CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting + bijlagen BP Middelk72Kerkw29.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 4 februari 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kerkweg 29b en Middelkoop 72 Leerbroek16.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

24

bedrijfshallen en een enkel kantoorgebouw. Hier zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit het aspect cultuurhistorie voor de ontwikkeling, die bestaat uit het legaliseren van de bestaande situatie achter het lint.

4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt ten opzichte van de bestaande planologische situatie geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk. Desalniettemin is, voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn, de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

25

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (zwarte omcirkelingen)

Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of buisleidingen aanwezig zijn. Daarnaast worden in het plangebied geen risicovolle inrichting mogelijk gemaakt. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

26

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Deellocatie Middelkoop Op de deellocatie aan de Middelkoop wordt het bestemmingsvlak 'Bedrijf' verkleind, waarbij deze gronden in het voorliggende bestemmingsplan als 'Agrarisch' (zonder bouwvlak) worden bestemd. De mogelijkheden om op deze locatie bedrijfsactiviteiten uit te oefenen worden in het voorliggende bestemmingsplan verkleind. De hinder voor milieugevoelige bestemmingen in de omgeving neemt daardoor af. Daarmee treedt een verbetering op ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie. Deellocatie Kerkweg Door de ligging in het lint van de Kerkweg en de aanwezigheid van bedrijvigheid direct naast wonen wordt de locatie en omgeving beschouwd als een gemengd gebied. In een gemengd gebied mag de relevante richtafstand, met uitzondering van gevaar, met één afstandsstap worden verlaagd. De voorgenomen ontwikkeling betreft het vergroten van de mogelijkheden voor het goederenwegvervoerbedrijf. Derhalve dient bepaald te worden of het bedrijf van invloed is op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Het bestemmingsvlak 'Bedrijf' op de locatie aan de Kerkweg wordt in het voorliggende bestemmingsplan vergroot ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. De milieubelastende activiteiten die worden mogelijk gemaakt zijn bedrijven in milieucategorie 1 of 2 en een goederenwegvervoerbedrijf.

Een goederenwegvervoerbedrijf (zonder schoonmaken van tanks) met een bedrijfsoppervlak van meer dan 1.000 m² (SBI 494 (1)) betreft een bedrijfsactiviteit van milieucategorie 3.2. De richtafstand in gemengd gebied bedraagt in dit geval 50 m. Daarmee wordt niet voldaan de richtafstand tot de (bedrijfs)woningen aan de Kerkweg 26, 27, 28, 29 en 29d. De bedrijfswoningen binnen de inrichting (Kerkweg 29a en 29c) genieten geen bescherming ten opzichte van het bedrijf. Als gevolg van de uitbreiding van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' blijft de afstand van het bedrijf tot de (bedrijfs)woningen in omgeving gelijk. Daarnaast worden de bedrijfsactiviteiten vergeleken met de feitelijke situatie ook niet uitgebreid. In de feitelijke situatie is de uitbreiding van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' reeds in gebruik voor het parkeren van vrachtwagens. De ontsluiting van het perceel zal plaatsvinden via de bestaande inrit aan de Kerkweg. Het aantal voertuig- en vrachtbewegingen neemt daarbij niet toe. De legalisatie van de bestaande situatie zal daarmee niet resulteren in meer hinder voor de omgeving. Conclusie De mogelijkheden voor uitoefening van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de Kerkweg worden in het voorliggende bestemmingsplan niet vergroot gebaseerd op de richtlijnen van de VNG (Handreiking Bedrijven en milieuzonering).

Het bedrijfsperceel aan de Kerkweg omvat immers in de huidige situatie reeds een oppervlak van meer dan 7.500 m² waarmee er al sprake is van een bedrijfsactiviteit van milieucategorie 3.2. De uitbreiding van de gronden ten behoeve van de bestemming 'Bedrijf' zorgt planologisch niet voor een mogelijkheid tot het realiseren van een bedrijf in een zwaardere milieucategorie. De hinder voor de milieugevoelige bestemmingen blijft daarmee gelijk in de nieuwe situatie en is er geen sprake van een verslechtering ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie. Bovendien zijn de af- en aanrijdende vrachtwagens aan de deellocatie aan de Kerkweg reeds aanwezig in de huidige situatie. Met voorliggend bestemmingsplan wordt deze situatie alleen positief bestemd. Bovendien zorgt de bestemming 'Groen' aan de randen van de bedrijfsbestemming dat hier planologisch geen mogelijkheden zijn voor het bedrijf en het geheel landschappelijk is ingepast. Er verandert verder niets in de beleving van deze buurt voor omwonenden, het woon- en leefklimaat blijft gelijk aan de huidige situatie.

27

Daarnaast wordt ter plaatse van de deellocatie Middelkoop een groot deel van de bedrijfsbestemming omgezet naar 'Agrarisch'. Daarmee treedt ter plaatse een verbetering op wat betreft hinder voor milieugevoelige bestemmingen (woningen) gelegen aan de Middelkoop. De verwachting is dat er minder vrachtwagens van en naar de locatie aan de Middelkoop rijden en deze bedrijfsbestemming gebruiken voor stalling. Dit zorgt voor een verbetering van de bestaande (planologische) situatie en een verbetering van het woon- en leefklimaat aan de Middelkoop. Geconcludeerd kan worden dat voorliggende ontwikkeling per saldo zorgt voor een verbetering van het woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

28

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming Beide deellocaties liggen niet in of nabij een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Zouweboezem en Lingegebied & Diefdijk-Zuid op circa 3,5 km afstand van het plangebied. Vanwege deze ruime afstand en het feit dat het aantal voertuigbewegingen niet toeneemt is er geen toename van stikstofdepositie. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op een minimale afstand van 1,3 km.

Ligging deellocatie Kerkweg (rode cirkel) t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland en Natura-2000 gebieden

Aan de oostzijde van de Kerkweg bevindt zich een belangrijk weidevogelgebied. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling aan de achterzijde (westzijde) van het lint plaatsvindt, zal de ontwikkeling geen noemenswaardige invloed hebben op dit weidevogelgebied. Tenslotte is de locatie aan de Kerkweg gelegen in een stiltegebied. In toelichting paragraaf 3.2.1 en toelichting paragraaf 4.8 is aangegeven dat de uitbreiding van het bedrijf geen verstorend effect heeft op dit provinciale belang. Zie voor ligging van het deelgebied aan de Kerkweg ten opzichte van het stiltegebied en weidevogelgebied.

Deellocatie Kerkweg t.o.v. het weidevogelgebied (links) en het stiltegebied (rechts)

Soortenbescherming Op de deellocatie aan de Middelkoop vinden geen fysieke ingrepen plaats. De rust- of verblijfplaats van beschermde soorten van de Wet natuurbescherming wordt daarmee niet aangetast. De ingrepen die op de deellocatie aan de Kerkweg uitgevoerd worden zijn mogelijk enkel het aanbrengen/verwijderen van verharding en/of het landschappelijk inpassen van het bedrijfsperceel. De wijzigingen met betrekking tot de verharding vinden plaats op gronden die reeds in gebruik zijn ten behoeve

29

van het bedrijf. Vanwege de bedrijfsactiviteiten die reeds plaatsvinden op de locatie is het vrijwel uitgesloten dat daar beschermde soorten aanwezig zijn. Bij de landschappelijke inpassing wordt beplanting aangelegd. De bestaande beplanting blijft daarbij behouden. Met inachtneming van de zorgplicht zullen beschermde soorten als gevolg hiervan niet geschaad worden. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit het aspect ecologie.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek De frequentie van het aantal verkeersbewegingen van en naar het transportbedrijf is in beeld gebracht. In navolgende tabel is het gemiddeld aantal transportbewegingen weergegeven per dag van de week, uitgesplitst naar dagdeel.

Tot 7.30 7.30 9.30 9.30 15.00 15.00 18.00 Na 18.00 Totaal p/d

maandag 21,0 1,3

dinsdag 4,3

woensdag 4,3

donderdag 2,0

vrijdag 3,3

Zaterdag 2,0

0,7

0,3

0,0

0,3

1,3

0,7

0,0

1,0

1,7

3,0

1,3

0,0

1,7

7,0

0,0

3,3 10,3

2,3 7,0

2,3 7,0

10,0 22,3

1,0 7,3

1,3 1,7 3,0 28,3

Op de maandagochtend tot 7.30 uur en op vrijdag in de middag en avond vinden de meeste verkeersbewegingen plaats. De overige werkdagen kennen een beperkt aantal verkeersbewegingen, met een lichte piek in de ochtend tot 7.30 uur. Gezien in de huidige situatie de uitbreiding van het bedrijf reeds aanwezig en in gebruik is neemt het aantal verkeersbewegingen niet toe. Hierdoor treedt er door de legalisering van gronden ten behoeve van het transportbedrijf geen verslechtering van op ten aanzien van de huidige situatie. Tenslotte zijn er geen klachten bekend over geluidoverlast van het bedrijf transportbedrijf A. de Jong Internationaal Transport Leerbroek B.V.. Gezien het voorgaande is het zeer aannemelijk dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

30

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

31

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Bedrijf'. Deze zijn, in zoverre deze relevant zijn, overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Zederik', zodat sprake is van de uitruil die in toelichting paragraaf 2.3 wordt voorgesteld. Navolgend worden deze bestemmingen nader toegelicht. Agrarisch De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf, bepaalde nevenactiviteiten, agrarische productiegronden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en ondergeschikte voorzieningen. Het bestemmingsvlak 'Agrarisch' is in beide deelgebieden niet voorzien van een bouwvlak, waarmee er geen gebouwen zijn toegestaan. Bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn beperkt toegestaan. Bedrijf De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden, die zich bevinden aan de Kerkweg 29, zijn bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, een goederenwegvervoerbedrijf en bijbehorende voorzieningen. Het bestemmingsvlak 'Bedrijf' is niet voorzien van een bouwvlak, waarmee er geen gebouwen zijn toegestaan. Groen De gronden aan de noordwestelijke zijde van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' op de deellocatie aan de Kerkweg 29 zijn bestemd als 'Groen'.

Op deze manier wordt een groene inrichting van rondom het bedrijfsperceel in de planregels geborgd. Binnen deze bestemming zijn ter plaatse van de aanduiding 'natuur- en landschapswaarden', die voor het hele bestemmingsvlak geldt, geen bouwwerken toegestaan. Daarnaast is binnen deze bestemming een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee is bepaald dat de gronden moeten worden ingericht (gehouden) zoals weergegeven in het landschappelijke inpassingsplan. Op deze wijze wordt de zorgvuldige landschappelijke inpassing van het bedrijf geborgd. Waarde - Archeologie (1, 2, 3 en 5) De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' zijn overgenomen uit 'Reparatieplan Buitengebied Zederik'. Deze beschermen de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.

32

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten voor het volgen van de procedure zijn dan ook voor de initiatiefnemer. De gemeente en de initiatiefnemer zullen het kostenverhaal in een anterieure overeenkomst regelen. Daarnaast vinden er geen bouwwerkzaamheden plaats (zoals genoemd in artikel 6.12 Wro), waardoor afgezien kan worden van een exploitatieplan.

33

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg en inspraak Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan op 19 juli 2018 gestuurd naar Rijkswaterstaat, Waterschap Rivierenlanden en provincie Zuid-Holland. Op 27 juli 2018 heeft de provincie Zuid-Holland gereageerd. De provincie onderschrijft dat de ontwikkeling in het plan niet is te beschouwen als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in de ladder van duurzame verstedelijking. Echter op grond van artikel 1.2 lid 3 van de Verordening ruimte is de ontwikkeling wel aan te merken als een nieuwe ontwikkeling. Dat betekent dat de ontwikkeling getoetst dient te worden aan de Verordening ruimte. Dit ter kennisname want het plan is er vervolgens niet mee in strijd. Verder wordt een opmerking geplaatst ten aanzien van de uitruil van planologische rechten. De provincie merkt op dat aan ‘papieren rechten’ geen rechten zijn te ontlenen op grond van de Verordening ruimte. Overigens heeft dit geen effect op de beoordeling van beide initiatieven uit onderhavig plan, omdat de ontwikkelingen in het plan passen binnen het provinciaal beleid. Tot slot wordt opgemerkt dat een gedateerde versie van de ladder uit de verordening is opgenomen. Bij de laatste herziening van mei 2018 is de laddertekst gewijzigd. Verzocht wordt om de toelichting hierop aan te passen.

Naar aanleiding van de reactie van de provincie Zuid-Holland is de toelichting op onderdelen aangepast. Inspraak De inspraakperiode was vanaf 27 juli t/m 7 september 2018. Er zijn geen inspraakreacties binnengekomen.

7.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'Middelkoop 72 en Kerkweg 29, Leerbroek' heeft vanaf 2 november 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn gedurende die periode geen zienwijzen ingediend.

34

Bijlage(n) Toelichting

Inhoudsopgave Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Kerkweg...................................................................................

2

Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Kerkweg

3

4

COLOFON:

© Bui-TeGewoon, groenprojecten ◊ publicatie 2018-23/2 Ouderkerk aan den IJssel, april 2018 (met aanpassingen mei 2018) Versie : Definitief Auteur : R.J.S. Terlouw Fotografie : Bui-TeGewoon, groenprojecten In opdracht van : A. de Jong, Internationaal transport BV, Leerbroek

Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. BUI-TEGEWOON, groenprojecten sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van BUI-TEGEWOON, groenprojecten en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding en doel

3.

2. Ligging projectgebied

3.

3. Opdracht omschrijving

3.

4. Beschrijving huidige situatie

4.

5. Het landschap van de Vijfheerenlanden

5.

6. Bestemmingsplan

5.

7. Inpassingsplan

6.

8. Technische specificaties inpassingsplan

8.

9. Indicatieve kostenraming

10.

10. Toekomstig beheer

10.

BIJLAGE. 1].

Inpassingsplan noordwestelijke perceel 2016 (A4)

2].

Inpassingsplan 2018 (A4)

1

2

1]. Inleiding en doel. Internationaal transportbedrijf A. de Jong BV heeft een terrein in eigendom en gebruik aan de Kerkweg 29 in Leerbroek. Met betrekking tot de gebruik mogelijkheden van het terrein voert het bedrijf gesprekken met de gemeente Zederik omtrent de bestemming, de gebruiksvoorwaarden en de landschappelijke inpassing van het terrein. Ten bate van de ruimtelijke planvorming is in oktober 2016 een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en gedeeltelijk in uitvoering gebracht voor het noordwestelijk gelegen terreindeel (Terlouw, R.J.S., 2016-19). Ten bate van de ruimtelijke ontwikkeling op het aangrenzende perceel is eveneens een inpassingsplan noodzakelijk voor het hier direct aan grenzende deel. Het transportbedrijf heeft Bui-TeGewoon, groenprojecten verzocht om dit inpassingsplan op te stellen en in samenhang te brengen met het eerder opgestelde plan uit 2016. Een concept versie van deze uitwerking is op 23 mei 2018, op locatie, besproken en met de heer Groen in ’t Wout van de gemeente Zederik en een collega. Tijdens dit gesprek en locatie bezoek zijn enkele aanpassingswensen vanuit de gemeente besproken en verwerkt in de onderhavige rapportage die de vormt de uitwerking van deze opdracht. 2]. Ligging projectgebied. Het betreffende gebied is gelegen ten westen van de Leerbroekse Kerkweg, direct ten noorden van de Middelwetering.

Het betrokken perceel is kadastraal bekend als Zederik sectie D nummer 278 en heeft een oppervlakte van circa 6130 m2. De ligging en locatie zijn weergegeven in figuur 1.

Figuur 1. Ligging bedrijf A. de Jong, internationaal transport BV en betrokken perceel

Ten zuiden van de bedrijfslocatie is een kleine woonbuurt gelegen. Op het erf en direct ten noordoosten hiervan zijn enkele woningen gevestigd. Direct ten noorden ligt een tweede kleinschalig bedrijventerrein met een bedrijfswoning. Op een afstand van circa 700 meter ten noorden van de bedrijfslocatie ligt de lintbebouwing van het Middelkoop. 3]. Opdracht omschrijving. A. de Jong, Internationaal transport BV heeft Bui-TeGewoon, groenprojecten gevraagd een zienswijze te geven op de huidige ruimtelijke afscheiding van het bedrijfsterrein met de kadastrale nummers Zederik sectie D nummers 274 en 278. Deze zienswijze dient in relatie te worden bezien met het in 2016 opgestelde inpassingsplan uit oktober 2016 (Terlouw, R.J.S., 2016-19) en met de gewenste maatregelen zoals verwoord vanuit de gemeente Zederik. Bij de uitwerking dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat het oostelijke terreindeel mogelijk zal worden afgesplitst. Voor dit deel dient conform het concept bestemmingsplan van 5 maart 2018, met kenmerk SR180064, een agrarisch bestemming in de vorm van grasland te worden gevolgd. Op basis van de bevindingen dient een integrale advies voor de bedrijfslocatie te worden opgesteld en dient een uitgewerkt inpassingsplan / landschappelijke inpassing te worden uitgewerkt.

Dit inpassingsplan moet worden begeleid met een globale kostenraming en een visie op het toekomstig beheer.

3

4]. Beschrijving huidige situatie. In de huidige situatie zijn de percelen Zederik D 274 en 278 in gebruik ten bate van het transportbedrijf, in het bijzonder als parkeervoorziening van de vrachtwagens. De percelen zijn verhard met betonplaten. Er is uitsluitend beplanting aanwezig rond om het woonhuis met kantoorgebouw van het pand Kerkweg 29a en ten zuidoosten van de grote loods waar een kleine laagstamboomgaard aanwezig is. Rondom de bedrijfsmatig geëxploiteerde delen is een hoge haag van coniferen aanwezig. De haag bestaat uit en dubbel aangeplante rij, heeft een gemiddelde breedte van circa 4.00 meter en een hoogte van circa 10.00 meter. De haag is redelijk tot goed onderhouden maar vertoont lokaal bruine verkleuring. De resterende levensverwachting van de haag is echter beperkt en wordt door ons op maximaal 5- tot 10 jaar ingeschat. De haag wordt kwetsbaar bevonden voor takbreuk als gevolg van zware regen- of sneeuwbelasting in combinatie met harde wind. Indien dit binnen de geprognotiseerde levensverwachting plaatsvindt, zal het aangetaste deel direct grote invloed hebben zowel op de visuele kwaliteit als een beperkende factor vormen op de resterende levensverwachting van het overige deel van de haag. Coniferenhagen van deze afmeting zijn weinig algemeen, maar landschappelijk weinig passend bij het landschap van de Vijfheerenlanden.

De haag biedt in zijn huidige vorm een maximale zicht onttrekking van het bedrijfsterrein vanuit de omgeving. Daarnaast biedt het beschutting tegen weersinvloeden aan de medewerkers van het transportbedrijf. In het bijzonder tijdens het wassen en onderhouden van de auto’s bij de wasplaats. Ecologisch is een dergelijke haag voornamelijk van belang voor vogels zowel in het broedseizoen als voor het bieden van beschutting en foerageergebied in de rest van het jaar. Voor de insecten, amfibieën en kleine zoogdierfauna heeft de haag geen ecologische functie. Om de haag in stand te kunnen houden gedurende een periode van omvorming, tot de landschappelijke aanplant de zicht onttrekkende en bufferende werking kan overnemen is het van belang is dat bij het snoei- en knipwerk minimaal 1.00 meter van het groene deel van de haag niet wordt beschadigt. Het ten westen gelegen projectgebied betreft een grasland omgeven door sloten en met enkele bomen en een centraal gelegen lager, drassig perceel deel. Het grasland heeft een wat grovere vegetatie die gekarakteriseerd kan worden als een grassenmix. Het is kenmerkend voor matig voedselrijke graslandtypen, die extensief worden gebruikt en geen of slechts een geringe bemesting krijgen.

Figuur 2. Coniferenhaag rondom vrachtwagen parkeerterrein

Figuur 3. Noordwestelijk gelegen grasland

Een schetsmatige weergave van de huidige situatie is weergegeven in figuur 4.

4

Figuur 4. Huidige situatie bedrijfslocatie A. de Jong, internationaal transport BV.

5]. Het landschap van de Vijfheerenlanden. De ontstaansgeschiedenis van de Vijfherenlanden is nog duidelijk zichtbaar in het landschap. Het betreft de oorspronkelijke blokvormige verkaveling met verspreidt opgaande elementen, zoals boomgaarden, grienden en bosjes. Ten bate van de ontwatering van het gebied wordt het doorsneden door talloze slootjes en weteringen. Het gebied bestaat grotendeels uit klei-op-veengronden. Plaatselijk, langs de (voormalige) rivieren, vinden we meer zandige gronden in de vorm van stroomruggen. De hoogte van de polders varieert van 1.00 meter boven NAP tot ongeveer 0.50 meter eronder (in het westen). De bebouwing en beplanting dragen duidelijk historische kenmerken. Zo is het gebied rijk aan historische boerderijen, knotbomen (meestal knotwilgen) en in de nabijheid van de dijken, stroomruggen en overslaggronden hoogstamboomgaarden. De knotbomendichtheid behoort tot de hoogste van Nederland. Daarnaast zijn in het gebied veel grienden en populierenbossen aangeplant. De grienden bevinden zich op de van oudsher laagste delen. In de late jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw, toen de vraag naar griendhout af nam zijn verschillende grienden door geplant met populieren. De huidige populieren opstanden vinden hun herkomst in deze periode. 6].

Bestemmingsplan Door bureau SRO is in opdracht van de gemeente Zederik een nadere uitwerking voor het bestemmingsplan opgesteld. Deze schets d.d. 05 maart 2018 met kenmerk NL-IMRO.0707.BPMiddelk72Kerkw29-C001 is onderstaand weergegeven.

Figuur 5. Bestemmingsplan advies SRO aan gemeente Zederik

5

7]. Inpassingsplan Bij de opzet van het inrichtingsplan is er van uit gegaan dat het wenselijk is om de aanwezige coniferen haag nog enkele jaren te handhaven. Gedachte hierbij is dat de te realiseren landschappelijke inrichting kan uitgroeien en de bufferende werking, zowel voor de omgeving als voor de medewerkers van het transportbedrijf kan over nemen. De haag is in redelijke conditie, maar heeft beheer aandacht nodig. In de huidige situatie voorkomt deze haag het zicht op het transportbedrijf vanuit de omgeving in zijn geheel. In het bijzonder vanaf de lintbebouwing van het Middelkoop op circa 700 meter aan de noordzijde draagt dit bij aan het verhinderen van zicht op de geparkeerde vrachtwagens. Ook vanuit de landschapsbeleving van passanten en recreanten, in het bijzonder langs de Middelkoop vormt de huidige haag een functionele afscherming. Aan de zuidzijde geeft de coniferen haag beschutting op de wasplaats van de vrachtauto’s voor het uitvoerend personeel. Er dient echter rekening te worden gehouden met de uitzonderlijke ouderdom en de grote hoogte van deze coniferenhaag. Onder normale omstandigheden schatten wij op basis van expert judgement de periode van functieverlies in op 3- tot 8 jaar. Bij windval of uitscheuren door zware regen of sneeuwlasten zal bruin verkleuring op treden en in de open plekken die ontstaan extra windvang en schade optreden.

Indien dit plaatsvindt, zal de haag in zeer korte tijd, als gevolg van het verdwijnen van de onderlinge samenhang en verbanden geheel zijn functie verliezen. Vanuit dit aspect wordt geadviseerd een gebiedseigen beplanting aan te brengen op de schouwstrook noordwestzijde (lange kant) van de coniferen haag en langs de zuidkant door hier met voorrang de coniferen haag te verwijderen. Op termijn (stel over circa vier jaar – uitgaand van aanplant in de winter van 2018/2019) zal deze beplanting de gezicht onttrekkende functie van de coniferen haag geheel hebben overgenomen. De korte delen van de schouwpaden langs de huidige coniferen haag dienen per as bereikbaar te blijven voor het reguliere onderhoud. Specifiek het deel aan de zuidzijde is hierbij van belang daar de naastliggende watergang de status van A- watergang heeft (hoofdwatergang) heeft. Langs de lange zijde kan het sloot en oeverbeheer eenvoudig vanuit het kruidenrijk grasland worden uitgevoerd en hoeft geen rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid. Voorgesteld wordt om aan (een deel) van de coniferenhaag nog eenmalige groot onderhoud te plegen, zodat de beoogde transformatie periode zo kansrijk mogelijk wordt overbrugd. Hierbij dient de tak uitgroei te worden teruggezet op zodanige wijze dat een groene buitenrand gehandhaafd blijft.

Door deze aanpak wordt het risico op het uitscheuren van takken als ze zwaar zijn na veel regen of sneeuwlast in combinatie met wind voorkomen. Aan de zuidzijde van het perceel, nabij de vrachtwagen wasplaats, wordt voorgesteld de coniferen haag in de winter van 2018/2019 geheel te verwijderen en te vervangen door een beplanting met gebiedseigen bosplantsoen. De coniferen kunnen hierbij zo dicht mogelijk bij de grond worden afgezaagd. Rooien van de wortelkluiten wordt af geraden, omdat dit tot zeer grote en bovenmatige bodembeschadiging zal leiden. Er is voldoende ruimte tussen de wortels om de nieuwe beplanting te plaatsen. Geadviseerd wordt om wel rond de aanplant enige verse grond aan te brengen. Daar in deze zone de deksels van de onder het maaiveld gelegen slipopvang en olie- en vetafscheider t.b.v. de wasplaats zijn gelegen is het wenselijk een hiermee rekening te houden bij het planten, zodat deze steeds bereikbaar zijn voor het periodiek legen. Met betrekking tot het mogelijk af te splitsen perceeldeel aan de noordoostzijde wordt volstaan met het verwijderen van de betonplaten verharding en het inzaaien met een grasmengsel. Gezien de geringe oppervlakte wordt voorgesteld om in te zaaien met een langzaam groeiend grasmengsel waaraan 15% rode klaver wordt toegevoegd. Op deze wijze kan het beheer extensief en tegen lage kosten worden uitgevoerd.

De definitieve inrichting van dit terreindeel wordt uitgesteld tot duidelijkheid over de toekomst hiervan is verkregen.

6

Tussen dit in te zaaien deel en het met betonplaten verharde deel zal een haag van Carpinus betulus (gewone haagbeuk) worden aangeplant. In de haag wordt een uitsparing van 6.00 meter breedte gehouden als doorgang naar het naastgelegen terrein. In deze doorgang wordt een poorthek aangebracht. De haag wordt aangeplant als dubbele haag en zal een eind breedte van circa 0.90 meter verkrijgen. De plant afstand in de rij bedraagt 0.75 meter en tussen de rijen 0.35 meter. Er wordt in een driehoek verband geplant. De beoogde eindhoogte van deze haag dient circa 4- á 5.00 meter te bedragen. Na circa 4- á 5 jaar heeft de haag deze hoogte bereikt. Hij zal dan vanuit het oosten de gezicht onttrekkende werking van de coniferenhaag aan deze zijde geheel hebben overgenomen. De geadviseerde haag (Carpinus betulus) is eenvoudig te beheren, door eenmaal per jaar te knippen en zal een fraaie, landschappelijke afscherming bieden. Het in 2016 opgestelde inpassingsplan (bijlage 1) van het noordwestelijke perceel is zodanig vormgegeven dat deze op termijn de gezicht onttrekkende functie van de huidige coniferen haag en toekomstige beplantingsstrook overneemt. De combinatie met de knot- en stambomen op het westelijk gelegen perceel en de lossere structuur van de voorgestelde beplanting zal een meer transparant beeld opleveren, waardoor visueel diepte aan het landschap wordt toegevoegd.

Om dit te realiseren is het wenselijk enkele van de in 2016 voorgestelde maatregelen die nog niet zijn geeffectueerd als nog uit te voeren. Het betreft de aanplant van knotwilgen en de aanleg van een klein wilgen hakhoutbosje. Voor zowel het inpassingsplan uit 2016 als het onderhavige plan is er voor gekozen om: Aanwezige waardevolle bomen te behouden; Rekening te houden met een toekomstig efficiënt (machinaal) beheer; Een voldoende visuele afscherming ook naar de toekomst te garanderen; Te werken met gebiedseigen landschapselementen en soorten uit de Vijfheerenlanden; Een inrichting na te streven die een tevens functie kan vervullen voor karakteristieke flora en fauna van het gebied en zich richt op gespreide bloeidata ten bate van de insectenfauna; De inrichtingsmaatregelen zijn weergegeven in figuur 6 en in groter formaat opgenomen als bijlage 2.

Figuur 6. Inpassingsplan Kerkweg 29 Leerbroek – 2018

7

8.]

Technische specificatie inpassingsplan

Algemeen Als waardevolle bomen die dienen te worden gespaard zijn aangemerkt een volwassen knotwilg aan de zuidoostzijde van de sloot en een aantal moeraseiken (figuur 7) met een leeftijd van circa 15 jaar. Deze bomen zijn landschappelijk reeds waardevol en passend binnen het inpassingsplan. Hiermee is direct al een vrij volwassen structuur in delen van het plangebied aanwezig. Voor de moeraseiken geldt dat het ongewenst is ze op te kronen (bijvoorbeeld ten bate van maaibeheer). De huidige lage takaanzet is karakteristiek voor deze soort en versterkt de bufferende functie van de bomen. De schouwstrook langs de hoofdwatergang blijft machinaal bereikbaar via het aangrenzende grasland perceel. De schouwstrook dient jaarlijks te worden mee genomen bij het maaien van het grasland.

Figuur 7. Fraaie moeraseiken met een lage kroon aanzet handhaven

1. Knotbomen aangrenzend perceel De voorgestelde knotbomen uit het plan van 2016 zijn nog niet aangebracht. Vanuit het creëren van een landschap wat door de structuur enige diepgang krijgt wordt de buffering en landschappelijke inpassing versterkt. Voorgesteld wordt de knotbomen als nog aan te brengen. De knotwilgen worden zodanig gepositioneerd dat een onregelmatige plantafstand van tussen de 8.00 en 12.00 meter ontstaat. Door de wat grotere tussenruimte blijft machinale sloot- en oeverschoning met een maaikorf mogelijk, terwijl als gevolg van de onregelmatige plantafstand een landschappelijk en aantrekkelijk beeld ontstaat. De functie van de knotwilgen kan worden versterkt door een beheer te voeren waarbij jaarlijks 25% van de knotwilgen wordt geknot en onderling een onregelmatige plantafstand van tussen de 8.00 en 12.00 meter te hanteren. Door deze tussenruimte en onregelmatige plantafstand ontstaat een landschappelijk aantrekkelijk beeld. 2. Klein hakwilgen vak aangrenzend perceel Ook het kleine hakwilgengriendje op de kop van de poel is nog niet gerealiseerd. Ook dit element brengt diepgang in het landschap en draagt bij aan een streekeigen uitstraling. Vanuit ecologie vormt een hakhoutbosje nabij een poel een grote meerwaarde voor de amfibieënfauna.

Met deze situering wordt het terrein vanaf de westzijde aan het zicht onttrokken en wordt de voornaamste windrichting gebufferd. Het griendhout wordt in de bestaande grasmat in gestekt nadat deze vooraf kort is gemaaid. De stekers worden op circa 0.60 meter boven het maaiveld geplaatst zodat deze zonder concurrentie van het grasgewas kunnen wortelen en ontwikkelen. Na het tweede groeiseizoen dienen de stekken te worden teruggezet op 0.30 tot 0.40 meter waarna ze als gevolg van de gezette wortel snel opnieuw zullen uitlopen. Op deze wijze ontstaat een fraai hakhout struweel. De plantafstand bedraagt circa 1.50 meter hart op hart. Bij een oppervlakte van circa 350 m2 zijn 155 stekken nodig. Idealiter worden drie verschillende struikwilgensoorten in mengbeplanting aangeplant om kaalvraat bij aantasting door bijvoorbeeld het wilgenhaantje te voorkomen. Geadviseerd wordt om de varianten grauwe wilg, amandelwilg en de kleurvariant Belgisch rood toe te passen en deze ongesorteerd door elkaar te planten.

8

3. Aanplant enkele knotwilgen op schouwstrook tussen sloot en coniferen haag In tegenstelling tot in het plan van 2016 worden nu een vijftal knotwilgen voorzien op de schouwstrook tussen de haag en de sloot aan de noordzijde van het perceel. Deze knotwilgen kunnen op termijn de coniferenhaag vervangen als deze door kwaliteitsverlies de zicht onttrekkende functie niet meer kan vervullen. Er is voor knotwilgen gekozen zodat (na het knotten) de schouwstrook bereikbaar blijft per as. Aanleg en onderhoud is verder gelijk aan wat onder 1 gesteld. 4 & 6. Aanplant gebiedseigen struweel beplanting Voor het middendeel van de coniferenhaag en aan de korte zuidzijde, naast de wasplaats, wordt struweelvormig bosplantsoen ingeplant. Er wordt gekozen voor plantmateriaal wat past in de streek, een hoogte van circa 4- tot 6 meter zal bereiken en bij wens of noodzaak eenvoudig op stoof terug is te snoeien zonder dat de plant afsterft. Lokaal kan een opgaande stamboom worden ingepast. Naast boven genoemde vanuit beheer voortkomende aspecten is het wenselijk om het sortiment zodanig samen te stellen dat er verspreid door het seizoen bloeiende planten aanwezig zijn ten bate van de insectenfauna en dat er in het najaar bes-vorming is ten bate van vogels en kleine zoogdieren. Op deze wijze draagt de landschappelijke inpassing tevens bij aan het dierenleven in het gebied. Geschikte soorten zijn o.a.

Gelderse roos, wilde liguster, vuilboom, sleedoorn, meidoorn, vlier, gewone lijsterbes en Drents krentenboompje. Aanplant vindt plaats in driehoekverband met een onderlinge plantafstand van 3.00 meter. Uitgaande van een plant vak van circa 70- bij 18 meter zijn 140 stuks bosplantsoen nodig aan de lengte zijde en nabij de wasplaats 30 – bij (gemiddeld) 8 meter zijn hier circa 30 exemplaren nodig. Idealiter wordt ingeplant in een kort gemaaide grasmat zonder frezen of andere bodembewerking met tweejarig bosplantsoen. Daar in deze zone de deksels van de onder het maaiveld gelegen slib opvang en olie en vetafscheider t.b.v. de wasplaats zijn gelegen (figuur 8) is het wenselijk een hierop toegespitste beplanting te kiezen.

Figuur 8. Zuidzijde coniferen haag nabij wasplaats met putdeksel van olie en vetafscheider

5 Verwijderen coniferenhaag zuidzijde Aan de zuidzijde nabij de vrachtwagen wasplaats wordt de coniferen haag reeds in de winter 2018/2019 verwijderd en vervangen door een aanplant van bosplantsoen. Om de werkomstandigheden op de was plaats voor de vrachtwagens te verbeteren kan worden overwogen om een tijdelijk scherm of schutting worden toegepast. 6 Terugsnoeien zijkanten lengte delen van coniferenhaag Dit deel van de aanwezige coniferenhaag dient nog een aantal jaren te functioneren als zicht onttrekkende beplanting van de vrachtwagen parkeerplaats en de bedrijfsgebouwen van het transportbedrijf. Om deze functie nog minimaal 4 jaar te kunnen vervullen is het wenselijk de zijkanten van de coniferenhagen op te snoeien tot circa 4- á 5 meter hoogte. Indien de haag niet wordt op gesnoeid bestaat er een grotere risico dat takken na zware regen of bij sneeuw uitscheuren en het de haag versneld moet worden verwijderd. Het opsnoeien dient zorgvuldig te gebeuren, waarbij minimaal 75 centimeter groene takken wordt gehandhaafd, zodat geen bruine zijkanten ontstaan. Nadat de coniferen nog 4- tot 6 jaar zijn gehouden om de nieuwe inrichting tot ontwikkeling te laten komen zullen deze worden verwijderd.

9

7 Aanplanten haag van Carpinus betulus op de beoogde grens van het verhard terrein Op de grens tussen verharding en in te zaaien deel met gras (zie 9) is een scheiding in de vorm van een haagbeuken haag (Carpinus betulus) voorzien. Haagbeuk is een ideale haagplant die eenvoudig door middel van eenmaal per jaar knippen kan worden onderhouden, smal blijft en een goede en fraaie landschappelijke scheiding verzorgt. Door deze haag aan te planten als bosplantsoen met een maat van 2.00 meter en in de eerste jaren met palen en draad raster te steunen zal binnen 4 á 5 jaar een volwassen haag zijn gevormd. Indien de nieuwe eigenaar de coniferenhaag besluit te verwijderen ontstaat zo een nieuwe landschappelijke aankleding en zicht onttrekking voor het transportbedrijf. De haag dient te worden aangeplant op de scheiding als dubbele haag. De plantafstand in de rij bedraagt 0.75 meter en tussen de rijen 0.35 meter. Er wordt in een driehoekverband geplant. In het midden van de haag is een poort voorzien met ene breedte van circa 6.00 meter. Dit houdt de terreinen koppelbaar en voorziet in een vluchtroute bij calamiteiten. Bij een lengte van circa 25 meter zijn 65 haagplanten noodzakelijk. 8 Uitnemen betonplaten en inzaaien als agrarisch (groen) ingetekende perceeldeel Het noordelijke deel van het betrokken erf is in het bestemmingsplan voorstel ingetekend als agrarisch / groen.

De hier voorgestelde werkzaamheden bestaan uit het verwijderen van de nu aanwezige betonplaten en het inzaaien met een gras/klavermengsel. Om het beheer extensief te houden wordt voor een mengsel gekozen met een geringe productie. Geadviseerd wordt te kiezen voor een mengsel dat wordt samengesteld uit 85% roodzwenkgras en 15% rode klaver. Een definitieve invulling van dit terreindeel zal later verder kunnen worden uitgewerkt op basis van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. 9]. Indicatieve kostenraming. De kosten van de landschappelijke inrichting worden geraamd op circa € 5.000,00 en kunnen als volgt worden gespecificeerd 1].         

Leveren en aanplanten circa 15 knotwilgen Leveren en instekken 350 m2 struikwilgen Afzetten en verwerken en afvoeren van zuidelijke coniferenhaag (ca. 40 m1) Leveren en aanplanten struweel (vooraf kort maaien) Snoeien zijkanten coniferenhaag tot 5.00 m hoogte Leveren en aanplanten carpinus haag met tussen raster (paal gladde-draad) Verwijderen betonplaten en leveren en inzaai gras/klaver mengsel (660 m2) Materiaal, aanvoer en voorbereidende werkzaamheden Uitvoeringsbegeleiding, etc. Totaal geraamde kosten

€ 175,00 € 450,00 € 1.980,00 € 975,00 € 875,00 € 750,00 € 1.040,00 € 200,00 € 480,00 € 6.925,00

1]. Alle tarieven prijspeil maart 2018 en exclusief BTW

10].

Toekomstig beheer.

Bestaande coniferen haag. Twee jaarlijks knippen afhankelijk van groeisnelheid op zodanige wijze dat minimaal 75 cm groen tak deel gehandhaafd blijft. Solitaire moeraseiken. Niet opkronen of snoeien maar natuurlijke kroonontwikkeling blijven ontwikkelen. Knotwilgen. Jaarlijks 25% van de bomen op knot af zetten, waarbij nooit meer dan twee naast elkaar staande bomen in het zelfde jaar worden geknot om gezicht onttrekkende functie te handhaven.

10

Griendwilgen. In het 2e jaar na aanplant integraal afzetten op 30 tot 40 cm hoogte. Het vrijkomende hout kan tussen de plantrijen worden geplaatst waarbij om en om een rij wordt gevrijwaard van snoeihout om beloopbaarheid van het bosje voor beheer te waarborgen; Van het tweede jaar wordt een 4 jarig hakcyclus ingevoerd waarbij maximaal 50% van de oppervlakte in één jaar kan worden gehakt. Om deze cyclus ingang te zetten dient in het 4e jaar na aanplant 50% van de griendwilgen opnieuw te worden afgezet. Het afzetten gebeurd zodanig groepsgewijs dat een gesloten gezichtsonttrekking blijft gehandhaafd. Evenals het bij de werkzaamheden zoals beschreven in jaar twee kan het vrijkomende hout tussen de rijen worden geplaatst. Poel en natte laagte. De natte laagte en de poel worden niet gemaaid in het zomerhalfjaar. In het late najaar kan maximaal 35% van de poel en de natte laagte worden gemaaid en geschoond. Vrijkomend materiaal kan in de randzone van de griend, in de nabijheid van de poel op een faunahoop worden geplaatst. Hierbij kan ook eventueel overig vrijkomend organisch materiaal worden aangewend. De hoop vervult een functie in de overwintering van de amfibieënfauna en voor ongewervelden. Blijvend grasland. Het blijvend grasland kan tweemaal per jaar worden gemaaid en afgeruimd. De meest ideale perioden zijn rond 10 juni en eind augustus.

Ten bate van een fraaie landschappelijke overgang en ten bate van aanwezige fauna wordt de natte laagte in het middendeel en de randzone van 1.50 tot 3.00 meter langs de poel en het wilgengriend niet mee gemaaid. Bemesting en beweiding zijn ongewenst. Struweel beplanting. Beheer bestaat uit niets doen. Incidenteel kan na circa 8- tot 10 jaar een lichte onderhoud snoei noodzakelijk zijn. Carpinus haag. Jaarlijks omstreeks eind juli aan beide zijkanten knippen. Nadat de gewenste hoogte (circa 5.00 meter) is bereikt kan ook de bovenzijde worden mee geknipt. Ingezaaid gras/klaver deel. Jaarlijks eenmaal maaien rond eind juli met afruimen maaisel.

11

12

BIJLAGE 1.

Inpassingsplan westelijke perceel, zoals gepresenteerd in 2016

13

14

BIJLAGE 2.

INPASSINGSPLAN 2018

15

IN OPDRACHT VAN:

A. de Jong, Internationaaltransport Leerbroek BV.

16

Buro SRO

stedenbouw + ruimtelijke ordening + ontwikkelingsmanagement `t Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030 2679198 www.buro-sro.nl BTK nummer: NL8187.16.071.B01 KvK nummer: 30232281 Rekeningnr.: 1421.54.024 t.n.v. Buro SRO B.V.

buro-sro.nl

‘t Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030 2679198 buro-sro.nl

BTW nummer: NL8187.16.071.B01 Kvk nummer: 30232281 Rabobank rekeningnummer: 1421.54.024 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

stedenbouw + ruimtelijke ordening + ontwikkelingsmanagement

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=0666ebc5-818b-4071-bb30-50acb3fd3e86