ruimtelijke onderbouwing_versie_januari_2023__pdf.pdf
Tekst van het document
4.4.2 Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en een toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
4.4.3 Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verdere reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.
4.4.4 Waterschap Rivierenland Het waterschap Rivierenland heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Watervisie 2050. In de Watervisie 2050 staat het gewenste toekomstbeeld; een toekomstbestendig rivierengebied. De principes uit de watervisie helpen ons om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050. De principes zijn als volgt: 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk. 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. 3. We zijn zuinig op water en grondstoffen. Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 27
4. 5. 6. 7.
Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied.
De 7 doelstellingen zijn verder uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In het waterbeheerprogramma wordt de koers beschreven voor de komende jaren. Keur De keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen, behorende bij de regels van de Keur, vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De leggerkaart is geraadpleegd. Een uitsnede hiervan is weergegeven in figuur 12. Aan de westzijde en zuidgrens zijn primaire watergangen in het plangebied aanwezig. Dit betreffen watergangen met gedeelde onderhoudsplicht. De watergang aan de oostzijde is een secundaire watergang. Aan de noordzijde zijn twee duikers aanwezig. De overige watergangen zijn geclassificeerd als tertiair. De realisatie van natuurvriendelijke oevers vindt plaats in de tertiaire watergangen.
In voorliggend plan blijven de beschermingszones van de primaire watergangen, welke in gedeeld beheer zijn, ongewijzigd bereikbaar. Het beheer van de overige watergangen ligt bij de grondeigenaren.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 28
Figuur 12: Uitsnede legger (bron: Waterschap Rivierenland).
Digitale watertoets Op maandag 16 mei 2022 is de digitale watertoets uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling (kenmerk watertoets: 00005051, zie ook bijlage 4). De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, waaruit blijkt dat de zogenaamde normale procedure wordt doorlopen bij waterschap Rivierenland. Dit houdt in dat op basis van locatie en gegeven antwoorden blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 29
De initiatiefnemer staat in nauw contact met het waterschap en de plannen zijn reeds voorbesproken. Daarnaast wordt met de landschappelijke inrichting rekening gehouden met de aanwezigheid van de watergangen. Zie hiervoor paragraaf 2.3 en de separate technische inrichtingstekeningen. Er is contact met waterschap Rivierenland. Middels de watertoets wordt het waterschap nogmaals op de hoogte gebracht. Voorgenomen inrichtingsplan is opgesteld met behulp van het waterschap en haar belangen zijn daar goed in geborgd. Op korte termijn wordt een vervolgoverleg ingepland. Voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers kent waterschap Rivierenland een vrijstellingsoptie indien de natuurvriendelijke oever aan de volgende criteria voldoet (algemene regel WT11): 1. deze niet wordt aangelegd aan een oppervlaktewaterlichaam gelegen langs een weg van het waterschap en in een waterkering en/of bijbehorende beschermingszone, en; 2. deze wordt aangelegd langs B- en C wateren, met uitzondering van die oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden onderhouden, en; 3. geen oppervlaktewaterlichaam wordt gedempt of versmald, en; 4. de natuurvriendelijke oever minimaal 25,00 m lang is, en; 5. het oppervlaktewaterlichaam een minimale waterdiepte heeft van 0,50 m ten opzichte van zomer/streefpeil. De natuurvriendelijke oevers worden niet aangelegd in beschermingszones of waterkeringen.
Ze worden aangelegd in tertiaire watergangen. Deze oppervlaktewaterlichamen worden niet gedempt, er zijn wel enkele tertiaire watergangen die worden verland. Met de realisatie van natuurvriendelijke oevers is er netto geen afname van areaal aan wateroppervlakte. De NVO’s zijn langer dan 25 meter en een minimale waterdiepte van 0.50 m ten opzichte van zomer/streefpeil. Er wordt er aan de vrijstellingsopties voldaan, ook aan de principetekeningen van natuurvriendelijke oevers (zie onderstaand voorbeeld).
Figuur 13: Principetekening Waterschap Rivierenland
4.4.5 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante waarden beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen met zich meebrengt.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 30
5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem • Geluid • Luchtkwaliteit • Externe veiligheid • Bedrijven en milieuzonering • Verkeer en parkeren • Vormvrije m.e.r.-beoordeling • Leidingen • Lichtreflectie • Elektromagnetische straling Volledigheidshalve zijn de milieuaspecten voor het gehele plangebied van de Meijegraslanden in beeld gebracht, dus ook het gebied waar enkel de omgevingsvergunningen werk- en werkzaamheden worden aangevraagd.
5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Op 22 september 2022 heeft de gemeenteraad van Vijfheerenlanden de “Nota bodembeheer werkgebied ODRU” vastgesteld. Hierin wordt het beleidskader voor grondverzet en bodemsanering beschreven, voor zover het gaat om niet-sterk verontreinigde grond. Het voorgenomen hergebruik van grond moet dan ook voldoen aan de door de gemeente vastgestelde lokale (beleids)regels uit deze nota. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Adviesbureau Antea Group heeft in januari en februari 2016 een vooronderzoek en een verkennend (water)bodem- en nader asbestonderzoek uitgevoerd op enkele percelen bij de Autenasekade 11 te Hagestein (bijlage 5). Het onderzoek is uitgevoerd met de NEN 5725, NEN 5740, de NTA 5727 en de NEN 5707/5897 als leidraad. Hierbij is bij het asbestonderzoek uitgegaan van een nader onderzoek waarbij de dammen, dempingen en/of het pad afhankelijk van de ligging, het voorkomen van bijmengingen en/of asbestverdacht materiaal in hetzelfde deelgebied of kadastrale perceel als een ruimtelijke eenheid (RE) zijn beschouwd.
Conform de opzet voor nader asbestonderzoek zijn sleuven in plaats van gaten gegraven. Uit de resultaten van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van één van de zuidelijke dammen op de perceel Vianen, G862 een sterke verontreiniging met asbest aanwezig is. Ter plaatse is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. De omvang van de sterke verontreiniging wordt geschat op ongeveer 10 m³. Er zijn geen actuele risico’s (stap 2) en er is geen sprake van spoedeisendheid om Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 31
sanerende maatregelen te treffen. Ter plaatse van perceel Vianen, G850 zijn in een dam en een demping sterke verontreinigingen aangetoond. Op basis van de geschatte omvang (15 respectievelijk 22 m³) is ter plaatse geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Daarnaast zijn plaatselijk nog matige verontreinigingen aangetroffen met asbest of PAK. Ten behoeve van het huidige gebruik was het nemen van sanerende maatregelen of het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet nodig of zinvol. Ondanks het gegeven dat het onderzoek in februari 2016 is afgenomen is het nog steeds representatief. Dit komt vanwege de ongewijzigde situatie én het feit dat de aangetroffen verontreinigingen immobiel zijn. Of voor het uitvoeren van deze werkzaamheden aanvullend onderzoek of sanerende maatregelen nodig zijn, is ter beoordeling aan het bevoegd gezag: • Voor het uitvoeren van werkzaamheden op plaatsen waar volgens de uitgevoerde bodemonderzoeken sprake is van niet-ernstig verontreinigde grond is dat de ODRU namens de gemeente Vijfheerenlanden (op grond van het Besluit bodemkwaliteit en het onlangs vastgestelde gebiedsspecifieke beleid); • Voor zover het gaat om plaatsen waar sprake is van een (vermoedelijk) geval van ernstige bodemverontreiniging is dat de RUD Utrecht namens de provincie Utrecht. Dit geldt o.a.
voor de sterke asbestverontreiniging ter plaatse van één van de zuidelijke dammen op perceel G 862. De verontreiniging ter plaatse van de dammen wordt binnen het project gesaneerd. Met het gegeven dat de verontreiniging wordt gesaneerd kan men stellen dat voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is. Voor hergebruik van grond op de landbodem binnen het plangebied wordt voor wat betreft PFAS aan de lokaal geldende maximale waarden aangehouden, dit betreft: • PFOS: 1,8 µg/kg • PFOA: 5,2 µg/kg • Overige PFAS: 1,4 µg/kg
5.3 Geluid Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone ter zake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van natuur is in het kader van de Wet geluidhinder niet aan te merken als geluidsgevoelige bestemming of object. Een nader onderzoek naar akoestiek is daarom niet noodzakelijk.
5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor ontwikkelingen die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 32
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekenende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van agrarische grond naar vochtig bos, vochtig hooiland, kruidenrijk grasland en een hoogstamboomgaard. De verkeersbewegingen die de ontwikkeling met zich meebrengt, zijn alleen tijdens de bouwfase merkbaar. In deze fase zal er tijdelijk sprake zijn van een toename van verkeersbewegingen. Zelfs tijdens de bouwperiode zal het aantal verkeersbewegingen met circa 20 verkeersbewegingen per dag, ruimschoots onder de 800 per dag blijven. Daardoor leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Daarnaast is in de Regeling NIBM een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De functiewijziging van agrarische naar natuur is een ontwikkeling die niet leidt tot verslechtering van de luchtkwaliteit tijdens de beheerfase. Het plan kan daarmee zonder verdere toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
5.5 Externe veiligheid 5.5.1 Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een dergelijke motivering is toegestaan. Het aspect Externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek en lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen en gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. • Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het planvoornemen voorziet in een natuurbestemming. Een dergelijke bestemming is niet genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) als beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object. Ook wordt geen risicobron opgericht. Hiermee is externe veiligheid niet relevant. Belemmeringen worden daarmee niet verwacht.
5.6 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 33
we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van natuur heeft niet tot gevolg dat er milieubelastende of milieugevoelige functies gerealiseerd worden. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
5.7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijzigingen hebben met name betrekking op aanvragen waarbij een vormvrije-m.e.r. beoordeling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet zich er nog steeds van vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, dit wordt ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt erop neer dat elk besluit of plan gecheckt moet worden met de activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Deze lijst geeft aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op basis van de beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige milieueffecten met zich meebrengt. Het gehele plangebied voor de Autenasekade beslaat een oppervlakte van circa 30 hectare. De ontgronding beslaat een oppervlakte van 1.78 hectare.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 34
Ontgrondingen zijn op grond van onderdeel D, onder 16.1 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. formeel m.e.r.beoordelingsplichtig indien de ontgronding de bij dit onderdeel aangegeven drempelwaarde van 12,5 hectare overschrijdt. Zoals aangeven blijft de ontgronding met een oppervlak van 1.78 ha hectare onder de genoemde drempelwaarde en is daarom formeel niet m.e.r.-beoordelingsplichting. Daarnaast is er sprake van een activiteit op grond van onderdeel D, onder 9, ‘een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan’ daar er sprake is van een functiewijziging van gronden. Het gehele plangebied bevat 30 hectare waar een omgevingsvergunning in afwijking op het bestemmingsplan voor wordt aangevraagd. Daarmee wordt ruim onder de drempelwaarde gebleven van 125 hectare die te vinden is in kolom 2. Omdat ook onder de drempelwaarde belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden dient voor de voorgenomen activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De vormvrije m.e.r.-notitie is toegevoegd als bijlage van deze onderbouwing (zie bijlage 8). De wijzigingen van het Besluit m.e.r. 2017 hebben geen gevolgen voor de ontwikkeling.
Daarnaast is er ook sprake van activiteit D9 (landinrichtingsproject) die planologisch mogelijk wordt gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo), hiervoor is gemeente Vijfheerenlanden bevoegd gezag. Ook hier dient een m.e.r.beoordelingsbesluit voor te worden genomen, uiterlijk voor het verlenen van de vergunning.
5.8 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 35
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven.
6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Geconstateerd is dat er geen omgeving- en milieukundige belemmeringen zijn. Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Omgevingsparticipatie In het kader van participatie en betrokkenheid is provincie Utrecht bij meerdere omwonenden in de omgeving op gesprek geweest. Op die manier is de buurt alvast op de hoogte van de gewenste ontwikkeling in hun nabije omgeving. Daarnaast zijn informatiebrieven gestuurd naar omwonenden zodat ze goed op de hoogte worden gehouden van het proces. Naast omwonenden zijn er ook gesprekken geweest met andere partijen, zoals het Utrechts Landschap, Waterschap Rivierenland, gemeente Vijfheerenlanden en Natuur- en Vogelwacht de Vijfheerenlanden.
6.3.2 Vooroverleg Provincie Utrecht is opdrachtgever en daarmee nauw betrokken bij de planvorming. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt voorgelegd voor vooroverleg. Een overleg met het waterschap Rivierenland heeft plaatsgevonden.
6.3.3 Zienswijzen Het ontwerp van de omgevingsvergunning wordt voor de duur van zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd. Na die termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven.
6.4 Economische uitvoerbaarheid De ontwikkeling betreft een initiatief dat door de initiatiefnemer wordt gefinancierd. De kosten die zijn gemoeid met de ruimtelijke procedure worden op grond van de legesverordening bij de initiatiefnemer in rekening gebracht. Er wordt een planschadeovereenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Gezien het voorgaande wordt geen aanleiding gezien om een exploitatieplan vast te stellen.
6.5 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd. Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 36
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 37
Bijlagen Bijlage 1 – Inrichtingstekening Bijlage 2 – Toetsing Wet Natuurbescherming Bijlage 3 – Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 4 - Watertoets Bijlage 5 – Bodemonderzoek Bijlage 6 – Technische inrichtingstekening Bijlage 7 – technische inrichtingstekening - profielen Bijlage 8 – stikstofberekening Bijlage 9 - Memo Watersysteem Autenasekade Vianen
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 38