CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.1961.BPSWoverboeicop26-VA01.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 september 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Overboeicop 26 Schoonrewoerd13.557 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

•

•

• • •

De geroerde licht puin- en kooldeeltjeshoudende bovengrond rondom de bebouwing is licht verontreinigd met koper, cadmium, lood, zink, kwik, molybdeen en nikkel en het PAK-gehalte ligt net boven de tussenwaarde. Na uitspitsing bleek alleen het PAK-gehalte in boring 1 matig verhoogd te zijn. Uiteindelijk is er dus nergens sprake van een interventiewaardeoverschrijding en boring 1 wordt omringd door boringen, waarin de bodem slechts licht verontreinigd is met PAK. De kwaliteit van de bodem ten aanzien van PAK is voldoende onderzocht. NB: Dit terreindeel is vanwege de licht puinhoudende grond ook onderzocht op asbest door het daarvoor erkende bedrijf Adcim BV. In het verzamelmonster is bij het eerste asbestonderzoek in november 2019 een asbestgehalte bepaald van 64 mg/kgds. Omdat dit meer dan 50 mg is, is er aanvullend onderzoek naar asbest uitgevoerd in maart 2020. Hierbij zijn de inspectiegaten van november 2019 herhaald en zijn 2 analyses in plaats van 1 analyse uitgevoerd. De asbestgehalten bedroegen hierbij 10 en 2 mg/kgds en zijn veroorzaakt door kleine deeltjes chrysotiel (meest gangbare witte asbest). Met het aanvullend asbestonderzoek is voldoende aangetoond dat de bodem niet sterk verontreinigd is met asbest, doch licht verontreinigd.

De overige bovengrond ter plaatse van de kleine boomgaard ten westen en een deel van het grasland ten noorden van de bebouwing is vrij van bijmengingen. Deze grond is ook licht verontreinigd met bijna alle onderzochte metalen en met PAK. Langs de westzijde van de schuur zou vermoedelijk een gedempte sloot liggen. Hiervoor zijn een aantal boringen verricht (10 en 11 en 4 extra proefboringen aan weerszijden van boring 10). Behalve wat gangbare puin- en kooldeeltjes zijn geen duidelijke slootdempingskenmerken waargenomen. Zekerheidshalve is de bovengrond van de boringen 10 en 11 onderzocht en deze grond blijkt eveneens licht verontreinigd met bijna alle metalen uit het NEN-pakket en met PAK en PCB; De ongeroerde sterk humeuze kleiige ondergrond bevat lichte verhogingen aan koper, nikkel, zink en molybdeen. In het grondwater zijn barium, naftaleen, molybdeen en zink in gehaltes boven de streefwaarden aangetroffen. Dit zijn niet relevante overschrijdingen. De sterk puinhoudende laag op de oprit bevat een asbestgehalte van 23 mg/kgds (alleen witte asbest). Dit gehalte ligt onder de grens van 50 mg, waarmee er geen reden is voor nader onderzoek.

28

Aanbevelingen. Op basis van de verkregen resultaten vormt de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmering voor de bestemming wonen. De Omgevingsdienst regio Utrecht heeft op basis van het verkennend onderzoek aangegeven dat een drietal aspecten nader onderzocht dienen te worden, te weten: 1. Nader onderzoek naar PAK volgens NTA 5755 in de bovengrond rondom boring 1 om te bepalen of er al dan niet sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. 2. Opnieuw uitvoeren van boring 11 voor een aparte NEN-5740-analyse en voor asbestonderzoek. 3. Nader asbestonderzoek conform de NEN 5707, paragraaf 7, op het terreindeel waar de bovengrond bijmengingen van puinresten bevat. Naar aanleiding van deze opmerking van de Omgevingsdienst regio Utrecht is een aanvullend/nader onderzoek uitgevoerd. In dit aanvullend/nader onderzoek is ingegaan op de drie bovengenoemde aspecten. Op basis van de resultaten van het aanvullend/nader onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: ‘Op basis van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: 1. Middels nader onderzoek is aangetoond dat er rondom boring 1 geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging met PAK. In de monsters van de 4 extra uitgevoerde boringen zijn maximaal lichte PAKverhogingen aangetroffen. 2.

Boring 11 is herhaald voor een separate NEN-5740-analyse van de bovengrond en voor asbestonderzoek. In dit monster blijkt de bodem licht verontreinigd met diverse metalen en PAK, hetgeen overeenstemt met de overige bodemkwaliteit op het bebouwde terreindeel. Deze lichte verhogingen hebben geen consequenties. De bovengrond bij boring 11 bevat tevens geen asbest. 3. Uit het nader onderzoek naar asbest blijkt dat er in de 2 onderzochte verzamelmonsters (elk bestaande uit grond uit 4 inspectiegaten) geen asbest is aangetroffen boven de detectiegrens. Hiermee is, samen met het eerdere asbestonderzoek, aangetoond dat er op het terrein geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Met de resultaten van het extra uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bouw van een woning.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.

29

5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met • een zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • een middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • een hoge verwachting tussen 1,5 en 5 meter beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

30

Plangebied

Afbeelding 14: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Onderzoek Het onderhavige plan betreft de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van een vrijstaande woning. Per saldo zullen de bodemingrepen groter zijn dan 30 m2, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Door ADC ArcheoProjecten is een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘De onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: • Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied is gelegen in een komgebied. Uit het verkennend/karterend booronderzoek blijkt dat de ondergrond hoofdzakelijk uit pakketten komklei (Formatie van Echteld) en veen (Formatie van Nieuwkoop) bestaat. Onderin de boringen 2 t/m 7 zijn kleiige oeverafzettingen (Formatie van Echteld) aangetroffen, die mogelijk verband houden met de Achtenhovense meandergordel. In de boringen 4 t/m 8 en 10 zijn de komafzettingen afgedekt met een 25 à 45 cm dik pakket puinhoudende klei, dat als een erfophoging wordt geïnterpreteerd. •

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De natuurlijke ondergrond is afgezien van een (oude) bouwvoor van enkele decimetersdikte geheel intact.

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De in de boringen 2 t/m 7 aangetroffen oeverafzettingen worden vanwege het ontbreken van een vegetatiehorizont niet als een archeologisch relevante eenheid beschouwd. Het ter plaatse van het erf aangetroffen puinhoudende kleipakket wordt geïnterpreteerd als een erfophoging. Hoewel een dergelijk pakket, gezien de ligging van het plangebied in een zone waar overblijfselen van historische bebouwing en aanverwante sporen en vondsten zijn te verwachten, in beginsel als archeologisch relevant is te beschouwen, is dit hier niet het geval. Op grond van de 31

geringe dikte van het pakket en de samenstelling en de datering van het erin aangetroffen vondstmateriaal, hoofdzakelijk (sub)recent bouwpuin, is een relatie met een (veronderstelde) laatmiddeleeuwse woonheuvel niet aannemelijk. Vermoedelijk is sprake van een pakket dat in de jaren 50/60 van de vorige eeuw is opgebracht ten behoeve van de oprichting van het huidige woonhuis en de bijgebouwen. Eventuele oudere bewoningsresten zullen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden niet meer intact aanwezig zijn. •

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? n.v.t.

•

Zijn er indicatoren aangetroffen die verband houden met het verwachte type archeologische vindplaatsen? Nee, dergelijke indicatoren zijn niet aangetroffen.

•

Alhoewel niet het doel van dit type kartering, zijn er bij toeval indicatoren aangetroffen die verband houden met andere typen vindplaatsen? Nee, dergelijke indicatoren zijn niet aangetroffen.

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan naar laag worden bijgesteld. De lage verwachting voor de overige perioden dient te worden gehandhaafd.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Er is geen sprake van een bedreiging van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden.

•

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied wordt als voldoende onderzocht beschouwd.

ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt geen belemmeringen wat betreft archeologie. Gezien de conclusie van het archeologisch onderzoek en het advies vanuit de Omgevingsdienst Regio Utrecht zijn de agrarische dubbelbestemming en bijbehorende functieaanduidingen niet meegenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

32

5.6 Watertoets Beleidskader Het Waterschap Rivierenland is beheerder van de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. Het plan voorziet niet in werkzaamheden binnen een beschermingszone van een watergang.

33

C-watergang 058744

C-watergang 055880

C-watergang 056320 A-watergang 000354 Afbeelding 15: Uitsnede legger Wateren Onderzoek Conform het beleid is voor het onderhavige plan de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20191206-9-21996). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied VHL417. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -0,30 m NAP en een winterpeil van -0,35 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.

Plangebied

Afbeelding 16: Uitsnede peilgebiedenkaart

34

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m 3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. De locatie Overboeicop 26 is gelegen in het buitengebied en daarmee in het landelijk gebied. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Enkele schuren en een kas zijn in 2017 gesloopt vanwege veiligheidsredenen.

In de oppervlaktebalansberekening is 2017 als referentiesituatie genomen, gezien op dat moment de bebouwing aanwezig was welke middels het onderhavige plan zou worden gesloopt. Op voorhand is niet te bepalen hoeveel verhard oppervlak in de nieuwe situatie wordt gerealiseerd. Het waterschap hanteert de stelregel dat bij vrijstaande woningen 70% van het woonperceel wordt verhard. Middels het onderhavige plan wordt 535 m² aan woonbestemming opgenomen ten behoeve van het woonperceel. Tabel 3: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Burgerwoning met aanleundeel Schuur 1 Schuur 2 Schuur 3 Schuur 4 Kas Grind (50% van 192 m²) Bestrating (100% verhard)

Oppervlakte 107 m2 53 m2 9 m² 16 m² 54 m² 38 m² 96 m² 30 m²

Totaal bestaande situatie

403 m2

Nieuwe situatie Verharding (70% van 535 m² woonerf)

375 m²

Totaal nieuwe situatie

375 m2 Verschil

28 m2 afname

Het plan voorziet in een afname aan verharding van 28 m². Er zijn geen watercompenserende maatregelen nodig. Hemelwater- en vuilwaterafvoer Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

35

• • • • • •

Het gebruiken van het hemelwater; Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd via de drukriolering, welke valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen nabij een waterkering. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder Overboeicop. Het plangebied wordt thans ontsloten via een brug op Overboeicop.

In de nieuwe situatie wordt de brug vervangen door een bredere brug (ca. 5 m). Hiervoor dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Er dient een watervergunning aangevraagd te worden voor het plan.

36

5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de sanering van alle huidige opstallen en de realisatie van een vrijstaande burgerwoning. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande sloop- en bouwwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Mits de walnootboom op de planlocatie gekapt dient te worden, is aanvullend onderzoek naar boombewonende vleermuizen vereist. Indien de fruitboomgaard verwijderd wordt buiten de overwinteringsperiode van amfibieën, zijn er geen vervolgstappen vereist.

Verder is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of van het Natuurnetwerk Nederland. Ondanks geringe afstand tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Dievendijk-Zuid’ wordt gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling geen verhoging van stikstofdepositie verwacht. Derhalve kan een Aerius-calculatie achterwege blijven. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden van de walnootboom dient aan de hand van een technische inspectie of middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of deze boom een verblijfsfunctie heeft voor boombewonende vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Indien de kapwerkzaamheden van de fruitboomgaard uitgevoerd worden buiten de overwinteringsperiode van amfibieën (november-maart) zijn er geen vervolgstappen vereist ten aanzien van amfibieën.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie Het saneren van de bebouwing ten behoeve van een nieuwe woning met bijgebouw is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). 37

Vervolgstappen • Het kappen en rooien van een deel van de boomgaard, dienen uitgevoerd te worden in de voortplantingsperiode van de heikikker, poelkikker en rugstreeppad. Dit betekent de kapwerkzaamheden uit te voeren buiten de overwinteringsperiode van de amfibieën november – maart. • Er wordt niet verwacht dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een verhoging van stikstofdepositie binnen kwetsbare habitats van Natura 2000gebieden. Derhalve kan een AERIUS-calculatie achterwege blijven. •

•

Bij kap walnootboom: De boomholten in de walnootboom op de planlocatie kunnen middels een technische inspectie bekeken worden met een endoscoop of deze voldoende zijn ingerot. Indien hier sprake van is, dient er met aanvullend onderzoek de aan- dan wel afwezigheid van vaste rust en verblijfplaatsen van boombewonende soorten aangetoond te worden. Voor de beoogde ontwikkeling dient (indien de holtes voldoende zijn ingerot) aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Technische inspectie vleermuis Als gevolg van de conclusie van de ecologische quickscan is Blom Ecologie gevraagd de technische inspectie uit te voeren. Tijdens het veldbezoek is door Blom Ecologie geconstateerd dat de desbetreffende walnootboom achter de woning is omgewaaid (storm Ciara in februari 2020), waardoor Blom Ecologie heeft gesteld dat er geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuis meer aanwezig zijn en een technische inspectie derhalve niet meer uitgevoerd hoeft te worden.

38

Omgewaaide en verwijderde boom

Afbeelding 17: Luchtfoto plangebied voor storm Ciara Stikstofdepositie Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden gesteld dat, gezien de grote afstand tot stikstofgevoelige habitats (circa 1,6 km) en de kleinschaligheid van de ontwikkeling, het plan niet zal voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. De nieuwe woning zal tevens (naar verwachting) aardgasvrij worden gerealiseerd en dus in de gebruiksfase geen depositie veroorzaken. Het plan valt daarmee binnen de voorwaarden van het provinciale beleid. Een AERIUS-berekening is niet nodig en een vergunning vanwege stikstofdepositie hoeft niet te worden aangevraagd. Dit komt overeen met de conclusie van Blom Ecologie dat een AERIUS-calculatie achterwege kan blijven.

39

1,6 km

Afbeelding 18: Afstand plangebied t.o.v. stikstofgevoelige habitats Conclusie Vanwege de omgewaaide walnootboom door storm Ciara zijn er geen geschikte verblijfplaatsen meer voor vleermuis. Een technische inspectie naar vleermuis is derhalve niet nodig. Als de walnotenboom wordt gekapt, dan moet uit onderzoek blijken of er een vleermuisverblijfplaats in de boom aanwezig is. Indien de genoemde maatregelen getroffen worden ondervindt het plan voor wat betreft ecologie geen belemmeringen. Verder kan gesteld worden dat gezien de kleinschaligheid van het plan en de grote afstand tot stikstofgevoelige habitats, het plan niet zal voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden.

40

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 4: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3

Jaargemiddelde concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden

Vanaf 2015

Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie voor het jaar 2030 een advieswaarden fijn stof van 20 µg/m3 PM10 en 10 µg/m3 PM2,5. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 15,2 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 18,0 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 11,0 μg/m3 PM2,5; En voor het jaar 2030 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 8,4 μg/m3 NO2 • Een fijnstofconcentratie van 8,2 µg/m³ PM2,5; • Een fijnstofconcentratie van 14,7 µg/m³ PM10; Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan en de concentraties in het jaar 2030 voldoen aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;

41

•

Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

42

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, vaarwegen, spoorwegen, buisleidingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen.

Plangebied

Afbeelding 19: Uitsnede Risicokaart Kabels en leidingen Binnen het plangebied ligt op particulier terrein de gemeentelijke drukriolering, een pompgemaaltje, bijbehorende centrale voedingskast, electra kabel, vrijvervalriool en inspectieputten die op het pompgemaaltje zijn aangesloten. Op de drukriolering mag uitsluitend huishoudelijk afvalwater worden geloosd. Voorgenoemde kabels en leidingen zijn in beheer en eigendom van de gemeente Vijfheerenlanden, behoudens de huisaansluiting van de woning naar de inspectieput. Deze is in eigendom van de perceeleigenaar. Indien vanwege de nieuwbouw werkzaamheden aan het gemeentelijk drukrioolstelsel moeten plaatsvinden, dan worden deze werkzaamheden door de gemeente uitgevoerd. De bijbehorende kosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. 43

Conclusie Het aspect externe veiligheid en kabels en leidingen staan de ontwikkeling niet in de weg.

44

6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Overboeicop 26, Schoonrewoerd’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Overboeicop 26, Schoonrewoerd’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Overboeicop 26, Schoonrewoerd’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Leerdam’, vastgesteld op 17 augustus 2010. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden De gronden welke niet bestemd worden als woonerf krijgen een agrarische bestemming. Deze bestemming is bedoeld voor o.a. het beschermen en verder ontwikkelen van ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Water De huidige waterbestemming wordt overgenomen, waarbij o.a. bruggen en in- en uitritten zijn toegestaan. Wonen Ten behoeve van het woonerf wordt de woonbestemming opgenomen.

6.4 Aanduidingen • • •

Bouwvlak; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van water – in- en uitrit’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m): 4’

45

7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

8 OVERLEG EN ZIENSWIJZEN 8.1 Vooroverleg/inspraak Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan toegestuurd naar de Provincie Utrecht, het Waterschap Rivierenland, Rijkswaterstaat, de Veiligheidsdienst regio Utrecht en Dunea.

8.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf vrijdag 23 april 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad nr. 126095), waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=458e26bd-8928-4616-b2e1-ae3aaa1c0a51