deze bestemming hoeft niet gewijzigd te worden. Die gronden maken dan ook geen deel uit van het voorliggende bestemmingsplan.
5
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de resultaten uit het vooroverleg en de inspraakmomenten.
6
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan de Hei- en Boeicopseweg, binnen de bebouwde kom, grenzend aan de kern van Heien Boeicop. Ter hoogte van het westelijke plangedeelte is een wegversmalling aanwezig in de Hei- en Boeicopseweg. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint langs de Hei- en Boeicopseweg. Het bebouwingslint kenmerkt zich door een afwisseling van woningen, veelal in één laag met een kap, kleinschalige bedrijvigheid, maatschappelijke functies en agrarische percelen. Het achterliggende gebied wordt gekenmerkt door agrarisch gebied met een ruim zicht. De navolgende afbeelding geeft een indruk van het bebouwingslint langs de Hei- en Boeicopseweg.
Bebouwingslint langs de Hei- en Boeicopseweg, met rechts het oostelijke plangebied (Bron: google streetview)
Het plangebied bestaat uit twee delen. Het ene gedeelte betreft een plek nabij De Wilgenhoeve Particuliere woonzorg, met zorgwoningen achterop het perceel. Het plangebied bestaat uit een houten woning, naast het hoofdgebouw van De Wilgenhoeve. Het andere gedeelte is een gedeelte van het perceel naast Hei- en Boeicopseweg 74. In de huidige situatie is dit gebied in gebruik als agrarische grond. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van het plangebied.
Huidige situatie gezien vanaf de Hei- en Boeicopseweg. Links de agrarische gronden en rechts het perceel van De Wilgenhove (Bron: google streetview)
7
2.2 Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling voorziet in het verwijderen van de bestaande houten woning aan de Hei- en Boeicopseweg 66, waarna het terrein van De Wilgenhoeve kan worden heringericht. Hierbij wordt de toegang tot het achterterrein verlegd, waarbij ook enkele parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor De Wilgenhoeve. Verder wordt ruimte gemaakt voor de aanleg van een belevingstuin die direct aansluit op de bebouwing. Deze belevingsruimte is ten behoeve van de bewoners van De Wilgenhoeve. Dit zorgt voor zowel een ruimtelijke als landschappelijke kwaliteitsimpuls voor het gebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint aan de Hei- en Boeicopseweg. Vanuit historisch oogpunt is het meer voor de hand liggend om de belevingstuin grenzend aan de Hei- en Boeicopseweg te situeren, dit sluit ook beter aan op de inrichting van de omliggende percelen. Echter blijkt uit een rapport van bureau BLAUW, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4, dat het voor de bewoners van de zorginstelling van belang is zelfstandig vanuit het gebouw de tuin te kunnen betreden. Hierdoor ervaren de bewoners een gevoel van vrijheid, in plaats van opgesloten te zitten achter deuren met codes. Hiermee is rekening gehouden met de inrichting van het perceel door de belevingstuin direct grenzend aan de zorginstelling te situeren.
In het voorliggende bestemmingsplan worden de gronden van de huidige woning omgezet naar de bestemming 'Maatschappelijk', waarbij aan dit gedeelte geen bouwvlak wordt toegekend. De navolgende afbeeldingen tonen een plattegrond van de beoogde situatie aan de Hei- en Boeicopseweg 66.
Ontwerp plattegrond beoogde situatie Hei- en Boeicopseweg 66 (Bron: aangeleverd door opdrachtgever)
8
Voorgesteld wordt om de woning te verplaatsen naar een perceel naast Hei- en Boeicopseweg 74. De woning wordt 2 meter achter de voorgevel van woning nummer 74 geplaatst, met een perceelsdiepte die daar ook bij aansluit. De woning zal gaan bestaan uit één laag met een kap, in aansluiting op de overige bebouwing aan de noordzijde van de Hei- en Boeicopseweg: zie onderstaande afbeeldingen.
Voorstel nieuwbouw woning naast nummer 74 (Bron: Huibers bureau voor architectuur, 4 september 2019)
Gevelaanzichten nieuwbouw woning naast nummer 74 (Bron: Huibers bureau voor architectuur)
Op het terrein zal ruimte worden geboden voor het benodigde parkeren (3 parkeerplaatsen). De woning zal worden ontsloten vanaf een nieuwe brug, nabij een bestaande brug (zie onderstaande afbeelding). Voor die brug heeft Waterschap Rivierenland reeds vergunning verleend (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Middels voorliggend bestemmingsplan worden de gronden voor de toekomstige woning voorzien van de bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin'.
9
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek Het onderhavige initiatief draagt in enige mate bij aan prioriteit 3, maar voorts is de NOVI niet specifiek van toepassing op het onderhavige initiatief. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
10
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Aangezien bij dit plan geen nieuwe woningen worden gerealiseerd, hooguit een woning elders wordt gecompenseerd, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is er geen verantwoording noodzakelijk in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.
11
3.2 Provinciaal en regionaal beleid Per 1 januari 2019 is de gemeente Zederik (provincie Zuid-Holland) gefuseerd met de gemeenten Vianen en Leerdam tot de gemeente Vijfheerenlanden. Deze gemeente maakt deel uit van de provincie Utrecht. Op dit moment is er nog geen nieuw provinciaal beleid geformuleerd. In deze overgangsperiode blijven de eerder door de provincie Zuid-Holland vastgestelde beleidskaders van toepassing. De nieuwe Omgevingsvisie en verordening van de provincie Zuid-Holland zijn niet van toepassing op het onderhavige gebied. 3.2.1 Structuurvisie Visie Ruimte en Mobiliteit Zuid-Holland Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) Actualisering 2018 vastgesteld. Op 15 februari 2019 is de geconsolideerde versie, waarin de recente wijzigingen van de VRM zijn opgenomen, in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen.
De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen. De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden: • beter benutten en opwaarderen van wat er is;
• • •
vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.
Voor de bebouwde ruimte streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Onder 'bebouwde ruimte' wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied en ten tweede op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit in die bebouwde ruimte te verbeteren. Dit beleid voorziet in de maatschappelijke vraag naar betaalbare woningen nabij (stedelijke) voorzieningen, waaronder hoogwaardig openbaar vervoer. In gebieden met een eenzijdige samenstelling van functies en bevolking, vormen herstructurering, stedelijke transformatie en functiemenging een belangrijke opgave. Zo wil de provincie sociaal-ruimtelijke segregatie tegengaan. De provincie wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van de bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de 'ladder voor duurzame verstedelijking' om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden.
De provincie bevordert de consequente toepassing van de ladder door deze op te nemen in de Verordening ruimte en daarbij een aantal begrippen te verhelderen. Een van die begrippen is het 'bestaand stads- en dorpsgebied' (BSD). De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Het plangebied ligt binnen het BSD. In paragraaf 3.2.3 is nader gemotiveerd waarom de voorgenomen ontwikkeling passend is.
12
Kwaliteitskaart De provincie beschikt al enige tijd over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de provincie toont en in een geactualiseerde vorm onderdeel is van de Visie ruimte en mobiliteit. De kwaliteitskaart staat met de bijbehorende uitwerking en richtpunten aan de basis van de 'gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit', die een handreiking vormen voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. In artikel 2.1.1 'Ladder voor duurzame verstedelijking' van de Verordening ruimte 2014 wordt aangegeven dat indien een stedelijke ontwikkeling niet binnen het BSD plaatsvindt, de voorgenomen ontwikkeling moet passen binnen de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart. Omdat in dit geval geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan de kwaliteitskaart. Gebiedsprofiel Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. In toelichting paragraaf 3.2.3 worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Visie Ruimte en Mobiliteit Zuid-Holland.
3.2.2 Verordening Ruimte 2014 Zuid-Holland Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Op 31 januari 2019 is een geconsolideerde versie van de verordening, waarin de recente wijzigingen van de verordening zijn opgenomen, in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken.
Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 2.1.1 van de verordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 2.2.1 van de Verordening Ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
13
a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. In toelichting paragraaf 3.2.3 worden de relevante gebiedsprofielen nader toegelicht. De gebiedsprofielen gelden als uitwerking van de kwaliteitskaarten. Hieruit wordt geconcludeerd dat met de beoogde ontwikkeling rekening wordt gehouden met de aanwezig kernkwaliteiten van het gebied. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Verordening ruimte 2014. 3.2.3 Gebiedsprofiel Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden Het gebiedsprofiel staat tussen de kwaliteitskaart van de structuurvisie en bijvoorbeeld een beeldkwaliteitsplan van de gemeente. Begin 2012 heeft Gedeputeerde Staten het gebiedsprofiel ‘Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden' vastgesteld. Dit vormt een handreiking om de ruimtelijke kwaliteit mee te nemen in de ruimtelijke planvorming. Het profiel is een gezamenlijk vertrekpunt ten aanzien van de karakteristiek, de ruimtelijke kwaliteit en de ambitie voor dit specifieke gebied.
Het profiel verbeeldt en beschrijft wat wordt verstaan onder ‘ruimtelijke kwaliteit’, welke elementen aan die kwaliteit ten grondslag liggen in relatie tot de kwaliteitskaart en hoe sturing gegeven kan worden aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Planspecifiek Het gebiedsprofiel is opgebouwd uit diverse elementen. Voor het plangebied zijn met name de elementen 'Veenlint' en 'Komgrond' van belang. Veenlint De bebouwing ligt op één niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Het plangebied ligt aan een veenlint binnen het gebied 'Veenweide met rivierinvloeden'. In de Vijfheerenlanden zijn de linten over het algemeen grilliger van beloop, ruimer van maat en lommerrijker. De ‘rechte’ linten van Hei- en Boeicop en Leerdam-Zijderveld vormen hierop een uitzondering. De linten kennen een voortdurende dynamiek van inbreiden, herstructureren en aanvullen. Toekomstige ontwikkelingen moeten in dezelfde lijn met de omliggende bebouwing worden gerealiseerd. Van belang is dat de massa, het profiel en de ligging aansluit bij de
14
bestaande situatie. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een woning die qua omvang en positionering aansluit op de omgeving. Komgrond De komgronden zijn de gebieden die verder van de rivieren gelegen zijn. Deze werden vroeger regelmatig overstroomd. Hier hebben zich zeer fijne kleideeltjes afgezet die de komgronden vormen. Deze gronden zijn vaak nat en moeilijk te bewerken. Vroeger waren ze vooral in gebruik als grienden, eendenkooien en hooilanden. Tegenwoordig is het meestal weiland vanwege de geringe draagkracht van de bodem, en vooral de hoge grondwaterstand. Binnen de kom- en oeverwalgebieden dienen ontwikkelingen bij te dragen aan het versterken van het contrast tussen verdichte, multifunctionele oeverwallen en stroomruggen en open kompolders en veenweiden. Ook dienen ontwikkelingen bij te dragen aan de versterking van de visuele relatie tussen de rivier en het achterliggend landschap met de typerende strokenverkaveling. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Hei- en Boeicop, door de kern van het dorp te verdichten ontstaat een contrast tussen de open kompolders en de bebouwing binnen de bebouwde kom van Hei- en Boeicop. Weliswaar gaat het initiatief ter plaatse van de nieuwe woning ten koste van de openheid en het doorzicht, maar in brede zin blijft de structuur met een afwisseling tussen open en besloten behouden.
Daarbij maakt het verwijderen van de woning, die elders gecompenseerd wordt, een kwaliteitsverbetering op de locatie van De Wilgenhoeve mogelijk. Stads- of dorpsrand aan het veenweidelandschap Er komen in de regio twee typen stads- en dorpsranden voor: contact en front. Bij de randen met een contactkwaliteit gaan bebouwd gebied en landschap op een afwisselende manier in elkaar over en zijn beiden verbonden door zichtbare en soms ook begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. Bij de randen met een frontkwaliteit is er juist een scherpe grens tussen bebouwing en land. Door de ligging aan het lint van de Hei- en Boeicopseweg is er in dit geval sprake van een contactkwaliteit. De achterzijden van de linten kunnen gezien worden als contactzones. De kwaliteiten hier zijn vooral gericht op het anticiperen op de kavelrichtingen. De beoogde ontwikkeling van een woning naast het bestaande perceel van de Hei- en Boeicopseweg 74 sluit aan op de bestaande bebouwingskarakteristieken en past binnen de huidige structuur van de dorpsrand van Hei- en Boeicop. Het realiseren van een belevingstuin aan De Wilgenhoeve zorgt voor een kwaliteitsimpuls aan de dorpsrand. Geconcludeerd wordt dat met de beoogde inrichting van het plangebied rekening wordt gehouden met de aanwezige kernkwaliteiten van het gebied.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Woonvisie Vijfheerenlanden 2020 - 2025 Op 16 juli 2020 is de Woonvisie Vijfheerenlanden 2020 - 2025 ‘Samen sterk, met eigenheid en diversiteit’ vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden. De gemeente Vijfheerenlanden zet zich in voor een duurzaam en solidair leefklimaat. Het is belangrijk om woningen te verduurzamen, waar mogelijk levensloopbestendig te maken en doorstroming te bevorderen. Vijfheerenlanden is een prettige gemeente om in te wonen en dat willen we graag zo houden en waar mogelijk versterken. Het doel van de woonvisie is dat het voor iedereen goed wonen is in Vijfheerenlanden en de woonwensen en woningbehoefte van al onze inwoners zoveel mogelijk binnen onze gemeentegrenzen mogelijk te maken. Het aantal huishoudens blijft de komende jaren toenemen. In de periode 2020 tot 2030 met ruim 2.500 huishoudens. Daarna groeit dit aantal verder door tot circa 27.015 huishoudens in 2040. In totaal gaat het voor de periode 2020-2040 om een extra behoefte ruim 3.860 woningen.
• •
Gezinnen zijn de grootste doelgroep in Vijfheerenlanden. De omvang van deze groep neemt de komende jaren verder toe. De oudere doelgroep groeit relatief hard, tot 2040 zelfs met meer dan 50%.
15
• •
Het aantal alleenstaanden en stellen tussen de 35 en 65 jaar groeit ook, zij het minder sterk. Vanaf 2030 neemt de omvang van deze groep weer af. Het aantal jonge huishoudens (tot 35 jaar) krimpt tot 2030 ongeveer 10%.
Over de hele linie is daarbij sprake van huishoudensverdunning. Met andere woorden, een verschuiving naar steeds kleinere huishoudens. Of initiatieven gefaciliteerd kunnen worden hangt af van lokale omstandigheden en bijvoorbeeld de beschikbaarheid van transformatielocaties. Zo worden lokale initiatieven die de bestaande voorraad aanvullen en passen binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking graag gefaciliteerd. In de kleine kernen zoals Hei- en Boeicop wordt autonome groei toegestaan, voor de eigen behoefte van de kern. We richten ons daarbij op kleine bouwstromen (elk jaar enkele woningen), zodat inwoners uit deze kernen hier goed mee uit de voeten kunnen. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de compensatie van een woning aan de Hei- en Boeicopseweg 66, waarbij deze op een verderop gelegen perceel wordt gerealiseerd. De vrijgekomen grond aan de Hei- en Boeicopseweg 66 wordt ingericht ten behoeve van De Wilgenhoeve, met een toegangspad, parkeren en een belevingstuin. Er wordt daarmee een bijdrage geleverd aan de woningvoorraad in de kern van Hei- en Boeicop, uit toelichting paragraaf 3.1.3 blijkt dat het beoogde plan passend is binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking. De 'Woonvisie Vijfheerenlanden 2020 - 2025' staat de uitvoering van voorliggend initiatief niet in de weg.
3.3.2 Welstandsnota Zederik 2013 Op 23 december 2013 heeft de voormalige gemeenteraad Zederik de 'Welstandsnota Zederik 2013' vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. In theorie zijn vier welstandsniveaus mogelijk:
• • • •
het door het Rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezicht, het bijzondere welstandsgebied, het gewone welstandsgebied, het welstandsvrije gebied.
Het grootste deel van de voormalige gemeente Zederik is gewoon welstandsgebied. Hier heeft de gemeente gekozen voor het handhaven van de basiskwaliteit, met daarbij voldoende vrijheid voor de burger. Bouwplannen doen in principe geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de omgeving. In de bijzondere en beschermde gebieden is extra inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. In de gemeente Zederik worden geen welstandsvrije gebieden aangewezen. De gemeente wenst in alle gebieden minstens een basiskwaliteit te handhaven. Planspecifiek Onderhavig plangebied valt, zoals zichtbaar op navolgende afbeelding, binnen welstandsgebied. Het is tevens onderdeel van het deelgebied 'lint Hei- en Boeicop' (H1).
16
het
'bijzondere'
Uitsnede niveau- en gebiedskaart Hei- en Boeicop
Het lint langs de Hei- en Boeicopseweg is aangemerkt als bijzonder welstandsgebied. Het beleid is terughoudend en gericht op behoud van variatie zonder verrommeling. De welstandscommissie zal bij de advisering onder meer aandacht schenken aan het behoud van de het gegroeide kleinschalige karakter, zonder wijzigingen en nieuwbouw onmogelijk te maken. Het lint van Hei- en Boeicop heeft overwegend gevarieerde, kleinschalige bebouwing uit diverse periodes in een gegroeide en compacte structuur met als basis het individuele pand met een dorps karakter. Het lint bestaat hoofdzakelijk uit de bebouwing aan de Hei- en Boeicopseweg. Voorliggend plan voor een nieuwe woning sluit met de positionering en maatvoering (één laag met een kap) aan op de karakteristieken van de omgeving. Verder zal met het kleur- en materiaalgebruik rekening worden gehouden met de uitgangspunten uit de welstandsnota. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal het plan getoetst worden aan de hand van de welstandscriteria.
17
4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat namelijk slechts één woning. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
18
b.
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in voorliggend hoofdstuk 4. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Op basis van deze plantoelichting, welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r., kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek De ontwikkelingen op de locatie Hei- en Boeicopseweg 66, op het terrein van De Wilgenhoeve, betreffen geen veranderingen naar een 'strenger gebruik', dus is hier geen bodemonderzoek vereist. Met de realisering van de woning op het perceel naast Hei- en Boeicopseweg 74 is wel sprake van een verandering naar een ‘strenger gebruik’. Derhalve dient voor deze locatie te worden aangetoond dat de bodemsituatie geschikt is voor de nieuwe functie wonen. Daarom is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 (Verhoeven Milieutechniek BV, december 2018, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Algemene bodemkwaliteit Voor de algemene bodemkwaliteit werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging.
Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gestelde hypothese te worden verworpen. In de grond en in het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Aangezien de index van 0,5 niet wordt overschreden, is geen nader bodemonderzoek noodzakelijk. Zintuiglijk en/of analytisch zijn tevens geen verontreinigingen aangetroffen die duiden op een ernstige bodemverontreiniging vanuit de aandachtspunten (gedempte sloot en boomgaard). Vanuit het onderzoek bestaat geen aanleiding tot het verwachten van een gedempte sloot op de locatie. Waterbodem Voor de waterbodem werd uitgegaan van verspreidbare waterbodem. Op basis van de resultaten blijkt dat het vrijkomend slib kan worden verspreid op het aangrenzende perceel. Tevens kan worden geconcludeerd dat de baggerspecie als klasse “Industrie” toepasbaar is op de bodem en als klasse “B” in zoet oppervlaktewater. Op basis van de uitgevoerde metingen tijdens de veldwerkzaamheden kan worden geconcludeerd dat in de watergang totaal circa 50 m3 baggerspecie aanwezig is. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren tegen de voorgenomen nieuwbouw. Nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
19
4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Rijksbeleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.
Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
4.3.2 Waterschap Rivierenland Het waterbeheer is hier in handen van het Waterschap Rivierenland. Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'. Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toe getreden tot het klimaatverbond. Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van
20
een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid. In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel. Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten' Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren.
Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd. Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc. een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd.
Waterplan Zederik De voormalige gemeente Zederik en het Waterschap Rivierenland hebben het stedelijk waterplan Zederik vastgesteld (2009), waarin de principes van een duurzaam stedelijk waterbeheer nader uitgewerkt worden. Gelet op de verwachte klimaatverandering (nattere winters, drogere zomers, hevigere buien) streven beiden met name naar een veerkrachtiger stedelijk watersysteem. Het Waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 met als belangrijkste beleidspunten een meer zelfvoorzienend watersysteem, het verbeteren van de waterkwaliteit, het afkoppelen van verhard oppervlak, het toepassen van duurzame bouwmaterialen en het versterken van natuurontwikkeling door onder andere de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Ook wil het waterschap vasthouden aan de ambities uit het NBW en de KRW. 4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Waterkwantiteit Nabij het deelgebied naast nummer 74 zijn watergangen aanwezig.
Ten zuiden, aan de Hei en Boeicopseweg, is een A-watergang gelegen en direct ten westen en aan de andere kant van huisnummer 74 zijn C-watergangen aanwezig. Voor de A-watergang geldt vanuit het waterschap een beschermingszone. Bij de behandeling van de watervergunningsaanvraag wordt door het waterschap beoordeeld of het onderhoud van de watergang naar behoren, dus doelmatig kan worden uitgevoerd.
21
Waterpeilen Ter plaatse van de nieuw te realiseren woning, op het perceel naast Hei- en Boeicopseweg 74, is een peilgrens aanwezig. De peilgebieden zijn VHL417 (ZP -0,3/ WP -0,35) en VHL420 (ZP -0,42/ WP -0,55). Het voornemen is om aan te sluiten op het peilgebied van de naastgelegen woning aan de Hei- en Boeicopseweg 74, op VHL417 (ZP -0,3/ WP -0,35). Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Op grond van de Algemene regels bij de Keur geldt dat bij het aanbrengen van meer dan 500 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 1.500 m² in landelijk gebied gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Met het voorgenomen plan wordt de bestaande woning gesloopt en wordt deze op een naastgelegen perceel gecompenseerd. Op het perceel naast Hei- en Boeicop 74 wordt ca. 234 m² aan verharding verwijderd en wordt er ca. 440 m² bebouwing en verharding aangebracht. Hierbij treedt derhalve een toename van verharding op. Maar deze is beduidend minder dan 1.500 m², zodat geen watercompensatie vereist is. Op het perceel horende bij Hei- en Boeicop 66 worden de gronden van de bestaande woning heringericht. Hierbij wordt in totaal ca.
224 m² aan bebouwing en verharding verwijderd en wordt ongeveer 165 m² aan nieuwe verharding aangebracht. Hierbij treedt een afname van verharding op, zodat ook hier geen watercompensatie vereist is.
Te verwijderen verhardingen resp. 234 en 224 m² (bron: Huibers bureau voor architectuur d.d. 16-09-2019)
22
Aan te brengen verhardingen resp. 440 en 165 m² (bron: Huibers bureau voor architectuur d.d. 16-09-2019)
Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Waterschap Rivierenland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:
• • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Aanleg brug De woning op het perceel naast Hei- en Boeicopseweg 74 wordt ontsloten met een nieuw aan te leggen brug. Aangezien deze over een A-watergang gaat is een vergunning van Waterschap Rivierenland vereist. Bij brief van 18 december 2018 heeft Waterschap Rivierenland de vereiste vergunning verleend (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). In de beleidsregels is onder meer bepaald dat de afstand tussen een te plaatsen brug en een ander object in het oppervlaktewaterlichaam minimaal 8,0 meter moet bedragen. De brug is echter aangrenzend aan de brug van het naastgelegen perceel voorgesteld. Daarbij is overwogen dat deze, door de wegversmalling ter hoogte van het plangebied, niet verderop gerealiseerd kan worden. Dat rechtvaardigt een afwijking van de beleidsregel. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot noemenswaardige wijzigingen in de waterhuishouding en is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect 'water'.
23
4.4 Geluid Voor onderhavig bestemmingsplan is alleen de geluidhinder die wordt veroorzaakt door het wegverkeer van belang. Met betrekking tot dit punt is in artikel 82 van de Wgh bepaald dat in principe de geluidsbelasting op woningen binnen een zone, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De Wet geluidhinder bepaald dat de afstand van een weg met een of twee rijstroken, in een buitenstedelijk/ binnenstedelijk gebied, 250 m/ 200 m aan weerszijde (gemeten vanuit de as van de weg) als geluidszone kent. Voor gevoelige bestemmingen betekent dit dat wanneer deze in de geluidszone vallen, een akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder. Aangezien de Hei- en Boeicopseweg een 30 km-weg is, is geen akoestisch onderzoek nodig.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. In dat verband wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek dat recent in het kader van het bestemmingsplan 'Hei- en Boeicopseweg 19' (2018) is uitgevoerd. Die situatie is goed vergelijkbaar met de voorliggende situatie. Uit de berekende geluidbelasting blijkt dat als gevolg van het wegverkeer op de Hei- en Boeicopseweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Derhalve kan gesteld worden dat ook op de voorliggende situatie sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.