Toelichting Apv Vijfheerenlanden 2022.docx
Tekst van het document
Als er toch verplaatsing optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit nemen.
36
Verstoring openbare orde Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 bevelen tot verwijdering worden gegeven. Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het WvSr (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ – dus het bier drinken op bepaalde plaatsen – mogelijk wordt. Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik De bepalingen in dit artikelen richten zich tegen hinderlijk lachgasgebruik en verkoop daarvan op openbare plaatsen en in openbare inrichtingen. Hiermee kan worden opgetreden tegen excessieve hinder of overlast van personen die op straat lachgas gebruiken, dan wel verhandelen. Artikel 2:48b Messenverbod In 2020 heeft de Hoge Raad bepaald (arrest van 15 december 2020; ECLI:NL:HR:2020:1993) dat gemeentelijke APV-bepalingen met een verbod op messen in elk geval mogelijk (en dus niet in strijd met de Wet Wapens en Munitie) zijn als deze artikelen: • een ander belang dienen: voorkomen van aantasting van de openbare orde alsook tot het bevorderen van de veiligheid; • niet gelden voor dezelfde wapens als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 Apv (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen). Op basis van artikel 2:49 Apv kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast bij of in gebouwen worden opgetreden. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de Apv voorkomende begrip ‘weg’. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling ziet, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht. Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het WvSr, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende.
De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen. Jurisprudentie HR 12-06-1951, NJ 1951, 618. Artikel 138 van het WvSr vereist een handeling van een rechthebbende. HR 02-04-1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement vervoer NS). Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het station onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 WvSr noch met artikel 7 van het EVRM, HR 01-09-1998, NJ 1999, 61 (Apv Amsterdam). De (min of meer gelijkluidende) bepaling in de Apv Amsterdam is verbindend, omdat de norm voldoende is geconcretiseerd. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen [Vervallen] Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Op grond van het RVV kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het RVV voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht.
Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte kan een fiets hinder veroorzaken. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt. Artikel 2:53 Bespieden van personen [Vervallen] Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur [Vervallen] 37
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren [Vervallen] Artikel 2:56 Alarminstallaties [Vervallen] Artikel 2:57 Loslopende honden en paarden Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden en paarden, zonder dat deze aangelijnd is, binnen bepaalde gebieden. Onder de houder wordt ook degene verstaan die de hond of het paard op dat moment uitlaat. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: - de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; - het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; - het voorkomen van hinder voor voetgangers; - het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); - het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden en degene die de hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Voor deze categorie is in het derde lid een voorziening getroffen.
Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is. Het BW geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van Boek 5, artikel 8, derde lid, van het BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is geen sprake van een ‘gevonden dier’.
De regeling over het doden van dieren is uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen. Jurisprudentie Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. ABRvS 20-07-1993, JG 94.0055, AB 1994, 454. Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. ABRvS 13-12-1996, JG 97.0050. Bij een besluit tot aanwijzing van een hondenuitlaatterrein komt aan het college beleidsvrijheid toe. De rechterlijke toets beperkt zich in deze zaak tot de vraag of het college in redelijkheid de bedoelde locatie als hondenuitlaatterrein heeft kunnen aanwijzen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het aanwijzingsbesluit de rechterlijke toets doorstaat. ABRvS 09-08-2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4643. De kantonrechter is van oordeel dat een ‘electronisch aangelijnde’ hond, geen hond is die aangelijnd is zoals bedoeld in de Apv. Het achterliggende doel van de bepaling, handhaving van de openbare orde, wordt met de Petsafe volstrekt niet gelijkwaardig gediend als met een fysieke aanlijning het geval is. Rb. Overijssel 26-012015, ECLI:NL:RBOVE:2015:440.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden of paarden Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken. Een goed overzicht van mogelijke maatregelen en een goed overzicht van literatuur op dit terrein is te vinden in de publicatie "Gemeentelijk hondenbeleid. Een handleiding ter bestrijding van de overlast door hondenpoep in Nederland" van het Multidisciplinair onderzoeksinstituut in Utrecht. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie. De handhaving (betrapping op heterdaad) valt in praktijk niet mee. Om niet enkel te hopen op een preventieve invloed van deze bepaling, zijn het vierde en vijfde lid toegevoegd. Het is de eigenaar of houder verplicht om een deugdelijk opruimmiddel bij 38
zich te hebben, dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen van hond of het paard. Onder een deugdelijk opruimmiddel wordt niet ‘met de hand’ verstaan. Onder de houder wordt ook degene verstaan die de hond of het paard op dat moment uitlaat. Jurisprudentie Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. ABRvS 13 12 1996, JG 97.0050. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat hier een definitie is opgenomen. Overtreding van de gebodsbepaling moet de gemeente vanzelfsprekend strafbaar stellen in artikel 6:1 Apv. Meer informatie over de aanpak van gevaarlijke honden op basis van de huidige wetgeving is te vinden in twee artikelen uit de Gemeentestem: Over honden en brokken: de publiekrechtelijke aanpak van bijtincidenten deel I en II, Gst. 2017/79 en 89.
In het eerste deel wordt het standpunt ingenomen dat de lichte bevelsbevoegdheid van de burgemeester van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet niet de bevoegdheid geeft om de hond te laten inslapen. Ten eerste omdat als een hond in beslag is genomen, deze doorgaans in een opslagplaats buiten de gemeente vertoeft (en zich dus buiten het eigen gemeentelijke domein bevindt). Ten tweede omdat de lichte bevelsbevoegdheid bedoeld is voor lichte gevallen en het laten inslapen van een hond niet als zodanig kan worden bestempeld. Op 5 februari 2018 heeft de verantwoordelijke minister voor dierenwelzijn, de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, een brief aan de Tweede Kamer gestuurd over haar beleidsvoornemens met betrekking tot de aanpak van zogenaamde hoog-risicohonden (Kamerstukken II 2017/18, 28 286, nr. 942). De minister wil samen met gemeenten een totaalpakket aan maatregelen opstellen, ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheid. Eerste onderdeel van dat totaalpakket is dat het CCV een barrièremodel en interventiekompas gaat opstellen, instrumenten om de problematiek en het effect van de maatregelen te analyseren. Verder wil de minister de kennis en kunde van de hondenhouder verbeteren; hondenbelangenorganisaties zouden cursussen moeten ontwikkelen. Gemeenten kunnen de hondenhouder dan in voorkomend geval naar zo’n cursus sturen.
Dit zal niet zozeer op grond van de Apv zijn, maar op grond van artikel 125 van de Gemeentewet juncto artikel 5:21 en volgende van de Awb (last onder bestuursdwang/dwangsom), of – als ultimum remedium – in acute situaties op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (bevelsbevoegdheid burgemeester bij acute, concrete (dreigende) verstoring openbare orde). Ook wil de minister dat gemeenten en politie kunnen beschikken over betrouwbare data en dat zij daarom data over bijtincidenten bijhouden. Het gaat hier over een landelijk registratiesysteem en een laagdrempelig meldpunt bij gemeenten, zoals ook opgenomen in de brief van 17 mei 2017 van de staatssecretaris van Economische Zaken (Kamerstukken II 2016/17, 28 286, nr. 909). De minister wil ook een wetenschappelijk onderbouwde lijst van hoog-risicohonden die gemeenten kunnen gebruiken om in combinatie met binnengekomen signalen via het laagdrempelig meldpunt, problematische hond/eigenaar-combinaties eerder op te sporen en gerichte maatregelen te treffen. Bij genoemde brief van 17 mei 2017 was in bijlage 3 al een lijst opgenomen. Die kunnen gemeenten nu al gebruiken in combinatie met binnengekomen signalen.
De Tweede Kamer heeft op 6 maart 2018 een motie aangenomen waarin hij de regering verzoekt advies in te winnen van de Raad voor Dierenaangelegenheden over de (juridische) mogelijkheid van een fok- en importverbod als sluitstuk van het beleid ten aanzien van hoog-risicohonden (Kamerstukken II 2017/18, 28 286, nr. 957). Jurisprudentie ARRS 05-02-1991, Gst. 1991, 6932, 13. Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en vonnis kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en de te treffen maatregelen. Vz. CBb 24-05-1993, AB 1993, 460. Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de pitbulls op grond van artikel 74 van de GWWD. Pres. Rb. Zwolle 03-0-1995, JG 95.0307, Gst. 1996, 7028. Een soortgelijke casus. Artikel 74 van de GWWD is een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172 van de Gemeentewet. Vz. ABRvS 22-05-2001, KG 2001, 179. Muilkorfgebod op grond van de Apv voor Argentijnse Dog na bijtincident met dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig.
ABRvS 02-07-2014, ECLI:NL:RVS:2014:2380. Het college heeft met het opleggen van een gebod tot kort aanlijnen in combinatie met een muilkorfgebod ter voorkoming van nieuwe bijtincidenten, de grenzen van de
39
hem in dit verband toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. Het college heeft in redelijkheid de herdershonden als gevaarlijk kunnen aanmerken en het aanlijn- en muilkorfgebod kunnen opleggen. ABRvS 02-12-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3689. Bijtincidenten leiden tot maatschappelijke onrust en verstoring van de openbare orde. Burgemeester mocht hond Diesel in beslag nemen op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Geen vervolgmaatregelen (euthanaseren, tenzij hond overgedragen aan een ander) op grond van dit artikel mogelijk, nu na inbeslagneming onrust en verstoring openbare orde zich niet meer voordoen. ABRvS 13-04-2016, ECLI:NL:RVS:2016:984. Het college komt beoordelingsvrijheid toe bij het bepalen of een hond gevaarlijk of hinderlijk is en of in verband daarmee een aanlijn- en muilkorfgebod noodzakelijk is. Aanlijnen muilkorfgebod terecht opgelegd. Geen grond voor preventieve last onder dwangsom, want er bestaat geen grond voor het oordeel van het college dat appellante zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aan het voor de hond (een Rottweiler) opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod zal houden. Rb. Zeeland-West-Brabant 30-10-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:6936 en Rb. Zeeland-West-Brabant 20-122017, ECLI:NL:RBZWB:2017:8467. Bijtende hond (Mechelse herder) vormt concreet en actueel gevaar voor de openbare orde.
Burgemeester is op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd tot in beslag nemen en testen. Aanlijn- en muilkorfgebod niet toereikend. ABRvS 04-10-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2689. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling of een hond (Bordeaux dog) gevaarlijk of hinderlijk is als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, van de Apv en beleidsruimte bij zijn beslissing om al dan niet een aanlijngebod op te leggen. College mocht afgaan op een naar aanleiding van een bijtincident door een agent, tevens hondengeleider, opgesteld proces-verbaal van bevindingen om de hond als gevaarlijk aan te merken. Aanlijngebod terecht opgelegd. ABRvS 28-02-2018, ECLI:NL:RVS:2018:644. In het licht van meerdere incidenten is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot inbeslagname op grond van 172, derde lid, van de Gemeentewet. In haar oordeel betrekt de Afdeling dat maatregelen (aanlijn- en muilkorfgebod; voorzieningen treffen op eigen terrein) een nieuw bijtincident niet hebben kunnen voorkomen, de daardoor ontstane onrust in de woonomgeving en dat de burgemeester op grond van het risico-assessment heeft mogen meewegen dat de eigenaresse van de hond in een kinderrijke buurt woont. De annotatoren J.G. Brouwer en A.E. Schilder zijn kritisch over het gebruik van de lichte bevelsbevoegdheid in deze situatie (AB 2019/148).
Deze bevoegdheid leent zich volgens hen niet voor inbeslagname van een hond. Zij bepleiten toepassing van de herstelsanctie last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1 van de Awb). Op basis van artikel 5:30, vijfde lid, van de Awb kan de hond in eigendom aan een derde worden overgedragen of worden vernietigd (lees: de hond laten inslapen). ABRvS 18-07-2018, ECLI:NL:RVS:2018:2448 (Roosendaal). De burgemeester is niet bevoegd om zijn in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet neergelegde bevoegdheid aan te wenden in een situatie waarin de Apv voorziet. Als een aanlijn- of muilkorfgebod kan worden opgelegd om een nieuw bijtincident te voorkomen, kan de burgemeester in redelijkheid niet van deze bevelsbevoegdheid gebruikmaken. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander (artikel 2:59), is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze maatregel voorkomt niet dat mensen geconfronteerd worden met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een huishouden. Om hier enigszins aan tegemoet te komen is artikel 2:59a opgenomen.
Artikel 2:59a bepaalt dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als er voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. - een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord dat vanaf de weg zichtbaar is; - een buiten het terrein geplaatste brievenbus of aanbelmogelijkheid, en - een deugdelijke afrastering die voorkomt dat de hond zelfstandig buiten het terrein kan komen. Deze bepaling is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen doordat ze van het terrein ontsnappen. Het verplicht plaatsen van een waarschuwingsbord zorgt ervoor dat mensen die een terrein willen betreden gewaarschuwd worden. Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wm direct vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen.
Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 van de Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Wet natuurbescherming, waarin onder meer regels worden gegeven ter bescherming van dieren. 40
Jurisprudentie Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS 26 februari 1991, Gst. 1991, 6962, 3. Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden. Vz. ARRS 2 juni 1991, JG 92.0007, AB 1991, 686. Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 9 april 1992, JG 92.0401, AB 1992, 583. Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22 december 1993, JG 94.0137. Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden terecht. Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en proces-verbaal van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRvS 3 juli 1999, JG 99.0003. Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag bieden voor de toepassing van bestuursdwang. Dat de kikkers zonder de activiteiten van de buurman niet in de poel zouden zijn gekomen, betekent niet dat hij de zorg voor de kikkers heeft. ABRvS 17 oktober 2001, ECLI:NL:RVS:2001AD4785. ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:700. Overlast door honden. Last onder dwangsom om honden op bepaalde tijden niet in achtererfgebied uit te laten. ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1690.
Artikel 2:60, eerste lid, aanhef en onder a, van de Apv biedt geen grondslag om een persoonlijk verbod tot het houden van bepaalde honden op te leggen. Van belang is dat een plaatsaanwijzing krachtens deze bepaling voor een ieder geldt en niet is verbonden aan individuele personen. Artikel 2:61 Wilde dieren [Vervallen] Artikel 2:62 Loslopend vee [Vervallen] Artikel 2:63 Duiven [Vervallen] Artikel 2:64 Bijen [Vervallen] Artikel 2:65 Bedelarij [Vervallen]
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijke aanvulling vormen op het strafrechtelijk optreden. Het WvSr bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn de artikelen 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is – ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed – te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het WvSv. De in artikel 141 van het WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de Awbi in acht worden genomen. De politie kan voorwerpen in beslag nemen. Op grond van artikel 142 van het WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk 6 ‘Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen’. Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats.
De in artikel 552 van het WvSv neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene opsporingsambtenaren. Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr om zich schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan. In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem door artikelen 437 en verder van het WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te wijzen ambtenaren. Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief
41
veel gestolen goederen worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek, (brom)fiets en autohandel). Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen registratieverplichtingen. Artikel 2:66 Definitie Handelaar Voor de omschrijving van het begrip ‘handelaar’” verwijst artikel 437, eerste lid, van het WvSr naar de AMvB op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het WvSr, KB 06-01-1992). Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen en foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder ‘“handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen’” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 van het WvSr.
Artikel 437, eerste lid, onder a, van het WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de MvT wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn. In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister. Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven. Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register.
Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn. Eerste en tweede lid Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (‘alle’ goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd. Derde lid Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, van het WvSr, bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen. Onder a, ten eerste Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden.
De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt. Onder a. ten tweede en derde Als zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren actueel houden. Onder a, ten vierde Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikelen 160 en 161 van het WvSv. Onder b In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de Apv noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.
42
Onder d Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onder d, voorziet hierin. De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald is in artikel 437, eerste lid, onder d en f, van het WvSr. Daar is de handelaar of een voor hem handelend persoon die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd. Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen [Vervallen] Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven [Vervallen]
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk [Vervallen] Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling In het Vuurwerkbesluit (artikel 2.3.6) is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde onwenselijk moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken en dierenasiels en in winkelstraten). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het afsteken van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.
Jurisprudentie ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3342 (vuurwerkverbod Hilversum). De Afdeling oordeelt dat het college bevoegd is om voor een gebied in het centrum een vuurwerkverbod in te stellen. Het besluit ziet op het stellen van nadere regels op het terrein van de openbare orde, en niet op het herstellen of bewaren van de openbare orde, en die bevoegdheid komt – onbetwist – aan het college toe. Tevens oordeelt de Afdeling dat het Vuurwerkbesluit geen nadere regels kent over het aanwijzen van plaatsen waar geen vuurwerk mag worden afgestoken. Het Vuurwerkbesluit beoogt derhalve niet uniform noch uitputtend te zijn. Het besluit van het college is daarom niet in strijd met het Vuurwerkbesluit. Ook oordeelt de Afdeling dat het college meer gewicht mocht toekennen aan het voorkomen van gevaar en overlast in het aangewezen gebied dan aan het relatief beperkte omzetverlies van de ondernemers. Artikel 2:73a Carbidschieten In het eerste lid van deze bepaling is een algemeen verbod tot carbidschieten opgenomen. Op grond van het tweede lid geldt dit verbod niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur, buiten de bebouwde kom mits daarbij aan de in deze bepaling genoemde criteria is voldaan.
Artikel 2:73b Toepasselijkheid Dit artikel verklaart deze afdeling niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (‘harddrugs’) en II (‘softdrugs’) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de Apv een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft. 43
Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is deze bepaling opgenomen, die tot doel heeft om de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten te voorkomen. In het artikel wordt zowel over middelen uit lijst 2 en 3 van de Opiumwet, dus zowel hard- als softdrugs en “daarop gelijkende waar” gesproken. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden, aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder) of aan Ketamine dat als genotsmiddel wordt gebruikt. In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (‘drugsrunners’) strafbaar gesteld. Het ‘kennelijke doel’ kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, enzovoorts. Jurisprudentie HR 17 november 1992, ECLI:NL:PHR:1992:AD1779, NJ 1993, 409. Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de Apv is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan strafbaar gesteld in de Opiumwet.
Ook de klacht dat de bepaling onverbindend is wegens te grote onbepaaldheid faalt, aangezien de bepaling — ook voor zover zij melding maakt van 'daarop gelijkende waar', waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan — voldoende duidelijk maakt welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Een aantal gemeenten heeft daarom al enkele jaren een bepaling in de Apv opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik wordt verboden. De rechtspraak is een aantal jaren wisselend geweest, waarbij in een aantal gevallen zo’n bepaling onverbindend werd geacht omdat de rechter van oordeel was dat door de overlap met de Opiumwet (men kan immers verboden substanties niet gebruiken zonder deze – in strijd met de Opiumwet – voorhanden te hebben) de bovengrens van de gemeentelijke regelgevende bevoegdheid werd geschonden. Maar inmiddels is er een rechterlijke consensus ontstaan waarbij zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht. Zie over de betekenis van ‘daarop gelijkende waar’ het gestelde bij de toelichting op artikel 2:74.
Afdeling 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding [Vervallen] Artikel 2:75a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Eerste lid De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de Apv – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Tweede lid De systematiek van dit artikel gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden.
De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van artikel 1.7 verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit. De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn.
Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan op grond van het Apv artikel een vergunningplicht voor een branche of gebied worden ingevoerd.
44
Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden. Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing gelden voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak.
De burgemeester wijst een pand, gebied of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als in dat gebied dan wel door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteiten naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Vierde en zevende lid De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld.
Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van artikel 2:28. Indien de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub i is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld. Vijfde en zesde lid In deze leden wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn om de vergunning in te trekken (zevende lid, sub h en i). Als het bevoegd bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (zesde lid).
Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen. Achtste lid Artikel 2:75a biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Dit artikel bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht. Elfde lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.
Veertiende lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere 45
bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn.
De openbare orde en veiligheid vormt eveneens de reden om van een lex silencio positivo af te zien. Artikel 2:75b Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Inleiding Voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit kunnen diverse bestuurlijke instrumenten worden ingezet om te voorkomen dat criminelen grip krijgen of houden op legale structuren in de maatschappij. Op het gebied van toepassing van het zogenaamde Damoclesbeleid is hiermee inmiddels ruime ervaring opgedaan in nagenoeg alle gemeenten binnen Midden Nederland. Ook zijn in veel gemeenten vergunningen die gebruikt c.q. misbruikt werden in relatie tot criminele doeleinden ingetrokken. Het criminele leerproces kenmerkt zich echter door snelle aanpassing aan nieuwe omstandigheden. Panden en/of ondernemingen waar een vergunning op rust zijn minder in trek, want bij ondermijnende criminaliteit wordt deze vergunning relatief eenvoudig bestuurlijk ingetrokken. Op dit moment wordt voorzichtig een tendens zichtbaar van verschuiving van criminele activiteiten vanuit panden in de vergunde sector naar niet vergunde sectoren, zoals de vergunningsvrije horeca (broodjeszaken, shisalounges). Ook worden criminele activiteiten ontplooid in panden waar geen vergunningen voor nodig zijn zoals bedrijfs- en verenigingsgebouwen en winkels.
Aanpak hiervan is bestuurlijk complexer, maar soms wel noodzakelijk ter voorkoming van verdere vermenging van criminele activiteiten met maatschappelijke processen. Met stevig bestuurlijk optreden geeft een gemeente een belangrijk preventief signaal af aan andere ondernemers dat dergelijk handelen niet wordt getolereerd. Doel Voor daadkrachtige bestrijding van ondermijnende criminaliteit is het van belang dat de juridische grondslag hiervoor zowel landelijk als ook op plaatselijke niveau aanwezig is. Binnen de gemeente vormt regelgeving opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening (Apv) de basis voor effectief bestuurlijk optreden, aanvullend op landelijke regelgeving. Veranderende maatschappelijke, juridische en beleidsmatige ontwikkelingen maken dat de juridische grondslag zoals opgenomen in de Apv regelmatig dient te worden aangepast. De opneming van dit artikel geeft de burgemeester het juridisch instrumentarium om op te treden tegen ondermijnende activiteiten die plaats vinden vanuit voor het publiek openstaande gebouwen. Het doel is om daarmee het bestuurlijke instrumentarium te scheppen dat het mogelijk maakt om dergelijke activiteiten effectief te kunnen stoppen. Bestaand instrumentarium Met ‘voor publiek openstaande gebouwen’ wordt bedoeld: gebouwen die op een zodanige wijze worden gebruikt dat daarvoor geen vergunning benodigd is.
Indien er sprake is van ondermijnende criminele activiteiten vanuit een voor het publiek openstaand gebouw kan daar door de burgemeester tegen worden opgetreden op basis van artikel 174 van de Gemeentewet. De burgemeester kan dan een dergelijk gebouw voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten indien er sprake is van een ordeverstoring die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken in de gemeente en waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. Verschillende criminele activiteiten kunnen worden aangemerkt als een zodanige ordeverstoring dat daarmee een gevaar voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid ontstaat wanneer deze activiteiten plaatsvinden vanuit een voor publiek openstaand gebouw. Te denken valt hierbij aan onder andere heling, handel in (vuur)wapens, illegale gokactiviteiten, arbeidsuitbuiting en mensenhandel (opsomming niet limitatief). De sluiting van een dergelijk pand beoogd twee doelen. Als eerste wordt het gevaar voor de openbare orde met sluiting weggenomen. Ten tweede wordt de loop naar een pand voor criminele activiteiten (en/of het faciliteren daarvan) eruit gehaald, waarmee de naamsbekendheid van het pand in het (criminele)circuit als plaats voor dit soort activiteiten wordt doorbroken.
46
Jurisprudentie met betrekking tot het treffen van bestuurlijke maatregelen op basis van artikel 174 Gemeentewet leert dat inzet van dit artikel ter bestrijding van openbare orde slechts kan leiden tot een sluiting voor een korte tijd. Feitelijk komt het er op neer dat bestuurlijk optreden op basis van artikel 174 Gemeentewet alleen succesvol kan worden toegepast in geval van directe ernstige verstoringen van de openbare orde. Daarmee is het een oplossing voor de korte termijn. Aanpak van de onderliggende problematiek voor de middellange en lange termijn is op basis van dit artikel niet goed mogelijk. Hieronder wordt een aantal voorbeelden gegeven die dit dilemma duidelijk zullen maken. Voorbeelden a. In een gemeente was sprake van langdurig undergroundbankieren waarbij een winkel de spil was van de criminele activiteiten. De politie hield de ondernemer aan, nam geld in beslag en stelde een bestuurlijke rapportage voor de gemeente op. De burgemeester sloot vervolgens het pand op basis van artikel 174 Gemeentewet. In de door de ondernemer aangevraagde voorlopige voorziening werd duidelijk dat met de aanhouding van de winkelier en inbeslagname van het geld, het acute gevaar voor de openbare orde was weggenomen, waarmee er volgens de voorzieningenrechter geen noodzaak was om nog langer de winkel op basis van artikel 174 gesloten te houden.
Dat het pand bekend was in het criminele circuit en dat familieleden van plan waren om de winkel weer gewoon open te gaan houden ten spijt; b. Bij een politieonderzoek werd in een opslagloods een grote hoeveelheid vuurwapens inbeslaggenomen. Uit het onderzoek bleek dat de betreffende criminele groepering al lange tijd gebruik maakte van de betreffende opslaglocatie en daar regelmatig bijeen kwam voor overleg. De burgemeester sloot op grond van 174 Gemeentewet de betreffende loods. Na twee weken werd tijdens de voorlopige voorziening betoogd dat het gevaar voor de openbare orde inmiddels weggenomen was. Ook in deze casus werd de sluiting beëindigd omdat de openbare orde met het politieoptreden was hersteld. Het betoog namens de burgemeester dat het openblijven van het pand een blijvend gevaar opleverde voor de openbare orde werd niet aannemelijk geacht. De gemeente had geen verdere instrumenten om op te treden tegen deze in het criminele circuit bekende locatie; c. De politie kreeg informatie dat in een bepaald winkelpand, waar door publiek goederen kunnen worden ingeleverd tegen contant geld, stelselmatig gestolen goederen zouden worden ingekocht. Bij een controle van de politie werden inderdaad diverse van diefstal afkomstige goederen aangetroffen.
De goederen waren opgenomen in het inkoopregister, maar de omschrijving was zo algemeen dat de goederen op basis daarvan nooit zouden kunnen worden geïdentificeerd. Ook in deze casus bleek optreden tegen dit pand, van waaruit criminelen feitelijk bewust werden gefaciliteerd, niet mogelijk op basis van artikel 174 Gemeentewet; d. In een gemeente is een autoverhuurbedrijf gevestigd waarvan de verhuurde auto’s zeer frequent opduiken bij criminele activiteiten. Nader politieonderzoek maakte duidelijk dat dit bedrijf nagenoeg uitsluitend verhuurde aan klanten die veelvuldig voorkwamen in de politiesystemen voor inbraken, overvallen en drugsdelicten. De politie heeft de eigenaar hierop aangesproken en geïnformeerd over haar bevindingen en verzocht hem zorgvuldiger te zijn in aan wie hij voertuigen verhuurde. Dit hielp echter niet. In deze casus kan gesteld worden dat het aannemelijk is dat de verhuurder criminelen faciliteert met het aan hen beschikbaar stellen van mobiliteit. Het in strafrechtelijke zin aanpakken van een dergelijke verhuurder als medeplichtig aan de criminele activiteiten die zijn klanten met de gehuurde auto’s ontplooien, is echter (nagenoeg) onmogelijk.
Vanuit bovenstaande voorbeelden wordt duidelijk dat de strekking van artikel 174 Gemeentewet zodanig wordt uitgelegd dat dit instrument kan worden toegepast bij een directe ernstige aantasting van de openbare orde. Duidelijk wordt ook dat optreden op deze basis slechts tijdelijk gelegitimeerd is. Feitelijk dient voortdurend de vraag gesteld te worden of de openbare orde na het beëindigen van de directe verstoring daarvan nog steeds ernstig in het geding is. Indien deze vraag negatief beantwoord moet worden, dan dient de sluiting van een pand op dat moment opgeheven te worden. Artikel 174 Gemeentewet inzetten als middel om toekomstige mogelijke verstoringen van de openbare orde preventief en voor een langere periode tegen te gaan lijkt niet aan de orde te kunnen zijn. Apv Vanuit bovenstaande voorbeelden wordt duidelijk dat soms een langere sluiting van een pand wenselijk is, maar dat op grond van artikel 174 Gemeentewet het de burgemeester ontbreekt aan deze bevoegdheid. In een aantal grotere gemeenten in het land is ten behoeve van het oplossen van de geschetste handhavingslacune, in de Apv aanvullende regelgeving opgenomen. Onder andere Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Almere hebben in hun respectievelijke Apv’s een bepaling opgenomen die de burgemeester de bevoegdheid geeft om over te gaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw.
Een sluitingsbepaling die opgenomen wordt in de Apv laat ruimte voor een zekere beoordelingsmarge. Een sluiting is een zware maatregel en beoordeeld dient te worden of de overtreding van voorschriften zodanig ernstig is dat een dergelijk zware maatregel proportioneel is. Indien sprake is van een lichte overtreding, dan ligt het niet voor de hand om daarop direct tot sluiting van een gebouw over te gaan. Een sluiting moet altijd proportioneel zijn in de gegeven situatie. Het licht in de rede dat de burgemeester tot het oordeel komt dat een sluiting noodzakelijk is indien er zich vanuit het voor het publiek openstaande gebouw situaties voor doen of voor hebben gedaan, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- leefklimaat in de directe omgeving, of indien er in of vanuit het gebouw strafbare feiten worden gepleegd die een dergelijk gevaar opleveren.
47
Criminele activiteiten die mogelijk een gevaar opleveren voor de openbare orde zijn (niet limitatief) heling, witwassen, zedendelicten, geweldsincidenten, aantreffen en handel in vuurwapens, arbeidsuitbuiting, mensenhandel en/of aanwezigheid van slachtoffers mensenhandel in een pand, illegale gokactiviteiten en het faciliteren van criminele activiteiten. Indien een artikel met betrekking tot sluiting van voor publiek openstaande gebouwen in de Apv is opgenomen kan, bij het constateren van genoemde criminele activiteiten (niet limitatief), overgegaan worden tot sluiting van het betreffende gebouw voor een bepaalde tijd. Een gemeente zal met betrekking tot een op te leggen sluitingsduur rekening dienen te houden met sluitingstermijnen die mogelijk al zijn geformuleerd in horecabeleid en/of Damoclesbeleid. Ook dient rekening te worden gehouden met ondernemers in panden en eigenaren van panden die zelf al optreden en meewerken in procedures en degenen die dat niet doen. Voor toepassing van de bevoegdheid is het niet relevant of de ondernemers en/of eigenaren betrokken zijn bij de tot sluiting reden gevende feiten. Verwijtbaarheid van ondernemers en/of eigenaren bij de misstanden maakt dat er sprake is van verzwarende omstandigheden waardoor de sluitingstermijnen kunnen worden verlengd.
Van verwijtbaarheid is sprake indien aannemelijk is dat de ondernemers en/of eigenaar op de hoogte was of had kunnen zijn van de criminele activiteiten en deze desondanks heeft getolereerd, gefaciliteerd of daaraan heeft deelgenomen. Vanuit de bestaande jurisprudentie is een sluitingstermijn van 6 maanden geaccepteerd indien een ondernemer/eigenaar geen verwijt treft. Bij verwijtbaarheid kan deze termijn worden verdubbeld. Jurisprudentie toepassing Apv Hieronder volgen enkele casussen waarin met succes gebruik is gemaakt van de Apv bepalingen ten aanzien van sluitingen van voor het publiek openstaande gebouwen. a. Tijdens een politieonderzoek van enkele maanden naar een inbrekersbende wordt ontdekt dat een juwelier regelmatig de gestolen sierraden van de inbrekers opkoopt. Bij een controle in de winkel worden sierraden aangetroffen die enkele dagen eerder uit een woning zijn gestolen. De gestolen sierraden zijn niet opgenomen in het inkoopregister. De burgemeester sluit het winkelpand voor 12 maanden. De juwelier vraagt een voorlopige voorziening aan. De voorzieningenrechter acht de burgemeester bevoegd op grond van de Apv bepalingen met betrekking tot sluiting van voor publiek openstaande gebouwen. De voorzieningenrechter acht dermate veel aanwijzingen aanwezig voor heling, dat sluiting gerechtvaardigd is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; b.