RVE 309718 Landschapsvisie Vijfheerenlanden_Ontwerp_hires.pdf
Tekst van het document
Zo ontstaan bloemendijken die ook visueel aantrekkelijk zijn. 4.2.2 Verbinden en versterken van binnendijkse natuur Ook de binnendijkse landschappen van Vijfheerenlanden bieden een grote verscheidenheid aan flora en fauna. Kenmerkende soorten zijn bijvoorbeeld ree, grutto, blauwborst, kleine modderkruiper, ringslang, heikikker en rugstreeppad. Ook hier willen we de natuurwaarden behouden en waar mogelijk versterken. Uitgangspunt is het ontwikkelen van gebiedseigen of kenmerkende natuurtypen. Op de stroomruggen zijn dit onder andere bloemrijke graslanden, kruiden- en faunarijke akkertjes, hoogstamboomgaarden, bomenlanen en hagen. Hier en op de veenstroomruggen is ruimte voor agroforestry en voedselbossen. Daar liggen kansen op samenwerking tussen boeren en natuurbeschermers. Dit kan samengaan met een transitie naar landschaps- en natuurinclusieve (kringloop)landbouw. In het halfopen veenweidegebied zijn de grienden, natte bosjes en open graslanden karakteristiek, met daartussen de vele sloten. Dit landschap kan worden versterkt door het ontwikkelen van natte broekbosstroken van hakhout-, broek- of geriefhoutbosjes met een rijke variantie aan gebiedseigen bomen en struiken.
De open veenweidegebieden zijn een belangrijk leefgebied voor onder meer weidevogels als de grutto, een soort waarvan een groot deel van de wereldpopulatie in Nederland broedt maar waarvan de aantallen hard achteruit gaan in ons land. Het is daarom van belang deze gebieden in samenwerking met agrariërs en andere partijen geschikt te houden voor grutto’s en andere dieren en planten. We zien daarom vooral in de weidevogelkerngebieden (zie het kader hieronder) een transitie naar duurzame natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer (zie ook
53
54
paragraaf 4.1.1). Belangrijk daarbij is het open houden en vernatten van de weides, het creëren van een gevarieerd grasland, een aangepast maaibeheer en het terugdringen van vermesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Weidevogelkerngebieden en weidevogelrandzones De provincie Utrecht maakt onderscheid in weidevogelkerngebieden en weidevogelrandgebieden. In weidevogelkerngebieden komen minimaal 10 broedparen van de grutto per 100 ha voor of een gezamenlijke dichtheid van 20 territoria per 100 ha voor de kritische weidevogelsoorten wintertaling, zomertaling, slobeend, kuifeend, scholekster, watersnip, grutto, wulp, tureluur en gele kwikstaart. In de meeste gevallen is de dichtheid hoger en het streven is gemiddeld ten minste 15 broedparen van de grutto per 100 ha agrarisch beheergebied. De weidevogelkerngebieden zijn ten minste 100 ha groot en zijn qua samenhang, ligging en openheid geschikt voor weidevogelbeheer. Om de weidevogelkerngebieden heen liggen weidevogelrandzones, waar de dichtheden aan broedparen van de meeste weidevogelsoorten over het algemeen lager zijn. Omdat er in de weidevogelrandzone procentueel wel meer kieviten aanwezig zijn - die vaak afhankelijk zijn van wat drogere omstandigheden - zijn hier soms ook beheermaatregelen op akkers wenselijk.
Daarom zijn de eisen voor zwaar beheer en plas-dras in de weidevogelrandzones wat lager dan in de weidevogelkerngebieden. Agrarische natuurcollectieven zorgen binnen de gebieden voor een kwalitatief goed mozaïek op de plaatsen waar draagvlak is voor weidevogelbeheer. In deze gebieden is het streven behoud en bij voorkeur verhoging van het aantal weidevogels, met prioriteit bij de grutto. Daar waar weidevogelreservaten aanwezig zijn is samenwerking met de betreffende natuurorganisatie essentieel. Beheer en inrichting van agrarische gronden en natuurgronden zijn zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Ook wanneer natuurgebied geheel afwezig is, wordt voldoende kuikenland ingezet. Subsidies zijn mogelijk voor diensten die de kans op het opgroeien en overleven van kuikens vergroten. Het weidevogelbeheer is gericht op een aantrekkelijke inrichting voor weidevogels, met een maximale overleving van nesten en kuikens via beheermaatregelen voor nestbescherming in combinatie met maatregelen voor kuikenoverleving zoals kruidenrijk grasland, plas-draspercelen, greppelbeheer, rustperioden via uitgesteld maaien en verbindingen met kruidenrijk grasland. Daarnaast zijn inrichtingsmaatregelen noodzakelijk, vooral om plas-drassituaties te creëren.
De afspoeling van fosfaatrijk water van het perceel wil de provincie zoveel mogelijk beperken door aan het einde van de plas-drasperiode het water te laten uitzakken binnen het betreffende perceel. Daarnaast dienen de collectieven bij de keuze van de plas-draspercelen rekening te houden met perceeleigenschappen en de fosfaatgevoeligheid van het gebied. In de gemeente Vijfheerenlanden (tot 2019 gedeeltelijk onderdeel van de provincie Zuid-Holland) wordt de precieze begrenzing van weidevogelkerngebieden en weidevogelrandzones herzien. Dat gebeurt met behulp van de gegevens van een weidevogeltelling in 2021 en op basis van de mogelijkheden, in overleg met het agrarisch collectief Vijfheerenlanden. De nieuwe begrenzing zal in het Natuurbeheerplan van 2023 (dat in maart 2022 in ontwerp wordt vastgesteld) worden opgenomen.
55
Voor de Natura 2000-gebieden zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten en habitats waarvoor die gebieden zijn aangewezen leidend. Dat betekent dat vooral in de zones nabij Natura 2000-gebieden extra aandacht zal moeten zijn voor het terugdringen van de stikstofemissies. Overigens is dit een opgave voor het hele buitengebied. Particulieren kunnen bijdragen aan het behoud van de bestaande natuurwaarden, bijvoorbeeld door het toepassen van agrarisch natuurbeheer in de open weidegebieden of door het natuurinclusief maken van hun erf (zowel de tuin als de bebouwing). Denk aan het plaatsen van nestkasten voor uilen of vleermuizen en het toepassen van gebiedseigen beplanting en bloemrijke kruidenmengsels voor bijen en andere insecten. Ook nieuwe ontwikkelingen zoals de vestiging van nieuwe landgoederen kunnen bijdragen aan het beheer en daarmee het behoud van voor de natuur waardevolle gebieden. Op deze wijze kunnen bijvoorbeeld de grienden in stand worden gehouden of kunnen watergangen ‘prachtsloten’ worden (gericht op meer biodiversiteit en een betere waterkwaliteit in het agrarisch landschap). Natuurontwikkeling is het meest zinvol op plekken die geschikt zijn om te worden ontwikkeld als leefgebied voor bepaalde (doel)soorten (bijvoorbeeld weidevogels), maar ook op plekken waar deze bijdraagt aan het verbinden van gebieden waar reeds veel natuurwaarden aanwezig zijn.
We hebben de ambitie (lokale) ecologische verbindingen te doen ontstaan: • • •
tussen de Zouweboezem en de Viaanse grienden; en aansluitend daarop zuidelijk langs Vianen (‘van Lek tot Lek’); langs de Diefdijk (tussen de Lek en de Linge).
Idealiter zijn deze verbindingen zowel geschikt voor grotere zoogdieren als voor kleinere zoogdieren en amfibieën en ringslang. In de laatste twee te ontwikkelen ecologische verbindingszones liggen enkele barrières die door sommige diersoorten niet of nauwelijks gepasseerd kunnen worden. De grootste zijn de A27, A2 en het Merwedekanaal. Ten zuiden van knooppunt Everdingen is ecoduct Autena gerealiseerd. Voor de verbinding zuidelijk langs Vianen vormen de A27 en het Merwedekanaal daarom momenteel grotere barrières. We streven er op termijn naar ook een verbinding te realiseren over of onder de A27 (bijvoorbeeld bij de verbreding van deze rijksweg). Dit is bij voorkeur een ecoduct dat ook geschikt is voor grotere zoogdieren. Een (goedkoper) alternatief zijn ecoduikers met looprichels onder de A27. Momenteel liggen er alleen aan weerszijden van het kanaal houtstobben onder het viaduct van de A27. Bij het Merwedekanaal zetten we in op de toepassing van uittreedplaatsen voor reeën zodat ze niet verdrinken en aan de overkant het water uit kunnen komen. Ten slotte is tussen Zijderveld en de Diefdijk ook een faunavoorziening gewenst over/onder de A2, in de vorm van een ecoduct of anders van een ecoduiker of faunatunnel/-buis.
56
De linten zijn identiteitsdragers van het landschap. We willen de linten verder ontwikkelen tot ‘prachtlinten’ door dijken en wegbermen natuurvriendelijk in te richten en te beheren als verbindingen tussen stukjes natuur. De linten kennen onderling een grote diversiteit, van open tot besloten, eenzijdig of tweezijdig bebouwd, van slingerend langs de rivier tot rechte lijnen in het veenweidegebied. We willen de woonomgeving en het buitengebied meer met elkaar verknopen. Door middel van samenhangende water- en groenstructuren kan deze verbinding tot stand komen. Dat is ook belangrijk voor de ecologische relaties tussen bebouwd gebied en het buitengebied, bijvoorbeeld voor vleermuizen en vogels die in de kernen hun verblijfplaatsen hebben maar voedsel zoeken in het buitengebied. Zowel opgaande groenstructuren (bomenrijen/-lanen, hagen, struwelen, bosschages) als bermen en sloten met oevers worden zoveel mogelijk ecologisch beheerd: extensief maaien/ snoeien en niet alles in één keer maar gefaseerd.
57
Klimaatbestendig en waterrobuust Ruimte voor de Rivier 2.0: Ruimte voor waterberging, natuurontwikkeling en recreatie Ruimte voor gebiedseigen water vasthouden, geleidelijk vernatten en vergroenen met broekbossen en grienden
Bodemsdalinggevoelige gebieden: tegengaan bodemdaling door geleidelijke vernatting Inschatting bodemdalingsgevoeligheid: Klein (2-7mm per jaar) Matig (3-9mm per jaar) Groot (5-15mm per jaar)
Prachtsloten: versterken biodiversiteit en waterkwaliteit
58
Aantrekkelijke en toekomstbestendige dijk Waterinclusieve kernrandzones
4.3 Klimaatbestendig en waterrobuust 4.3.1 Klimaatadaptatie en tegengaan van klimaatverandering In 2050 willen wij als gemeente een klimaatbestendig, adaptief en robuust bodem- en watersysteem hebben in ons buitengebied. Wij willen dan klaar zijn om de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen op te vangen. Het beschikbaar hebben van zoet water en een gezonde bodem is van levensbelang. Samen met provincie, waterschap, agrariërs en andere partijen in het buitengebied zoeken we naar oplossingen vanuit het natuurlijk systeem met optimale combinaties van bodemtype, waterpeil en landgebruik. Het vasthouden, bergen en afvoeren van water moet op orde zijn. Het klimaatbestendig worden en het zoveel mogelijk tegengaan van klimaatverandering pakken we waar mogelijk in regionaal verband op vanuit de regionale klimaatadaptatiestrategie (RAS). Daarbij gaan we uit van een integrale benadering, waarbij we de verbinding zoeken met thema’s zoals landschappelijke kwaliteit, biodiversiteit, CO2-reductie, bodemdaling, stikstofreductie en recreatie. In het landschap bieden we ruimte aan innovatieve maatregelen en experimenten die hier aan bij kunnen dragen.
Voorbeelden zijn het verhogen van de waterpeilen, het toevoegen van klei aan veengronden (een methode om op veengrond - in combinatie met waterpeilverhoging - bodemdaling en uitstoot van CO2 te beperken), het vastleggen van CO2 in bossen/grienden/natuur, extensief grondgebruik en drukdrainage (regelbare drainage met sub-irrigatie met als doel de permanente vernatting tot 20 cm onder het maaiveld). Om hittestress te voorkomen is het belangrijk dat er langs (recreatieve) routes en - zeker op plekken waar uitgerust kan worden - voldoende schaduw is van bomen en dat er drinkwatertappunten in de openbare ruimte aanwezig zijn. Ook is het belangrijk dat er meer openbare plekken komen waar gezwommen kan worden. Belangrijk daarbij is een goede (zwem) waterkwaliteit. Ook voor vee is het belangrijk dat er voldoende verkoeling is op warme dagen. 4.3.2 Bodem Bodemdaling zorgt in Vijfheerenlanden voor grote uitdagingen. De mate waarin de bodem daalt varieert per gebied. Het is daarom belangrijk maatwerk te leveren per bodemtype. We bieden ruimte voor vernatting van het landschap, vooral in de gebieden die gevoelig zijn voor bodemdaling. We staan daarbij open voor onderzoeken en innovaties, zoals onderwaterdrainage en drukdrainage (peilgestuurde drainage). Hiermee kan de CO2-emissie uit het veen beperkt worden.
Het is van belang dat het landgebruik en de maatregelen die daarvoor nodig zijn goed worden afgestemd op het bodemprofiel: het waterpeil volgt de bodemopbouw en de functie volgt het waterpeil. Per bodemtype zal daarom onderzocht moeten worden wat het beste peilbeheer en de beste grondbewerking is om bodemdaling en uitstoot van CO2 en nutriëntenuitstoot tegen te gaan. Een ecologisch gezonde en schone bodem (een gezond ecosysteem) kan meer regenwater bergen (‘sponswerking’): hoe levendiger de bodem, hoe meer regenwater blijft hangen in de poriën en tussen de bodemdeeltjes. 4.3.3 Waterveiligheid Door de ligging tussen de grote rivieren is waterveiligheid een belangrijk 59
60
aandachtspunt voor Vijfheerenlanden. In de winter zullen hogere afvoeren vanuit het buitenland de waterstand in de rivieren doen stijgen en de druk op de dijken verhogen. Met het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ is de afvoercapaciteit vergroot waardoor de overstromingskans kleiner is geworden. Ook wordt gewerkt aan dijkversterkingen. In overleg met Rijkswaterstaat en het waterschap zoeken we bij dijkverbeteringen ook in de toekomst naar mogelijkheden om deze te combineren met dynamische (rivier)systeemmaatregelen (zoals de aanleg van nevengeulen), versterking van ruimtelijke kwaliteiten en andere opgaven, zoals op het gebied van natuur/biodiversiteit, (water)recreatie of scheepvaart. We zien graag dat de uiterwaarden verder worden ontwikkeld tot een gevarieerd natuurgebied met geulen, moerassen en stroomdalgraslanden, met ruimte voor waterberging en recreatie. De dijken beschermen ons tegen overstromingen en zijn ook belangrijke landschappelijke elementen met verschillende functies en waarden. Hetzelfde geldt voor het aanliggende gebied binnendijks en buitendijks. Het landschap wordt beleefd door de routes op en langs de dijken. In het beheer en bij noodzakelijke dijkverbeteringen is het belangrijk dat daar rekening mee wordt gehouden.
We willen dat civiele kunstwerken (zoals stuwen en sluizen) die de verbinding vormen tussen de binnendijkse gebieden en de (uiterwaarden van de) Lek en Linge visvriendelijk en energieneutraal zijn en waar mogelijk te passeren zijn voor waterrecreanten (bijvoorbeeld met kano’s). 4.3.4 Watersysteem We zetten in op een duurzame en robuuste waterhuishouding en een zoveel mogelijk aaneengesloten watersysteem in Vijfheerenlanden, met een goede waterkwaliteit en minimale peilschommelingen. We willen wateroverlast op een natuurlijke manier bestrijden, door gebruik van de sponswerking van een gezonde organische en schone bodem (zie paragraaf 4.3.2). Regen- en oppervlaktewater krijgen dan de tijd om het grondwaterniveau geleidelijk aan te vullen. Belangrijk is dat we gebiedseigen water vasthouden en infiltreren. Op deze manier kunnen we watertekorten en verdroging in de toekomst voorkomen. Op verschillende plekken in het buitengebied willen we ruimte bieden voor vernatting van het landschap, afhankelijk van de bodem en functies en met behoud van de identiteit. Dat geldt in het bijzonder voor de overgang van de hogere stroomruggen naar de lager gelegen veengebieden, in bodemdalingsgevoelige gebieden, in weidevogelgebieden en in aansluiting op bestaande broekbossen en boezemgebieden.
Bij het bepalen van ruimtelijke functies en het instellen van peilbeheer zullen we klimaatscenario’s en bijbehorende effecten betrekken. Bovendien willen we het netwerk van ‘prachtsloten’ (gericht op meer biodiversiteit en een betere waterkwaliteit in het agrarisch landschap) uitbreiden en ruimte bieden voor waterrijke landgoederen en broekboslandgoederen. We zullen zuiniger en efficiënter met het beschikbare water moeten omgegaan. De nieuwe omgang met water kan de rol van agrariërs verbreden, met nieuwe, meer gedifferentieerde bedrijfsmodellen (zie paragraaf 4.1.2).
61
Energie uit het gebied Bestaande windturbines Bestaande middenspanningstations Zoeklocaties wind Ruimte voor kleinschalige zonneakkers ingepast in de kernrandzones Weidevogelkerngebied: zonneakkers en windturbines alleen onder voorwaarden toegestaan
62
4.4 Energie uit het gebied We willen dat Vijfheerenlanden in 2050 energieneutraal is. De strategie hiervoor is om ten eerste flink energie te besparen. Daarnaast is het van belang dat de resterende energievraag wordt opgewekt met duurzame technieken. Interessant is dat het opwekken van duurzame elektriciteit in het gebied een financiële drager kan zijn voor bijvoorbeeld de beoogde transities in de landbouw, natuurontwikkeling en landschapsversterking. We zien de mogelijkheden voor energieopwekking als volgt. In het kader van de RES zetten we voor de periode tot 2030 maximaal in op zonnepanelen op daken, waarmee we de opgave gedeeltelijk kunnen realiseren. [PM Daarnaast zijn er tot 2030 naar verwachting drie extra (grote) windturbines nodig (naast de drie bestaande windturbines nabij Autena) om de tussentijdse doelstelling voor 2030 te halen. Hiervoor loopt een separaat proces.] Voor de langere termijn (2030 - 2050) gaan we op zoek naar aanvullende maatregelen. We staan daarbij open voor innovaties op het gebied van energiewinning. Ten aanzien van energieopwekking met windturbines is er mogelijk ook ruimte op onze bedrijventerreinen, naast het bovengenoemde potentieel voor (grote) windturbines in de drie zoekgebieden. Kleinschalige windturbines (met een maximale ashoogte van 20 meter) kunnen op meerdere plekken in het buitengebied een plaats krijgen, op agrarische erven.
Met het toepassen van zonneakkers zijn we terughoudend. Voorwaarden zijn in alle gevallen een goede landschappelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik: combinaties met waterberging, recreatie, natuurontwikkeling en/of natuurinclusieve landbouw. We bieden ruimte om kleinschalige zonneakkers onder deze voorwaarden in te passen in de kernrandzones. Daarbij gaan we uit van een grootte van maximaal twee hectare, met een maximale bedekking van 60%, zodat er voldoende ruimte is voor meervoudig ruimtegebruik. Ook het combineren van (grootschalige) zonneakkers op locaties met windturbines kan interessant zijn omdat daar toch al een aansluiting op het net moet zijn/komen. Vanuit net-efficiëntie en maatschappelijke kosten is clustering van elektriciteitsopwekking wenselijk evenals efficiënt gebruik van het energienetwerk door de juiste mix van zonneakkers en windturbines. Zonneakkers sluiten wij uit in weidevogelkerngebieden.
63
64
We streven naar minimaal 50% lokaal eigenaarschap bij energieprojecten. Bovendien moeten deze bijdragen aan de landschapskwaliteit. In het geval van zonneakkers moet deze kwaliteitsverbetering op de plek zelf plaatsvinden en kan alleen in uitzonderlijke gevallen een bijdrage aan een ruimtelijk kwaliteitsfonds een alternatief zijn. Bij windturbines ligt dat anders omdat deze niet goed landschappelijk zijn in te passen. Een deel van de opbrengst uit de verkoop van de stroom van windturbines dient daarom bij te dragen aan een ruimtelijk kwaliteitsfonds. Met dit fonds bekostigen we investeringen in de ruimtelijke kwaliteit van ons buitengebied. Uit onderzoek van de provincie Utrecht blijkt dat in Vijfheerenlanden een grote stroom (biologische) reststoffen beschikbaar is die gebruikt kan worden voor de productie van biogas. We gaan onderzoeken of het buitengebied van Vijfheerenlanden ook op deze wijze een rol kan spelen bij de energietransitie / warmtetransitie.
65
Ruimte voor recreatie Versterken waterfronten Ontwikkelen oeverrecreatie Ontwikkelen van groene parels (natuurbeleving)
Behouden en versterken militair landschap TOP Investeren in de kernrandzones
Ontwikkelen van pleisterplaatsen (intensieve recreatie)
66
4.5 Ruimte voor recreatie 4.5.1 Een gevarieerd recreatieaanbod Een mooi landschap is in de eerste plaats waardevol voor bewoners van Vijfheerenlanden maar ook recreanten en toeristen van buiten de gemeente kunnen ervan genieten. Een uitgebreid jaarrond aanbod aan dagrecreatieve activiteiten en verblijfsrecreatieve voorzieningen kan de aantrekkingskracht vergroten. We willen particulieren de ruimte geven om het aanbod van dagrecreatieve activiteiten en verblijfsrecreatieve voorzieningen - mits deze passen in het landschap - te vergroten (zie paragraaf 4.1.7 ‘Op naar plattelandsbedrijvigheid’). Zo kan het buitengebied aantrekkelijker worden gemaakt voor recreanten. 4.5.2 Gebiedspromotie Met gebiedspromotie willen we ervoor zorgen dat de recreatieve trekkers goed bekend zijn in de regio en daarbuiten. Het gaat hier om de juiste branding van Vijfheerenlanden. De in hoofdstuk 2 beschreven kwaliteiten zijn daarin belangrijk. Met inhoudelijke themaroutes kunnen bijzondere verhalen uit het gebied verteld worden. De rol van water in het gebied kan bijvoorbeeld op deze wijze uitgelicht worden, met bijzondere manieren om het water te beleven zoals met een trekpondje, een uitkijktoren of een kanoroute. Ook de historie van Vijfheerenlanden en de bijzondere herkenbare cultuurhistorische elementen kunnen zo extra aandacht krijgen.
Speciale routes met mooie bewegwijzering en informatievoorzieningen dragen bij aan een meer gelaagde beleving van het landschap. Het is uiteraard van belang dat de verschillende routes, activiteiten en voorzieningen goed te vinden zijn via verschillende internetkanalen zoals de website van de gemeente maar ook kanalen met een breder bereik zoals de VVV Alblasserwaard-Vijfheerenlanden en gespecialiseerde sites voor wandelen, fietsen en andere activiteiten. 4.5.3 Bestaande iconen zichtbaar houden Bijzondere plekken, voorzieningen en pleisterplaatsen zijn parels in het landschap. Deze karakteristieke plekken in het landschap zijn (potentiële) recreatieve trekkers die belangrijk zijn om te koesteren en eventueel verder (recreatief) te ontwikkelen. Het zijn fraaie plekken voor bijvoorbeeld een horecavoorziening, van waaruit men de omgeving kan verkennen. Ze kunnen met bijvoorbeeld een ‘Parelroute’ met elkaar verbonden worden. Onze ambitie is dat verspreid door het landelijk gebied van Vijfheerenlanden van dit soort parels/pleisterplaatsen aanwezig zullen zijn in de toekomst. Voorwaarde is dat ze passen bij de identiteit van de verschillende landschappen.
67
68
Beeldbepalende boerderijen en molens Historische boerderijen en poldermolens zijn in Vijfheerenlanden beeldbepalend. Waar men ook gaat, door de dorpen of de bewoningslinten, langs boezems of op kaden, de traditionele boerderijen kom je overal tegen. Generaties lang is er aan gebouwd en verbouwd en zijn de boerderijen aangepast aan de gewijzigde omstandigheden, een proces dat anno 2021 nog steeds plaatsvindt. De karakteristieke en monumentale boerderijen ‘vertellen’ het verhaal van de ontginning van de polders (sinds de 13e eeuw), de strijd tegen het water en de wijze waarop de landbouw zich eeuwen lang ontwikkelde. Ze zijn de spiegels waarin de agrarische cultuurhistorie nog zichtbaar is. We zijn hier trots op en willen deze rijke historie bewaken en behouden. Voorwaarde is daarom dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen passen bij de maat, schaal en de identiteit van het landschap. 4.5.4 Ontwikkelen van oever- en waterrecreatie Een belangrijke kwaliteit in Vijfheerenlanden op het gebied van recreatie is vanzelfsprekend ook de aanwezigheid van oever- en watergebonden plekken waar men bijvoorbeeld kan zwemmen of in de zon kan liggen, zoals: •
een camping, jachthaven en Recreatieplas Middelwaard met strandje, buitendijks in de uiterwaarden van de Middelwaard, aan de Lek;
•
recreatieplas Everstein met verblijfsrecreatie, binnendijks bij Hagestein;
•
de campings bij Lexmond aan de Lek;
•
camping De Koekoek met verblijfsrecreatie, buitendijks bij Tienhoven aan de Lek;
•
recreatieterrein Galgenwaard, buitendijks bij Oosterwijk aan de Linge.
Deze plekken willen we behouden als recreatieve trekkers. Hier kunnen recreatieve voorzieningen een plek krijgen, zoals natuurlijke speelaanleidingen, kleinschalige horeca, etc. Belangrijk is wel dat de uiterwaarden een rustig gebied blijven, wat gunstig is voor de aanwezige natuurwaarden en voor rustzoekers. Daar ligt de nadruk op extensieve recreatie, zoals wandelen, fietsen, vissen en vogels kijken en is geen plek voor intensieve (verblijfs)recreatie. 4.5.5 Behouden en versterken van het militaire landschap We willen de cultuurhistorisch-landschappelijke waarden zichtbaar houden/ maken. Vooral het militaire landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie langs de Diefdijk is van groot cultuurhistorisch belang. De toekomstige status als UNESCO werelderfgoed biedt kansen voor het vergroten van het aantal bezoekers van het gebied en daarmee voor het ontwikkelen van nieuwe recreatieve voorzieningen. Ontwikkelingen langs de Diefdijk moeten wel passend zijn bij de karakteristieken van het bebouwingslint. Tussen Fort Everdingen en Leerdam willen we bovendien de natuurwaarden versterken, gecombineerd met wandelpaden, wat bijdraagt aan de recreatieve waarde van de zone langs de Diefdijk.
69
Het landschap ontsloten Bestaande veerpont
Extra stops waterbus
Bestaande fietsroutes Bestaande wandelroutes Versterken dijkring 16 als recreatieve route Versterken doorgaande recreatieve route langs de Lek Uiterwaarden beter toegankelijk maken
Versterken Merwedekanaal als recreatieve route Opheffen/verzachten van knelpunten/ barrieres in recreatieve routes Investeren in de kernrandzones
70
Realiseren snelfietsroute Zoeklocaties nieuwe fietsverbinding Zoeklocaties nieuwe wandelverbinding
4.6 Het landschap ontsloten 4.6.1 Verbeteren van de stad-landverbindingen Om de ‘stad-landverbindingen’ te verbeteren trekken we - waar mogelijk het landschap de kernen in, bijvoorbeeld door beplantingsstructuren vanuit het landelijk gebied de bebouwde kom in door te laten lopen. We willen de kernen via logische, veilige en aantrekkelijke groene routes verbinden met het landschap van de uiterwaarden van de Lek en Linge en met de Vijfheerenlandse polders. Om de landschappen goed te kunnen beleven en de verschillende recreatieve trekkers te kunnen bereiken, is een goede toegankelijkheid van het landelijk gebied vanuit de kernen van groot belang. Hierbij kan gedacht worden aan ommetjes voor wandelaars, maar ook aan fiets- en ruiterroutes. Bovendien is het van belang om de recreatieve routes te verrijken met bijzondere bestemmingen en rustpunten (zie ook paragraaf 4.1.7 en paragraaf 4.5). 4.6.2. Opheffen/verzachten van barrières in recreatieve routes We streven er op termijn naar - als mogelijkheden zich voordoen (bijvoorbeeld bij de verbreding van de A27) - ontbrekende schakels in de recreatieve routestructuren vanuit de stad naar het platteland toe te voegen, zoals: • • • •
een fietsverbinding naar Houten langs de A27 over de Lek; een brug over het Merwedekanaal voor langzaamverkeer ter hoogte van de Lange Waaijsteeg en de Autenasekade; een verbinding voor fietsers en wandelaars vanaf de Lekdijk naar het stuweiland (de Ossenwaard), ter hoogte van het stuwcomplex; een fietsverbinding over/onder de A2 ter hoogte van de Bolgerijsekade.
71
72
4.6.3 Toevoegen van nieuwe fiets- en wandelverbindingen Naast op het opheffen van barrières zetten we ook in op het verbeteren/ ontwikkelen van een aantal recreatieve verbindingen, over land en over water. De belangrijkste zijn: • •
•
•
een fietsrondje over Dijkring 16; een nieuwe wandelverbinding tussen de Lekdijk en de Tienhovenseweg, over een voormalig Kerkepad (Tienhovense Laan) dat verdwenen is, eventueel in combinatie met een nieuwe wandelverbinding tussen de Lekdijk en de Lange Meent. Zo ontstaat een aantrekkelijk ommetje vanuit Everdingen; verbeteren van de bestaande fietsverbinding tussen de Bolgerijsekade en de Zijderveldselaan (over de Groenekade) en het in zuidelijke richting doortrekken van deze verbinding naar de Hei- en Boeicopseweg. Zo ontstaat een aantrekkelijke fietsroute van Vianen en Hagestein via Leerbroek naar Leerdam en Gorinchem; een aaneengesloten langeafstandwandelpad door de uiterwaarden van de Lek tussen Fort Everdingen en Lexmond, dat aansluit op de bestaande voetveren bij de buitenstad van Vianen en bij Fort Everdingen.
Ook is het realiseren van een meer functionele snelfietsroute GorinchemMeerkerk-Vianen-Utrecht een wens om de fietsbereikbaarheid in het gebied een impuls te geven. 4.6.4 Verhogen verkeersveiligheid en leefbaarheid Alleen wanneer mensen zich prettig en veilig voelen te voet of op de fiets zullen ze ervoor kiezen om zich op die manier voort te bewegen. Daarom is het van groot belang de verkeersveiligheid in het gebied te vergroten. Dit kan in het buitengebied en in de linten door subtiele inrichtingsmaatregelen en snelheidsbeperkingen door te voeren. Het doel is om fietsverkeer, landbouwverkeer en sluipverkeer elkaar niet in de weg te laten zitten. Sluipverkeer dient zoveel mogelijk voorkomen te worden.
73
74
75
76
5. UITWERKING IN DEELGEBIEDEN
77
78
5
Uitwerking in deelgebieden
De thematische principes en uitgangspunten uit het vorige hoofdstuk worden hieronder verder uitgewerkt voor de verschillende deelgebieden binnen de gemeente met een eigen karakter. Samen vormen de deelgebieden het landschappelijk raamwerk, dat de basis vormt voor toekomstige ontwikkelingen in het buitengebied van Vijfheerenlanden. We onderscheiden de volgende deelgebieden met elk een eigen karakter: • • • • • •
uiterwaarden; stroomruggen; halfopen griendenlandschap; veenweidelandschap met rivierinvloeden; kernrandzones; linten.
Van elk deelgebied beschrijven we eerst in een kader de karakteristieken die samen de huidige identiteit vormen. Vervolgens beschrijven we de koers op hoofdlijnen op weg naar 2040: hoe willen we de bestaande kwaliteiten van het deelgebied behouden en versterken en welke typen ontwikkelingen kunnen daaraan bijdragen, rekening houdend met de thematische principes en uitgangspunten? Hiermee hopen we inwoners en partijen te stimuleren met passende initiatieven te komen.
79
80
UITERWAARDEN
81
82
5.1 Uiterwaarden Huidig karakter Vijfheerenlanden ligt tussen de rivieren: de Lek in het noorden en de Linge in het zuiden. De hoge winterdijken vormen de begrenzing tussen de buitendijkse uiterwaarden en de binnendijkse stroomruggen en vormen herkenbare en karakteristieke lijnen in het landschap. De winterdijken bieden een panoramisch zicht op de omgeving. Tussen de dijken en de rivieren liggen de uiterwaarden. De wisselende waterstanden zorgen voor een landschap dat gevormd wordt door de dynamiek van het water. De uiterwaarden hebben een overwegend natuurlijk karakter en zijn vrijwel onbebouwd. In dit buitendijkse gebied overheersen openheid en een natuurlijke rust. Er is hier en daar kleinschalige verblijfsrecreatie en er zijn mogelijkheden voor watersport en natuurbeleving. Aan de Lek overheerst het beeld van een weids landschap met een machtige rivier en plaatselijk brede uiterwaarden. De Lek is een intensief door beroepsvaart bevaren rivier. De bruggen en het stuwencomplex over en in de Lek zijn belangrijke herkenningspunten in het buitengebied. In het kader van het project ‘Ruimte voor de Rivier’ zijn grote delen van de uiterwaarden van de Lek omgevormd tot een gevarieerd natuurgebied met geulen, moerassen en stroomdalgraslanden. Door deze herinrichting is er ruimte ontstaan voor berging van rivierwater, natuurontwikkeling en voor recreatie.
Langs de Linge heeft het landschap weer een geheel andere schaal en uitstraling. Het is een romantisch aandoend landschap met grienden en broekbossen in de uiterwaarden.
83
84
Koers In de prachtige uiterwaarden zetten we in op het behouden en versterken van de dynamiek van het (half)open natuurlijke landschap in de lengterichting van de rivier en het versterken van het contrast met het meer cultuurlijke binnendijkse landschap. We willen de aanwezige natuurwaarden behouden en verder uitbreiden met gebiedseigen natuurdoeltypen zodat zoveel mogelijk aaneengesloten natuur ontstaat langs de rivieren, met een natuurlijk systeem en bijbehorende dynamiek. Agrarisch natuuren landschapsbeheer kan hieraan bijdragen. Een goede samenwerking tussen boeren en terreinbeherende organisaties is hierbij essentieel. In de uiterwaarden is geen ruimte voor nieuwe bebouwing, tenzij als vervanging van bestaande bebouwing. Het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ heeft geleid tot meer waterbergingsruimte voor de rivier (belangrijk in tijden van piekafvoeren) en ruimte voor natuurontwikkeling en recreatie. Ook in de komende jaren zal blijvend moeten worden gekeken naar waterveiligheid, de dijken én de klimaatopgaven. Wij sluiten aan bij de ontwikkelingen die nog vanuit het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ worden opgepakt, waaronder toekomstbestendige en aantrekkelijke dijken waarop/waarlangs ruimte is voor planten en dieren. Toekomstige dijkversterking en -verzwaring zal daarom altijd in samenhang met natuur- en landschapsontwikkeling opgepakt worden.
Om het panoramisch uitzicht te behouden worden de Lekdijk en Lingedijk niet beplant met lijn-/laanbeplanting. Waar dat niet ten koste gaat van de natuurwaarden vergroten we de toegankelijkheid van de uiterwaarden en de mogelijkheden voor recreatief medegebruik, bijvoorbeeld met struinpaden en ruiterpaden. Ook gaan we de doorgaande wandelroute door de uiterwaarden van de Lek verder ontwikkelen, zodat het dynamische uiterwaardenlandschap beter beleefbaar wordt.
85
86
Op enkele locaties clusteren en versterken we de recreatieve voorzieningen die zorgen voor leven en activiteiten op het water, zoals strandjes, camperplaatsen en semipermanente horecavoorzieningen. We zetten onder meer in op het versterken van de buitendijks gelegen Recreatieplas Middelwaard met voorzieningen zoals natuurzwemwater, natuurlijke speelaanleidingen, passende horeca, etc. Door de recreatieplas een onderscheidend karakter te geven wordt de toeristische aantrekkingskracht van de regio vergroot. We bieden ruimte om de waterfronten kwalitatief hoogwaardig te ontwikkelen als aantrekkelijk recreatief knooppunt en uitvalsbasis. Toeristen moeten hier niet alleen stoppen, maar ook verblijven. We zien graag dat het vervoer over land en water verder wordt verbeterd door de waterbus door te trekken met extra stops, het vervolmaken van het fietsrondje Dijkring 16 en het wandelroutenetwerk in en om de uiterwaarden en in aansluiting op de riviersteden en -dorpen verder te versterken. Gebiedspromotie moet er voor zorgen dat de recreatieve trekkers goed bekend zijn in de regio en daarbuiten. De Linge willen we als recreatierivier versterken door het creëren van bijvoorbeeld aanlegplaatsen voor kano’s en andere niet-gemotoriseerde boten. Hierbij is het van belang dat dit goed wordt afgestemd op de aanwezige natuurwaarden.
In de zomer grazen Schotse hooglanders op de bloemrijke graslanden, in de winter vangen de uiterwaarden overtollig water op. In elk jaargetijde zijn de uiterwaarden anders.
87
88
STROOMRUGGEN
89
90
5.2 Stroomruggen Huidig karakter De stroomruggen bevinden zich binnendijks langs de Lek en de Linge. Ze worden gekenmerkt door een kleinschalig en afwisselend landschap, met een mozaïek van akkers, weiden, bosschages en boomgaarden. De stroomruggen liggen relatief hoog in het landschap, met geleidelijke overgangen naar de lager gelegen komgronden (veengebieden met een kleidek). Ze zijn relatief droog en er zijn dan ook weinig watergangen. De stroomruggen worden ook gekenmerkt door een onregelmatige blokverkaveling, kronkelende wegen en hekwerken als perceelafsluiting in plaats van sloten. Er is relatief veel bebouwing aanwezig. Door de hogere en drogere ligging met bodems van zavel en lichte klei zijn de stroomruggen geschikt voor de fruitteelt. Tussen Lexmond en Tienhoven zijn nog prachtige hoogstamboomgaarden aanwezig. Er zijn plaatselijk overslaggronden met enkele wielen (als gevolg van vroegere dijkdoorbraken); dit zijn meestal kleinere, min of meer rechthoekige kavels. Ook hier vindt veel fruitteelt plaats en er is weinig bebouwing. Op de stroomruggen bij Hagestein bevindt zich recreatieplas Everstein, waar dagrecreatie mogelijk is.
De kleinschaligheid van het landschap en de geleidelijke overgangen van de stroomruggen naar de lagere en nattere komgronden - met gradiënten van hoog naar laag, van bebouwd naar onbebouwd, van blokverkaveling naar strokenverkaveling - zorgen voor een grote diversiteit aan landschappelijke en ecologische waarden.
91
92
Koers Op de stroomruggen zetten we in op het behouden en versterken van het kleinschalig karakter en de afwisseling van openheid en beslotenheid. We koesteren de bestaande hoogstamboomgaarden en de blokverkaveling en richten ons op het behoud hiervan en stimuleren het toevoegen van nieuwe hoogstamboomgaarden. We zetten in op het herstellen en ontwikkelen van beeldbepalende beplantingsstructuren als hagen, bomenlanen en bosjes. We streven ernaar dat de biodiversiteit wordt vergroot door ontwikkeling van gebiedseigen natuurtypen. De karakteristieke doorzichten vanaf de Lekdijk, Diefdijk en Lingedijk naar de stroomruggen willen we behouden. Beplanting op de dijken is dan ook niet gewenst. We bieden alleen ruimte voor nieuwe woningen of bedrijvigheid op de stroomruggen als daarbij een duidelijke/grote kwaliteitsverbetering optreedt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het opruimen van oude schuren of loodsen. Het is belangrijk dat bebouwing wordt ingepast met gebiedseigen erfbeplanting. De ontwikkeling van de landbouw kan op het kleinschalige karakter aansluiten. We bieden volop ruimte voor de transitie naar duurzame natuurinclusieve landbouw op de stroomruggen. Door middel van innovatieve natuurinclusieve landbouwmethoden, zoals agroforestry, strokenteelt, combinatieteelt van fruit- en notenbomen, voedselbossen en houtteelt.
Deze zorgen voor een kleurrijker landschap, een gezonde bodem, houden meer water vast en binden meer CO2. Om de plattelandsbedrijvigheid te versterken bieden we ruimte aan de ontwikkeling van nieuwe functies en verbreding van de agrarische bedrijfsvoering, gekoppeld aan het erf. Het kleinschalige en afwisselende landschap van de stroomruggen en de ligging vlakbij het stedelijk gebied bieden volop kansen hiervoor. We bieden ruimte aan nieuwe initiatieven die invulling geven aan het recreatieve landschap voor bezoekers uit stad en land. Hierbij valt te denken aan een landwinkel, de verkoop van streekeigen producten (korte ketens), een Herenboerenerf, een pleisterplaats, een wellness-erf of een minicamping. Ook voor functies als een zorgboerderij met kleinschalige horeca of kinderopvang is ruimte. In alle gevallen is het belangrijk dat de landschappelijke en ecologische waarden ten minste behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Ook voor het ontwikkelen van nieuwe landgoederen (bijvoorbeeld in de vorm van een fruitlandgoed) is plek op de stroomruggen, waarbij de huiskavel als boerenerf wordt gekoppeld aan het lint. Ieder voorjaar weer zijn de rijk bloeiende fruitbomen een genot om te zien. Van appels, peren, pruimen en kersen. Tot diep in de herfst zijn de voedselbossen vruchtdragend.
Het is de plek waar de buurt, stedelingen en recreanten kunnen proeven en snoepen van bessen en frambozen, aardbeien kunnen plukken en peren, pruimen en noten kunnen verzamelen. In de winter vormt de kunst van het snoeien een jaarlijks terugkerend ritueel, want snoei geeft groei en een steeds rijkere oogst.
93
94
Nieuwe landgoederen De term ‘nieuwe landgoederen’ wekt enige verwarring, omdat hiermee gerefereerd wordt aan de traditionele landgoederen met een grote privétuin, bijvoorbeeld in de romantische stijl van de Engelse landschapstuin. In werkelijkheid gaat het hier om een zogenaamde ‘rood-voorgroenconstructie’. Uitgangspunt is een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit en in het bijzonder de kernkwaliteiten van natuur en landschap. Indien aan die voorwaarde wordt voldaan, is de ontwikkeling van een nieuw landgoed mogelijk en mag een nieuw woonhuis worden gebouwd, iets wat normaliter niet is toegestaan in het landelijk gebied. De voorwaarden zijn onder meer dat minimaal 90% (op paden) voor het publiek toegankelijk is en dat dit deel van het landgoed met gebiedseigen (agrarische) natuur wordt ingericht. Dit houdt in open gebieden in dat de natuurontwikkeling de openheid niet mag aantasten; natuur kan dan bijvoorbeeld bestaan uit bloemrijke graslanden en wateren. Zo dragen nieuwe landgoederen bij aan behoud en ontwikkeling van landschappelijke, ecologische en recreatieve waarden. Een nieuw landgoed dient een minimale omvang te hebben van tenminste 10 hectare, waarvan de huiskavel (met de bebouwing) maximaal 10% mag beslaan.
95
96
HALFOPEN GRIENDENLANDSCHAP
97
98
5.3 Halfopen griendenlandschap Huidig karakter Ten westen van de Diefdijk en tussen de stroomruggen langs de Lek en de open veenweidegebieden verder naar het zuiden ligt een zone die bestaat uit een halfopen griendenlandschap. Deze overgangszone behoort tot het veengebied met rivierinvloeden, polderlandschap met een opstrekkende verkaveling, maar is veel minder open dan de veenweides. Het halfopen griendenlandschap is een aantrekkelijk, kleinschalig en afwisselend landschap met weiden, wilgengrienden, vochtige bossen (broekbossen), houtsingels, beplante achterkaden en in de noord-zuid richting voornamelijk onbeplante kaden (zijdwenden). Hierdoor zijn er op diverse plekken spannende vergezichten naar het open veenweidelandschap verder zuidelijk. Ondanks de doorsnijding van het gebied door de A2 en A27 kenmerkt het gebied zich op veel plekken door rust en stilte. Door de grote variatie in het landschap is er een grote verscheidenheid aan dier- en plantensoorten. Voor dieren zoals reeën is het een ideale plek om voedsel te vinden en te schuilen. In de polders Bolgerijen en Autena ligt het grootste binnendijkse griendencomplex van ons land. Wat het gebied uniek maakt is de afwisseling tussen gehakte en niet gehakte grienden, hooi- en weilanden en populierenbossen.
99
100