CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan - Lingedijk 65, Kedichem.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 juli 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Lingedijk 65 Kedichem13.460 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wanneer de stralingsintensiteit te hoog is en het gebouw bij de brand betrokken dreigt te raken, verdient het advies om onder dekking van het gebouw van de gevaarbron weg te kunnen vluchten. Daarnaast dienen de bewoners van de nieuwe woningen ingelicht te worden door middel van gerichte risicocommunicatie om de mogelijkheden tot het verhogen van de zelfredzaamheid aan te reiken. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn wat betreft externe veiligheid.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

24

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek In het kader van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd (IJzerman Advies, 11 november 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit de Quickscan zijn de volgende conclusies en adviezen naar voren gekomen. Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van de deskstudie NDFF in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de planlocatie. Voor overige beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen en vaste verblijfslocaties. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of een beschermd weidevogelgebied.

Aan de overzijde van de Lingedijk ligt op een afstand van ca. 20 m van het plangebied het Natura 2000-gebied 'Lingegebied & Diefdijk'. Voor dit project is een AERIUSberekening uitgevoerd (Buro SRO, 26 november 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Hieruit blijkt dat er voor de gebruiksfase een resultaat van 0,00 mol/ha/j en voor de bouwfase een resultaat van 0,06 mol/ha/j is. Doordat er tijdens de bouwfase een resultaat naar voren is gekomen, is met de Quickscan flora en fauna tevens een 'voortoets' uitgevoerd. Hieruit is het volgende resultaat naar voren gekomen. Gezien de afstand tot de voor stikstof meest kwetsbare habitattypen binnen het Natura 2000-gebied zelf, zijnde 2,5 kilometer tot H91E0C en 5,5 kilometer tot H7230, kan worden gesteld dat de depositie tijdens bouwfase (respectievelijk 0,03 mol N/ha/j en 0,06 mol N/ha/j) een verwaarloosbaar negatief effect zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de twee kwetsbare habitattypen. Desondanks dient in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen voor het voorliggende initiatief veroorzaakt.

4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken.

25

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Als de Omgevingswet in werking treedt, zullen onderdelen uit de Erfgoedwet worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Het betreft het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologiebeleid Leerdam Op 28 januari 2010 is de Beleidsnota Archeologie vastgesteld door de raad van de toenmalige gemeente Leerdam.

De beleidsnota verwoordt het archeologiebeleid van de (voormalige) gemeenten Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Leerdam, Liesveld, Nieuw-Lekkerland en Zederik. Het beleid is gebaseerd op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. De kaart geeft aan waar bepaalde archeologische waarden zich bevinden of te verwachten zijn. Hoe hoger de verwachting van een gebied, hoe groter de kans dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Planspecifiek In het geldende bestemmingsplan 'Kerkstraat/Lingedijk Kedichem' zijn de gronden van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Hierbij geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 0,30 m en een oppervlakte van meer dan 100 m² een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. In het kader van het bestemmingsplan 'Kerkstraat/Lingedijk Kedichem' is een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek zijn geen indicatoren ouder dan de Nieuwe Tijd aangetroffen. Er is dan ook geen aanleiding dat er bij de voorgenomen ontwikkeling archeologische waarden worden aangetast. Echter is destijds wel geëist dat wanneer er begonnen wordt met bouw- en graafwerkzaamheden dit gemeld wordt bij de gemeente. Tijdens de werkzaamheden zal archeologische begeleiding plaats vinden.

4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn ter plaatse niet aanwezig. Er zijn dan ook geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief vanuit het aspect cultuurhistorie.

26

4.10 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.10.1 Rijksbeleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. 4.10.2 Waterschap Rivierenland Het waterbeheer is hier in handen van het Waterschap Rivierenland. Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'. Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toe getreden tot het klimaatverbond. Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid.

27

In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel. Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten' Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen.

Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd. Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc. een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd.

Gemeentelijk Waterplan Leerdam De voormalige gemeente Leerdam heeft in nauwe samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Gemeentelijk Waterplan Leerdam, Glashelder Water (2007) opgesteld. De aanleiding voor het waterplan zijn de knelpunten, ontwikkelingen, maar ook kansen op watergebied, waar gemeenten in de 21ste eeuw mee geconfronteerd worden. Zo is er bijvoorbeeld periodiek sprake van grondwateroverlast, treden waterkwaliteitsproblemen op bij riooloverstortingen en wordt de kwelafhankelijke natuur bedreigt door verdroging. Met het opstellen van het waterplan wordt de gezamenlijke focus aangebracht. Deze heeft een inhoudelijke dimensie - de samenhang - en een procesmatige dimensie - de samenwerking. Door zowel de samenhang als de samenwerking te versterken, kunnen ambities op het gebied van integraal waterbeheer en de kwaliteit van de leefomgeving worden vergroot. De doelstelling van het waterplan is het realiseren van een gezond en veerkrachtig watersysteem, gebaseerd op een gezamenlijke visie van de gemeente en het waterschap op de inrichting, het gebruik en het beheer en onderhoud van de waterhuishouding. 4.10.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.

28

Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Bij een eventuele toename aan verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Hiervoor geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Voor het bestemmingsplan 'Kerkstraat/Lingedijk Kedichem' is een indicatieve verhardingsbalans opgesteld. Voorheen stond er op de planlocatie een grote schuur met een oppervlakte van ca. 550 m² en was er een oppervlakte van ca. 800 m² aan terreinverharding aanwezig. Deze schuur is inmiddels gesloopt en de terreinverharding is verwijderd. Echter mag de sloop niet langer dan 5 jaar geleden zijn geweest en er moet gesloopt zijn met het doel om te herbouwen. Om die reden is een verhardingsbalans opgesteld. In de huidige situatie is het volledige plangebied onverhard. De toegangsweg bestaat uit grind (halfverharding) maar is niet meegenomen in de balans als verharding. Totaal plangebied Openbare ruimte Kavel Onverhard Bebouwing Tuin (halfverharding 50%) Totale toename aan verharding

2.360,3 m² 585,1 m² 1.775,2 m² 1.338,8 m² 304,2 m² 132,2 m² 436,4 m²

Met de beoogde ontwikkeling neemt het verhard oppervlak vanwege de bebouwing en tuin toe met 436,4 m² toe. Hierbij is voor de tuin rekening gehouden met het toepassen van halfverharding. Het waterschap Rivierenland zal toetsen of het voorliggende initiatief in aanmerking komt voor vrijstelling, waarbij eenmalig een mindering van 500 m² op de compensatieverplichting mogelijk is. Daarnaast zijn er voor het perceel in de huidige situatie al bouwrechten voor de ontwikkeling van het perceel waarbij twee twee-onder-één-kapwoningen incl. tuin en verharding gerealiseerd mogen worden. Feitelijk gezien veranderd de situatie vrijwel niet bij het realiseren van twee vrijstaande woningen. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Waterschap Rivierenland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Ten behoeve van de hemelwaterafvoer worden de woningen aangesloten op de hemelwaterriolen (in de omgeving)van de Michel van Loonstraat. Voor de afvoer van het afvalwater worden de woningen aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Waterkering De Lingedijk aan de oost- en zuidzijde van het plangebied is een regionale waterkering. Om de instandhouding en bescherming van de regionale waterkering te waarborgen, wordt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 1' opgenomen conform de legger van het waterschap Rivierenland. Voor het bouwen binnen de beschermingszone van de regionale waterkering, is er een watervergunning van het bestuur van het Waterschap Rivierenland nodig. Woningen dienen buiten het profiel van vrije ruimte gerealiseerd te worden.

29

Drooglegging Er wordt door het Waterschap Rivierenland geadviseerd om voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 m, voor het straatpeil een drooglegging van 1 m en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 m te hanteren. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de ontwikkeling van de planlocatie.

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan maakt maximaal twee extra vrijstaande woningen mogelijk. Om de toename van de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Voor de stedelijkheidsgraad is uitgegaan van 'matig stedelijk' in de 'rest bebouwde kom'.

Voor een vrijstaande woning geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal zullen de twee vrijstaande woningen een verkeersgeneratie van ca. 16,4 verkeersbewegingen per etmaal veroorzaken. Gezien deze zeer kleine toename van het aantal verkeersbewegingen kan dit opgevangen worden met de huidige verkeersstructuur. De inrit zal in half-verharding uitgevoerd worden. Het aspect verkeer vormt dan ook geen belemmeringen voor het voorliggende initiatief. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen.

Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Voor het bepalen van de parkeerbehoefte zijn de parkeernormen van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. De woningen vallen onder de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Voor de stedelijkheidsgraad wordt uitgegaan van 'matig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. In onderstaande tabel staat het aantal benodigde parkeerplaatsen weergegeven.

30

Soort woning

Categorie

Aantal woningen

Vrijstaand

koop, huis, vrijstaand

2

Totaal

CROW parkeernorm 2,3

Aantal parkeerplaatsen 4,6 4,6

In totaal zullen er voor de twee vrijstaande woningen afgerond 5 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Op het eigen terrein is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren. De navolgende afbeelding toont de beoogde situatie ten behoeve van het parkeren.

Beoogde situatie parkeren

Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

31

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen alle enkel- en dubbelbestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht.

De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger.

32

Hieronder volgt per toegepaste (dubbel)bestemming een korte toelichting: Tuin De gronden tussen de hoofdbebouwing en het openbaar gebied zijn binnen deze bestemming opgenomen en zijn daarmee bestemd voor tuinen en erven, behorende bij aangrenzende hoofdgebouwen. Om een mooi straatbeeld te behouden is voor deze gronden een zeer beperkte bouwregeling van toepassing, waarbij uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van 1 m zijn toegelaten. Verkeer Een gedeelte van de dijk, waaraan het woonperceel is gelegen, is in het bestemmingsplan meegenomen omdat dit gedeelte anders buiten alle omliggende bestemmingsplannen zou vallen. Deze dijk is voorzien van een verkeersfunctie en om die reden voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. Wonen De woning met de bijbehorende erfgronden zijn binnen deze bestemming opgenomen. Het gaat hier dus om het bebouwbare gedeelte van het bouwperceel. De woonfunctie mag worden gecombineerd met een nietpublieksgericht aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. In de specifieke gebruiksregels zijn hier nadere voorwaarden voor opgenomen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een aangeduid bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding zijn ook het toegestane bebouwingstype (vrijstaand) en de maximale goot- en bouwhoogte aangeduid.

In de bouwregels zijn de verdere bouwbepalingen opgenomen voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde - Archeologie Ter bescherming van eventueel in de gronden aanwezige archeologische waarden is deze dubbelbestemming opgenomen. Deze dubbelbestemming regelt dat bij de bouwaanvraag een archeologisch onderzoeksrapport moeten worden overlegd, waaruit de archeologische waarden van de gronden afdoende blijkt. Afhankelijk van de in de gronden aanwezige waarden kunnen aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorwaarden worden gebonden, zoals het veiligstellen van archeologische waarden, het doen van opgravingen of bouwbegeleiding door een archeologisch deskundige. Ook voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is een regeling opgenomen om de potentiële archeologische waarden te beschermen. Waterstaat - Waterkering De gronden van de planlocatie zijn aan twee zijden begrensd door een dijklichaam. Om de waterkerende functie te behouden is het niet de bedoeling dat de gronden te veel worden geroerd. Om deze reden is de waterkering en haar beschermingszone voorzien van deze dubbelbestemming, waarmee voor deze gronden de bouwregelingen conform de overige geldende bestemmingen wellicht worden beperkt.

5.2.3 Algemene regels Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan.

33

Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om – onder voorwaarden – de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsgrenzen te wijzigen. Overige regels In dit artikel is de in de gemeente gangbare parkeerregeling opgenomen. Verder is hier een mogelijkheid opgenomen voor kamergewijze verhuur en / of woon (zorg) initiatieven met meerdere huishoudens. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

34

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de ter visielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 6.1.2 Vooroverleg De resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro worden in de voorliggende paragraaf of in een separate bijlage samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. 6.1.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van vrijdag 23 april 2021 tot en met donderdag 3 juni 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Het ontwerpbestemmingsplan, met overige relevante stukken, is in deze periode digitaal raadpleegbaar geweest via www.ruimtelijkeplannen.nl. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan -mondeling, schriftelijk of digitaal- een zienswijze in te dienen. Gedurende de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingediend.

6.2 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

35

Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkelingen van de locaties zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Een planschadeovereenkomst is hier onderdeel van. De kosten voor het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure worden via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer doorberekend.

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=a97d5cb1-4a5c-42e2-9417-cf468d69217e