CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Bestemmingsplan Middelwaard 7 en 9, Vianen

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 5 februari 2026, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Middelwaard 7 en 9, Vianen17.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De gemeente Vijfheerenlanden wil particulieren de ruimte geven om het aanbod van dagrecreatieve activiteiten en verblijfsrecreatieve voorzieningen, mits deze passen in het landschap en het karakter van een gebied, te vergroten. Het plangebied is gelegen in de uiterwaarden van de rivier de Lek. De uiterwaarden hebben een overwegend natuurlijk karakter er zijn vrijwel onbebouwd. In dit buitendijkse gebied overheersen openheid en een natuurlijke rust. Er is hier en daar kleinschalige verblijfsrecreatie en er zijn mogelijkheden voor watersport en natuurbeleving. De camping ‘Clementie’ is benoemd in de Landschapsvisie Vijfheerenlanden 2040. Hierin wordt aangegeven dat het belangrijk is dat de uiterwaarden een rustig gebied blijven, wat gunstig is voor de aanwezige natuurwaarden en voor rustzoekers. Voor dit gebied ligt de nadruk op extensieve recreatie, zoals wandelen, fietsen, vissen en vogels kijken en is geen plek voor intensieve (verblijfs-)recreatie. Het plan is om het recreatief aanbod op de camping te verbreden met andere vormen van kleinschalige verblijfsrecreatie, dagrecreatieve voorzieningen (fietsen outdoor-activiteiten en horeca), educatieve en cultuur-maatschappelijke voorzieningen (natuureducatie, vergaderruimten, praktijkruimten voor bv. knutselen, workshops en kinderfeestjes) en agrarische activiteiten.

Het plan voorziet niet in een uitbreiding van het campingterrein en/of het toevoegen van extra bebouwing of verharding. De aanwezige natuurwaarden en de rust zijn daarmee gewaarborgd.

30

3.4 Conclusie • •

•

Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is; Het plan levert een positieve bijdrage aan de gewenste verbinding tussen het platteland en de stad, de gewenste versterking van het recreatieve toeristische karakter van de regio en de ontwikkeling van de recreatieve en toeristische sector als economische drager van de regio; Het plan past binnen de rijks-, provinciale en gemeentelijke beleidskaders.

31

4.

Milieuaspecten

4.1 Milieueffectrapportage (m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.- plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor de bedoelde gevallen (onder de drempelwaarden bij zgn. D-activiteiten) geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordelingsplicht zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., op basis waarvan al dan niet de verplichting tot het opstellen van een MER ontstaat. Onderzoek Het plan voorziet in een verbreding van de recreatieve activiteiten op een bestaande camping. De activiteit, de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeeren caravanterreinen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 10 onder d van het besluit m.e.r. Het plan voorziet niet in een uitbreiding van campingterrein groter dan 10 hectare. De activiteit blijft ruim onder de drempelwaarde uit kolom 2. Kenmerken van het plan Het voorliggende bestemmingsplan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om het recreatief aanbod op de camping te verbreden. Met dit bestemmingsplan wordt concreet binnen het campingterrein toegevoegd: • Maximaal 10 recreatieve nachtverblijven op de plaats van de huidige stacaravans ten zuidwesten van Middelwaard 7 Vianen (op de bestaande verharding).

• Een B&B met maximaal 5 kamers in de bestaande boerderij Middelwaard 9 of omliggende bestaande bebouwing. • Het juridisch vastleggen van de bestaande 2de bedrijfswoning in de boerderij Middelwaard 9. • Van 10 naar maximaal 15 stacaravans in het gebied grenzend aan de jachthaven (vastleggen bestaande situatie). Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk en groenafval. In de omgeving zijn geen lopende projecten, waardoor van cumulatie geen sprake is. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 4,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’. Het plangebied is gelegen buiten het NNN van Utrecht of de groene ontwikkelingszone hiervan. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan De ruimtelijke ontwikkeling zal voorzien in slechts 50 extra voertuigbewegingen per etmaal (zie paragraaf 2.2.2). Gezien de kleinschaligheid van het plan zal de verkeersgeneratie niet leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Om de invloed van het plan op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000gebieden in kaart te brengen is door adviesbureau Rietveld Agrarisch Advies een 32

stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd in de bijlage. Uit de Aerius berekening blijkt dat er geen effect is op enig natura 2000 gebied van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit plan is hiermee niet in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming van de wet natuurbescherming. Voor het plan is tevens een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Gezien de aard van de werkzaamheden, het plangebied en de (effect)afstanden (licht, trilling en geluid) tot de Natura 2000-gebieden wordt er geen verstoring of negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden. Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Utrecht of de groene ontwikkelingszone hiervan en het NNN in Utrecht geen externe werking kent, is nadere toetsing of onderzoek niet aan de orde. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een verbreding van het recreatief aanbod op de camping. Daarmee zijn er geen belangrijke positieve gevolgen voor het milieu te benoemen, maar er is ook geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer. Conclusie Voor dit plan kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Voor het voorliggende bestemmingsplan dient een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit (voorbereidingsbesluit) genomen te worden.

In het hoofdstuk Milieuaspecten in de voorliggende toelichting is afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.

33

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Nationaal Waterplan In het Nationaal Waterplan is vastgelegd dat de waterveiligheid op drie manieren moet worden geborgd: 1. Voorkomen van een overstroming; Het voorkomen van overstromingen richt zich op de waterkeringen. De waterkeringen op orde te brengen en te houden het primaire doel. Het is de taak van het hoogheemraadschap om de waterkeringen veilig en robuust te houden. Daarbij constant zoekend naar de balans tussen de belangen en wensen van omgeving en wat het beheer en veiligheidsvraagstuk vereist van een waterkering. Ook gericht op klimatologische ontwikkelingen in de komende decennia. 2. Beperken van de gevolgen van een overstroming; Behalve door het verkleinen van de overstromingskans (versterken van waterkeringen) kan het overstromingsrisico worden verkleind door de gevolgen van een overstroming te beperken. Het beperken van de gevolgen van een overstroming heeft betrekking op de inrichting van een gebied. Wanneer onverhoopt toch een overstroming plaatsvindt, moet de schade zo klein mogelijk zijn.

Met de juiste inrichtingsmaatregelen kan de schade door een overstroming zo veel mogelijk worden beperkt. 3. Het bestrijden van calamiteiten en rampen. Rijkswaterbeheer De Waterwet omschrijft in artikel 6.21 in samenhang met artikel 2.1 het toetsingskader voor de beslissing voor een vergunning op grond van de Waterwet. In artikel 2.1 Wtw zijn de algemene doelstellingen aangegeven die richtinggevend zijn bij de uitvoering van het waterbeheer: a. Voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. In samenhang met de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. De vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Deze doelstellingen vormen in onderlinge samenhang het toetsingskader bij vergunningverlening. Een vergunning wordt geweigerd indien de doelstellingen van het waterbeheer zich tegen vergunningverlening verzetten en het niet mogelijk is om de belangen van het waterbeheer door het verbinden van voorschriften of beperkingen voldoende te beschermen. De doelstellingen zijn geconcretiseerd via normen en beleid ten aanzien van veiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en maatschappelijke functievervulling door watersystemen. De uitwerking hiervan vindt plaats in de Waterwet, in aanvullende regelgeving, in water- en beheerplannen op grond van hoofdstuk 4 34

van de Waterwet en in beleidsregels. De vastgestelde normen en het beleid zijn richtinggevend bij de toetsing of een aangevraagde handeling verenigbaar is met de doelstellingen voor het waterbeheer. Beleidslijn grote rivieren Op buitendijkse gronden is de Beleidslijn grote rivieren (Bgr) van toepassing. De Bgr bestaat uit de beleidsbrief ‘Beleidslijn grote rivieren’ (17 februari 2006) en de Beleidsregels grote rivieren. De Beleidslijn grote rivieren heeft als doelstelling om: • De beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden; • Ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken. De beleidslijn maakt onderscheid tussen twee afwegingsregimes. • Het 'stroomvoerend regime'. Dit geldt voor delen van het rivierbed waar, op grond van rivierkundige overwegingen, in principe alleen specifiek omschreven 'riviergebonden' activiteiten zijn toegestaan ('Ja, mits'). Deze activiteiten moeten voldoen aan rivierkundige voorwaarden. Nietriviergebonden activiteiten zijn niet toegestaan; alleen onder specifieke criteria zijn uitzonderingen mogelijk ('Nee, tenzij'). • Het 'bergend regime'. Dit geldt voor delen van het rivierbed waar in principe alle activiteiten kunnen worden toegestaan, mits deze voldoen aan de gestelde rivierkundige voorwaarden ('Ja, mits').

De Lek en de daarbij behorende buitendijkse gronden vallen onder het stroomvoerend regime. Voor riviergebonden activiteiten in het deel van het rivierbed waar het stroomvoerend regime van toepassing is, geldt een 'ja, mits'toetsingsregime. Toestemming wordt gegeven indien: • Er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; • Er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit, en; • Er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; • Indien het plan voorziet in een belemmering van bovengenoemde punten, dient de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd. Het plan voorziet in een verbreding van de recreatieve activiteiten op een bestaande camping. Het bestemmingsvlak ‘Recreatie’ wordt niet uitgebreid in de richting van de rivier de Lek. De toegevoegde activiteiten vinden plaats op een bestaande verharding op ruime afstand van de rivier of binnen bestaande bebouwing op de camping. Het plan heeft geen negatieve effecten met betrekking tot de afvoercapaciteit en het bergend vermogen van de rivier.

35

Plangebied in stroomvoerend regime

Afbeelding 8: Kaart Beleidsregel Grote Rivieren

Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming

36

van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Watergangen In en rondom het plangebied zijn geen A- en/of B-watergangen gelegen. In de nabijheid zijn twee C-watergangen gelegen (zie afbeelding 9). Het plangebied is buitendijks gelegen in de uiterwaarden van de Lek. Er vinden geen wijzigingen plaats aan de C-watergangen (liggen buiten het plangebied). Het aanvragen van een watervergunning bij Rijkswaterstaat of Waterschap Rivierenland is niet noodzakelijk.

Afbeelding 9: Legger Wateren

37

Waterberging en -compensatie Het plangebied is gelegen in het stroomafvoerend regime van een grote rivier. Nadelige effecten van een plan met betrekking tot de afvoercapaciteit en het bergend vermogen van de rivier dient gecompenseerd te worden. Het plan voorziet in een verbreding van de recreatieve activiteiten op een bestaande camping in de uiterwaarden van de Lek. Het bestemmingsvlak ‘Recreatie’ wordt niet uitgebreid (overeenkomstig het vigerend bestemmingsplan). De doelstellingen van dit bestemmingsplan zijn het creëren van een toekomstbestendige situatie voor de camping en het goed juridisch-planologisch vastleggen van de bestaande situatie in het bestemmingsplan. De toegevoegde verbredingsactiviteiten vinden plaats op bestaande verharding of binnen bestaande bebouwing op de camping (teneinde het groene en natuurlijk karakter van het gebied te waarborgen), met uitzondering van het uitbreiden van 10 naar maximaal 15 stacaravans in het gebied grenzend aan de jachthaven, buitendijks. Hiermee is sprake van een geringe toename aan verharding. De stacaravans en recreatieve nachtverblijven betreffen seizoensgebonden gebouwen die buiten het seizoen worden verplaatst naar de watervrije ophooggebieden op het perceel Middelwaard 7-9 Vianen of buiten het plangebied. Het plan voorziet niet in extra bebouwing dan de bestaande situatie.

Dit is juridisch geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Het plan voorziet niet in extra bebouwing in de vrijwaringszone van de rivier de Lek en heeft derhalve geen negatieve gevolgen met betrekking tot de afvoercapaciteit en het bergend vermogen van de rivier. Daarnaast vindt er binnendijks geen toename aan verharding plaats. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk. Nautisch beheer Rijkswaterstaat is vaarwegbeheerder van de Lek en ziet toe op een veilige en vlotte doorstroming van het scheepvaartverkeer en draagt zorg voor het waarborgen van het functioneren van de vaarweg nu en in de toekomst. Vrijwaringszone en veiligheid scheepvaart op vaarwegen Conform het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dient rekening gehouden te worden met de vrijwaringzone (Wro art. 4.3, Barro 2.1.2). Rondom de vaarweg geldt een vrijwaringszone. Een vrijwaringszone wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg. Deze begrenzingslijn is aangegeven in de legger van de rijksvaarweg. De vrijwaringszone wordt gemeten van de begrenzingslijn van de vaarweg naar buiten. De vrijwaringszone heeft aan weerszijde van de rijksvaarweg een breedte van 25 meter. De vrijwaringszone dient in beginsel vrij te blijven van bouwwerken en opgaande begroeiing die het functioneren van de vaarweg of de veiligheid van het scheepvaartverkeer in gevaar brengen.

Hiervan kan worden afgeweken indien wordt aangetoond dat het functioneren van de vaarweg niet in het geding is. Het gebruik van de gronden binnen de vrijwaringszone langs de vaarweg mag geen belemmeringen vormen voor: • De doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; • De zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; • Het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; • De toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten, en; • Het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. 38

Stroomvoerend rivierbed Een bestemmingsplan kan volgens artikel 2.4.4 van het Barro alleen een wijziging mogelijk maken in het stroomvoerend rivierbed indien er sprake is van een of meer van de volgende activiteiten worden mogelijk gemaakt: 1. De aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken; 2. De verwezenlijking van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- of recreatievaart; 3. De bouw of wijziging van waterkrachtcentrales; 4. De vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier; 5. De aanleg of wijziging van scheepswerven voor beroeps- of pleziervaartuigen; 6. De verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen; 7. De uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken; 8. De verwezenlijking van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden; 9. De winning van oppervlaktedelfstoffen; 10. De verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd; 11. Activiteiten van een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd; 12. Een functieverandering binnen de bestaande bebouwing; 13.

Activiteiten die onderdeel uitmaken van de lijst van maatregelen opgenomen in de Bijlage bij de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en waarvan de uitvoering wordt gefinancierd door de Minister. 14. Het behoud van bekende of te verwachten archeologische monumenten. Het plan voorziet in een verbreding van de recreatieve activiteiten op een bestaande camping in de uiterwaarden van de Lek. Het bestemmingsvlak ‘Recreatie’ wordt niet uitgebreid (overeenkomstig het vigerend bestemmingsplan). De doelstellingen van dit bestemmingsplan zijn het creëren van een toekomstbestendige situatie voor de camping en het goed juridisch-planologisch vastleggen van de bestaande situatie in het bestemmingsplan. De toegevoegde verbredingsactiviteiten vinden plaats op bestaande verharding of binnen bestaande bebouwing op de camping. De stacaravans en recreatieve nachtverblijven betreffen seizoensgebonden gebouwen die buiten het seizoen worden verplaatst naar de watervrije ophooggebieden op het perceel Middelwaard 7-9 Vianen of buiten het plangebied. Het plan voorziet niet in extra bebouwing dan de bestaande situatie. Dit is juridisch geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

Er is geen sprake van nieuwe bebouwing in de vrijwaringszone van de rivier de Lek en heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de doorvaart en zichtlijnen van de scheepvaart en/of uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Op 2 april 2024 en 9 september 2024 heeft er overleg plaatsgevonden tussen Rijkswaterstaat en de gemeente Vijfheerenlanden. Hierin zijn afspraken gemaakt, waarmee het plan is overeenstemming met het Barro.

39

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hemelwaterafvoer Het beleid van Rijkswaterstaat is erop gericht om hemel- en grondwater naar oppervlaktewater of de bodem af te voeren. Gezien de locatie buitendijks is gelegen zal het hemelwater afvloeien op de Lek of in de bodem infiltreren. Vuilwaterafvoer In het gebied waar de camping is gelegen is geen rioleringsstelsel van de gemeenten of het waterschap Rivierenland aanwezig. Het afvalwater wordt lokaal gezuiverd worden met een Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA). Dit systeem wordt jaarlijks gecontroleerd door de gemeente Vijfheerenlanden. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd.

Waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een overige waterkering (zomerkade). De waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing in de kernzone van de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ‘ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering’. Er vinden geen bouw-, graaf- of sloopwerkzaamheden plaats binnen de kern- en/of beschermingszone van de waterkering. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland is niet noodzakelijk. Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone en de beschermingszone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen.

40

Afbeelding 10: Legger Waterkeringen

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk is voor het beheer van de wegen, waaronder de Middelwaard. De camping wordt in de bestaande situatie ontsloten via de Middelwaard. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

41

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Het plan betreft de verbreding van het recreatief aanbod op een bestaande camping. Een camping wordt niet aangemerkt als geluidsgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh).

Als onderdeel van de verbreding wordt de bestaande tweede bedrijfswoning in de boerderij Middelwaard 9 juridisch vastgelegd. Dit is een geluidgevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder. Omdat het laatste deel van de Middelwaard op het eigen terrein ligt, ligt de nieuwe woning niet binnen de geluidzone van een weg, zodat de Wet geluidhinder alsnog niet van toepassing is. Wel moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Gezien de ligging van de woning kan worden gesteld dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer niet hoger zal zijn dan de voorkeurswaarde. Hiermee is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeers-, railverkeers- en/of industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.

42

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011

25 µg/m3

Vanaf 2015

Recentelijk is gebleken dat NO2 en fijnstof schadelijker zijn dan gedacht. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft daarom in september 2021 de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 drastisch verlaagd naar respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per m3 voor het jaar 2030. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2022) het volgende overzicht (locatie: X:133147 / Y:443968: • Een stikstofconcentratie van 14,68 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 17,27 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 10,23 µg PM2,5/m3. Voor het jaar 2030 geeft dezelfde NSL-monitoring het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof voor het plangebied: • Een stikstofconcentratie van 10,38 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 14,88 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 7,94 µg PM2,5/m3. Geconcludeerd wordt dat niet wordt voldaan aan de advieswaarden voor het jaar 2030 van de WHO, maar wel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

43

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor het plan is gebruik gemaakt van de NIBM-rekentool. Middels deze rekentool kan de bijdrage van kleine ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit vastgesteld worden. Uit paragraaf 2.2.2 Verkeer en parkeren blijkt dat in de nieuwe situatie sprake is van 96 voertuigbewegingen per weekdag.

Voor het percentage vrachtverkeer is uitgegaan van een worstcase scenario, namelijk dat 10% van de extra voertuig- bewegingen vanwege de ontwikkeling bestaat uit zwaar verkeer. Het jaar 2024 wordt aangehouden voor de planrealisatie.

Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

44

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).

Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk/Rustig Gemengd gebied buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan is om het recreatief aanbod op de camping te verbreden met andere vormen van kleinschalige verblijfsrecreatie, dagrecreatieve voorzieningen, educatieve en cultuur-maatschappelijke voorzieningen en agrarische activiteiten. Het plan voorziet niet in een uitbreiding van het recreatieterrein, maar uitsluitend in de gebruiksmogelijkheden binnen het recreatieterrein. De overige voorzieningen, waaronder de bestaande agrarische activiteiten zijn ondergeschikt aan de hoofdactiviteit camping. In het kader van bedrijven en milieuhinder is sprake van een gelijkblijvende situatie. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) betreft een camping een milieubelastende activiteit. De categorie ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ valt in milieucategorie 3.1 van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Hierbij hoort een richtafstand van 50 meter. Voor het houden van boerderijdieren, zoals paarden, pony's, runderen en schapen dient tevens te worden voldaan aan de richtafstand (50 meter).

Binnen 50 meter van campingterrein (lees: de bestemming ‘Recreatie’) liggen geen gevoelige

45

functies zoals woningen van derden. De dichtstbijzijnde woning ligt op circa 68 meter, waardoor hieraan wordt voldaan. Camping Clementie is parallel aan deze bestemmingsplanprocedure bezig met de actualisatie van de milieuvergunning. De verbreding van de activiteiten (en bv. aan het aantal boerderijdieren wordt hierin meegenomen. Op basis hiervan worden conflicterende en/of hinder veroorzakende activiteiten voorkomen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.

46

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen.

Afbeelding 11: Risicokaart externe veiligheid

47

Onderzoek Volgens de risicokaart ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de onderstaande risicobronnen waarover/waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt: • Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) met kenmerk: NL.IMEV.RRGS. BL_DPO_208_44 binnen het plangebied. • De Corridor Amsterdam-Rijn waar het plangebied aan grenst. Maatgevend scenario Bij de genoemde risicobronnen kan er een incident plaatsvinden met gevaarlijke stoffen met een brand- en/of explosiescenario. Een dergelijk ongeval kan tot op grote afstand slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Hieronder worden de mogelijke effecten, afhankelijk van de aard van de stoffen en de omstandigheden, beschreven. Type risicobron a. Transport gevaarlijke stoffen over water Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van Corridor Amsterdam-Rijnkanaal waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarnaast valt een deel van het plangebied binnen de vrijwaringszone (art. 2.1.2. Barro). De Regeling basisnet gaat voor deze vaarwegen uit van maximaal 8.303 schepen LF1, 9.063 schepen LF2 en 332 schepen met GF3. Er is geen 10-6/jaar PR-contour, zodat aan het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Op de rivier de Lek zijn schepen van ten hoogste CEMT-bevaarbaarheidsklasse VI toegestaan.

Op basis van artikel 10 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ligt er een vrijwaringszone van 25 meter (bevaarbaarheidsklasse 6) over het plangebied. Het plangebied betreft een bestaande camping in de uiterwaarden van de rivier de Lek. Als er nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden toegelaten binnen de vrijwaringszone dan moet beargumenteerd worden waarom hier voor gekozen is. In dit plan worden binnen de vrijwaringszone geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd. Volgens de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) wordt langs een vaarweg van deze klasse de grenswaarde van 10% van de oriëntatiewaarde alleen overschreden als binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden van meer dan 500 personen per hectare zijn en het transport van LT2 en GF3 samen meer dan 1.000 tankschepen per jaar is. Op basis van deze vuistregel kan worden gesteld dat 10% van de oriëntatie- waarde in deze situatie niet wordt overschreden en een berekening niet nodig is. b. Buisleiding Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) met kenmerk: NL.IMEV.RRGS.BL_DPO_ 208_44 ligt binnen het plangebied. De buisleiding betreft een ondergrondse leiding voor vloeibare brandstoffen van de categorie K2. Het betreft een stalen hogedrukleiding (werkdruk 80 48

bar) met een diameter van 6,63 inch. De buisleiding komt via een duiker in de Lek het plangebied binnen en loopt langs de Lange Waaysteeg en de Autenasekade oostwaarts tot aan de rijksweg A2. De buisleiding heeft conform de EV Signaleringskaart geen 10-6/jaar PR-contour. Ter bescherming van de brandstofleiding is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Leiding – Brandstof’ opgenomen. Deze dubbelbestemming komt overeen met de belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de brandstofleiding. Toekomstige nieuwe stacaravans (in het noordoosten van het plangebied) worden buiten de belemmeringsstrook van de Defensie Pijpleiding geplaatst. Effect risicobron a. Fakkelbrand: Een fakkelbrand wordt veroorzaakt doordat na een ongeluk een leiding bij een van ladingtanks afbreekt. Hierdoor stroomt de gevaarlijke stof uit en ontsteekt direct. Er ontstaat een fakkel die blijft branden tot de tank leeg is. Het effect van een fakkelbrand is warmtestraling. Dit effect kan slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. De 10 kW/m2 contour loopt tot 225 meter. b. Plasbrand bij de DPO: Door het openscheuren van de buisleiding stroomt de gevaarlijke stof uit. Kerosine is licht ontvlambaar. Wanneer de plas ontsteekt treedt het scenario plasbrand op. De effecten van een plasbrand zijn warmtestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan.

c. Koude BLEVE op de Corridor Amsterdam-Rijn: Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de tank open. De gevaarlijke stof komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Een koude BLEVE kan tot 510 meter slachtoffers veroorzaken. Verantwoording groepsrisico Omdat het plangebied ligt binnen het invloedgebied van risicobronnen waarover/ waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, moet het groepsrisico worden verantwoord. Daarbij moet het bevoegd gezag conform artikel 7 uit het Bevt in elk geval ingaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp, en b. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. Omdat het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde, hoeft conform het Bevt artikel 8.2a niet verder te worden ingegaan op de overige punten uit de verantwoording van het groepsrisico (dichtheid van personen in het invloedgebied, groepsrisico, maatregelen en mogelijkheden van ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico) en is een beperkte verantwoording voldoende.

49

Rampenbestrijding Bij rampenbestrijding gaat het zowel om de voorbereiding op de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval, als om het beperken van de gevolgen van een ongeval. Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun hulpverlenende taken. Bluswatervoorziening Voor een adequate hulpverlening door de brandweer is het van belang dat voldoende bluswater aanwezig is bij het incident met gevaarlijke stoffen. Het plangebied betreft een bestaande camping in de uiterwaarden van de rivier de Lek. Het open water (rivier de Lek) is goed bereikbaar via de camping. De brandweer kan bij de aanwezig bebouwing komen via de verharding op het terrein (zie bijgevoegde situatietekening van het terrein). Indien extra bluswatervoorzieningen nodig zijn, zal dit met de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) nader worden afgestemd. Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied en de incidentlocatie is hierbij van essentieel belang. Voor kampeerterreinen geldt per 2018 de AmvB brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgbop 2018). De bereikbaarheid op kampeerterreinen moet minimaal hetzelfde niveau hebben als de bereikbaarheid op perceelniveau.

In paragraaf 4.8 ‘Bereikbaarheid voor hulpdiensten’ van de Bgbop staat beschreven welke eisen er gelden voor kampeerterreinen zelf. Wegen van het kampeerterrein naar de openbare weg vallen hier niet onder. Als de afstand gemeten vanaf de toegang van het kampeerterrein via de openbare weg tot enig punt op het kampeerterrein groter is dan 40 meter, dient op het kampeerterrein een verbindingsweg beschikbaar te zijn via welke het punt tot op 40 meter benaderd kan worden. Deze verbindingsweg doet recht aan de specifieke afmetingen van hulpdienstvoertuigen zoals hierboven benoemd. Op kampeerterreinen kunnen zowel kampeermiddelen als bouwenwerken staan. Voor bouwwerken gelden de eisen vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor kampeermiddelen staan de eisen beschreven in paragraaf 3.7 ‘Beperking van uitbreiding van brand’ van het Bgbop. Het plangebied betreft een bestaande camping in de uiterwaarden van de rivier de Lek. Hulpdiensten kunnen via de openbare weg Middelwaard het plangebied bereiken. Daarnaast kan men op het terrein via de bestaande paden overal op het terrein op het terrein komen (zie bijgevoegde situatietekening van het terrein). De hulpdiensten hebben voldoende ruimte om een ramp te bestrijden. Zelfredzaamheid Kijkend naar de functie in het plangebied, kunnen de aanwezigen als zelfredzaam worden beschouwd.

Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect 50

hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is mede bepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval. Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Snel reageren is bevorderlijk. Onderstaand worden de handelingsperspectieven van de maatgevende scenario’s toegelicht. Handelingsperspectieven a. Mogelijkheden ten aanzien van een fakkelbrand Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Een van de handelingsperspectieven is binnen blijven en schuilen (sluiten van binnendeuren vertraagt de uitbreiding van een eventuele brand). Indien mogelijk is vluchten een goed handelingsperspectief. b. Mogelijkheden ten aanzien van een plasbrand Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Voor personen binnen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen (sluiten van binnendeuren vertraagt de uitbreiding van een eventuele brand). Als secundaire branden optreden, is het handelingsperspectief vluchten aan de schaduwzijde van het gebouw ten opzichte van de plasbrand. c.

Mogelijkheden ten aanzien van een koude BLEVE Vanwege de korte ontstekingstijd tijd zijn de maatregelen voor een koude BLEVE op korte afstand van de bron beperkt. Gezien de ontwikkeltijd zijn er geen specifieke handelingsperspectieven mogelijk. De camping beschikt over een uitgang richting de dijk, zodat de gasten van de camping de mogelijkheid hebben om van de risicobron af te kunnen vluchten. Tenslotte dient opgemerkt te worden dat uit de adviesbrief van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ‘Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1/K2/K3’ (augustus 2008) blijkt dat groepsrisico bij een K2 leiding beperkt is. Daarin staat beschreven dat het invloedsgebied voor het groepsrisico voor een K2-leiding op “enkele meters” buiten de PR10-6 contour ligt. Tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat het groepsrisico beperkt is, omdat bij een dichtheid tot 100 personen per hectare de norm van het GR (0,1 maal de oriëntatiewaarde) voor transport niet wordt gehaald. Dat is in deze situatie het geval. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

51

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Binnen het plangebied ligt een ondergrondse leiding voor vloeibare brandstoffen van de categorie K2. Het betreft een stalen hogedrukleiding (werkdruk 80 bar) met een diameter van 6,63 inch. De buisleiding komt via een duiker in de Lek het plangebied binnen en loopt langs de Lange Waaysteeg en de Autenasekade oostwaarts tot aan de rijksweg A2. In het plan wordt rekening gehouden met deze buisleiding. Ter bescherming van de brandstofleiding is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Leiding – Brandstof’ opgenomen. Deze dubbelbestemming komt overeen met de belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de brandstofleiding. Verder zijn in het plangebied of de directe omgeving geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

52

4.8 Ecologie en stikstofdepositie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door adviesbureau Ecofect B.V. een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van het ecologische quickscan is toegevoegd in de bijlage. Uit de ecologische quickscan is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Nadere onderzoeken zijn niet noodzakelijk. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 4,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’.

Gezien de aard van de werkzaamheden, het plangebied en de (effect)afstanden (licht, trilling en geluid) tot de Natura 2000-gebieden wordt er geen verstoring of negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden.

Afbeelding 12: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden

53

Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Utrecht of de groene ontwikkelingszone hiervan en het NNN in Utrecht geen externe werking kent, is nadere toetsing of onderzoek niet aan de orde.

Afbeelding 13: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Om de invloed van het plan op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000gebieden in kaart te brengen is door adviesbureau Rietveld Agrarisch Advies een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd in de bijlage. Uit de Aerius berekening blijkt dat er geen effect is op enig natura 2000 gebied van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit plan is hiermee niet in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming van de wet natuurbescherming. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen.

54

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Op de percelen Middelwaard 7 en 9 Vianen is al jaren camping ‘Clementie’ gevestigd. Het plangebied dat is aangeduid met de functieaanduiding ‘kampeerterrein’ mag reeds gebruikt worden voor recreatieve doeleinden (verblijf kunnen houden in kampeermiddelen dan wel recreatiewoningen). Het plan voorziet niet in de uitbreiding van een camping (uitsluitend verbreding van de activiteiten binnen de camping). De toegevoegde activiteiten vinden plaats op bestaande verharding of binnen bestaande bebouwing op de camping. Op basis hiervan wordt het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

55

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een lage archeologische verwachting. In deze gebieden geldt geen doelstelling voor behoud. Bij ingrepen groter dan 10 hectare is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het plangebied is kleiner dan 10 hectare. De toegevoegde activiteiten vinden plaats op bestaande verharding of binnen bestaande bebouwing op de camping. Op basis hiervan wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.

56

Afbeelding 14: Archeologische verwachtingskaart

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

57

5.

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Middelwaard 7 en 9, Vianen’ (Verbreding recreatieve activiteiten camping Clementie)’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel Van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestem bestemmingsplan ‘Middelwaard 7 en 9, Vianen’ (Verbreding recreatieve activiteiten camping Clementie)’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Middelwaard 7 en 9, Vianen’ (Verbreding recreatieve activiteiten camping Clementie)’ is aansluiting gezocht bij de vigerende bestemmingsplannen ‘Landelijk Gebied’ (vastgesteld op 14 december 2010) en ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ (vastgesteld 10 juni 2021). De regels van het bestemmingsplan ‘Middelwaard 7 en 9, Vianen’ (Verbreding recreatieve activiteiten camping Clementie)’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden - Natuur en landschap De gronden ter plaatse van de paddock en sleufsilo bij Middelwaard 9 behouden de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Natuur en landschap’. Recreatie De camping wordt volledig bestemd als ‘Recreatie’. Het volledige bestemmingsvlak mag daarmee worden gebruikt als kampeerterrein/camping. De diverse onderdelen zijn juridisch-planologisch vastgelegd middels specifieke functieaanduidingen. Leiding - Brandstof Ter bescherming van de brandstofleiding is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Leiding – Brandstof’ opgenomen. Deze dubbelbestemming komt overeen met de belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de brandstofleiding.

58

Waterstaat - Waterkering Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering opgenomen. Waterstaat - Waterstaatkundige functie De voor 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' zijn bestemd voor de instandhouding van de waterstaatsdoeleinden in de vorm van de waterhuishouding, het verkeer te water en de afvoer van hoog oppervlaktewater, ijs en sediment alsmede voor aanleg, onderhoud en verbetering van de hoofdwaterkering.

5.4 Aanduidingen • • • • • • • • • • •

Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – vaarweg; Functieaanduiding ‘bedrijfswoning’; Functieaanduiding ‘horeca’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - bed & breakfast’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - camping’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - paardenbak’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - recreatieve nachtverblijven’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - stacaravans; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – sleufsilo’; Bouwvlak;

59

6.

Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een plan.

6.1 Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de economische haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt.

6.2 Kostenverhaal Conform afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. De initiatiefnemers gaan zelf de verbreding van het recreatief aanbod op de camping zelf (laten) uitvoeren. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in kosten die de gemeente zal moeten maken, is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

60

7.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden/buren van een planontwikkeling te informeren. Gezien de kleinschaligheid van het plan hebben de initiatiefnemer de directe omwonenden en de jachthaven geïnformeerd.

7.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners, waaronder de Provincie Utrecht, Waterschap Rivierenland, Veiligheidsregio Utrecht (VRU), Oasen en Rijkswaterstaat. Provincie Utrecht Provincie Utrecht heeft geen opmerkingen op het ontwerpbestemmingsplan. Oasen Oasen heeft geen opmerkingen op het ontwerpbestemmingsplan. Waterschap Rivierenland Het waterschap heeft een positief wateradvies afgeven op dit plan. De tekstuele opmerking is verwerkt in hoofdstuk 4.2 Watertoets. Veiligheidsregio Utrecht (VRU) De VRU adviseert om: 1. De verantwoording van het groepsrisico aan te laten vullen voor de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) en de Corridor Amsterdam-Rijn; 2. De nieuwe stacaravans (in het noordoosten van het plangebied) buiten de belemmeringsstrook van de Defensie Pijpleiding te plaatsen; 3. In het geval van de aanwezigheid van een bedrijfshulporganisatie(BHV) de aangegeven scenario’s op te nemen in het bedrijfsnoodplan en het handelingsperspectief bij deze scenario’s te beoefenen. De adviezen 1 en 2 zijn verwerkt in hoofdstuk 4.6 Externe veiligheid. In dit geval is er geen bedrijfshulporganisatie (BHV) aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=01ff2a43-ef01-4a2a-a911-694938245d53