Toelichting 'Aaksterveld 2, Ameide'.pdf
Tekst van het document
25
‘De originele kleiige bovengrond onder het opgebrachte ophoogzand bevat een minimaal verhoogd gehalte aan DDE. Dit vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van het terrein. De bovengrond is overigens ook licht verontreinigd met diverse andere parameters (zie bodemonderzoeksrapport), ofwel in die zin is de bodemkwaliteit niet gewijzigd door dit aanvullende OCB-onderzoek.’ Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen ondervindt.
26
5.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Het plangebied is gelegen op gronden met een archeologische verwachtingswaarde. In de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart blijkt dat het plangebied is gelegen op gronden met een middelmatige verwachting voor prehistorie en middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden.
27
Plangebied
Afbeelding 8: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Het plan voorziet niet in ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm, waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen.
28
5.6 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20200323-9-22811). De watertoets is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. De uitkomsten zijn verder in deze paragraaf uitgewerkt. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW001. Het peilgebied heeft een zomer- en winterpeil van -1,44 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging
29
geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Afbeelding 9: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterberging en compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor ruimtelijke plannen is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is, heeft het Waterschap Rivierenland de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. Het onderhavige plan voorziet in het saneren van een pand en het renoveren van een ander pand. In het te renoveren pand worden zes maisonnettewoningen geïntegreerd. Het plangebied is thans vrijwel geheel verhard middels stelconplaten.
In de nieuwe situatie krijgt het plangebied een groenere uitstraling door het aanbrengen van groen en daarmee het verwijderen van een deel van de thans aanwezige verharding. Dit is juridisch verankerd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels (minimaal 249 m² groen). Hiermee kan gesteld worden dat het onderhavige plan zal voorzien in een afname aan verharding. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet vereist dan wel noodzakelijk. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; 30
• Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Net als in de huidige situatie wordt het hemelwater geloosd op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA) waarop de nieuwe woningen worden aangesloten.
Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding gelegen van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of (buiten)beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland. Een grondwaterbeschermingsgebied behoort tot een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Een milieubeschermingsgebied voor grondwater is een op grond van de Provinciale milieuverordening aangewezen gebied als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer, waarvoor in de Provinciale Milieuverordening regels zijn opgenomen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. In grondwaterbeschermingsgebieden dient rekening te worden gehouden met de (verticale) reistijd van het grondwater door de bodem naar het watervoerende pakket, alsmede de (horizontale) reistijd van het grondwater door het watervoerende pakket. De gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ wordt overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
31
5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouwwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. De conclusie uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Indien er sprake is van aantasting van muren en blootlegging van de spouw bij de renovatie en transformatie van de voormalige bedrijfsloods, dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden middels een AERIUS-calculatie.
Afbeelding 10: Afstand plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
32
Afbeelding 11: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’ Het is aannemelijk dat de renovatiewerkzaamheden leiden tot het blootleggen van de spouw en dient er aanvullend onderzoek naar vleermuis uitgevoerd te worden. De initiatiefnemer heeft Blom Ecologie reeds opdracht gegeven tot het uitvoeren van dit onderzoek. Om te kunnen voldoen aan het vleermuisprotocol, kan het aanvullend onderzoek naar vleermuis niet eerder dan in het najaar van 2022 opgeleverd worden. Omwille van de tijd en de druk op de woningmarkt wordt de bestemmingsplanprocedure alvast doorlopen. Om aan te tonen dat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat is door Blom Ecologie een notitie uitvoerbaarheid opgesteld. De notitie is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. Hierin is het volgende opgenomen:
33
‘Voor de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden onderbouwd of het bestemmingplan haalbaar is. Het nog moeten uitvoeren van aanvullende ecologische onderzoeken hoeft het vaststellen van een bestemmingsplan niet tegen te houden. Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld, indien er redelijkerwijs aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het soortenbeschermingsregime de planrealisatie niet in de weg staat (Raad van State, 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1740). Proces De eerste stap in het proces is het uitvoeren van een Quickscan Wet natuurbescherming. Uit dit onderzoek is gebleken dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling resulteert in een overtreding Wet natuurbescherming. De mogelijke overtreding betreft uitsluitend het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen en het verstoren van vleermuizen (Wet nb art. 3.5 lid 2 en lid 4). De verwachte soorten betreffen drie algemeenste vleermuissoorten van Nederland: de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen betreft een jaarrond onderzoek. Hiermee kunnen de resultaten in het najaar van 2022 verkregen worden. Het onderzoek heeft twee mogelijke uitkomsten: 1. Er is geen sprake van vleermuisverblijfplaatsen die weg worden genomen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling.
Er hoeft geen ontheffing Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de ontwikkeling uitgevoerd kan worden. Er hoeven geen verdere vervolgstappen inzake Wet natuurbescherming te worden genomen. 2. Er is wel sprake van vleermuisverblijfplaatsen die weg worden genomen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Er dient een ontheffing Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de ontwikkeling uitgevoerd kan worden. Voorwaarde 1 (Wet nb, artikel 3.8, lid 5a): er bestaat geen andere bevredigende oplossing Voorafgaand van de renovatiewerkzaamheden wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen om woningen op de locatie Aaksterveld 2 te Ameide te realiseren. Bekeken is of het huidige pand geschikt zou zijn om deze in de huidige staat te behouden, maar het pand is te verouderd om in de huidige staat woningen in te integreren. Daarnaast dient het pand beter geïsoleerd te worden en dienen enkele gevels doof gemaakt te worden. Hierdoor dienen isolatie- en/of renovatiewerkzaamheden uitgevoerd te worden, zoals spouwmuurisolatie, welke direct zouden leiden tot ongeschikt worden van de eventuele verblijfplaatsen. Behoud van de huidige bebouwing om woningen in te integreren is niet realistisch.
Door vorengenoemde redenen is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is dan de renovatiewerkzaamheden uit te voeren en daarmee het wegnemen van eventuele vleermuisverblijfplaatsen. Er is geen bevredigende oplossing voorhanden waarbij eventuele vleermuisverblijfplaatsen behouden kunnen blijven. Voorwaarde 2 (Wnb, artikel 3.8, lid 5b): er is sprake van een wettelijk belang Er zijn diverse wettelijke belangen aan te voeren voor het wegnemen van een vleermuisverblijfplaats. Het belang zoals omschreven in de Wnb artikel 3.8 lid 5 onder b sub 3 (belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten), is van toepassing op het project. Volgens het in 2019 gesloten Klimaatakkoord moet een op de vijf Nederlandse huizen en gebouwen in 2030 van het gas af zijn (www.rijksoverheid.nl). Recente ontwikkelingen laten echter zien dat dit met de bestaande bebouwing zeer lastig tot vrijwel onmogelijk is. Nog te bouwen bouwwerken (nieuwbouw) krijgen sinds 1 juli 2018 in beginsel geen aardgasaansluiting meer. De wetgever heeft de Gaswet gewijzigd en zodoende is de uitfasering van het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving in gang gezet. Het huidige pand aan de Aaksterveld 2 is
34
voorzien van een gasaansluiting, maar de woningen die in het pand worden geïntegreerd, worden niet meer aangesloten op het gasnetwerk. De woningen worden voorzien van voldoende voorzieningen voor het opwekken van schone energie zodat wordt voldaan aan de huidige EPC-eisen voor nieuwbouw. Met het Klimaatakkoord heeft Nederland ingezet op gebouwen die geen aardgas meer verbruiken. Daarmee valt ook de directe CO2-uitstoot uit gebouwen weg. Nieuwbouw voldoet hier al op korte termijn aan; maar de grootste uitdaging vormen bestaande gebouwen. Die hebben een diepgaande renovatie nodig, tussen nu en 2050. Voor bestaande bebouwing is derhalve een grotere investering nodig om tot hetzelfde resultaat te komen. Alle vergunningaanvragen voor nieuwbouw (woningbouw en utiliteitsbouw) moeten voldoen aan de eisen voor Bijna-energie neutrale gebouwen (BENG) zodra deze eisen ingaan. Verder is per 1 juli 2018 de Gaswet veranderd. Hierdoor krijgen de meeste nieuwe gebouwen geen gasaansluiting meer. Dit geldt voor nieuwe gebouwen in de categorie kleinverbruikers, waarvoor de bouwvergunning is aangevraagd op of na 1 juli 2018 (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2020). De nieuwbouw zal derhalve gerealiseerd worden met hoge isolatiewaarden, waardoor minder energie gebruikt hoeft te worden om deze te verwarmen.
Dit betekent dat de realisatie van de nieuwbouw zal bijdragen aan het afgesloten Klimaatakkoord en de huidige bouweisen. Op landelijk niveau is er sprake van een woningtekort en de huidige situatie bevat geen wooneenheden. Met het toevoegen van 6 maisonnettewoningen in het pand, contribueert de beoogde ontwikkeling bij aan vergroting van de lokale en nationale woningaanbod. Met vorengenoemde argumenten wordt onderbouwd dat de ontwikkeling nodig is in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Voorwaarde 3 (Wnb, artikel 3.8, lid 5c): er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Indien uit het aanvullend vleermuisonderzoek blijkt dat vleermuis het pand gebruikt als verblijfplaats, zal door Blom Ecologie een mitigatie- en compensatieplan worden opgesteld. Hierbij worden voldoende alternatieve tijdelijke en permanente verblijfplaatsen voor vleermuizen aangeboden, zodat de mogelijk aanwezige vleermuizen tijdens en na de ontwikkeling gebruik kunnen maken van geschikte verblijfplaatsen.
Het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om voldoende alternatieve tijdelijke en permanente voorzieningen voor vleermuizen toe te passen. Daarnaast voorziet het compensatie- en mitigatieplan in maatregelen om het onnodig verwonden of doden van vleermuizen te voorkomen. Voor alle mogelijk voorkomende soorten geldt dat Blom Ecologie in het verleden met succes ontheffingen hebben aangevraagd en verkregen in diverse provincies, waaronder Utrecht. Daarnaast gaat het om een streven naar, oftewel Blom Ecologie doet op basis van de meest actuele kennis een zo goed en passend mogelijk voorstel ter mitigatie en compensatie. Dat een eventuele verlening van een ontheffing in de lijn der verwachting ligt, blijkt tevens uit vergelijkbare projecten waarbij een ontheffing Wet natuurbescherming voor het wegnemen van een vleermuisverblijfplaats is verleend. Gewezen wordt op de volgende projecten waar sprake is geweest van een vergelijkbare situatie: • Wegnemen van een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis te Odijk (ZWNB-RI-REG-2019-0152) • Wegnemen van een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis te Benschop (Z-WNB-RI-REG-2019-2373) • Wegnemen van twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis te Laren (OD.296565) • Wegnemen van een verblijfplaats van gewone grootoorvleermuis te Culemborg (2020-000500)
35
• •
Wegnemen van vier verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis te Strijen (ODH-2019-00141916) Wegnemen van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis te Rotterdam (ODH-2021-00017808)
Conclusie Uit vorengenoemde blijkt dat, mits noodzakelijk, een ontheffing Wet natuurbescherming redelijkerwijs te verkrijgen is voor de beoogde ontwikkeling aan de Aaksterveld te Ameide. Hiermee bestaan er aanknopingspunten voor het oordeel dat het soortenbeschermingsregime de planrealisatie niet in de weg staat.’ Geconcludeerd wordt dat – indien nodig – een ontheffing in de lijn der verwachting ligt en de soortenbeschermingsregime uit de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Stikstofdepositie Naar aanleiding van de conclusie van de quickscan Wet natuurbescherming is een stikstofdepositieonderzoek opgesteld. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘De stikstofdepositie is ter plaatse van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000gebieden als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase berekend. Uit de berekening blijkt dat als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden Natura2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van het plan. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot het aspect stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen. De Wnb staat de uitvoering het plan niet in de weg.
36
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wm. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) 24-uurgemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf jan. 2015
40 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf jan. 2015
Max 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
De Wereldgezondheidsorganisatie hanteert advieswaarden voor fijnstof van 20 μg PM10/m3, en 10 μg PM2,5/m3 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en goed woon- een leefklimaat. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie tussen 15,4 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 18,3 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,0 μg PM2,5/m3; Voor het jaar 2030 geeft dezelfde NSL-monitoring het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof voor het plangebied: • Een fijnstofconcentratie van 15,2 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 8,4 μg PM2,5/m3. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan zowel de wettelijke grenswaarden als aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; 37
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Het plan valt in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%). Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
38
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Om te bepalen of in de omgeving van het plangebied voor het aspect externe veiligheid relevante bronnen aanwezig zijn, is de Risicokaart geraadpleegd.
420 m
Plangebied
Afbeelding 12: Uitsnede Risicokaart
Risicovolle inrichtingen Volgens de Risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen en/of Bevi-inrichtingen.
39
Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Volgens de Risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen over het water Het plangebied ligt op circa 420 meter van de Lek. De Lek is in het Basisnet water aangewezen als een transportroute van gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat het plan moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De Lek wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg. Voor belangrijke binnenvaarwegen (zwart) geldt: • Geen nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn; • Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) 25 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden. Bouwen binnen een PAG is mogelijk in afweging met de gemeente; • Verantwoordingsplicht van het groepsrisico.
Berekening nodig indien bevolkingsdichtheid > 1500 personen/ha dubbelzijdig of 2250 personen/ha enkelzijdig. Plaatsgebonden risico Voor zwarte vaarwegen zijn gebruiksruimtes voor het vervoer (veiligheidsbuffer) gedefinieerd. Deze gebruiksruimten worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) 10-6 per jaar contour en het groepsrisico. De contour van het plaatsgebonden risico ligt op de oever van de Lek. Het plaatsgebonden risico is daarom geen belemmering voor het plan. Groepsrisico Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien het plan gelegen is binnen een afstand van 200 meter vanaf de vaarweg, er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Het plangebied is op meer dan 200 meter afstand van de vaarweg gelegen, waardoor een verantwoording van het groepsrisico achterwege kan worden gelaten. Hoogspanningsleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen aanwezig. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen.
40
5.10 Technische infrastructuur Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
41
6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Aaksterveld 2, Ameide’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Aaksterveld 2, Ameide’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Aaksterveld 2, Ameide’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Herziening Kernen Zederik’, vastgesteld op 23 oktober 2017. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Wonen Ter plaatse van de zes maisonnettewoningen wordt de huidige centrumbestemming gewijzigd naar een woonbestemming. Hiermee wordt het gebruik van het plangebied als kantoor, detailhandel en dienstverlening uitgesloten en is uitsluitend het wonen (met eventueel bijbehorende aan-huis-verbonden bedrijven en beroepen) toegestaan. Waarde – Archeologie – 8 De archeologische dubbelbestemming is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.
5.4 Aanduidingen • • • • • •
Bouwvlak; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – dove gevels’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – berging’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 6’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte, maximum goothoogte (m): 10,0, 6,5’; Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’.
42
7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Na vaststelling van het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning worden aangevraagd. De omgevingsvergunningaanvraag dient vergezeld te worden van een aanvullend onderzoek vleermuis om aan te tonen dat het plangebied niet wordt gebruikt als verblijfplaats voor vleermuis. Blom Ecologie heeft reeds al opdracht gekregen voor het aanvullend onderzoek vleermuis welke conform het vleermuisprotocol wordt uitgevoerd. Het rapport wordt volgens de planning opgeleverd in oktober 2022. Indien blijkt dat vleermuis het plangebied niet gebruikt als verblijfplaats, kan de vergunning worden verleend. Indien vleermuis de locatie wel gebruikt als verblijfplaats, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Uit paragraaf 5.7 van deze toelichting blijkt dat de verlening van de ontheffing in de lijn der verwachting ligt, mede gezien bij vergelijkbare gevallen een vleermuis-ontheffing is verleend.
De kosten voor het aanvullend onderzoek, het verkrijgen van de eventuele ontheffing en het treffen van eventuele maatregelen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
8.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Vijfheerenlanden bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar Dunea, Gasunie, provincie Utrecht, Rijkswaterstaat, Vitens, Veiligheidsregio Utrecht en het waterschap Rivierenland. De overlegpartners, op het waterschap na, hebben niet gereageerd of aangegeven geen opmerkingen te hebben. Het waterschap heeft geadviseerd om klimaatadaptieve maatregelen te borgen in de verbeelding en regels van het bestemmingsplan en om te kijken naar manieren om het water op het terrein (langer) vast te houden, voordat het water wordt geloosd op het gescheiden rioleringsstelsel of naar het gebruik van halfverharding. Deze opmerking is verwerkt door middel van het toevoegen van een voorwaardelijke verplichting in de regels. Deze voorwaardelijke verplichting zorgt ervoor dat het plan dient te voorzien in het aanleggen van minimaal 249 m² groen in de vorm van gras, groene parkeerplaatsen en/of groene daken.
8.2 Ter inzagelegging ontwerp-bestemmingsplan Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf vrijdag 3 december 2021 gedurende zes weken (tot en met donderdag 13 januari 2022) ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Hiervan is kennisgegeven via de publicatie in het Gemeenteblad (nummer 422911) en het Kontakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
43
8.3 Participatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft de initiatiefnemer de directe omwonenden in kennis gesteld van het plan. De omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de realisatie van zes maisonnettewoningen op het perceel Aaksterveld 2 te Ameide.
44