CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting + bijlagen BP Middelk72Kerkw29.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 4 februari 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kerkweg 29b en Middelkoop 72 Leerbroek16.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Middelkoop 72 en Kerkweg 29, Leerbroek Gemeente Zederik

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0707.BPMiddelk72Kerkw29-VA01

Datum:

2020-11-27

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. H.J.M. van Arendonk | dhr. T.J. Oostrom

Kenmerk Buro SRO:

SR180064

Opdrachtgever:

Gemeente Vijfheerenlanden

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Toelichting

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Context ................................................................................................................................................................ 9 2.2 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.3 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16

4 Milieu- & omgevingsaspecten .............................................................................................................. 18 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 18 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 19 4.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 20 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 21 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 22 4.6 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 23 4.7 Externe veiligheid ..............................................................................................................................................

25 4.8 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 26 4.9 Ecologie ............................................................................................................................................................. 28 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 30

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 31 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 31 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 31 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 31 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 32

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 33 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 34 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 34 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg en inspraak .................................................................................................... 34 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 34

3

4

1 Inleiding

1.1 Aanleiding Ter plaatse van het perceel aan de Kerkweg 29 is het transportbedrijf A. de Jong Internationaal Transport Leerbroek B.V. gevestigd. Het gebruik van een klein deel van het perceel is in strijd met het geldend bestemmingsplan. De initiatiefnemer is daarom voornemens het huidige gebruik van dit deel aan de Kerkweg 29 te Leerbroek te legaliseren, wat bestaat uit het parkeren van de vrachtwagens van het transportbedrijf. Het betreffende bedrijf wenst op zijn huidige locatie gevestigd te blijven, omdat het niet haalbaar is om de bedrijfsactiviteiten naar een bedrijventerrein te verplaatsen. De ligging aan het lint maakt de locatie in beginsel geschikt voor een combinatie van bedrijfs- en woonfuncties. Als onderdeel van het voorgenomen plan wordt voorzien in landschappelijke inpassing. Om het huidige gebruik juridisch-planologisch mogelijk te maken dient het bestemmingsvlak 'Bedrijf' ter plaatse van de Kerkweg 29 Leerbroek vergroot te worden. Ter compensatie wordt er een bestemmingsruil met gronden aan de Middelkoop 72 te Leerbroek toegepast, waar ter plaatse het bestemmingsvlak 'Bedrijf' per saldo afneemt. Om de beoogde bestemmingsruil vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan heeft, behoudens de legalisatie van de huidige situatie, een conserverend karakter en staat geen nieuwe bebouwing toe.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit twee deellocaties: Middelkoop 72 te Leerbroek en Kerkweg 29a, 29b en 29c te Leerbroek. Middelkoop 72 te Leerbroek De deellocatie aan de Middelkoop 72 te Leerbroek maakt onderdeel uit van het lint van het buurtschap Middelkoop. Dit buurtschap is ten noorden van de kern Leerbroek gelegen. De planlocatie is kadastraal bekend onder gemeente Zederik, sectie C, perceel 557. De navolgende afbeelding toont de globale begrenzing van het plangebied.

5

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Kerkweg 29a, 29b en 29c te Leerbroek De deellocatie aan de Kerkweg 29a, 29b en 29c te Leerbroek is ten noorden van de kern Leerbroek gelegen. De planlocatie is kadastraal bekend onder gemeente Leerbroek, sectie B, perceel 278. De navolgende afbeelding toont de globale begrenzing van het plangebied.

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de grenzen van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Zederik' (vastgesteld op 29 juni 2015). Deellocatie Middelkoop De gronden op de deellocatie aan de Middelkoop hebben in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Bedrijf' met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - goederenwegvervoerbedrijf'. Binnen deze bestemming zijn onder andere bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten en een goederenwegvervoerbedrijf toegestaan. De betreffende deellocatie is gedeeltelijk van een bouwvlak voorzien. Feitelijk vinden er op het uit te ruilen gedeelte van het bestemmingsvlak geen bedrijfsactiviteiten plaats. De beoogde bestemming 'Agrarisch' is daardoor passend. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

Deellocatie Kerkweg De gronden op de deellocatie aan de Kerkweg hebben in het geldende bestemmingsplan de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch'. Het bestemmingsvlak 'Bedrijf', waarin een bouwvlak ontbreekt, is voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - goederenwegvervoerbedrijf'. Binnen de bestemming 'Bedrijf' zijn onder andere bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten en een goederenwegvervoerbedrijf toegestaan. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf en agrarische productiegronden. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

7

Uitsnede geldende bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

De voorgenomen ontwikkeling, die bestaat uit de legalisatie van de bestaande bedrijfsactiviteiten op de deellocatie aan de Kerkweg, is niet mogelijk in het geldende bestemmingsplan binnen de bestemming 'Agrarisch'. Derhalve dient een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Hierin vindt een uitruil plaats met de deellocatie aan de Middelkoop. Reparatieplan Buitengebied Zederik Op 19 november 2018 is door de raad van de voormalige gemeente Zederik het reparatieplan Buitengebied Zederik vastgesteld. Met dit reparatieplan zijn de regels van bestemmingsplan Buitengebied Zederik op enkele punten aangepast. Onder andere het archeologisch beleid van de voormalige gemeente is in het plan verwerkt. Hierdoor gelden sinds vaststelling van het reparatieplan archeologische dubbelbestemmingen in het plangebied. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij werkzaamheden waarbij ingrepen in de bodem plaatsvinden. Dit wordt beschouwd in toelichting paragraaf 4.6.1.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de resultaten uit het vooroverleg en de inspraakmomenten.

8

2 Planbeschrijving 2.1 Context De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op A. de Jong Internationaal Transport Leerbroek B.V.. Dit bedrijf is een internationaal transportbedrijf dat zich met name richt op transporteren van zeecontainers en trailertransport. Verder houdt het bedrijf zich bezig met de op- en overslag van goederen. Het bedrijf is een familiebedrijf dat is opgericht in 1965. Het aantal medewerkers bedraagt circa 45.

2.2 Huidige situatie Deellocatie Middelkoop Direct ten oosten van de deellocatie aan de Middelkoop zijn een aantal gebouwen gesitueerd. Deze bebouwing bevindt zich buiten het plangebied. De gronden binnen het plangebied zijn grotendeels onverhard en ingericht als grasveld. De betreffende deellocatie is gelegen in het lint van het buurtschap Middelkoop. Aan de noord- en zuidzijde van het lint bevinden zich agrarische percelen. Ten oosten en westen van plangebied zijn agrarische bedrijven gevestigd. De rest van het lint bestaat uit een mix van woningen en (agrarische) bedrijven. Op de navolgende afbeelding is een impressie van de huidige situatie weergegeven.

Impressie huidige situatie, gezien vanaf de Middelkoop

9

Deellocatie Kerkweg Op de deellocatie aan de Kerkweg is A. de Jong Internationaal Transport Leerbroek B.V. gevestigd. In het noordoosten van het perceel is bedrijfsbebouwing (loodsen) gesitueerd. De bedrijfswoningen Kerkweg 29a en 29c bevinden zich aan de zuidzijde nabij de Kerkweg. De rest van het perceel is vrijwel volledig verhard. Ook een deel van het plangebied dat bestemd is als 'Agrarisch' is verhard met stelconplaten. Dit deel van het perceel wordt met name gebruikt voor het parkeren van vrachtwagens. Aan de westzijde van het perceel is een brede haag van coniferen aanwezig. Het een en ander is weergegeven op de navolgende afbeelding.

Luchtfoto huidige situatie (plangebied is rood omkaderd)

Enkel de gronden die zich ten noordwesten van het bouwvlak bevinden maken onderdeel uit van het plangebied. Op deze gronden bevindt zich geen bebouwing.

2.3 Toekomstige situatie Wijzigingen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan Het voorgenomen plan bestaat uit de uitruil van gronden met de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch'. Op deellocatie aan de Middelkoop wordt 1.762 m² van de in het geldende bestemmingsplan als 'Bedrijf' bestemde gronden in het voorliggende bestemmingsplan omgezet naar 'Agrarisch'. Op de deellocatie aan de Kerkweg wordt het bestemmingsvlak 'Bedrijf' ten noordwesten van het bouwvlak (zie toelichting paragraaf 1.3) met 2.670 m² uitgebreid/vervormd. Hiervan is 1.285 m² in het geldende bestemmingsplan reeds als 'Bedrijf' bestemd, waardoor de uitbreiding van het bestemmingsvlak op de deellocatie aan de Kerkweg 1.385 m² bedraagt. Per saldo is er op beide deellocaties een afname van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' van 377 m². Deellocatie Middelkoop Met uitzondering van de wijzigingen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan (zie eerdergenoemde in deze paragraaf) vinden er op de deellocatie aan de Middelkoop geen wijzigingen plaats. Er worden geen fysieke ingrepen uitgevoerd.

10

Deellocatie Kerkweg Aangezien het bestemmingsvlak 'Bedrijf' voor een klein deel wordt verplaatst zal een deel van de bestaande verharding (noordelijke punt van de deellocatie) als 'Groen' bestemd worden. Daarmee zullen deze gronden niet meer ten behoeve van het goederenwegvervoerbedrijf gebruikt mogen worden. Verder zullen er geen fysieke ingrepen plaatsvinden en zal de bestaande perceelsinrichting gehandhaafd blijven. Om een geleidelijke overgang naar het achterliggende landschap te creëren zal het bedrijfsperceel landschappelijk ingepast worden. Deze overgang wordt geborgd doordat in voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting is opgenomen voor het aanleggen en in stand houden van het landschappelijke inpassingsplan. Het landschappelijke inpassingsplan is opgenomen in bijlagen bij toelichting bijlage 1.

11

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld.

Planspecifiek Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

12

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan 'een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Omdat het bestemmingsvlak 'Bedrijf' in het voorliggende bestemmingsplan per saldo afneemt en er geen fysieke ingrepen plaatsvinden die van stedelijke aard zijn, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarmee is er geen verantwoording noodzakelijk in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid Per 1 januari 2019 is de gemeente Zederik (provincie Zuid-Holland) gefuseerd met de gemeenten Vianen en Leerdam (provincie Utrecht) tot de gemeente Vijfheerenlanden. Deze gemeente maakt deel uit van de provincie Utrecht. Op dit moment is er nog geen nieuw provinciaal beleid geformuleerd. In deze overgangsperiode blijven de door de provincie Zuid-Holland vastgestelde beleidskaders van toepassing. Het gaat hierbij niet over de door de provincie Zuid-Holland opgestelde omgevingsvisie en -verordening, omdat deze zijn vastgesteld nadat de voormalige gemeente Zederik al geen onderdeel van Zuid-Holland meer uitmaakte. De beleidskaders van de provincie Zuid-Holland waaraan getoetst moet worden zijn de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte 2014 en het Programma Ruimte. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte. De verplichtingen voor ruimtelijke plannen van de provincie of lagere overheden zijn opgenomen in de Verordening.

3.2.1 Visie ruimte en mobiliteit Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 de Wijzigingen 2018 van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vastgesteld. Op 15 februari 2019 is de geconsolideerde versie, waarin de recente wijzigingen van de VRM zijn opgenomen, in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door

13

waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen. De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor degewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:

• • • •

beter benutten en opwaarderen van wat er is; vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.

Planspecifiek Aan de hand van voorgaande hoofdstukindeling wordt hiernavolgend de relatie tussen beoogde ontwikkeling en de VRM beschreven. Mobiliteit en bebouwde ruimte Het lint van de Kerkweg behoort tot bebouwde ruimte. De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten en tegelijkertijd de leefkwaliteit van de bebouwde ruimte verbeteren. Ook buiten de bebouwde ruimte blijven nieuwe woon- en werklocaties mogelijk en wenselijk. De wijziging van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' op de deellocatie aan de Kerkweg maakt reeds deel uit van de bebouwde ruimte. Daarbij vinden geen fysieke ingrepen plaats en neemt het ruimtebeslag niet toe. Logistieke dienstverlening vormt een belangrijke onderdeel van de Zuid-Hollandse economie en verbindt de mainport Rotterdam, greenports en gerelateerde kenniscentra. De voorgenomen ontwikkeling maakt het mogelijk dat het goederenwegvervoerbedrijf zijn bedrijfsvoering voort kan zetten. Verplaatsing naar een bedrijventerrein, zoals bedrijventerrein Schelluinen-West, is voor A. de Jong Internationaal Transport Leerbroek B.V. niet haalbaar en zou het einde van de bedrijfsvoering betekenen. Vanuit de wens om de bestaande situatie te legaliseren wordt de vergroting van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' op zijn huidige bedrijfslocatie aan de Kerkweg gecompenseerd op de deellocatie aan de Middelkoop.

Daarnaast wordt de uitbreiding van de bestemming 'Bedrijf' landschappelijk ingepast. Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed De provincie stuurt middels een kwaliteitskaart en gebiedsprofielen op de ruimtelijke kwaliteit. Aangezien op de deellocatie aan de Middelkoop geen fysieke ingrepen plaatsvinden, ligt de focus in dit kader alleen op de deellocatie aan de Kerkweg. Voor dit gebied worden er in relatie tot de ontwikkeling nagenoeg geen richtinggevende uitspraken gedaan op deze kaarten. Derhalve vinden er nauwelijks fysieke ingrepen plaats, voegt de ontwikkeling zich binnen de bestaande structuren en vindt deze plaats achter het lint (tweedelijns). Met de herontwikkeling van de locatie is er sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Functioneel is de uitbreiding van de bedrijfsfunctie goed inpasbaar en ook ruimtelijk zal er sprake zijn van een kwaliteitsverbetering door de landschappelijke inpassing. De ontwikkeling vindt plaats aansluitend op een perceel dat reeds bebouwd is en heeft derhalve geen invloed op het aanliggende landschap. Tenslotte is de locatie aan de Kerkweg gelegen in een 'stiltegebied'. De stiltegebieden zijn de (relatief) luwe gebieden met beperkte verstedelijking, waar het dagelijks geluid de 40 decibel niet overstijgt. Hier vindt men rust en stilte als contrast met het dynamisch stedelijk gebied.

In de stiltegebieden is alleen ruimte voor “gebiedseigen” geluid. In de huidige situatie is het transportbedrijf reeds aanwezig en betreft het daarmee en bestaande functie die planologisch reeds als zodanig bestemd is. In de toekomstige situatie wordt het perceel van de bedrijfsbestemming uitgebreid, echter wordt de geluidbelasting op de omgeving niet vermeerderd (zie voor nadere uitleg toelichting paragraaf 4.8). De uitbreiding van het bedrijf heeft derhalve geen extra nadelige invloed op het stiltegebied.

14

Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de VRM en draagt bij aan de provinciale ambities met de bebouwde ruimte en ondersteunt de rode draad 'vergroten van de agglomeratiekracht'. Bovendien krijgt het plangebied een kwaliteitsimpuls. Daarmee vormt de VRM geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.2.2 Verordening ruimte Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Op 31 januari 2019 is een geconsolideerde versie van de verordening, waarin de recente wijzigingen van de verordening zijn opgenomen, in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft een verwijzing naar deze ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening in artikel 2.1.1. Lid 1 Stedelijke ontwikkeling 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'

Ruimtelijke kwaliteit In artikel 2.2.1 van de Verordening Ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Planspecifiek Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 2.1.1 van de verordening. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkelingen zich afspelen op het niveau van de kavels en passen bij de aard en de schaal van het gebied. Hoewel feitelijk geen sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling, is bij het voorgenomen plan ten hoogste sprake van 'inpassen', omdat deze plaatsvindt binnen de bestaande structuren en passend is achter het lint van de Kerkweg. In toelichting paragraaf 3.2.1 wordt ingegaan op de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Daaruit blijkt dat hieraan wordt voldaan. Daarnaast wordt het geheel landschappelijke ingepast. Dit verbetert de ruimtelijke kwaliteit en kan derhalve gezien worden als een aanvullende ruimtelijke maatregel. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Verordening ruimte 2014.

3.2.3 Gebiedsprofiel Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden Het gebiedsprofiel staat tussen de kwaliteitskaart van de structuurvisie en bijvoorbeeld een beeldkwaliteitsplan van de gemeente. Begin 2012 heeft Gedeputeerde Staten het gebiedsprofiel

15

‘Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden' vastgesteld. Dit vormt een handreiking om de ruimtelijke kwaliteit mee te nemen in de ruimtelijke planvorming. Het profiel is een gezamenlijk vertrekpunt ten aanzien van de karakteristiek, de ruimtelijke kwaliteit en de ambitie voor dit specifieke gebied. Het profiel verbeeldt en beschrijft wat wordt verstaan onder ‘ruimtelijke kwaliteit’, welke elementen aan die kwaliteit ten grondslag liggen in relatie tot de kwaliteitskaart en hoe sturing gegeven kan worden aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Planspecifiek Het gebiedsprofiel is opgebouwd uit diverse elementen. Voor het plangebied zijn met name de elementen 'Herkenbaar waterrijk veenweide', 'Onderscheidend rivierengebied' en 'Linten blijven linten' van belang. Herkenbaar waterrijk veenweide Het veenweidegebied wordt in het gebied gekenmerkt door de langgerekte percelen van de copeverkaveling met smalle perceelsloten. Belangrijke kenmerken hiervan zijn het verkavelingspatroon, openheid en structuurdragers als dijken, kades en veenstromen. Specifiek voor de veenweiden met rivierinvloeden zijn het behouden en versterken van de beplanting in Vijfheerenlanden in de vorm van grienden, boomgaarden en lommerrijke linten en erven. Bij het voorgenomen plan blijft het bestaande verkavelingspatroon dat bepaald wordt door lengtesloten en de openheid grotendeels behouden.

Het geleidelijke hoogteverschil dat er bestaat tussen het lint en de veenweiden blijft intact. Verdere kenmerkende structuurdragers zijn niet aanwezig. Onderscheidend rivierengebied De plangebied is gelegen in of nabij een oeverwal. Deze is te herkennen aan de hogere ligging en de eventuele aanwezigheid van fruitboomgaarden. Het versterken van het contrast tussen de verdichte en multifunctionele oeverwallen en de open veenweide geldt als ambitie voor dit gebied. Bij het voorgenomen plan kan dit contrast versterken door de landschappelijke inpassing (zie toelichting paragraaf 2.3). Linten blijven linten De planlocatie is gelegen aan het veenlint van de Kerkweg. De veenlinten liggen meestal op hogere delen. In de Vijfheerenlanden, het veenweidegebied met rivierinvloeden, zijn dit de oeverwallen (zie eerdergenoemde in de voorliggende paragraaf). In de Vijfheerenlanden zijn de linten ruimer, grillig en lommerrijk. De ambitie voor veenlint is het lineaire karakter te behouden, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of de waterloop grenst. Aangezien de wijziging die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt aan de achterzijde van het lint plaatsvindt is het directe contact van de bebouwing met het landschap van belang.

Dit contact zal ten grondslag liggen aan het vormgeven van de beoogde landschappelijke inpassing (zie toelichting paragraaf 2.3). Hierbij kunnen organische overgangen en contacten worden toegepast. De bestaande doorzichten en hoogteverschillen blijven, in zoverre deze aanwezig zijn, behouden. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief passend is binnen de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied opgenomen in het gebiedsprofiel 'Alblasserwaard/Vijfheerenlanden'.

3.3 Gemeentelijk beleid De gemeente Zederik is per 1 januari 2019, samen met de gemeenten Vianen en Leerdam gefuseerd tot de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is uitgegaan van het beleid van de voormalige gemeente Zederik. Naar alle waarschijnlijkheid zal dit beleid op termijn vertaald worden in beleid voor de gemeente Vijfheerenlanden, maar op dit moment is er, afgezien van de Woonvisie Vijfheerenlanden 2020-2025, nog geen nieuw beleid voor deze gemeente vastgesteld. 3.3.1 Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030 In september 2015 is de 'Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030; Vitaal, nabij de stad, in het groen' opgesteld. De visie is gebaseerd op de kernkwaliteiten en kernwaarden van de gemeente, onderbouwd door relevante informatie uit bestaande plannen, onderzoeken en beleidsnotities. Hierbij is hoger overheidsbeleid als de provinciale structuurvisie en de visie 2030 van de regio A-V geanalyseerd en zijn

16

gemeentelijke nota’s meegenomen. Daarnaast is gekeken naar de ideeën en opvattingen van inwoners, instellingen en bedrijven. Deze opinies zijn naar voren gekomen tijdens de gemeentelijke dorpstochten, de burgerpeiling 2013 en interviews voor onder andere de woonvisie. In het profiel van Zederik staat de vitaliteit van de kernen centraal. De omgeving wordt gekenmerkt door ruimte, groen, rust, bereikbaarheid en veiligheid. De ambitie van de gemeente is dan ook gericht op het toekomstvast maken van de vitaliteit van de kernen. Om de vitaliteit te behouden en te vergroten spelen de volgende acht onderwerpen dan ook een belangrijke rol:

•

Sociale cohesie & identiteit: de sterke sociale cohesie behouden, waardoor er ruimte is voor ontmoetingen en informele hulp, het verenigingsleven, maatschappelijke organisaties, kerkgenootschappen en gemeenschapsinitiatieven;

•

Bereikbaar: aandacht voor korte reisafstanden, mobiliteit van alle inwoners, de digitale bereikbaarheid en bereikbaarheid met het openbaar vervoer;

•

Voorzieningen: het commerciële voorzieningenniveau op peil houden, de welzijn-, zorg-, sport-, en cultuurvoorzieningen versterken en daarbij de nadruk leggen op de kwaliteit van de zorg en zorg op maat;

•

Wonen: wonen in een aantrekkelijke en rustige omgeving, met geschikte en betaalbare woningen voor jong en oud;

•

Zorg: de inwoners van de Zederikse dorpen zowel op lichamelijk als geestelijk vlak ondersteunen en ouderen en zorgbehoevenden zo lang mogelijk laten participeren in de samenleving; Economie: inzetten op werkgelegenheid, voldoende geschikte beroepsbevolking, stimuleren van de lokale diversiteit en ruimte om te ondernemen;

• •

Landschap & recreatie: de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied en de kernen benadrukken en beleefbaar maken en houden voor toerisme en recreatie;

•

Duurzaamheid: verantwoord omgaan met onze leefomgeving, aandacht voor veiligheid en een gezond toekomstperspectief voor toekomstige generaties.

Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft met name betrekking op het onderwerp 'economie'. De ontwikkeling maakt het mogelijk dat het goederenwegvervoerbedrijf zijn bedrijfsactiviteiten voort kan zetten en behouden kan blijven voor de gemeente Zederik. Verplaatsing naar een bedrijventerrein is voor het bedrijf niet haalbaar en zou leiden tot bedrijfsbeëindiging. In dat geval zou werkgelegenheid verloren gaan. Het voorgenomen plan draagt daarmee indirect bij aan de vitaliteit van de gemeenschap.

17

4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:314, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Het plangebied aan de Kerkweg is momenteel al ingericht op het gebruik ten behoeve van het goederenwegvervoerbedrijf. Het geldende bestemmingsplan staat aanwezige bebouwing reeds toe, maar niet het gebruik van de gronden buiten het bestemmingsvlak 'Bedrijf' voor het parkeren van vrachtwagens. Het voorgenomen plan maakt de legalisatie van dit gebruik mogelijk, waarbij geen of nauwelijks fysieke

18

ingrepen plaatsvinden. De wijziging die ten opzichte van de huidige planologische situatie wordt doorgevoerd wordt gecompenseerd door elders op de deellocatie aan de Middelkoop het bestemmingsvlak 'Bedrijf' te verkleinen. Gezien de beperkte aard en omvang van deze ontwikkeling en de ligging van het plangebied aan het lint van de Kerkweg is bij het voorgenomen plan geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom D 11.2 zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Evenmin is de beoogde herontwikkeling te categoriseren als een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan (Besluit m.e.r., kolom D 9) of als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (Besluit m.e.r., kolom D 11.3). Voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d: de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.- (beoordelings)plicht geldt. Het opstellen van een aanmeldingsnotitie is derhalve niet noodzakelijk. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu.

Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Deellocatie Middelkoop De voorgenomen ontwikkeling op de deellocatie leidt niet tot een gevoeliger bodemgebruik. Op het Bodemloket zijn er geen verontreinigingen bekend. Deellocatie Kerkweg De voorgenomen ontwikkeling op de deellocatie leidt niet tot een gevoeliger bodemgebruik.

De bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf is zodanig ingericht dat personen relatief kort binnen de plangrenzen (opstelplaats vrachtwagens) van de deellocatie aan de Kerkweg verblijven. Daarnaast vinden er geen bodemingrepen plaats. Op de deellocatie aan de Kerkweg is het terrein vrijwel volledig verhard, waardoor personen die in het plangebied verblijven niet in contact kunnen komen met eventuele verontreinigingen. Op het Bodemloket zijn er geen verontreinigingen bekend. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect bodem.

19

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

4.3.1 Rijksbeleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 – 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

4.3.2 Waterschap Rivierenland Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd. Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc. een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor

20

landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd. 4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Deellocatie Middelkoop Er vinden geen fysieke ingrepen op de betreffende deellocatie plaats. Daarmee is sprake van het 'stand still beginsel' en zijn er geen belemmeringen. Deellocatie Kerkweg In de huidige situatie is het plangebied vrijwel geheel verhard.

Het Waterschap Rivierenland schrijft voor dat een toename van meer dan 1.500 m² dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water. Vergeleken met de bestaande situatie neemt de hoeveelheid verharding niet of nauwelijks toe. Aangezien de aanwezige verharding volgens het geldende bestemmingsplan binnen de bestemming 'Agrarisch' reeds is toegestaan, maakt het voorliggende bestemmingsplan niet meer verharding mogelijk. Het verhard oppervlak is daarnaast al sinds 2005 aanwezig waardoor tevens de verjaringstermijn van 5 jaar is overschreden. Ten aanzien van de herbestemming is compensatie voor het aanbrengen van nieuwe verhard oppervlak niet meer aan de orde. Hierbij gaat het waterschap er vanuit dat de afname van het verhard oppervlak niet elders bij planvorming ter compensatie wordt ingezet. Het Waterschap geeft daarnaast aan dat indien er nog geen uitstromingsvoorzieningen zijn aangebracht voor het lozen van afstromend hemelwater van dit verhard oppervlak hier aandacht aan moet worden besteed. Daarnaast geldt de voorwaarde dat de herbestemming buiten het A-water en de daarbij behorende beschermingszone (5 meter breed) blijft. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid vanuit het aspect water.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

21

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidsgevoelige object als bedoeld in artikel 1 van de Wgh mogelijk. Tevens is er geen sprake van het mogelijk maken van (spoor)wegen of geluidgezoneerde industrieterreinen. Daarmee hoeft het plan niet getoetst te worden aan de Wgh.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (Wm) gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % (= 1,2 µg/m³) bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2)een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen of een kantoor van minder dan 100.000 m² bvo niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor fijnstof niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de bestemmingsruil van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Bedrijf' tussen twee deellocaties mogelijk. Vergeleken met de bestaande planologische situatie nemen de gebruiksmogelijkheden niet toe. Zoals uit toelichting paragraaf 4.10 blijkt neemt aantal voertuigbewegingen niet/nauwelijks toe. Daarmee is het een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is niet vereist.

Het voorgenomen plan betreft geen gevoelige bestemming. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de NSL-monitoringstool geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit wat betreft NO2 en fijnstof (PM10) in en om het plangebied in het jaar 2020 met <20 µg/m³ ruimschoots aan de norm van 40 µg/m³ voldoet. Wat betreft de concentratie fijnstof (PM2,5) wordt met een waarde van <13 µg/m³ ook ruimschoots aan de betreffende norm van 25 µg/m³ voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

22

4.6 Cultureel erfgoed 4.6.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. De gemeenteraad van de gemeente Zederik heeft op 13 december 2010 het gemeentelijk archeologiebeleid en de bijbehorende archeologische waardenkaart en archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vastgesteld. Op deze kaarten staat vermeld welke archeologische waarden en verwachte waarden aanwezig zijn en op welke manier hiermee om gegaan dient te worden bij bodemverstorende activiteiten.

De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn overgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Reparatieplan Buitengebied Zederik'. Planspecifiek Deellocatie Middelkoop De navolgende afbeelding toont een fragment van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Zederik ter plaatse van de Middelkoop 72.

Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Uit voorgaande afbeelding blijkt dat de betreffende deellocatie is aangemerkt met een (a) zeer hoge verwachting en een (b) middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd aan of nabij het oppervlak en een (c) middelmatige verwachting voor prehistorie tot middeleeuwen aan of nabij het oppervlak. Dit is in het geldende bestemmingsplan overgenomen als 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 5'. In dergelijke gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij de volgende bodemingrepen: (a) groter of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm; (b) groter of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm; (c) groter of gelijk aan 500 m² en dieper dan 30 cm.

23

Op de deellocatie aan de Middelkoop vinden geen bodemingrepen plaats, waardoor eventueel aanwezige archeologische waarden niet verloren zullen gaan. Deellocatie Kerkweg De navolgende afbeelding toont een fragment van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Zederik ter plaatse van de Kerkweg 29.

Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Uit voorgaande afbeelding blijkt dat de betreffende deellocatie is aangemerkt met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak, waardoor in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' aan het plangebied is toegekend. In dergelijke gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm. Omdat er niet of nauwelijks bodemingrepen plaats zullen vinden, zal deze waarden naar verwachting niet overschreden worden. De dubbelbestemmingen die gelden in het plangebied zijn overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.

4.6.2 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Planspecifiek Deellocatie Middelkoop De deellocatie aan de Middelkoop is gelegen aan een polderlint. Op deze locatie vinden geen fysieke wijzigingen plaats. Daarmee zullen cultuurhistorische waarden in en nabij deze locatie niet verloren gaan. Deellocatie Kerkweg In de Welstandsnota Zederik 2013 is de deellocatie aangeduid als een traditioneel bedrijventerrein. Dit bedrijventerrein is gelegen in het buitengebied een heeft een open bebouwingsstructuur met kleinschalige

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=0666ebc5-818b-4071-bb30-50acb3fd3e86