CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting 20210305 t_NL.IMRO.1961.BPAMdeKandelaar-VA01.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 10 juni 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan De Kandelaar, Ameide16.479 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit komt nader aan bod in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen. De realisatie van 22 woningen zal ten opzichte van de voormalige situatie, waarbij er sprake was van een basisschool, zorgen voor een afname van het aantal verkeersbewegingen (zie toelichting paragraaf 4.5.1.) Derhalve zal ook geen sprake zijn van een toename van de geluidsbelasting op de bestaande woningen in de omgeving. Er kan geconcludeerd worden dat, mits enkele maatregelen genomen worden voor woningen op een afstand van minder dan 18 m van het Aaksterveld, het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM).

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn.

Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.

25

In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit maximaal 22 woningen meer dan in het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Nsl-monitoringstool gekeken naar de luchtkwaliteit rondom het plangebied. Het meest nabijgelegen rekenpunt betreft ID 172606 aan de Broekseweg. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk 18,3 μg/m³, 11,0 μg/m³ en 15,8 µg/m³.

Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM 10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. De WHO en GGD hanteren lagere advieswaarden van 20 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 10 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. In de huidige situatie wordt hier niet aan voldaan. Echter zijn ook de achtergrondconcentraties over 2030 bekeken. In 2030 bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied 15,2 μg/m³, 8,4 μg/m³ en 9,8 µg/m³. Daarmee wordt in de toekomst voldaan aan de advieswaarden van de WHO en GGD. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten.

Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten

26

binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven.

Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen.

Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet.

Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig

27

zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen, hoogspanningsleidingen en/of buisleidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied valt ook buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen aardgastransportleiding van Gasunie. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de

28

instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Met het beoogde plan wordt het plangebied heringericht. Deze activiteiten hebben mogelijk een effect op de flora en fauna. In het kader van de (inmiddels uitgevoerde) sloop van de school zijn een vleermuisonderzoek (RPS, 7 november 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) en een Aanvullend onderzoek vleermuis en huismus (RPS, 8 november 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5) uitgevoerd. Met de onderzoeken is getoetst of de sloop van het gebouw en de bomenkap gevolgen kunnen hebben voor de ter plaatse voorkomende vleermuissoorten en huismus. Uit de onderzoeken zijn de volgende conclusies naar voren gekomen. Vleermuis Binnen het plangebied zijn drie soorten vleermuizen aangetroffen, de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Er is in het plangebied een paar- en winterverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aanwezig.

Verder heeft het plangebied geen functie als foerageergebied en/of essentiële vliegroutes voor vleermuizen. Huismus Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen nestplaatsen van de huismus aanwezig. Ook is geen territoria van de huismus aangetroffen. Essentiële functies voor de huismus ontbreken binnen het plangebied.

29

Tevens zijn er tijdens het onderzoek een rugstreeppad en egel aangetroffen. Voor deze soorten zijn tijdens de sloop van de school voorzorgsmaatregelen genomen. Voor de ruige dwergvleermuis is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd en verleend, waarna de school gesloopt is, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6. In aanvulling hierop wordt nog een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor de planlocatie (Blom Ecologie B.V., 25 augustus 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Hier zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Ten aanzien van vleermuisverblijfplaats migratie dient de kap van bomen uitgesteld te worden tot na de realisatie van permanente verblijfplaatsen (inbouwsteen) én er sprake is van een gewenningsperiode van 6 maanden tussen april-oktober van deze permanente voorzieningen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van januari 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen.

Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er in de bouw- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Bomeninventarisatie Binnen het plangebied staan een groot aantal bomen. Er staan structuurbepalende- en beeldbepalende bomen binnen en rond het plangebied, waarvan de meeste aan de randen zijn gesitueerd. Om te bepalen welke bomen behouden moeten blijven en welke gekapt en/of vervangen moeten worden, heeft er een bomeninventarisatie plaatsgevonden. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, zodat bepaalde bomen behouden blijven en duurzaam worden ingepast. Op de navolgende afbeelding de inventarisatie met de te behouden, kappen en vervangen bomen weergegeven. Tevens is de bomeninventarisatiekaart als bijlage bij de regels gevoegd (zie bijlagen bij de regels, bijlage 2).

30

Bomeninventarisatie (bron: Gemeente Vijifheerenlanden d.d. 22-07-2020)

De volgende bomen mogen in beginsel niet gekapt worden:

• • •

Behouden - Beeldbepalend Behouden - Bijzondere boom Behouden - Onderdeel dorpsgroenstructuur. Aanbrengen van inritten (3 - 4 m breed) mogelijk tussen bomen wanneer afstand gehouden wordt van de bomen. Indien nodig verplanten van een enkele boom toegestaan, mits de structuur en het beeld intact gehouden worden.

31

De volgende bomen mogen beperkt gekapt worden met (gedeeltelijke) terug plant voorwaarde

•

Waardering - Hoog (bij kap van 1 boom, minimaal 1 boom met dezelfde potentiële waarde terug planten)

•

Waardering - Midden (bij kap van 1 boom minimaal 1 boom met dezelfde potentiële waarde terug planten) Waardering - Laag (Bij kap van 2 bomen minimaal 1 boom met potentiële hoge waardering terug planten)

•

Dit is ook als zodanig weergeven in de notitie 'Randvoorwaarden De Kandelaar, Ameide' en het is geregeld in het voorliggende bestemmingsplan met een voorwaardelijke verplichting. Conclusie De ontwikkeling aan de Meidoornlaan 2 te Ameide is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wet natuurbescherming. 4.2.7 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een gevoelige bestemming (woningen) mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze milieugevoelige bestemming sprake is

32

van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is gekeken of er aan een goed woon- en leefklimaat voldaan wordt. Zoals hiervoor aangegeven wordt de omgeving van het plangebied bestempeld als 'gemengd gebied' en kunnen de richtafstanden me één afstandstap worden verminderd. In navolgende tabel staan de bedrijven in de omgeving van het plangebied met bijbehorende richtafstanden weergegeven. Hierbij is gemeten vanaf het beoogde bouwvlak van de woningen tot het bestemmingsvlak van het betreffende bedrijf. Daarnaast is een afbeelding toegevoegd met de verschillende bedrijven en bijbehorende milieucategorie. Adres

Milieucategorie

Bedrijventerrein Industrieweg Bedrijventerrein Industrieweg Prinsengracht 79 Aaksterveld 2 (bestemming 'Centrum')

max. categorie 2 max. categorie 3.1 max. categorie 2 max. categorie 2

Richtafstand gemengd gebied (m) 10 30 10 10

Afstand tot plangebied 17 93 150 21

het

Omliggende bedrijven met milieucategorie, plangebied rood omkaderd

Ter plaatse van de Prinsengracht zijn bedrijven uit de categorie 1 en 2 toegestaan. Zoals in bovenstaande tabel is af te lezen geldt voor milieucategorie 2 in een gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Ook aan de richtafstanden die gelden voor de bedrijven op het bedrijventerrein Industrieweg en de centrumfunctie aan het Aaksterveld wordt voldaan. Er kan dan ook gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de bedrijven in de omgeving niet belemmerd worden in de bedrijfsvoering. Daarnaast heeft het vertrek van de basisschool een positief effect op de woon- en leefklimaat voor de woningen in de omgeving. Een basisschool veroorzaakt geluid vanwege spelende kinderen. In de nieuwe situatie is hier geen sprake meer van. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

33

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Rijksbeleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

4.3.2 Waterschap Rivierenland Het waterbeheer is hier in handen van het Waterschap Rivierenland. Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'. Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toe getreden tot het klimaatverbond. Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van

34

een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid. In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel. Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten' Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren.

Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd. Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc. een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd.

Waterplan Zederik De voormalige gemeente Zederik en het Waterschap Rivierenland hebben het stedelijk waterplan Zederik vastgesteld (2009), waarin de principes van een duurzaam stedelijk waterbeheer nader uitgewerkt worden. Gelet op de verwachte klimaatverandering (nattere winters, drogere zomers, hevigere buien) streven beiden met name naar een veerkrachtiger stedelijk watersysteem. Het Waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 met als belangrijkste beleidspunten een meer zelfvoorzienend watersysteem, het verbeteren van de waterkwaliteit, het afkoppelen van verhard oppervlak, het toepassen van duurzame bouwmaterialen en het versterken van natuurontwikkeling door onder andere de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Ook wil het waterschap vasthouden aan de ambities uit het NBW en de KRW.

4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Bij een eventuele toename aan verhardingen dient hiervoor dan ook

35

gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Hiervoor geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied, waarvan hier sprake is. Van de compensatieplicht voor nieuw verhard oppervlak, kan de oppervlakte van recent gesloopte gebouwen worden afgetrokken. Deze gebouwen zijn immers gesloopt met het doel om te herbouwen. In het gebied was sprake van een totale oppervlakte van 4.436 m² aan verhardingen (het voormalige schoolgebouw en het schoolplein aan de oostzijde van het plangebied).

Overzicht verhardingen voormalige situatie (bron: Buro SRO, augustus 2020)

Het is in dit stadium niet mogelijk om een verhardingsbalans op te stellen, omdat de invulling van het plangebied nog niet bekend is. Gesteld kan worden dat het verhard oppervlak in vergelijking met de huidige/voormalige situatie naar alle waarschijnlijkheid zal afnemen. In de huidige/voormalige situatie was immers circa 75% van het beoogde woongebied verhard en het voornemen is om verhardingen tot het noodzakelijke minimum te beperken en om (openbare) parkeerplaatsen zoveel als mogelijk te vergroenen. Dit is ook als zodanig in de Randvoorwaarden (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1) vastgelegd. In ieder geval kan gesteld worden dat er geen sprake zal zijn van een toename aan verhardingen met meer dan 500 m²; watercompensatie is dan ook niet nodig. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de herontwikkeling binnen vijf jaar na de sloop plaats heeft. Als de ontwikkeling langer duurt, dient voor de verhardingsbalans uitgegaan te worden van het gesloopte terrein. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Waterschap Rivierenland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

36

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt afgekoppeld en zoveel als mogelijk ondiep geïnfiltreerd in de bodem. Hierbij worden geen uitlogende materialen zoals lood en zink gebruikt. Diepinfiltratie is hier niet toegestaan. Voor de afvoer van het afvalwater worden de woningen aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Hierbij wordt rekening gehouden met de rioleringsnota 'Samen door 1 buis', waarin ook de samenwerking tussen gemeente en het waterschap beschreven. Waterkeringen Op de locatie liggen geen waterkeringen, persleidingen of wegen van het waterschap. Tevens zijn er geen watergangen aanwezig in en om het plangebied. Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied In het bestemmingsplan 'Kernen Zederik' is de gebiedsaanduiding 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen, gebaseerd op de Provinciale Milieuverordening van de provincie Zuid-Holland. Die regels gelden nog in 2020. In 2021 treedt de provinciale interimomgevingsverordening provincie Utrecht in werking en in 2022 volgt de provinciale omgevingsverordening. In het in voorbereiding zijnde beleid van de provincie Utrecht ligt het onderhavige plangebied echter niet binnen de (matige kwetsbare dan wel kwetsbare) strategische grondwatervoorraad. Het grondwaterbeschermingsgebied ligt als een schil rond een waterwingebied.

Binnen deze schil heeft het grondwater een periode van 25 jaar of minder nodig om de pompputten te bereiken (de 25-jaars zone). In het onderhavige gebied leidt dat tot de boringsvrije zone Langerak en Lexmond. Deze zone en de daarvoor geldende regels zijn vastgelegd in de provinciale milieu-/omgevingsverordening. Op dit moment gelden nog de regels van de Provinciale Milieuverordening van de provincie Zuid-Holland. In 2021 en 2022 treden resp. de interim-omgevingsverordening en de omgevingsverordening van de provincie Utrecht in werking. In een boringsvrije zone kunnen activiteiten in de ondergrond gevolgen hebben voor de waterkwaliteit van de waterwinning. Daarom zijn regels of verbodsbepalingen voor bepaalde ondergrondse activiteiten opgesteld. Hierbij geldt in principe een vrijstelling tot een bepaalde diepte. Deze diepte is bepaald op basis van de ligging van een beschermde kleilaag boven de waterwinning. Het principe is dat deze kleilaag in tact moet blijven en activiteiten in of onder deze kleilaag verboden zijn of aan (zeer strikte) voorwaarden gebonden. Voor bovengrondse activiteiten zijn regels niet nodig, omdat de generieke wetgeving voldoende bescherming biedt.

Op basis van de Provinciale Milieuverordening van de provincie Zuid-Holland geldt voor het aanleggen van een fundering, een kelder of een bodemenergiesysteem een dieptegrens van 2.5 m onder maaiveld, met een mogelijkheid tot ontheffing. Zo is het heien van palen toegestaan, mits geen palen met verbrede voet worden gebruikt. Dit is ook als zodanig in het voorliggende bestemmingsplan geregeld. In de (interim)omgevingsverordening van de provincie Utrecht wordt evenwel uitgegaan van een dieptegrens van 3 m onder maaiveld. Er zijn vrijstellingen onder voorwaarden, dit geldt ook voor bepaalde funderingswerken. Heien onder deze diepte mag echter niet. Bij de verdere uitwerkingen wordt hier rekening mee gehouden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de ontwikkeling van de planlocatie.

4.4 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt

37

bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. De gemeenteraad van de gemeente Zederik heeft op 13 december 2010 het gemeentelijk archeologiebeleid en de bijbehorende archeologische waardenkaart en archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vastgesteld. Op deze kaarten staat vermeld welke archeologische waarden en verwachte waarden aanwezig zijn en op welke manier hiermee om gegaan dient te worden bij bodemverstorende activiteiten. De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen. Planspecifiek Volgens het geldende bestemmingsplan beschikken de gronden van het plangebied over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 8'. Hierbij geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm een archeologische onderzoek uitgevoerd dient te worden.

Met de beoogde ontwikkeling worden de voorgenoemde oppervlakte en diepte overschreden, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Om die reden is door Transect een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9. Uit dit onderzoek zijn de volgende conclusies naar voren gekomen. Op basis van het bureauonderzoek is in het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen. Echter zijn op basis van het veldonderzoek geen archeologisch relevante en bewoonbare afzettingen aangetroffen. Ook zijn er geen oeverafzettingen of bewoningsresten uit de IJzertijd-Late middeleeuwen gevonden. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw van woningen geen aanvullende maatregelen nodig. Er wordt geadviseerd om het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Vijfheerenlanden). Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Een dubbelbestemming voor archeologie is dan ook niet nodig.

4.5 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.5.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

38

Planspecifiek De 22 nieuwe woningen veroorzaken een verkeersgeneratie. Voor het bepalen van het aantal verkeersbewegingen wordt de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Hierbij is uitgegaan van een 'matig stedelijk' woonmilieu in de 'rest bebouwde kom'. Het woningbouwprogramma is nog onbekend waardoor een aanname gedaan is van gemiddeld 7 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Dat komt indicatief neer op ca. 154 verkeersbewegingen per etmaal, met de kanttekening dat het definitieve aantal verkeersbewegingen afhangt van de uiteindelijke invulling. De gemeente Vijfheerenlanden heeft de verkeersgeneratie van de school berekend. Uitgaande van een normaal rooster is de verkeergeneratie als volgt bepaald: 16 (personeel) + 8 x 16,875 (onderbouw) + 8 * 10,625 (bovenbouw) = 236 verkeersbewegingen per etmaal. Derhalve kan gesteld worden dat de ontwikkeling met 22 woningen, ten opzichte van de voormalige situatie, zal zorgen voor een afname van het aantal verkeersbewegingen. Het verkeer kan met de huidige verkeersstructuur worden opgevangen, waarbij het plangebied wordt ontsloten via de Meidoornlaan en De Tol. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek Een randvoorwaarde voor het mogelijk maken van de beoogde transformatie van het plangebied is dat het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid conform het gemeentelijk beleid. De bestaande parkeerplaatsen aan de Meidoornlaan en De Tol worden gehandhaafd of gecompenseerd. Er kan voor de nieuwbouw geen gebruik gemaakt worden van de bestaande parkeerplaatsen in de directe omgeving. Aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren’, of diens rechtsopvolgers, moet worden bepaald hoeveel parkeerplaatsen er gerealiseerd dienen te worden, uitgaande van 'weinig stedelijk' en de gemiddelde norm. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is afhankelijk van het uiteindelijke programma. Indicatief kan uitgegaan worden van een gemiddelde parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning, wat dan neer zou komen op (22 x 2 =) 44 parkeerplaatsen.

Maar het uiteindelijke benodigde aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het woningtype en van het bebouwingsvoorstel (met of zonder eigen garages e.d.). Het parkeren dien binnen het plangebied gerealiseerd te worden, waarbij grote parkeervelden vermeden moeten worden en waarbij aandacht is voor een zorgvuldige uitvoering met bijvoorbeeld halfverhardingen en een groene inpassing. Middels een in de regels opgenomen voorwaardelijke verplichting is veiliggesteld dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Derhalve vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

39

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

40

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Groen De gronden met de bestemming 'Groen' zijn onder andere bestemd voor beplanting, plantsoenen, bermen, water, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden en (ondergrondse) afvalcontainers. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Woongebied Binnen deze bestemming wordt de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt waarbij is vastgelegd dat het om ten hoogste 22 wooneenheden mag gaan. De uiterste bouwgrenzen zijn op de verbeelding weergegeven. In de regels zijn de maximale goot- en bouwhoogten geregeld, uitgaande van twee bouwlagen met een kap. Plat afgedekte gebouwen in drie lagen zijn eveneens toegestaan, maar dan dient die derde bouwlaag aan de voorzijde terugliggend te worden uitgevoerd. Geregeld is dat van het te realiseren programma ten minste 30% van de woningen sociaal dient te zijn (huur en/of koop). Tevens worden de in de gemeente Vijfheerenlanden gebruikelijke mogelijkheden geboden voor een aan-huis-verbonden beroep en aan-huis-verbonden bedrijf. Verder is een zone aangegeven waarbinnen de ontsluiting van het plangebied mag worden gerealiseerd. Binnen de bestemming is ook parkeren toegelaten en bijvoorbeeld ook groen en water.

Ten aanzien van de inpassing en eventuele compensatie van bomen binnen het plangebied, is in de specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, met een verwijzing naar de bomeninventarisatie in bijlagen bij de regels, bijlage 2. In de Overige regels is een voorwaardelijke verplichting voor parkeren opgenomen. Het gebruik van de gronden is slechts toegestaan als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op basis van CROWpublicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren’, of diens rechtsopvolger. Hierbij wordt uitgegaan van 'weinig stedelijk' en van de gemiddelde norm. Tevens is hier een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor kamergewijze verhuur en/of woon (zorg) initiatieven met meerdere huishoudens. Daaraan worden eisen gesteld, waarbij ondermeer een ruimtelijke motivatie vereist is. Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied In de Algemene aanduidingsregels is een regeling opgenomen voor de op de verbeelding aangeduide 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'. Deze is gericht op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening.

41

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Ten behoeve van deze ontwikkeling zal een overeenkomst met de ontwikkelende partij worden opgesteld. Daarin wordt het kostenverhaal geregeld en ook het aspect planschade. Derhalve kan gesteld worden dat het initiatief economisch uitvoerbaar is.

42

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie Op 19 november 2019 is er een inloopavond georganiseerd ten behoeve van de herontwikkeling van de locatie, waarbij de omwonenden hun wensen en ideeën kenbaar kunnen maken. Op basis van de hierop gehaalde informatie, de stedenbouwkundige analyse en de analyse van het functioneren van de woningmarkt in Ameide is een indicatief programma opgesteld en zijn stedenbouwkundige kaders en uitgangspunten opgesteld, waarna deze zijn voorgelegd aan een klankbordgroep. Deze klankbordgroep is ontstaan op de inloopavond van 19 november. In het stedenbouwkundig kader zijn de wensen van een gedifferentieerd aanbod van woningen, maar ook de wensen voor betaalbare woningen voor senioren en/of ouderen vertaald. Daarnaast zijn in het stedenbouwkundig kader uitgangspunten voor de bebouwing opgenomen.

7.3 Vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan 'De Kandelaar, Ameide' is volgens artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening aan de bestuurlijke partners gemaild en deze zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen voor 6 september 2020 kenbaar te maken. Er zijn vijf vooroverlegreactie ontvangen. In de als bijlagen bij toelichting, bijlage 10 bijgevoegde 'Nota bestuurlijk vooroverleg' worden die verkort weergegeven en voorzien van een reactie van de gemeente.

43

7.4 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 18 december 2020 tot en met 28 januari 2021 ter inzage gelegen, waarbij een ieder de mogelijkheid had een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=33da1196-09d8-40b3-8532-4c12b2908f1f