CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.1961.BPOntwLeerbroek-VS02.pdf

Commissie Ruimte, Wonen en Duurzaamheid 29 november 2022, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan ontwikkeling Leerbroek28.764 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd bedrijventerrein en kunnen buiten beschouwing worden gelaten. Om de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de geplande woningen en de basisschool in kaart te brengen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting op de woningen en school gevolge van het Recht van Ter Leede en de Korte Schenkel niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe ontsluitingsweg op de nieuwe woningen en school niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer. • 30 km/h wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder.

• De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 53 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt, als gevolg van wegverkeerslawaai van het niet-gezoneerde wegvak Recht van Ter Leede (30 km/h weg); • Alle woningen beschikken over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte zodat aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan en er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat; • De toename van de geluidbelasting door wegverkeerslawaai op bestaande woningen ten gevolge van de nieuwe ontwikkeling is zeer beperkt en geeft geen aanleiding tot nadere maatregelen. Voor de woningen en school hoeven geen hogere grenswaarden te worden verleend. Voor woningen met een gecumuleerde geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit.’

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

51

Stemgeluid Het onderhavige plan voorziet in het realiseren van een basisschool, waardoor het stemgeluid van kinderen op het schoolplein als hinder kan worden ervaren. Echter, in het kader van het Activiteitenbesluit wordt menselijk stemgeluid op schoolpleinen bij primair onderwijs vanaf 1 januari 2010 buiten beschouwing gelaten. Hiermee wordt voorkomen dat kinderen niet zouden kunnen buitenspelen, omdat de geluidsnormen overschreden zouden kunnen worden. Voor nieuwe situaties (zoals het realiseren van nieuwe woningen en een nieuwe basisschool) moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel een akoestische afweging gemaakt worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en om vast te kunnen stellen of er sprake is van een acceptabel woonklimaat is door Voortman Ingenieurs een notitie stemgeluid opgesteld. De conclusie van de notitie luidt: ‘Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat: • ter plaatse van de bestaande en nieuwbouwwoningen voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als voor het maximale geluidniveau voldaan wordt aan de grenswaarden (stap 2) uit het toetsingskader; • en vanuit akoestisch oogpunt sprake is van een goede ruimtelijke ordening.’ Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.

Voor woningen met een gecumuleerde geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit.’

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

52

5.3 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (woningen) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving bedrijfsactiviteiten bevinden die relevante milieuhinder kunnen veroorzaken. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van de VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren.

Onderzoek Milieuzonering Het onderhavige plan voorziet in het functioneel wijzigen van de 2 bestaande bedrijfswoningen naar 2 burgerwoningen, het toevoegen van 32 grondgebonden woningen en de realisatie van een nieuwe basisschool. In het kader van de bedrijven- en milieuzonering is hiermee sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten (woningen en basisschool) en een milieubelastende functie (basisschool). Op basis hiervan dient gekeken te worden naar de eventuele gevolgen van het onderhavige plan voor de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven en of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat van de omliggende en nieuwe burgerwoningen. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van de VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien de aanwezigheid van agrarische bedrijven, een bedrijf in de verhuur van bouw- en sloopmachines, een autogarage en enkele maatschappelijke voorzieningen. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied.

Milieugevoelige objecten (burgerwoningen en basisschool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies als gevolg van de realisatie van de burgerwoningen en de basisschool en of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Tabel 1: Bedrijf- en milieuhinder Adres Functie

1 2 3 4 5 6 7

Recht v/t Leede 1 Recht v/t Leede 34 Recht v/t Leede 38a Kerkweg 7 Kerkweg 12 Hof v. Leerbroek 2 Dorpsweg 10

Milieucat.

Maatschappelijk Agrarisch bedrijf Autodealer

1 3.2 2

Richtafstand conform VNG (gemengd gebied) 0 meter 50 meter 10 meter

Max. cat. 2 Max. cat. 2 Thuiszorg Religiegebouw

2 2 1 1

10 meter 10 meter 0 meter 0 meter

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

Afstand tot nieuwe woning in plangebied 96 meter 63 meter 8 meter 20 meter 20 meter 131 meter 94 meter 53

8 9 10

Dorpsweg 18 Raadhuisstraat 2 Recht v/t Leede 40

Agrarisch bedrijf Dorpshuis Basisschool

3.2 1 2

50 meter 0 meter 10 meter

158 meter 136 meter Minimaal 10 meter

5 4

9 8

7

10 2 1

3

Afbeelding 32: Afstanden plangebied t.o.v. omliggende bedrijven

De nieuwe woningen en de basisschool (als milieugevoelig object) worden op voldoende afstand gerealiseerd ten opzichte van overige bedrijven in de omgeving, behoudens tot het bedrijf aan het Recht van ter Leede 38a. Ten aanzien van de nieuwe woningen in relatie tot dit bedrijf is in het onderhavige bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarmee de minimale afstand van 10 meter van milieugevoelige objecten tot de bedrijven juridisch-planologisch wordt gewaarborgd. Om te waarborgen dat woningen niet te dicht bij de milieubelastende functies worden gerealiseerd, is een bouwvlak opgenomen op 10 meter afstand van de naastgelegen bedrijfsbestemming waar bedrijven tot en met categorie 2 (voor dergelijke bedrijven geldt een maximale richtafstand van 10 meter binnen gemengd gebied) zijn toegestaan. In de regels is opgenomen dat woningen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd. Om te waarborgen dat ook milieugevoelige bijbehorende bouwwerken niet te dicht bij de milieubelastende functies worden gerealiseerd, is in het bestemmingsplan de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten – milieugevoelige functie' opgenomen. Deze 10 meter brede aanduiding is vanaf de bedrijfsbestemming waar categorie 2 bedrijven zijn toegestaan opgenomen.

Binnen deze aanduiding is in de regels opgenomen dat zowel vergunningsvrije als vergunningsplichtige voor milieugevoelige functie bedoelde bijbehorende bouwwerken zijn uitgesloten (voor verdere uitleg zie §3.1). Hiermee wordt juridisch-planologisch verzekerd dat er geen woningen en milieugevoelige objecten in de vorm van vergunningsplichtige en vergunningsvrije bouwwerken op een kleinere afstand dan 10 meter tot gronden waar bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan worden gerealiseerd. Met deze regeling wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd en ontstaat er geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het bestaande bedrijf. Op basis van vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de milieugevoelige objecten op voldoende afstand worden gerealiseerd ten opzichte van omliggende bedrijven en instanties.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

54

Milieubelastende functie Het onderhavige plan voorziet daarnaast in het realiseren van een milieubelastende functie (basisschool). Hiermee is sprake van een toevoeging van een milieubelastende functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele hinder van de nieuwe milieubelastende functie ten opzichte van de omliggende milieugevoelige functies. In de VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering valt de basisschool onder de categorie ‘scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs’. Conform de handreiking geldt voor deze categorie een grootste richtafstand van 10 meter in gemengd gebied (cat. 2). Binnen een afstand van 10 meter vanaf de bestemming ‘Maatschappelijk’ kunnen, vanwege de enkelbestemmingen ‘Groen’ en ‘Verkeer’ geen milieugevoelige objecten worden gerealiseerd. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gecorrigeerde richtafstand. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

10 meter

10 meter

10 meter

Zone milieugevoelige functies uitgesloten Bedrijven t/m categorie 2 toegestaan

10 meter Bedrijven t/m categorie 1 toegestaan Afbeelding 33: Opgenomen milieuzones in de verbeelding

Conclusie milieuzonering Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect milieuzonering geen belemmeringen. Geurhinder en veehouderij Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In bestemmingsplannen wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. In de directe omgeving van het plangebied is een melkveehouderij gevestigd (Recht van ter Leede 34). Voor melkkoeien zijn in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geen geuremissiefactoren vastgesteld. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) stelt eisen aan de afstanden van veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactoren tot geurgevoelige objecten. ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

55

De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De gemeente heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft de ‘Geurverordening gemeente Vijfheerenlanden’ vastgesteld. De gemeente Vijfheerenlanden heeft in deze geurverordening een aangepaste afstandseis van 50 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 25 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom vastgesteld. De invulling van het begrip ‘bebouwde kom’ als bedoeld in de Wgv wordt bepaald door de aard van de omgeving. Uit een uitspraak van de Raad van State van 25 maart 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH7695) blijkt dat in de Memorie van Toelichting bij de Wgv wordt vermeld dat de grens van de bebouwde kom, evenals in de ruimtelijke ordening, wordt bepaald door de aard van de omgeving en binnen een bebouwde kom de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd is tot een samenhangende structuur.

Gezien de aard van de omgeving en de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing welke zich concentreert tot een samenhangende structuur, wordt gesteld dat de bebouwde kom van Leerbroek begint ter hoogte van de percelen Hof van Leerbroek 2 t/m 36 (even-nummers), Leerbroekseweg 31 – Leerbroekseweg 34A en Korte Schenkel 2 – Recht van ter Leede 38. Daarmee wordt tevens aangesloten bij de plaatsbepaling van de bebouwde kom van Leerbroek uit de ‘Bouwverordening Vijfheerenlanden’.

t.h.v. Leerbroekseweg 31 – Leerbroekseweg 34A

t.h.v. Hof van Leerbroek 2 t/m 36 (even-nummers)

Plangebied Bebouwde kom

t.h.v. Korte Schenkel 2 – Recht van ter Leede 38

Afbeelding 34: Bebouwde kom Leerbroek

Het plangebied is deels gelegen op gronden welke thans niet zijn aangemerkt als bebouwde kom. Echter sluit het stedenbouwkundig ontwerp van het plan aan bij bebouwde kom van Leerbroek, waardoor wordt geconcludeerd dat het gehele plangebied binnen de bebouwde kom komt te vallen.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

56

Resumerend dient de afstand van de geurgevoelige objecten die het plan mogelijk maakt tot de melkveehouderij minimaal 50 meter te bedragen. De dierenverblijven mogen conform de regels uit het vigerend bestemmingsplan uitsluitend binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Derhalve wordt gemeten vanaf het bouwvlak van de melkveehouderij.

Aanduiding ‘kantoor’

Afbeelding 35: 50 meter-contour vanaf het agrarisch bouwvlak Recht van ter Leede 34

Een deel van het plangebied valt binnen de 50 meter-contour vanaf het bouwvlak van de melkveehouderij. Het betreft een deel van de bedrijfsbestemming op het perceel Recht van ter Leede 38a. Binnen deze bedrijfsbestemming is een kantoor (geurgevoelig objecten) uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor’. Deze aanduiding is gelegen buiten de 50 meter-contour vanaf het bouwvlak van de melkveehouderij. Het plan voorziet derhalve niet in de mogelijkheid tot het realiseren van geurgevoelige objecten binnen 50 meter van de melkveehouderij. Er wordt voldaan aan de wettelijke afstandsnormen voor geur. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen en bijbehorende tuinen vanwege de aanwezigheid van de veehouderij is gewaarborgd. Conclusie geurhinder en veehouderij Gesteld wordt dat de melkveehouderij niet verder in de bedrijfsvoering wordt belemmerd en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen en bijbehorende tuinen. Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen Voor de opslag van kuilvoer geldt een vaste afstand van 25 meter (Activiteitenbesluit, artikel 3.46, lid 5). Binnen 25 meter vanaf het bouwvlak van de melkveehouderij bevinden zich in de huidige als toekomstige situatie geen geurgevoelige objecten. Hierin wordt de melkveehouderij niet belemmerd.

Daarnaast slaat de melkveehouderij op twee plaatsen mest (agrarische bedrijfsstoffen) op. Het gaat om een vaste mestopslag en een opslag voor dikke fractie in de zomerperiode (hierna: zomeropslag). Uit luchtfoto’s blijkt dat de opslag van mest op het bedrijfsperceel van de melkveehouderij al vóór 1 januari 2013 plaatsvind. ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

57

Vaste mestopslag 2

Vaste mestopslag 1

Afbeelding 36: Luchtfoto van 2009 (topotijdreis.nl)

Uit een uitspraak van de Raad van State van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS: 2018:3491) volgt dat op grond van artikel 3.46, eerste lid, van het Activiteitenbesluit in beginsel een afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom moet worden aangehouden. De opslag van de vaste mest (agrarische bedrijfsstoffen) op het perceel van de melkveehouder vond echter plaats vóór 1 januari 2013. Gelet op het bepaalde in artikel 3.46, tweede lid, van het Activiteitenbesluit is de afstandsnorm van 100 meter in dergelijke gevallen niet van toepassing. Bovendien wordt aan die afstandsnorm in de bestaande situatie reeds niet voldaan ten aanzien van de woning Recht van ter Leede 38 welke onderdeel uitmaakt van de bebouwde kom. De woning Recht van ter Leede 38 is daardoor bepalend voor de bedrijfsvoering van de melkveehouderij. De afstand van de vaste mestopslag 1 tot deze woning bedraagt 58,31 meter en de afstand van de vaste mestopslag 2 tot deze woning bedraagt 53,46 meter. Het realiseren van nieuwe geurgevoelige objecten buiten deze afstanden zal derhalve de melkveehouderij niet in zijn bedrijfsvoering beperken. Het plan voorziet in het realiseren van geurgevoelige objecten buiten de genoemde afstanden, waardoor wordt geconcludeerd dat het plan de bedrijfsvoering van de melkveehouderij niet verder belemmerd.

Hoewel vanwege de aanwezigheid van een bestaand geurgevoelig object op circa 53 meter van de vaste mestopslag en op circa 58 meter tot de zomeropslag andere nieuwe woningen ook op die afstand gerealiseerd zouden kunnen worden, is voor de zomeropslag toch een grotere afstand van circa 70 meter opgenomen tot de achtertuinen van de woningen en voor het bedrijfskantoor een afstand van circa 92 meter tot de vaste mestopslag. Hiermee is sprake aanvaardbaar woon- en leefklimaat waarbij zowel rekening gehouden wordt met de belangen van de veehouder om niet verder beperkt te worden in zijn bedrijfsvoering en de belangen van de toekomstige bewoners en de werknemers in het kantoor om zo min mogelijk geconfronteerd te worden met geurhinder. Deze afstand van 70 meter vanaf de zomeropslag tot de achtertuinen van de nieuwe woningen vindt de gemeente aanvaardbaar omdat de opslag voor de dikke fractie is afgedekt en niet langdurig aanwezig is. De afstand van 92 meter vanaf de vaste mestopslag tot het kantoor vindt de gemeente tevens aanvaardbaar omdat het kantoor thans al aanwezig is. Daardoor wordt er geen geurhinder verwacht. Tenslotte heeft de gemeente een afweging gemaakt over het acceptabel woon- en leefklimaat en stelt dat de behoefte aan nieuwe woningen/volkshuisvestingsbelang een belangrijk thema is en dat landelijke geuren in een dorp als Leerbroek, met

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

58

een al lang bestaande agrarische achtergrond, nu eenmaal nooit uitgesloten kunnen worden.

Afbeelding 37: Contouren vanaf de opslag van vaste mest op het perceel Recht van ter Leede 34

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt extra ruimte tussen de melkveehouderij en de gronden waar geurgevoelige objecten worden toegestaan door de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – milieugevoelige functie’ door te trekken richting het noordoosten. Binnen deze aanduiding zijn geen vergunningsplichtige en vergunningsvrije milieugevoelige (en dus ook geurgevoelige) gebouwen toegestaan.

Verlenging zone milieugevoelige functies uitgesloten

Afbeelding 38: Verlenging zone milieugevoelige functies uitgesloten ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

59

Conclusie opslaan agrarische bedrijfsstoffen Gesteld wordt dat de melkveehouderij niet verder in de bedrijfsvoering wordt belemmerd door het plan en wordt verwacht dat er geen geurhinder optreed. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

60

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem op het plangebied voor het toekomstig gebruik in kaart te brengen is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodem- en asbestbodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit de onderzoeken luiden: Recht van ter Leede 40-40a ‘Op basis van het bodemonderzoek kan voor alleen het onderzochte terreindeel het volgende worden geconcludeerd: • De tamelijk ongeroerde bovengrond op het westelijke voorterrein (voortuin en grasveld) is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket; • De bovengrond op het noordelijke onverharde terreindeel is licht verontreinigd met lood, zink en PCB.

Dit heeft geen consequenties; • De bovengrond ter plaatse van het onbebouwde weiland/grasland is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket en voor de extra onderzochte parameters OCB; • De geroerde dempingsgrond van 50-100 cm-mv ter plaatse van de westelijke slootdemping (boringen 9, 10 en 11) is licht verontreinigd met diverse metalen en PAK. Bij de noordelijke slootdemping is alleen het PAK-gehalte licht verhoogd aangetroffen; • De dempingsgrond ter plaatse van de zuidoostelijke slootdemping (langs oprit) is sterk verontreinigd met zink en lood bij de boringen 4, 101, 102 en 103. Bij de boringen 4, 101 en 102 gaat dit om de laag van 50-100 cm en bij boring 103 van 100 tot 150 cm-mv. Bij de boringen 100, 12 en 13 is geen sterk verhoogd gehalte aangetroffen. Opgeteld zal hier sprake zijn van een ernstig geval van bodemverontreiniging; • Op basis van uitgevoerde uitsplitsingen bleek de bovengrond bij boring 19 sterk verontreinigd met zink. Boring 19 is gelegen ter plaatse van een klein stuk onverharde grond (enkele m2) dat voor het overige wordt omringd door een betonvloer en door de stal. Zeer waarschijnlijk is dit verhoogde zinkgehalte toe te schrijven aan de verzinkte beplating, waaruit zowel het dak als de buitenwand van de stal is opgebouwd. Het sterk verontreinigde volume kan niet meer zijn dan een of enkele m3.

Aanvullend onderzoek ter plaatse is niet zinvol, mede omdat dit kleine stukje grond wordt omringd door beton of bebouwing; • Bij het eerste onderzoek in december 2018 bleek de bovengrond bij boring 20 in de werktuigenloods sterk verontreinigd met olie. Om deze reden is hier aanvullend onderzoek verricht, waaruit geconcludeerd kan worden dat hier qua volume geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Uit de analyses blijkt dat het bij de meeste boringen gaat om een zware oliesoort (motorolie). Bij boring 107 echter is in de ondergrond sprake van een lichte dieselverontreiniging. In het grondwater uit de 2 peilbuizen 109 en 110 zijn geen verhogingen aan olie en aromaten aangetroffen; • Uit een separaat door Adcim uitgevoerd asbestonderzoek op 5 terreindelen met duidelijke puinbijmengingen blijkt dat de puinhoudende bovengrond op 3 van de 5 locaties niet verontreinigd is met asbest (< 1 ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

61

•

•

mg/kgds). De geroerde puinhoudende toplaag van de werktuigenberging bevat een minimaal verhoogd asbestgehalte van 4 mg/kgds. De toplaag van de in oppervlakte beperkte verrommelde strook tussen de stal en een schuur bevat een asbestgehalte van 24 mg/kgds. Dit behoeft geen aanvullend onderzoek; Halverwege het agrarische bouwvlak staat tegen de noordgevel van de loods met hooiopslag een bovengrondse brandstoftank. Bij deze tank zijn 4 boringen uitgevoerd en is peilbuis 17 geplaatst. Boring 14 bleek tussen 0.8 en 1.8 m-mv zintuiglijk verontreinigd met olie. In de 3 boringen rondom boring 14 is dit niet het geval en met deze 3 boringen (15, 16, en 17) is de oliespot reeds afgeperkt. In november 2019 is boringen 14 nogmaals verricht en zijn nog 2 analyses uitgevoerd. De bodem van 80-120 cm is licht verontreinigd met olie (280 mg) en de ondergrond van 180-210 cm is schoon voor olie. De verwachting is dat hier enkele m3 grond gemiddeld licht verontreinigd zijn met olie. Het grondwater in peilbuis 17 is licht verontreinigd met olie (en met barium). Deze spot is meer dan voldoende onderzocht; In het grondwater uit de peilbuizen 5 en 29 is barium in een gehalte boven de streefwaarde aangetroffen. In peilbuis 5 geldt dit ook voor molybdeen.

Aanbevelingen Op grond van het uitgevoerde onderzoek dient bij de aankoop van het onroerend goed ten aanzien van het aspect bodem rekening gehouden te worden met de volgende zaken: • sanering van beperkte (niet ernstige) oliespot bij de bovengrondse olietank; • sanering van de sterk verontreinigde slootdempingsgrond langs de oprit; • sanering van de niet ernstige olieverontreiniging in de werktuigenloods; • juiste verwijdering van vertikale asbestplaten bij de schuur achter de woning; • het algemene feit dat de meeste licht verontreinigde grond op het agrarisch bouwvlak bij afvoer naar elders beschouwd dient te worden als klasse industriegrond; • noodzaak tot aanvullend onderzoek (zowel NEN 5740 als 5707) na de sloop op het oppervlak van met name de boerderij met stallen en de grote oppervlakte achter de stallen waar nu grotendeels beton ligt. Nu is binnen deze oppervlaktes niet of nauwelijks onderzoek verricht.

Recht van ter Leede 38a ‘Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De tamelijk ongeroerde bovengrond onder de betonvloer bevat gangbare licht verhoogde gehalten aan koper, kwik en lood; • De ongeroerde ondergrond bevat lichte verhogingen aan kobalt en nikkel; • De zintuiglijk tamelijk onverdachte dempingsgrond ter plaatse van de slootdemping op de westelijke perceelsgrens bevat licht verhoogde gehalten aan lood, PAK en minerale olie. De olieverhoging is verwaarloosbaar te noemen; • In het grondwater zijn de gehalten aan barium en zink boven de streefwaarden aangetroffen. Dit zijn gangbare, niet relevante overschrijdingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning op het onderzochte terreindeel.’ Conclusie Voor het onderhavige plan dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden na de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen op het perceel Recht van ter Leede 40-40a. De verontreinigingen worden gesaneerd, waardoor na sanering ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

62

geen belemmeringen meer te verwachten zijn. Het perceel Recht van ter Leede 38a vormt verder geen belemmering.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

63

5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar aanwezige archeologische waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied: • een hoge verwachting (voor prehistorie tot middeleeuwen) aan of nabij het oppervlak heeft (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • een middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd heeft (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • een zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd heeft (paars).

Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

64

Plangebied

Afbeelding 39: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Onderzoek Het onderhavige plan betreft enerzijds de sloop van alle bebouwing op het perceel, behoudens de bestaande karakteristieke woning, en de nieuwbouw van 32 grondgebonden woningen en een basisschool. Hiermee worden de vrijstellingsgrenzen van de gemeentelijke beleidskaart overschreden, waardoor een archeologisch onderzoek vereist is. Om aan deze onderzoeksplicht te voldoen is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert om in de gebieden met een hoge en zeer hoge archeologische verwachtingswaarde een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Het betreft hier het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) waar een terpophoging is aangetroffen, en het centrale en noordelijke deel van het plangebied, waar crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel zijn vastgesteld. In het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) kan pas gestart worden met het proefsleuvenonderzoek na de bovengrondse sloop van de huidige bebouwing. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. De exacte

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

65

invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).’ Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Het pand met de twee huidige bedrijfswoningen aan het Recht van ter Leede 40-40a betreft een karakteristiek gebouw. Middels het onderhavige plan blijft dit gebouw en de twee woningen behouden. Conclusie Er dient een proefsleuvenonderzoek plaats te vinden op het oostelijke deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40-40a) waar een terpophoging is aangetroffen, en het centrale en noordelijke deel van het plangebied, waar crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel zijn vastgesteld. Het aanvullend archeologisch onderzoek zal als voorwaarde worden opgenomen bij de omgevingsvergunningaanvraag. Ter bescherming van de archeologische waarden worden de dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ overgenomen.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

66

5.6 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de waterloop. Voor een A-watergang geldt in de AlblasserwaardVijfheerenlanden een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de aan- en afvoer van water, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Binnen het plangebied en in de directe omgeving van deze locatie zijn enkele watergangen gelegen. Middels het onderhavige plan zullen enkele watergangen gedempt worden. De dempingen worden volledig gecompenseerd. Voor wat betreft de overige watergangen zullen in de beschermingszone van de watergangen geen werkzaamheden plaatsvinden. Voor het dempen en graven van watergangen, het plaatsen en verwijderen van kunstwerken, nieuwe lozingen van verhard oppervlak en het wijzigen van de peilvakgrens dient een watervergunning aangevraagd te worden.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

67

C-watergang 140992

C-watergang 056972 B-watergang 057459

C-watergang 140992

B-watergang 147369 C-watergang 056973

Afbeelding 40: Uitsnede legger Wateren

Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen twee peilgebieden: VHL703 en VHL 708. Het peilgebied VHL703 heeft een zomerpeil van -0,55 m NAP en een winterpeil van -0,60 m NAP. Het peilgebied VHL708 heeft een zomerpeil van -0,7 m NAP en een winterpeil van -0,8 m NAP. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 41: Uitsnede peilgebiedenkaart Alblasserwaard-Vijfheerenlanden

Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen nabij een waterkering. ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

68

Wegbeheer Binnen de bebouwde kom van de is de gemeente Vijfheerenlanden verantwoordelijk voor het beheer van de wegen, waaronder het Recht van ter Leede en de Kerkweg. Omdat het plangebied deel gaat uitmaken van de bebouwde kom van Leerbroek, zal het wegbeheer van de wegen binnen het plangebied onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden komen. Verder is door Adcim een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor het onderhavige plan. In het rapport is het volgende opgenomen: ‘Algemeen De realisatie van de nieuwe woonwijk vraagt om inpassing binnen het oppervlaktewater. Daarnaast dient het plan minimaal hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden, wat betekent dat er compenserend oppervlaktewater gegraven moet worden, of dat er op andere manieren waterberging gerealiseerd dient te worden. Hier ligt een extra opgave omdat het plangebied zich in twee peilgebieden bevindt. Om deze reden wordt de grens van de peilgebieden omgelegd. Bij de exacte invulling van bovengenoemde zaken zijn zowel de gemeente Vijfheerenlanden, als Waterschap Rivierenland betrokken.

Afbeelding 42: Nieuwe grens peilgebieden

Watercompensatie De benodigde compensatie vanuit de toename van verhard oppervlak wordt voorgeschreven in de algemene regels van Waterschap Rivierenland. Deze ontwikkeling bedraagt een toename van 6.745 m² verhard oppervlak, wat inhoudt dat er gecompenseerd moet worden. Momenteel ligt het plangebied in twee verschillende peilvakken, maar dit wordt voor de ontwikkeling aangepast, waardoor de compensatie zal worden verricht in 1 peilvak. Rekening houdend met de toegestane peilstijging van 0,20 m, bedraagt de te compenseren hoeveelheid 0,6745 ha x 436 m³/ha = 294 m³. Dit is gelijk aan 1.470 m². Echter, is er in het nieuwe ontwerp al 1.470 m² water toegevoegd, waardoor de benodigde watercompensatie al ingevuld is in het ontwerp. Naar aanleiding van de berekende watercompensatie hoeft geen extra water gecompenseerd te worden.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

69

Watergangen en kunstwerken In de toekomstige situatie zal de peilgebiedsgrens worden omgelegd, zodat het plangebied zich in één peilvak bevindt. Om dit te realiseren wordt één watergang deels gedempt en wordt een nieuw stuk watergang gegraven. Verder moet er een nieuwe dam worden aangelegd (aan de noordoostkant), om de werking van het watersysteem zoveel mogelijk intact te houden. Het water kan het plangebied (en daarmee het peilvak) via de bestaande stuw aan de zuidoostkant van het plangebied verlaten. ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

70

Afbeelding 43: Toekomstige situatie

Afbeelding 44: Toekomstige status watergangen

Hemelwaterafvoer De gemeente ziet graag een oppervlakkige afstroming van hemelwater naar oppervlaktewater. In het ontwerp zijn daarom alle wegen grenzend aan een watergang, op één oor gelegd en op bepaalde punten lage banden aangelegd om oppervlakkige afstroming te kunnen realiseren. Verder ziet de gemeente graag dat regenpijpen bovengronds afwateren om zo de oppervlakkige afstroming ook vanaf de dakoppervlakken te kunnen realiseren. Daarom wordt voorgesteld oppervlakkig

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

71

af te voeren waar dat mogelijk is. Op locaties waar dit niet mogelijk is ziet de gemeente graag afwatering via een wadi of een riool naar het oppervlaktewater. Riolering Vanuit de zorgplicht van de gemeente dient er een voorziening gerealiseerd te worden om afval- en regenwater in te zamelen. De aanleg van een rioolstelsel is hiertoe een doeltreffende voorziening. In het coalitieakkoord heeft de gemeente aangegeven klimaatadaptatie onderdeel te willen maken van het beleid. Dit houdt onder andere in dat de ambitie er is om regenwater af te koppelen van het VWA, voor nieuwbouw is dit verplicht. Dit wordt het liefst oppervlakkig, maar anders via een HWA stelsel afgevoerd. Voor de droogweerafvoer dient wel een DWA-stelsel aangelegd te worden, middels welke het water vervolgens onder vrij verval, of d.m.v. een pomp naar de AWZI pompt. Grondwater In het ontwerp is de maatgevende as-hoogte 0,47 m + NAP. T.o.v. het vigerend zomerpeil (0,55 m –NAP) geeft dit een drooglegging van 1,02 m. Omdat er veel oppervlaktewater in het (toekomstige) plangebied is, is het oppervlaktewaterpeil maatgevend voor de grondwaterstand. De volgende minimale peilen dienen binnen het plangebied gehanteerd te worden: • As weg 0,45 m + NAP > drooglegging 1,00 m • Bouwpeil 0,65 m + NAP > drooglegging 1,20 m Op basis van deze waarden kan worden geconcludeerd dat de drooglegging t.o.v.

de as van de weg voldoende groot is. De minimale drooglegging t.o.v. de as van de weg bedraagt 1,02 m. Ook de drooglegging t.o.v. het laagste bouwpeil is voldoende groot gebleken. Het maatgevende bouwpeil is 0,70 m + NAP, waardoor de drooglegging 1,25 m is. Gezien de omvang van het ontwikkelingsplan kan gesteld worden dat de invloed op de grondwaterstroming en grondwaterstand minimaal zijn. Schade aan derden, zowel in de bouwfase als in de uiteindelijke vorm, zijn niet te verwachten. Waterkwaliteit Aangezien het plangebied volledig geïntegreerd wordt met het oppervlaktewatersysteem is de kwaliteit van het oppervlaktewater van belang. Door geen uitloogbare materialen toe te passen bij de bouw wordt de vervuiling binnen de perken gehouden. Daarnaast is het van belang dat er geen ‘dood’ water kan ontstaan. Doordat er geen doodlopende stukken in het oppervlaktewatersysteem aanwezig zijn en er oppervlakkig wordt afgewaterd, spoelt het systeem goed door. Daarnaast zijn de uitstroomvoorzieningen van het HWA systeem goed verdeeld over het oppervlaktewater systeem en stroomt water van de straat gelijkmatig over het hele plangebied het oppervlaktewater in, wat de kwaliteit ten goede komt. Een risico waar wel rekening mee gehouden dient te worden is dat er geen vervuilende stoffen vanaf de straat het oppervlaktewater instromen.

Hierbij kan gedacht worden aan bewoners die hun auto op straat wassen, waarvan het zeepwater afstroomt richting de watergangen. Er bevinden zich geen overstorten van DWA in het plangebied, dus dit is geen belemmerende factor voor de waterkwaliteit.’ Conclusie Het plan vindt voor wat betreft het aspect waterhuishouding geen belemmeringen. Er wordt voldoende water gecompenseerd. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd en de begrenzing van peilvakken moet worden gewijzigd.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

72

5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan gaat uit van de sanering van alle gebouwen en de nieuwbouw van 32 woningen en een basisschool aan het Recht van ter Leede. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd op het perceel Recht van ter Leede 40-40a (voor de woningen en de school). Voor de locatie Recht van ter Leede 38a is geen ecologisch onderzoek noodzakelijk, gezien het terrein hier volledig verhard is en op voorhand de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten uitgesloten kan worden.

De conclusies uit het onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwing heeft, behoudens mogelijk vleermuis en huismus, geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Tevens dient er tijdens de uitvoering rekening gehouden te worden met het ontstaan van potentieel leefgebied, en daarmee de kans op vestiging, van de rugstreeppad op de planlocatie. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

• Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • Voor het vaststellen van aan- of afwezigheid van nestlocaties van huismus in de te slopen bebouwing dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Dit kan door middel van twee gerichte veldbezoeken in het broedseizoen, in de periode 1 april – 15 mei met minstens 10 dagen tussen ieder veldbezoek of door middel van een eenmalige inspectie van de desbetreffende daken buiten het broedseizoen. • Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen ‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

73

•

•

binnen het plangebied. Het aanvullende onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de richtlijnen uit het vleermuisprotocol, met vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 1 oktober. Na uitvoering van eventuele maatregelen dienen de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht te worden en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).

Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 3,2 km ligt het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Overige Natura 2000gebieden in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen. De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km ten westen van het Natuurnetwerk Nederland. Wél maakt de planlocatie deel uit van een Belangrijk weidevogelgebied. Ten aanzien van het weidevogelgebied dient er volgens provinciaal beleid een ‘nee, tenzij’-toets uitgevoerd te worden. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de huidige bebouwing (bedrijfswoning, stallen en schuren) en de realisatie van een basisschool en 32 burgerwoningen, wat leidt tot een verkeerstoename. De nieuwbouw zal met hoge isolatiewaarden relatief lage tot geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’). Gezien de planlocatie gelegen is aan de rand van een (landelijk/agrarisch) dorp en het een kleinschalig project betreft, worden er geen enkele negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied verwacht. Blom Ecologie B.V.

adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

74

Afbeelding 45: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden

Afbeelding 46: Plangebied in relatie tot Natuurnetwerk Nederland

Afbeelding 47: Plangebied t.o.v. belangrijk weidevogelgebied

‘Nee, tenzij’-toets Een deel van de ontwikkeling vindt plaats in beschermd weidevogelgebied. Het gebied behoorde tot 1 januari 2019 tot de provincie Zuid-Holland. Daarna als

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

75

gevolg van gemeentelijke fusie tot de provincie Utrecht. In de praktijk wordt door de provincie Utrecht in beperkte mate getoetst aan het weidevogelbeleid. Onderstaand wordt beschouwd welke potentie de planlocatie heeft voor weidevogels en wat de mogelijk effecten zijn op het gebruik van (dit deel van) het weidevogelgebied. Ten aanzien van bebouwing, bomenrijen en menselijke activiteiten wordt een verstoringsafstand van tenminste 200m in acht genomen (Oosterveld et al, 2014). In onderstaande afbeelding wordt afgebeeld wat de huidige en nieuwe verstoringafstand is (op basis van 200m), hieruit blijkt dat er geen toename is van verstoring als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

Afbeelding 48: De huidige (boven) en toekomstige verstoring (onder) van de aanwezige bebouwing op de aanwezigheid van weidevogels

Volledigheidshalve is de NDFF geraadpleegd of er in het recente verleden waarnemingen zijn gedaan van weidevogels. Uit deze database bleek dat in de afgelopen 10 jaar meerdere waarnemingen bekend zijn van een breed scala aan soorten die slechts kort aanwezig waren (overvliegend/even rustend). In deze periode is één baltsende grutto waargenomen. De beoogde ontwikkellocatie maakt aannemelijk geen deel uit van voor weidevogels relevant gebied. Het gebied wordt, voor zover bekend gebruikt als algemeen leefgebied en heeft geen bijzondere waarde voor weidevogels’.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

76

In de tussenuitspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022 heeft de Afdeling aangegeven dat de ontwikkeling leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied aangezien het gebied door de ontwikkeling in de toekomst (permanent) ongeschikt raakt voor weidevogels. In het vigerend provinciaal beleid (van Utrecht) is het plangebied echter niet meer aangewezen als weidevogelkerngebied. Hoe hiermee is omgegaan is behandeld in §4.2.2 van deze toelichting (provinciaal beleid). Aanvullend onderzoek Op basis van de conclusie van de ecologische quickscan is door Blom Ecologie een aanvullend onderzoek naar huismus en vleermuis uitgevoerd. De conclusie uit het aanvullend onderzoek luidt: ‘Huismus Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bedrijfswoning op de planlocatie nesten bieden voor de huismus. In totaal zijn in de woning op de planlocatie 4 nesten van huismussen waargenomen. De overige nesten bevinden zich in woningen buiten het plangebied. Tevens maakt de planlocatie (in beperkte mate) onderdeel uit van het functioneel habitat. Gezien de bedrijfswoning behouden blijft, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling. Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn 3 verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld.

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bedrijfswoning op de planlocatie een functie heeft voor de laatvlieger als vaste rust- en verblijfplaats (zomerverblijfplaats). Gezien de bedrijfswoning waar deze verblijfplaats is vastgesteld behouden zal blijven, zal deze verblijfplaats niet verloren gaan. Gezien het vorengenoemde, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling. Vervolgstappen Voor de beoogde ontwikkeling is het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.’ Notitie huismus en vleermuis Om te kunnen concluderen dat het functioneel leefgebied van zowel de huismus en de laatvlieger gewaarborgd blijft in de toekomstige situatie, is door Blom Ecologie een notitie opgesteld om deze waarborging te onderbouwen. Huismus Om de nesten van de huismus voort laten te bestaan, dient tevens functioneel leefgebied (c.q. groenblijvende hagen, grind, etc.) aanwezig te zijn. In het onderzoek van 2019 is dergelijk leefgebied vastgesteld in de (voor)tuin van de woning aan de Recht van ter Leede 40a (afbeelding 43). Deze tuininrichting zal tevens behouden blijven.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

77

Afbeelding 49: Het vastgestelde functioneel leefgebied van de huismus.

Laatvlieger Voor een verblijfplaats van vleermuizen geldt dat er een vrije aanvliegroute gewaarborgd dient te worden. Daarbij dient voorkomen te worden dat er in de toekomst (meer) lichtuitstraling plaatsvindt op de opening van de verblijfplaats. In de toekomstige situatie zullen er op enige gepaste afstand nieuwe woningen gerealiseerd worden. Daarbij zal gewaarborgd worden dat er in de omgeving van de verblijfplaats geen extra verlichting zal worden gerealiseerd [zie afbeelding 44, donkertegebied]. Indien verlichting toch een vereiste is in het plan, zal ervoor gezorgd worden dat de geplaatste armatuur vleermuisvriendelijke verlichting betreft. Dat wil zeggen geconvergeerde, naar beneden gerichte verlichting, zodat de opening van de verblijfplaats niet zal worden verlicht.

Afbeelding 50: Situatieschets met daarin aangegeven het functioneel leefgebied van huismus en de straal waarin de donkerte van het gebied gewaarborgd dient te worden

De groenstrook met bomen tussen de basisschool en de rijwoningen zal fungeren als toekomstige aanvliegroute voor vleermuizen. Voor verblijfplaatsen van de wat algemenere soorten zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger geldt dat ‘rust’ geen vereiste is. Vorengenoemde verblijfplaatsen worden

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

78

ook met name in rijtjeswoningen in stedelijk gebied aangetroffen. Blom Ecologie B.V. is van mening dat de realisatie van de basisschool en 31 woningen, mits de vrije aanvliegroute en donkerte gewaarborgd zal blijven, de functionaliteit van de verblijfplaats van laatvlieger niet aan zal tasten.’ Het tuinontwerp van de bestaande bedrijfswoningen blijft behouden, waardoor het functioneel leefgebied van de huismus niet wordt aangetast. Daarnaast zijn de voorgestelde maatregelen ten aanzien van laatvlieger (donkertegebied) goed uitvoerbaar en zullen bij verdere planvorming als voorwaarde opgenomen. Conclusie De bedrijfswoningen blijven behouden, waardoor een ontheffing niet nodig is. Het tuinontwerp van de bestaande bedrijfswoningen blijft behouden en de voorgestelde maatregelen ten aanzien van laatvlieger (donkertegebied) worden bij verdere planvorming als voorwaarde opgenomen. Voor wat betreft het aspect ecologie ondervindt het plan geen belemmeringen.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

79

5.8 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.

Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Onderzoek Om de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden vanwege het onderhavige plan te bepalen is een stikstofdepositieonderzoek opgesteld. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie’.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura2000-gebieden.

‘’Ontwikkeling Leerbroek’’

80

5.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf jan. 2015

Fijnstof (PM10)

40 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Jaargemiddelde concentratie

24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 μg/m3 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde 25 μg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf jan. 2015

Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie een advieswaarden voor fijn stof van 20 µg/m3 PM10 en 10 µg/m3 PM2,5 voor het jaar 2030. Onderzoek Voor het plangebied geeft de NSL-monitoring 2018 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 15,3 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 18,2 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 11,1 μg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Voor het jaar 2030 geeft dezelfde NSL-monitoring het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof: • Een fijnstofconcentratie van 14,9 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 8,3 μg/m3 PM2,5. Geconcludeerd kan worden dat tevens wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van acceptabele concentraties. Besluit Niet in Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=118d9844-a5a2-4494-a6f9-fcde35b56868