CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan - Lingedijk 65, Kedichem.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 juli 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Lingedijk 65 Kedichem13.460 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Lingedijk 65, Kedichem Gemeente Vijfheerenlanden

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1961.bpKElingedijk65-VA01

Datum:

8 juli 2021

Contactpersoon Buro SRO:

S. Koop & J. van Nuland

Kenmerk Buro SRO:

SR190126

Opdrachtgever:

D. van Ballegooij B.V.

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 11 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 14

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 16 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 16 4.2 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 17 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 18 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 19 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 21 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

24 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 25 4.9 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 26 4.10 Waterhuishouding........................................................................................................................................... 27 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 30

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 32 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 32 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 32

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 35 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 35 6.2 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 35

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om in plaats van twee-onder-één-kapwoningen, twee vrijstaande woningen mogelijk te kunnen maken op het perceel aan de Lingedijk 64 te Kedichem. Op 28 mei 2020 heeft de gemeente Vijfheerenlanden ingestemd met het initiatief om twee vrijstaande woningen op het perceel toe te staan. Het initiatief past echter niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Kerkstraat/Lingedijk Kedichem', vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Leerdam op 8 juli 2013. In het geldende bestemmingsplan is de planlocatie voorzien van de bestemmingen 'Wonen', 'Tuin' en 'Verkeer'. De gronden met de woonbestemming beschikken over een bouwvlak waarbinnen twee woningen in de vorm van twee-onder-één-kapwoningen zijn toegestaan. Om het beoogde plan om twee vrijstaande woningen te kunnen realiseren juridisch-planologisch mogelijk te maken, zal voor de planlocatie een herziening van het bestemmingsplan opgesteld moeten worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de Lingedijk ten zuidoostzijde van de kern Kedichem. De planlocatie is kadastraal bekend als gemeente Kedichem, sectie B, perceel 3118 en heeft een oppervlakte van 2.047 m². De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

5

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kerkstraat/Lingedijk Kedichem', vastgesteld door de voormalige gemeente Leerdam op 8 juli 2013. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan 'Kerkstraat/Lingedijk Kedichem', plangebied rood omkaderd

De gronden van het plangebied beschikken over de bestemmingen 'Wonen', 'Tuin', en 'Verkeer'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet met niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten en de bij de bestemming horende voorzieningen. Binnen de woonbestemming is een bouwvlak opgenomen waarbinnen maximaal twee woningen zijn toegestaan uitsluitend in de vorm van twee-aaneengebouwde woningen. De maximale bouw- en goothoogte bedragen 9 en 4 m.

6

De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen en erven, inritten, water ene waterhuishoudkundige voorzieningen. De Lingedijk is voorzien van de bestemming 'Verkeer'. Hier zijn wegen met ten hoogste 2 keer 1 doorgaande rijstrook toegestaan. Tevens beschikken de gronden over twee dubbelbestemmingen. De dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' is opgenomen voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij grondbewerkingen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dn 100 m² is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek nodig. De voor 'Waterstaat - waterkering' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering. Het voorgenomen plan, dat het ontwikkelen van twee vrijstaande woningen mogelijk maakt, is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het betreft de realisatie van twee vrijstaande woningen, waar uitsluitend twee-aaneengebouwde woningen zijn toegestaan. Daarbij zijn de beoogde woningen niet volledig binnen het bestaande bouwvlak gesitueerd. Derhalve dient een herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende relevante milieuen omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie De planlocatie is gelegen in het zuidoostelijke deel van het dorp Kedichem, direct achter een hoge dijk in een bocht van de Linge. Voorheen stond op de planlocatie een grote schuur, horend bij het perceel aan de Kerkstraat 1-3. Op de Kerkstraat 1-3 staat een vrijstaande woning met een aantal schuren. Ook ten westen van het plangebied zijn voornamelijk vrijstaande woningen aanwezig. In het midden van het dorp zijn meer rijwoningen en twee-onder-één-kapwoningen te vinden. Aan de oostzijde van de Lingedijk ligt het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. De gronden ten zuiden van de Lingedijk beschikken over een recreatieve bestemming met een tennisveld en een klein zwembad. In de huidige situatie is het mogelijk om op het perceel twee geschakelde woningen te ontwikkelen. Deze woningen zijn echter nooit gerealiseerd. In de bestaande situatie betreft het perceel een braakliggend stuk grasland. De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van het plangebied en een plattegrond van de situatie die is toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan.

Impressie plangebied bestaande situatie (bron: Google Maps)

8

Plattegrond toegestane situatie (bron: D. van Ballegooij B.V.)

2.2 Toekomstige situatie Met het voorliggende bestemmingsplan wordt enkel het bouwvlak op het perceel en het type woning die is toegestaan gewijzigd. De oppervlakte van het bouwvlak (319 m²) blijft gelijk aan de bestaande situatie, maar wordt anders gesitueerd. Binnen het nieuwe bouwvlak zijn twee vrijstaande woningen toegestaan. De woningen zijn bereikbaar door middel van een enkele ontsluiting aan de Lingedijk. Hier is dus sprake van recht van overpad. Op de navolgende afbeelding staat de beoogde situatie weergegeven.

Plattegrond beoogde situatie (bron: D. van Ballegooij B.V.)

9

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen.

Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Planspecifiek De SVIR is gezien de aard en omvang van het project niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is.

Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

•

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die

10

•

•

ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorgenomen initiatief maakt het mogelijk om twee vrijstaande woningen te realiseren. In de huidige situatie zijn echter ook al twee woningen in de vorm van tweeaaneengebouwde woningen toegestaan. Aangezien het aantal woningen dat toegestaan is niet toeneemt, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk. Gezien het voorgaande is het plan in overstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) - Actualisering 2018 vastgesteld. Voor de gemeente Vijfheerenlanden geldt dat het provinciale beleid tot de fusiedatum 1 januari 2019 wordt toegepast. In dit geval geldt de VRM zoals deze op 31 december 2018 van toepassing was. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.

De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden: 1. 2. 3. 4.

beter benutten en opwaarderen van wat er is; vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.

11

Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. Planspecifiek De provincie stimuleert verdichting, herstructurering en transformatie. Een randvoorwaarde voor het beter benutten van de bebouwde ruimte is dat de leefkwaliteit behouden moet blijven en waar mogelijk versterkt moet worden. Het plangebied bevindt zich in het veenlandschap van het Groene Hart. Er wordt ingezet op het behoud en versterking van het waterrijke en open karakter. Belangrijke opgaven zijn de aanpak van bodemdaling, behoud van de karakteristieken van het veenweidelandschap en verbetering van de waterkwaliteit en instandhouding van de bijzondere natuurwaarden. Daarnaast beschikt de provincie over een kwaliteitskaarten die de kwaliteitsambities van de provincie toont.

Voor onderhavig initiatief zijn de volgende kaartlagen van belang: Laag van de ondergrond De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Het beoogde initiatief heeft verder geen invloed op de herkenbaarheid van de komgronden en oeverwallen. Laag van cultuur- en natuurlandschappen De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen en dragen bij aan het behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaats binnen de bestaande structuren of linten en niet in de veenweidepolders. De beoogde ontwikkeling van twee vrijstaande woningen vinden plaats op een locatie waar in de huidige situatie ook al woningen zijn toegestaan.

Het landschap wordt hiermee niet aangetast. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. De woningen zullen passend zijn in het dijklint van de Lingedijk. Daarbij bevindt het plangebied zich aan de rand van het dorp Kedichem en is het bijna volledig bebouwd. Laag van de stedelijke occupatie Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieken en identiteit van het dorp. Op de planlocatie zullen de toekomstige woningen ingepast worden en aansluiten op de omgeving. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen.

Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). De planlocatie bevindt zich tegen een dijk aan. De dijk zorgt voor een overgang naar het landelijk gebied. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het beoogde initiatief om twee vrijstaande woningen mogelijk te kunnen maken in lijn is met de Visie Ruimte en Mobiliteit.

12

3.2.2 Verordening ruimte 2014 Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Ook hier geldt de verordening zoals deze op 31 december 2018 van toepassing was. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.

In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat binnen bestaand stads- en dorpsgebied wordt gebouwd en de locatie niet groter is dan 3 hectare. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 2.1.1 van de verordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

13

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de stedenbouwkundige opzet van de buurt op hoofdlijnen gelijk blijft. De karakteristiek van de woningen sluit aan bij de kenmerken en identiteit van Kedichem. De ontwikkeling past daarmee bij de aard en de schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart worden in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Artikel 2.2.1 lid 2 van de verordening is niet van toepassing, omdat voor het plangebied geen beschermingscategorie ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit geldt. Regionale waterkeringen Waterveiligheid is een provinciaal belang. In de verordening zijn daarom regels opgenomen voor de bescherming van regionale waterkeringen. Aan de oost- en zuidzijde van het plangebied ligt een regionale waterkering. Artikel 2.4.2 stelt dat een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als zodanig bestemd moet worden. de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' wordt conform het bestemmingsplan 'Kerkstraat/Lingedijk Kedichem' overgenomen. Daarmee is de bescherming van de regionale waterkering voldoende geborgd. Conclusie Verder worden er vanuit de Verordening ruimte 2014 geen eisen gesteld aan het voorgenomen plan.

Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Verordening ruimte 2014.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Leerdam 2020 De raad van de voormalige gemeente Leerdam heeft op 11 oktober 2012 de Structuurvisie Leerdam 2020 'Hart voor Kwaliteit aan de Linge' vastgesteld. Het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief dat is opgenomen in deze nieuwe structuurvisie borduurt voort op het kader zoals dat in de Structuurvisie Plus 2001 is vastgelegd. Deze ruimtelijke visie staat aan de basis van de ruimtelijke ontwikkelingen van dit moment. In deze nieuwe structuurvisie voor de periode 2012 - 2020 vormt de ruimtelijke visie uit 2001 het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking. De hoofddoelstellingen uit de structuurvisie zijn:

• •

versterken en zichtbaar maken van ruimtelijk raamwerk: lijnen, vlakken, elementen; versterken relaties stad en buitengebied door nieuwe invulling en vormgeving van stadsranden en overgangszones;

• • •

ruimtelijke ontwikkelingen enten op de kwaliteiten en potenties van het ruimtelijk raamwerk; kwaliteiten van water en ecologie benutten als sturend planelement; streven naar zuinig en duurzaam ruimtegebruik.

14

Planspecifiek De volgende afbeelding toont een uitsnede van de kaart van de Structuurvisie Leerdam 2020 met het plangebied rood omcirkeld.

Uitsnede kaart Structuurvisie Leerdam 2020, plangebied rood omcirkeld

Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied aangewezen is als 'Bebouwing'. In de kern Kedichem ligt het accent in het ruimtelijk beleid op een zorgvuldig beheer van de bestaande ruimtelijke kwaliteiten. Daarbij dienen de overgangszones naar het landelijk gebied versterkt te worden en is er op extensieve schaal nog enige bebouwing inpasbaar. De planlocatie betreft onbebouwde gronden binnen de kern, waar verschillende woningen te vinden zijn. Het stuk grond leent zich voor woningbouw. Daarbij zijn de gronden in de huidige situatie al voorzien van een woonbestemming. Met het initiatief wordt enkel het type woning dat is toegestaan gewijzigd. Met onderhavig plan neemt de oppervlakte aan verharding in het plangebied af. Daarnaast neemt de oppervlakte aan groenvoorzieningen toe. Deze maatregelen zorgen dat het hemelwater beter in de grond wordt geïnfiltreerd en de overlast van het grondwater wordt aangepakt. Het plan zal zorgen voor een kwaliteitsverbetering van de omgeving en is daarmee in overeenstemming met de Structuurvisie Leerdam 2020.

15

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit uitwerkingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. Het voorgenomen initiatief maakt feitelijk gezien geen extra woningen mogelijk. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;

16

b.

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.

kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.

De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien het aantal woningen in het plangebied niet toeneemt en het slechts om twee woningen gaat, zullen de effecten op de omgeving minimaal zijn. Het project is een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de vormvrije m.e.r.beoordeling. Er zal een m.e.r.-beoordelingsbesluit (voorbereidingsbesluit) genomen worden voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (art. 7.19 lid 1 Wm).

4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

17

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Met dit bestemmingplan wordt het toevoegen van een woning mogelijk gemaakt. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Hierdoor moet worden bepaald of de beoogde ontwikkeling omliggende bedrijven niet belemmerd in de uitvoering van haar bedrijfsactiviteiten. Indien de nieuwe woningen binnen de milieucontour van een bestaand bedrijf liggen, zal dit het betreffende bedrijf kunnen hinderen in zijn bedrijfsvoering. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig. De dichtstbijzijnde bedrijfsbestemmingen bevinden zich op een grotere afstand dan 100 m. Hier zijn bedrijven met de milieucategorie 1 toegestaan. Conform de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' geldt hiervoor een richtafstand van 10 m. Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal

18

mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Het voorgenomen initiatief maakt het mogelijk om twee vrijstaande woningen te realiseren. Echter zijn in de huidige situatie ook al twee woningen toegestaan, waardoor het aantal woningen feitelijk niet toeneemt. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.

De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof PM 10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van plangebied (rekenpunt 182328) bedragen respectievelijk maximaal 18,0 µg/m³, 11,1 μg/m³ en 17,4 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden. De WHO en GGD hanteren advieswaarden van 20 µg/m³ voor fijnstof PM 10 en 10 µg/m³ voor fijnstof PM2,5, die lager liggen dan de wettelijke grenswaarden. Als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- een leefklimaat. Op de planlocatie wordt de advieswaarden voor fijnstof PM10 gehaald. Door het schoner worden van de autotechniek zal in de toekomst ook worden voldaan aan de advieswaarde voor fijnstof PM 2,5. Daarmee zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);

•

geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).

19

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek De Wgh ziet toe op de bescherming van geluidgevoelige objecten. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige objecten. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Lingedijk, waar een snelheidsregime van 60 km/uur geldt. Met voorliggend plan wordt enkel het bouwvlak (minimaal) verplaatst en het type woning dat is toegestaan gewijzigd. In de huidige situatie zijn ook al twee woningen toegestaan. Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Kerkstraat/Lingedijk Kedichem' is destijds een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uitgevoerd. De hoogst berekende geluidbelasting was 46 dB, waarmee voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van een spoorlijn of nabij een geluidgezoneerd industrieof bedrijventerrein. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen) is een verkennend en nader bodemonderzoek (Bakker Milieuadviesen, maart 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) uitgevoerd.

Daarnaast is in 2012 een bodemonderzoek (Bakker Milieuadviesen, augustus 2012, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2) en in 2013 een asbestonderzoek (Asbest Advies Brabant, juli 2013, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3) uitgevoerd. In het bodemonderzoek uit maart 2020 wordt verwezen naar deze onderzoeken. Uit het onderzoek van maart 2020 zijn de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen. In de zwak puinhoudende bovengrond op het noordelijk deel van het onderzochte terrein zijn alle standaard NEN-5740-parameters in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen. Vanwege het boomgaardverleden zijn tevens de OCB (bestrijdingsmiddelen) onderzocht. Hiervan is alleen DDE minimaal verhoogd aangetroffen; In de bovengrond op het zuidelijke deel zijn eveneens alle standaard NEN-5740-parameters in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen. Vanwege het boomgaardverleden zijn tevens de OCB (bestrijdingsmiddelen) onderzocht. Hiervan is DDE licht verhoogd aangetroffen en DDT matig verhoogd. Om deze reden is een uitsplitsing uitgevoerd op dit mengmonster en hieruit bleek dat de bovengrond bij één van de boringen sterk verontreinigd is met DDT en matig met DDE. Opvallend was dat de 3 andere deelmonsters nagenoeg of geheel schoon waren voor DDE en DDT.

Naar aanleiding hiervan zijn 4 nieuwe boringen verricht rondom de boring bij de sterke verontreiniging en is deze boring nogmaals uitgevoerd voor de diepteafperking. In februari 2021 zijn op verzoek van de ODRU nog twee extra boringen verricht. Uit de

20

aanvullende analyses kwam naar voren dat alleen de bovengrond bij één van deze boringen sterk verontreinigd was. De ondiepe ondergrond (30-80 cm) is schoon voor DDT/DDE. Hiermee is overduidelijk aangetoond dat de DDT/DDE-verontreiniging alleen de toplaag van 0-30 cm betreft. Uit de verkregen resultaten blijkt dat er rondom de boringen de boringen sprake is van een volume van circa 12 m³ sterk verontreinigde grond. In de afperkende boringen zijn nauwelijks verhoogde gehalten aangetroffen. Mogelijk heeft hier ooit een beperkte morsing plaatsgevonden. Met dit volume van 12 m3 sterk verontreinigde grond is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Er is immers minder dan 25 m³ sterk verontreinigd. Aangezien DDT en vergelijkbare toxische OCB reeds in 1975 verboden zijn, is deze verontreiniging voor 1975 ontstaan en daarmee is de verontreiniging historisch. In augustus 2020 heeft de initiatiefnemer van het bouwplan de DDT/DDE-spot middels ontgraving laten verwijderen. Nadere gegevens hiervan zijn niet bekend bij de opsteller van onderhavig rapport behalve dat de grond afgevoerd is naar een erkende verwerker. De oppervlakte van deze verontreinigingspot is nu bedekt vanwege de plaatsing van twee tijdelijke woonunits.

•

In de ondergrond zijn alle standaard NEN-5740-parameters in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen;

•

In het grondwater zijn alle standaard NEN-5740-parameters in gehalten beneden de streefwaarden aangetroffen; Uit een separaat door Adcim BV uitgevoerd onderzoek naar asbest in de zwak puinhoudende bovengrond op het noordelijke terreindeel ( < 500 m2) is geen asbest aangetroffen.

•

Op basis van de verkregen resultaten en bovengenoemde ondernomen actie ten aanzien van de DDT/DDEspot vormt de vastgestelde bodemkwaliteit geen belemmering voor de bestemming wonen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten

21

binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven.

Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen.

Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet.

Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig

22

zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Om te kunnen bepalen of in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart externe veiligheid geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart externe veiligheid (bron: risicokaart.nl)

Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Transportroute voor gevaarlijke stoffen In of nabij het plangebied zijn geen routes aanwezig waarover vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water plaatsvindt. De afstand tot de dichtstbijzijnde routes is dusdanig groot dat deze geen invloed op het plangebied hebben. Buisleidingen Op een afstand van ca. 140 m van het plangebied ligt een gasleiding onder beheer van Gasunie Transport Services. Het effectgebied voor de gasleiding is afhankelijk van de diameter en de druk in de leiding. Deze gasleiding (A-555) heeft een 1% letaliteitscontour voor personen in de buitenlucht tot 485 m. Voor de 99% letaliteitcontour geldt een afstand van 220 m, waarbij een zeer hoge warmtestraling van meer dan 35 kW/m² kan ontstaan. Feitelijk gezien maakt het voorliggende bestemmingplan geen extra woningen mogelijk. Met het geldende bestemmingsplan is het ook al mogelijk om twee woningen te ontwikkelen. Hierdoor zal het groepsrisico nauwelijks toenemen. Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied als ook de risicobron is hierbij van essentieel belang.

Vanwege het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is het wenselijk dat het plangebied en de risicobron bovenwinds tenminste tweezijdig kan worden benaderd. Deze route moet geschikt zijn voor het direct gebruik van de hulpdiensten en voldaan aan de maatvoering en draagvermogen voor de brandweer.

23

Daarnaast dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater. Met het voorliggende plan wordt de infrastructuur in de omgeving niet gewijzigd. De huidige bereikbaarheid en bluswatervoorziening wordt als voldoende geacht. Zelfredzaamheid Vanwege het snelle karakter van de maatgevende calamiteit is vooral de zelfredzaamheid van de in het plangebied aanwezige personen van belang. Hulpdiensten hebben enige tijd nodig om ter plaatse te komen om de calamiteit eventueel nog te kunnen voorkomen. Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is bepalend voor het aantal slachtoffers en de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval. Bij het plaatsvinden van een fakkelbrand bij de gasleiding is de verwachting dat het plangebied te maken krijgt met een hittestralingsintensiteit die afhankelijk is van de afstand ten opzichte van de breuk. Voor personen buiten is het handelingsperspectief om dekking te zoeken bij objecten zoals muren of gebouwen (schuilmogelijkheden).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=a97d5cb1-4a5c-42e2-9417-cf468d69217e