CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting 20210305 t_NL.IMRO.1961.BPAMdeKandelaar-VA01.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 10 juni 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan De Kandelaar, Ameide16.479 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

De Kandelaar, Ameide Gemeente Vijfheerenlanden

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1961.BPAMdeKandelaar-VA01

Datum:

2021-04-22

Contactpersoon Buro SRO:

S. Koop | H.J.M. van Arendonk

Kenmerk Buro SRO:

SR190364

Opdrachtgever:

Gemeente Vijfheerenlanden

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 18 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18

4 Milieu- & omgevingsaspecten .............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 22 4.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 34 4.4 Archeologie ....................................................................................................................................................... 37 4.5 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 38

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 40 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 40 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 40 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 41

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 42 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 43 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 43 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 43 7.3 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 43 7.4 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 44

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De voormalige locatie van de basisschool 'De Kandelaar' in Ameide is vrijgekomen door het vertrek van de school naar een nieuwe locatie. De locatie is ingeklemd tussen de Tol, Aaksterveld en de Meidoornlaan en ligt sinds de sloop van het schoolgebouw braak. De gemeente Vijfheerenlanden is voornemens om op de voormalige schoollocatie woningbouw te realiseren. Het initiatief bestaat uit maximaal 22 woningen. Op 19 november 2019 is er een inloopavond georganiseerd ten behoeve van de herontwikkeling van de locatie, waarbij de omwonenden hun opmerkingen en gedachtes mee konden geven. Tevens is een notitie Randvoorwaarden opgesteld waar verschillende randvoorwaarden voor de planlocatie gesteld worden: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1. Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kernen Zederik', vastgesteld op 27 mei 2013 en de 'Herziening Kernen Zederik', vastgesteld op 15 september 2017. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' is de ontwikkeling van maximaal 22 woningen niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hier in.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van de voormalige basisschool 'De Kandelaar' is centraal gelegen in de kern Ameide en is onderdeel van de wijk Aaksterveld. De planlocatie ligt ingeklemd tussen de Aaksterveld aan de noordzijde, de Meidoornlaan aan de oostzijde en De Tol aan de zuid en westzijde. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Ameide, sectie A, perceel 568 en heeft een oppervlakte van circa 5.970 m². Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

4

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Kernen Zederik', vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Zederik op 27 mei 2013 en de herziening daarvan, vastgesteld op 15 september 2019. Ter plaatse van de planlocatie beschikken de gronden over de bestemming 'Maatschappelijk'. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, welzijn, openbare dienstverlening, godsdienstuitoefening, begraafplaatsen, onderwijs, jeugdvoorzieningen, speelvoorzieningen, verenigingsleven en horeca-activiteiten. De gronden beschikken over een bouwvlak. Uitsluitend binnen het bouwvlak mogen de hoofgebouwen gebouwd worden. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 4 en 7 m. De volgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldende bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Voor de gronden van het plangebied geldt ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 8'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Tevens is het plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde. Het ontwikkelen van woningen is niet toegestaan binnen de bestemming 'Maatschappelijk' en de gebiedsaanduiding ;milieu - grondwaterbeschermingsgebied;, waardoor de ontwikkeling niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Derhalve dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hier in.

6

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de resultaten uit het vooroverleg en de zienswijzen.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied waar de voormalige basisschool 'De Kandelaar' gesitueerd was, ligt centraal in de kern van Ameide. De locatie maakt onderdeel uit van de wijk Aaksterveld, die stamt uit de periode van de jaren '50 tot begin '80 van de vorige eeuw. Ten noorden van het plangebied is het bedrijventerrein 'De Zodeslagen' gelegen. Aan het plangebied grenzen verschillende wegen. Aan de Aaksterveld ten noorden van het plangebied bevinden zich woningen en kleinschalige bedrijvigheid. Aan de oostzijde van het plangebied staan aan de Meidoornlaan rijwoningen en twee-onder-één-kapwoningen, bestaande uit twee bouwlagen met kap. Ten zuiden van het plangebied is de weg De Tol gelegen. Hier bevinden zich een aantal twee-onder-één-kapwoningen en een kleinschalig appartementencomplex. De westelijke grens van het plangebied wordt eveneens gevormd door De Tol. Aan deze weg is een blok van rijwoningen, bestaande uit twee bouwlagen met kap, gelegen die uitkijken op het plangebied. De omgeving van het plangebied is voorzien van verschillende groenstroken en boombeplanting. Aan de randen van het plangebied zelf staan aan de noord-, zuid- en westzijde bomen, met een relatief groene inrichting. De oostzijde van het plangebied is grotendeels verhard en ingericht als schoolplein. Rondom het gehele schoolterrein staat een hekwerk van ca. 1 m hoog.

Het inmiddels gesloopte schoolgebouw kende een langgerekt volume en ligt evenwijdig aan de Meidoornlaan. Het gebouw bestond uit één of twee lagen, met of zonder kap.

Aanzicht voormalige situatie met de school vanaf de Meidoornlaan (bron: Google Maps)

8

Aanzicht voormalige situatie met de school vanaf De Tol (bron: Google Maps)

9

2.2 Toekomstige situatie De kavel op de hoek van het Aaksterveld en de Meidoornlaan te Ameide heeft een oppervlakte van circa 6.000 m². De kavel wordt getransformeerd naar woningbouw en mag bestaan uit maximaal 22 woningen. Voor de planlocatie is in april 2020 het stedenbouwkundige kader vastgesteld door het college. Dat is nader uitgewerkt in de notitie 'Randvoorwaarden De Kandelaar, Ameide' (d.d. 8 januari 2021), zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. Dit vormt de basis voor het voorliggende bestemmingsplan en vormt tevens het toetsingskader voor welstand. Het plan moet uit verschillende bebouwingstypologieën bestaan, zoals appartementen, tweekappers, patio's en rijwoningen. Tevens dient 30% van de woningen voor de sociale sector (huur en/of koop) te zijn. De navolgende afbeelding tonen de ruimtelijke randvoorwaarden voor de ontwikkellocatie.

Randvoorwaardenkaart (bron: Randvoorwaarden De Kandelaar, Ameide, Buro SRO d.d. 8 januari 2021)

De maat, schaal en het beeld van de nieuwbouw zullen passend zijn binnen de dorpse omgeving, waarbij aan de zijde van de Meidoornlaan geen aaneengesloten gevelbeeld ontstaat. De woningen bestaan uit

10

maximaal twee lagen met een kap of drie lagen met een plat dak en een terugliggende derde laag. De maximale goot- en nokhoogte voor de woningen met kap bedragen 6,5 m en 10 m. Voor woningen met een plat dak geldt een maximale bouwhoogte van 10 m. Met het ontwikkelen van de woningen dient rekening gehouden te worden met duurzaamheidsambities zoals nul op de meter, biodiversiteit, klimaatadaptatie, ondiepe waterberging, hittestress, enz. Bodemenergie en diep infiltratie zijn hier echter niet toegestaan. De ruimtelijke hoofdstructuur zal in richting afwijken van de aangrenzende (woon)omgeving, waarbij voldoende afstand tot de bestaande bebouwing wordt behouden. Voor de oriëntatie van de nieuwe woningen wordt aansluiting gezocht op het openbaar gebied. Voor het groen en de openbare ruimte geldt dat het moet aansluiten bij de directe omgeving. Incidenteel gekapte bomen worden binnen het plangebied gecompenseerd. De groene 'omlijsting' (buitenste rand met bomen) rond het plangebied vormt de basis van de herontwikkeling en dient zoveel mogelijk behouden te blijven. Er is in dat verband een bomeninventarisatie uitgevoerd (‘Vooronderzoek bomen Kandelaar – Ameide' d.d. 22 juli 2020): zie bijlagen bij de regels, bijlage 2. De bomen in en om het plangebied zijn gewaardeerd en er is aangegeven of bomen behouden dienen te blijven danwel vervangen kunnen worden en onder welke condities.

De ontsluiting van het plangebied gaat via de Meidoornlaan en De Tol en sluit aan op de bestaande structuren. Het noodzakelijke parkeren wordt opgelost binnen het plangebied conform de parkeernormen van CROW. Grote parkeervelden dienen vermeden te worden en er kan geen gebruik gemaakt worden van de bestaande parkeerplaatsen in de directe omgeving.

11

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro, zoals aangegeven op de kaarten van het Barro. Gelet op de aard en omvang is het plan niet van nationaal belang. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

12

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van maximaal 22 woningen. Derhalve wordt het plan gezien als stedelijke ontwikkeling en dient het plan getoetst te worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied betreft een voormalige basisschool in een woonwijk. Geconcludeerd kan worden dat de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied ligt.

Behoefte In toelichting paragraaf 3.3.1 wordt ingegaan op de regionale behoefte aan woningen. Hieruit blijkt dat er behoefte is aan woningen voor diverse doelgroepen binnen de regio. Daarnaast kan het plan een bijdrage leveren aan de overloop vanuit de Zuidvleugel van de randstad en de regio Utrecht. Ook op gemeentelijk niveau is er sprake van een behoefte aan nieuwe woningen, zie toelichting paragraaf 3.4.2. Volgens de in 2020 vastgestelde 'Woonvisie Vijfheerenlanden 2020-2025' zal de woonbehoefte in de totale gemeente de komende 10 jaren met ruimt 11% stijgen met zo’n 2500 woningen tot 2030 en met zo’n 3885 woningen tot 2040. Voor de voormalige gemeente Zederik waarvan de kern Ameide deel uitmaakt neemt de woningbehoefte toe met zo’n 6% tot ongeveer 300 woningen. In de Woonvisie wordt een onderscheid gemaakt in dorpskernen, verzorgingskernen en de stedelijke kernen Vianen en Leerdam. Ameide is een zogenaamde verzorgingskern. Voor deze verzorgingskernen geldt dat bouwen naar behoefte is toegestaan voor alle generaties bewoners van binnen en buiten de kern. Daarmee waarborgt de gemeente ook de vitaliteit van deze kernen door het behoud van het draagvlak voor het voorzieningenniveau.

13

In onderstaande tabel staat aangeven hoe de plancapaciteit zich verhoudt tot de vraag naar woningen voor voormalige gemeente Zederik en de gemeente Vijfherenlanden. Voor Ameide zijn er geen afzonderlijke cijfers bekend.

Tabel woningbehoefte (bron: gemeentelijke dashboard wpb en Woonvisie Vijfheerenlanden 2020-2025)

Uit de bovenstaande cijfers blijkt dat de plannen voor De Kandelaar met 22 woningen passen binnen de kwantitatieve woningbehoefte voor de middellange en lange termijn van voormalige gemeente Zederik en van de gemeente Vijfheerenlanden. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat er een behoefte aan nieuwe woningen is binnen de gemeente en regio. Het voorgenomen plan past binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid Per 1 januari 2019 is de gemeente Zederik (provincie Zuid-Holland) gefuseerd met de gemeenten Vianen en Leerdam tot de gemeente Vijfheerenlanden. Deze gemeente maakt deel uit van de provincie Utrecht. Op dit moment is er voor het voorliggende gebied nog geen nieuw provinciaal beleid geformuleerd. In deze overgangsperiode blijven de eerder door de provincie Zuid-Holland vastgestelde beleidskaders en provinciale regels van toepassing. De nieuwe Omgevingsvisie en -verordening van de provincie ZuidHolland zijn niet van toepassing op het onderhavige gebied. 3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) Actualisering 2018 vastgesteld. Op 15 februari 2019 is de geconsolideerde versie, waarin de recente wijzigingen van de VRM zijn opgenomen, in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen.

De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.

14

De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:

• • • •

beter benutten en opwaarderen van wat er is; vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.

Voor de bebouwde ruimte streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Onder 'bebouwde ruimte' wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied en ten tweede op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit in die bebouwde ruimte te verbeteren. Dit beleid voorziet in de maatschappelijke vraag naar betaalbare woningen nabij (stedelijke) voorzieningen, waaronder hoogwaardig openbaar vervoer. In gebieden met een eenzijdige samenstelling van functies en bevolking, vormen herstructurering, stedelijke transformatie en functiemenging een belangrijke opgave. Zo wil de provincie sociaal-ruimtelijke segregatie tegengaan. De provincie wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van de bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de 'ladder voor duurzame verstedelijking' om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden.

De provincie bevordert de consequente toepassing van de ladder door deze op te nemen in de Verordening ruimte en daarbij een aantal begrippen te verhelderen. Een van die begrippen is het 'bestaand stads- en dorpsgebied' (BSD). De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Planspecifiek De provincie stimuleert verdichting, herstructurering en transformatie. Een randvoorwaarde voor het beter benutten van de bebouwde ruimte is dat de leefkwaliteit behouden moet blijven en waar mogelijk versterkt moet worden. Daarnaast beschikt de provincie over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de provincie toont. Voor onderhavig plan is voornamelijk de kaart 'Laag van de stedelijke occupatie' van belang. Relevante richtpunten voor het plangebied die hierbij gelden zijn:

• •

Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern en dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

Met de beoogde ontwikkeling wordt de ruimte die vrij is gekomen door de sloop van de voormalige basisschool benut voor woningbouw. De vrijgekomen locatie bevindt zich in een woonwijk, waardoor woningbouw als passend gezien kan worden. Daarbij sluit de openbare ruimte aan op de directe omgeving en wordt de groenstructuur versterkt. Grondwater De provincie stelt kaders voor grondwater en beheert een deel van het grondwater, waarbij het belangrijkste doel is dat de voorraad zoet grondwater in Zuid-Holland niet afneemt. Andere doelen zijn het voorkomen van verontreiniging door gevaarlijke stoffen en vermindering van de verontreiniging door niet-gevaarlijke stoffen. In het grondwaterbeheer van de provincie wordt ingespeeld op de risico's van verzilting van drinkwater in perioden van langdurige droogte en de risico's van temperatuurverhoging als gevolg van energieopslag en

15

energiewinning. De provincie wil dat kwantiteit en kwaliteit van het grondwater uiterlijk in 2027 voldoen aan de normen die volgen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Drinkwater Er moet altijd voldoende zoetwater aanwezig zijn om tegen maatschappelijke aanvaardbare kosten en met eenvoudige technieken voldoende drinkwater van goede kwaliteit te produceren. Zuid-Holland is sterk afhankelijk van kwalitatief goed oppervlaktewater als bron voor de drinkwatervoorziening. De provincie heeft een aantal gebieden aangewezen als strategische zoetgrondwatervoorraad. Het grondwater wordt gereserveerd voor de toekomstige drinkwatervoorziening. Het plangebied is gelegen binnen één van deze gebieden. De reservering heeft tot gevolg dat in deze gebieden een aantal functies en ontwikkelingen wordt uitgesloten, en dat zorgvuldig met andere functies moet worden omgegaan die een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater en een risico vormen voor de drinkwatervoorziening. Woningbouw wordt hier niet uitgesloten. Wel moet rekening gehouden worden met de invloed op de kwaliteit van het grondwater. 3.2.2 Verordening ruimte 2014 Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening ruimte 2014 vastgesteld.

Op 31 januari 2019 is een geconsolideerde versie van de verordening, waarin de recente wijzigingen van de verordening zijn opgenomen, in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van het provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen bestaand stads- en dorpsgebied wordt voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 2.1.1 van de verordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 2.2.1 van de Verordening Ruimte 2014 is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

16

b.

c.

als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt in een woonwijk binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde ontwikkeling is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. Daarnaast is er met het goed inpassen van het plan sprake van een kwaliteitswinst. Milieubeschermingsgebieden voor grondwater In navolging van de milieuverordening van de provincie Zuid-Holland is de gebiedsaanduiding 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied' in het bestemmingsplan 'Kernen Zederik' overgenomen. In het in voorbereiding zijnde provinciale beleid van de provincie Utrecht (ontwerp interim verordening en ontwerp omgevingsverordening) ligt het onderhavige plangebied niet binnen de (matige kwetsbare dan wel kwetsbare) strategische grondwatervoorraad. Het is dan ook niet langer nodig om de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' in het voorliggende bestemmingsplan op te nemen. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan uit de Verordening ruimte 2014. 3.2.3 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Er is een nieuwe Omgevingsverordening van de provincie Utrecht in voorbereiding: de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (ontwerp. 4 september 2020).

Dit nieuwe provinciale beleid gaat onder andere uit van de volgende basisprincipes voor verstedelijking (woningbouw):

• •

zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; daarnaast in overig stedelijk gebied.

Tevens is aangegeven dat afspraken worden vastgelegd om te borgen dat binnen het woningbouwprogramma tenminste 50 % van de te bouwen woningen in het sociale en middensegment plaatsvindt en er worden afspraken gemaakt over energieneutrale, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw, evenredige groenontwikkeling en efficiënt ruimtegebruik. Planspecifiek Het betreft een binnendorpse ontwikkeling, wat aansluit bij de ambities van e provincie Utrecht. Op basis van eerdere afspraken wordt hier uitgegaan van ten minste 30% van de woningen in het sociale segment. Verder is in de Randvoorwaarden opgenomen dat rekening moet worden gehouden met duurrzaamheidsambities, zoals nul op de meter, biodiversiteit, klimaatadaptatie, hittestress, etc. Gesteld kan worden dat het voorliggende initiatief past binnen het nieuwe provinciale beleid van de provincie Utrecht.

17

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Actualisatie regionale woonvisie 2017-2020 De 'Actualisatie regionale woonvisie 2017-2020' van de Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is een actualisatie van de woonvisie uit 2013. Daarin maakten de regiogemeenten afspraken over hun belangrijkste strategieën en uitdagingen rond het wonen, en hoe zij hun plannen voor woningbouw onderling afstemmen. De trend om in goed bereikbare kernen met voorzieningen en werk te wonen zet door. Hierdoor blijven de kernen en steden groeien. Ook de omliggende dorpen zijn afhankelijk van deze kernen en steden. De ruimtelijke keuzes die gesteld worden in de woonvisie sluiten daar op aan. Projectmatig bouwen voor opvangen van huishoudensgroei in de voorzieningenkernen en steden, maatwerk voor lokale behoefte in kleinere dorpen. Naast keuze op het gebied van wonen, vraagt dit om een samenhangende visie op onder andere wonen, werken, bereikbaarheid, ruimte voor maatschappelijke en commerciële voorzieningen. Planspecifiek De regiogemeenten bouwen vraaggericht en houden rekening met de te bedienen doelgroepen. Er moeten mogelijkheden geboden worden voor starters. Deze groep kiest vaak voor nieuwe woningen in nieuwe wijken. Naast de starters moeten doorgroeiers gebonden worden. Hier is een divers woningaanbod op de woningmarkt voor nodig.

Naast deze doelgroepen moeten ook de senioren bedient worden, waarbij grondgebonden woningen en appartementen populair zijn. Voor de regiogemeenten is het van belang om nieuwkomers aan te trekken. Projecten met een bijzondere kwaliteit kunnen van toegevoegde waarde zijn voor de regio en deze doelgroep. Naast de eigen druk op de woningmarkt is er een overloop vanuit de zuidvleugel van de Randstad en de regio Utrecht. Een deel van de overdruk kan opgevangen worden binnen de regio AlblasserwaardVijfheerenlanden. Het plangebied wordt getransformeerd naar woningbouw met een gedifferentieerd programma aan woningtypen. Er worden met het plan maximaal 22 woningen voor verschillende doelgroepen mogelijk gemaakt. Het toevoegen van de woningen levert dan ook een positieve bijdrage aan de regionale behoefte aan woningen.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030 In september 2015 is de 'Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030; Vitaal, nabij de stad, in het groen' opgesteld. De visie is gebaseerd op de kernkwaliteiten en kernwaarden van de gemeente, onderbouwd door relevante informatie uit bestaande plannen, onderzoeken en beleidsnotities. Hierbij is hoger overheidsbeleid als de provinciale structuurvisie en de visie 2030 van de regio AlblasserwaardVijfheerenlanden geanalyseerd en zijn gemeentelijke nota’s meegenomen. Daarnaast is gekeken naar de ideeën en opvattingen van inwoners, instellingen en bedrijven. Deze opinies zijn naar voren gekomen tijdens de gemeentelijke dorpstochten, de burgerpeiling 2013 en interviews voor onder andere de woonvisie. In het profiel van Zederik staat de vitaliteit van de kernen centraal. De omgeving wordt gekenmerkt door ruimte, groen, rust, bereikbaarheid en veiligheid. De ambitie van de gemeente is dan ook gericht op het toekomstvast maken van de vitaliteit van de kernen. Om de vitaliteit te behouden en te vergroten spelen de volgende acht onderwerpen dan ook een belangrijke rol:

•

Sociale cohesie & identiteit: de sterke sociale cohesie behouden, waardoor er ruimte is voor ontmoetingen en informele hulp, het verenigingsleven, maatschappelijke organisaties, kerkgenootschappen en gemeenschapsinitiatieven;

18

• •

• •

Bereikbaar: aandacht voor korte reisafstanden, mobiliteit van alle inwoners, de digitale bereikbaarheid en bereikbaarheid met het openbaar vervoer; Voorzieningen: het commerciële voorzieningenniveau op peil houden, de welzijn-, zorg-, sport-, en cultuurvoorzieningen versterken en daarbij de nadruk leggen op de kwaliteit van de zorg en zorg op maat; Wonen: wonen in een aantrekkelijke en rustige omgeving, met geschikte en betaalbare woningen voor jong en oud; Zorg: de inwoners van de Zederikse dorpen zowel op lichamelijk als geestelijk vlak ondersteunen en ouderen en zorgbehoevenden zo lang mogelijk laten participeren in de samenleving;

•

Economie: inzetten op werkgelegenheid, voldoende geschikte beroepsbevolking, stimuleren van de lokale diversiteit en ruimte om te ondernemen;

•

Landschap & recreatie: de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied en de kernen benadrukken en beleefbaar maken en houden voor toerisme en recreatie;

•

Duurzaamheid: verantwoord omgaan met onze leefomgeving, aandacht voor veiligheid en een gezond toekomstperspectief voor toekomstige generaties.

Planspecifiek Het plan om maximaal 22 woningen te realiseren op de planlocatie sluit aan op de ambities van de gemeente voor het onderwerp wonen. Er worden verschillende typen woningen gerealiseerd, waarbij 30% voor de sociale sector. De maat, schaal en het beeld van de nieuwbouw is passend binnen de dorpse omgeving. Daarbij blijft de openbare ruimte haar groene uitstraling behouden en wordt deze versterkt. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan de economische groei van de kern en de gemeente. Er worden meer werkende inwoners aangetrokken. Deze nieuwe inwoners zullen gebruik gaan maken van de voorzieningen in de gemeente. In de kern zijn voldoende voorzieningen aanwezig. Door een binnenstedelijke ontwikkeling mogelijk te maken groeit de kern qua inwoners en blijft het landschap rond de kern behouden, waardoor hier de cultuurhistorische waarden en de recreatieve functies behouden kunnen blijven. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de 'Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030'. 3.4.2 Woonvisie Vijfheerenlanden 2020-2025 Op 16 juli 2020 is de Woonvisie Vijfheerenlanden 2020-2025 vastgesteld, met als ondertitel ‘Samen sterk, met eigenheid en diversiteit’. Als gemeente Vijfheerenlanden wordt ingezet op een duurzaam en solidair leefklimaat. Het is belangrijk om woningen te verduurzamen, waar mogelijk levensloopbestendig te maken en doorstroming te bevorderen.

Vijfheerenlanden is een prettige gemeente om in te wonen en dat wil de gemeente graag zo houden en waar mogelijk versterken. De kracht van Vijfheerenlanden komt bij uitstek tot uiting in de diversiteit aan dorpen en wijken die de gemeente rijk is. In de Woonvisie wordt een onderscheid gemaakt in dorpskernen, verzorgingskernen en de stedelijke kernen Vianen en Leerdam. Door de wijken en kernen in de gemeente sterk te houden blijft de gemeente Vijfheerenlanden aantrekkelijk voor inwoners en nieuwkomers. Er is een verschil in kracht en vitaliteit in de kernen, zowel in de benadering voor woningbouw- als het voorzieningenbeleid. Een belangrijk uitgangspunt in de Woonvisie is dat er in principe in elke kern bouwmogelijkheden zijn. Twee andere belangrijke thema's in de woonvisie zijn wonen, zorg en bewustzijn en duurzaamheid. De vraag naar zorg blijft groeien. Hierdoor ontstaat er een behoefte aan woningen voor diverse doelgroepen. Het thema duurzaamheid heeft niet alleen betrekking tot energieverbruik en opwekking. Er dient bij het inrichten van woonwijken ook rekening gehouden te worden met de wateropgave en de gevolgen voor het klimaat. Planspecifiek Het aantal huishoudens blijft de komende jaren toenemen. In de periode 2020 tot 2030 met ruim 2.500 huishoudens. Daarna groeit dit aantal verder door tot circa 27.015 huishoudens in 2040.

In totaal gaat het voor de periode 2020-2040 om een extra behoefte ruim 3.860 woningen. Daarbij zijn gezinnen de grootste doelgroep in de gemeente Vijfheerenlanden. Ook de oudere doelgroep groeit relatief hard, terwijl het aantal jonge huishoudens (tot 35 jaar) krimpt.

19

Ameide is een zogenaamde verzorgingskern en daarvoor geldt dat bouwen naar behoefte is toegestaan voor alle generaties bewoners van binnen en buiten de kern. Daarmee waarborgt de gemeente ook de vitaliteit van deze kernen door het behoud van het draagvlak voor het voorzieningenniveau. Het voorliggende plan maakt de realisatie van 22 woningen mogelijk. Uit de cijfers blijkt dat dit past binnen de kwantitatieve woningbehoefte voor de middellange en lange termijn van voormalige Zederik en de gemeente Vijfheerenlanden. Het plan moet uit verschillende bebouwingstypologieën bestaan. Hierbij zal de aandacht moeten gaan naar de doelgroepen die het meest groeien in de gemeente. Daarnaast dient 30% van de nieuwe woningen in de sociale sector gerealiseerd te worden. Met de ontwikkeling van het plangebied zal het thema duurzaamheid niet uit het oog verloren worden. Gelet op de woningbehoefte binnen de gemeente en het feit dat er aansluiting gezocht dient te worden op de groeiende doelgroepen kan gesteld worden dat het beoogde plan in lijn is met de Woonvisie Vijfheerenlanden 2020-2025.

20

4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat maximaal 22 woningen, waarmee het aantal wooneenheden ten opzichte van de huidige planologische situatie met 22 toeneemt. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

21

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt zijn de relevante criteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn van toepassing. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.

kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.

De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot een voormalige basisschool locatie, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. Daarbij komt dat de effecten van de voormalige basisschool definitief verdwenen zijn. De effecten op de omgeving zullen met name te maken hebben met verkeer en de emissie die daardoor veroorzaakt wordt. Echter is de toename van het verkeer gering en kan gesteld worden dat de effecten minimaal zullen zijn. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het betreft een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r.

Daarnaast is de gemeente opdrachtgever, waardoor een aparte aanmeldnotitie niet noodzakelijk is. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van de ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling zal een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen en wel voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (art. 7.19 lid 1 Wm). Het m.e.r.beoordelingsbesluit wordt genomen ingevolge art. 7.17, derde lid, jo. art. 7.16 Wm.

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek In de huidige situatie beschikken de gronden van het plangebied over een maatschappelijke functie. De gronden werden gebruikt ten behoeve van een basisschool. Met het beoogde initiatief worden woningen ontwikkeld en wordt de bestemming gewijzigd naar een woonbestemming. Hiermee vindt een

22

bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik. Derhalve is door Inventerra een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. De locatie is niet verdacht op basis van voorgaand onderzoek en de bekende gegevens over de historie. Daarom is voor het gehele terrein strategie 'onverdacht' gehanteerd. Er zijn mogelijk drie voormalige sloten op de locatie aanwezig. Deze worden als 'verdachte deellocaties' aangemerkt en zijn separaat onderzocht. Daarbij is visueel geen dempingsmateriaal aangetroffen of een afwijkende bodemopbouw waargenomen die duidt op een slootdemping. Met het onderzoek zijn licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater aangetoond. De licht verhoogde gehalten aan zware metalen in de bovengrond worden toegeschreven aan de bijmengingen van baksteen en koolas. De lichte verontreiniging met nikkel in de ondergrond en de licht verhoogde concentratie barium in het grondwater worden als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd. Voor de lichte verontreiniging met minerale olie in het grondwater is geen oorzaak bekend. In de puinverharding en in de puinhoudende grond is geen asbest aangetoond. De locatie is dan ook onverdacht voor een verontreiniging met asbest. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk zijn.

Eventueel vrijkomende grond is vanwege het licht verhoogde gehalte koper mogelijk indicatief niet geschikt voor de functie 'Wonen'. In het kader van de bestemmingsplanwijziging is de bodemkwaliteit voldoende inzichtelijk gemaakt en kan gesteld worden dat het terrein vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor de beoogde bestemming. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit.

'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat.

Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’

23

bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit maximaal 22 woningen meer dan in het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Nsl-monitoringstool gekeken naar de luchtkwaliteit rondom het plangebied. Het meest nabijgelegen rekenpunt betreft ID 172606 aan de Broekseweg. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk 18,3 μg/m³, 11,0 μg/m³ en 15,8 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. De WHO en GGD hanteren lagere advieswaarden van 20 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 10 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. In de huidige situatie wordt hier niet aan voldaan. Echter zijn ook de achtergrondconcentraties over 2030 bekeken.

In 2030 bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied 15,2 μg/m³, 8,4 μg/m³ en 9,8 µg/m³. Daarmee wordt in de toekomst voldaan aan de advieswaarden van de WHO en GGD. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidsgevoelige objecten. Voor de wegen rond het plangebied geldt een snelheidsregime van 30 km/uur, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai niet noodzakelijk is. Toch is er in het kader van een goed woon- en leefklimaat een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. De geluidbelasting op de woningbouwlocatie door wegverkeer op de 30 km wegen bedraagt meer dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bij een afstand van minder dan 18 meter tot de wegas van het Aaksterveld, aan de noordzijde van de locatie. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt dan overschreden. De 53 dB contour na aftrek wordt op de locatie niet overschreden. De gemeente hanteert vanuit haar geluidbeleid de geluidbelasting door 30 km wegen hetzelfde als gezoneerde wegen. De gemeente stelt dan geen hogere waarde vast voor 30 km wegen, maar bepaalt op basis van de geluidbelasting of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In het geluidbeleid van de

24

gemeente is aangegeven dat in kleinschalige ontwikkelingssituaties, met 25 woningen of minder, het treffen van geluidreducerende maatregelen op ernstige bezwaren stuit. In binnenstedelijke situaties als deze is het plaatsen van een scherm niet mogelijk of stuit dit op stedenbouwkundige bezwaren. De gemeente geeft aan dat bij kleinschalige ontwikkelingen een stil wegdek financieel niet haalbaar is en op kruispunten op civieltechnische bezwaren stuit. Nader onderzoek naar bron- en overdrachtmaatregelen is niet noodzakelijk. De kwaliteit van de woonomgeving acht de gemeente in ieder geval van een acceptabel niveau als de cumulatieve geluidbelasting Lcum* (geluidbelasting van alle wegen samen na aftrek) niet boven de 53 dB komt. Dat is op de locatie niet het geval. Wel dient te worden gestreefd naar een geluidluwe gevel en/of een geluidluwe buitenruimte. Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De geluidbelasting zonder aftrek ligt boven de 53 dB op een afstand tot het Aaksterveld van minder dan 18 meter. De benodigde karakteristieke geluidwering voor de gevels van woningen bedraagt dan GA;k meer dan 20 dB. In dat geval zijn voor de gevels van eventuele woningen aan het Aaksterveld aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=33da1196-09d8-40b3-8532-4c12b2908f1f