ruimtelijke onderbouwing_versie_januari_2023__pdf.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Natuurinrichting Autenasekade
Opdrachtgever:
Provincie Utrecht Archimedeslaan 6 3508 TH Utrecht
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
202288 26-1-2023 C. Palmer B. Pegge M. van Amersfoort Definitief 1
© 2022 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding....................................................................................................................................................... 4
1.1
Aanleiding ............................................................................................................................................... 4
1.2
Ligging en begrenzing projectgebied ...................................................................................................... 4
1.3
Huidig planologisch regime .................................................................................................................... 6
1.4
Leeswijzer ............................................................................................................................................... 7
2
Planbeschrijving .......................................................................................................................................... 8
2.1
Inleiding .................................................................................................................................................. 8
2.2
Beschrijving huidige situatie projectgebied ............................................................................................ 8
2.3
Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9
3
Beleidskaders ............................................................................................................................................ 14
3.1
Rijksbeleid ............................................................................................................................................. 14
3.2
Provinciaal beleid ................................................................................................................................. 16
3.3
Gemeentelijk beleid.............................................................................................................................. 22
4
Waardentoets ........................................................................................................................................... 24
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................ 24
4.2
Natuurwaarden .................................................................................................................................... 24
4.3
Archeologische waarde ........................................................................................................................ 26
4.4
Water .................................................................................................................................................... 27
5
Milieuaspecten.......................................................................................................................................... 31
5.1
Inleiding ................................................................................................................................................ 31
5.2
Bodem .................................................................................................................................................. 31
5.3
Geluid ................................................................................................................................................... 32
5.4
Luchtkwaliteit ....................................................................................................................................... 32
5.5
Externe veiligheid ................................................................................................................................. 33
5.6
Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................. 33
5.7
Vormvrije m.e.r.-beoordeling ............................................................................................................... 34
5.8
Conclusie............................................................................................................................................... 35
6
Uitvoerbaarheid ........................................................................................................................................ 36
6.1
Inleiding ................................................................................................................................................ 36
6.2
Ruimtelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 36
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 36
6.4
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 36
6.5
Conclusie............................................................................................................................................... 36
Bijlagen ................................................................................................................................................................... 38
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Provincie Utrecht is voornemens bos- en natuur te realiseren aan de Autenasekade in Vianen, in de gemeente Vijfheerenlanden. De provincie heeft op deze locatie circa 30 hectare cultuurgrond in haar bezit. Circa 4 hectare is aangewezen als toekomstig Natuur Netwerk Nederland. De overige 26 hectare is beschikbaar voor de realisatie van bos- of natuurcompensatie. De voorgenomen ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo). In deze vergunning worden de afwijkingen van het bestemmingsplan én de benodigde omgevingsvergunningen werk en werkzaamheden gecombineerd.
1.2 Ligging en begrenzing projectgebied Het projectgebied ligt in de oude polder Altena ten zuiden van Hagestein in het gebied Vijfheerenlanden in de provincie Utrecht. Ten noorden van het gebied stroomt de rivier de Lek en aan de zuidzijde loopt de snelweg A2. Het projectgebied wordt aan de noordwestzijde begrenst door de Autenasekade en aan de noordoostzijde door de Tienhovenseweg en daaraan gelegen boerderijen. Aan de zuidzijde grenst het gebied aan de Middelwetering. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 30 hectare en beslaat de volgende kadastrale percelen: VAN00G965 - VAN00G500 - VAN00G849 - VAN00G850 - VAN00G967 - VAN00G497. Het hiernavolgend figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de omgeving.
Figuur 1: Ligging plangebied Autenasekade ten opzichte van omgeving.
De exacte planbegrenzing is weergegeven in figuur 2. Figuur 3 geeft inzage in het plangebied in relatie tot het NNN. Te zien is dat een gedeelte van het plangebied is weergegeven als Groene contour. Realisatie van de Groene contour is essentieel om het Natuurnetwerk voldoende robuust te maken. Gestreefd wordt om in 2040 3.000 hectare groene contour deel uit te laten maken van het NNN. Daarnaast wordt ook de noordelijke punt aangemerkt als toekomstig NNN. Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 4
Figuur 2: Exacte begrenzing plangebied.
Figuur 3: Ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: omgevingsvisie Utrecht, kaart Robuuste natuur met hoge biodiversiteit).
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 5
1.3 Huidig planologisch regime 1.3.1 Bestemmingsplan Het gehele plangebied valt binnen het regime van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Deze onherroepelijke versie is vastgesteld op 14 december 2010. Er is later een gerechtelijke uitspraak landelijk gebied geweest (05-06-2013), deze heeft geen invloed op de percelen van het plangebied. Hiernavolgend wordt per deelgebied een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.
Figuur 4: Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk gebied’ ter plaatse van plangebied (witte omlijning).
Het plangebied kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemming: Agrarisch met waarden. Enkelbestemming: Water. Dubbelbestemming: Waarde – archeologie 2. Gebiedsaanduiding: geluidzone – weg. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vochtig bos, vochtig hooiland, kruidenrijk grasland en een hoogstamboomgaard. De enkelbestemming ‘agrarisch met waarden’ is bestemd voor het uitoefenen van agrarische bedrijven, alsmede voor; Behoud en versterking van landschapswaarden door: o het in stand houden en versterken van het open weidekarakter van het komgebied; o het in stand houden en versterken van de overgangsgebieden van oeverwal naar komgronden; Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 6
o
-
het behoud van de karakteristieke verkaveling in de vorm van smalle kavels en een fijnmazig slotenpatroon. Behoud en ontwikkeling van de aanwezige zand- en weidevogelsoorten.
De realisatie van bos en natuur is in strijd met de vigerende bestemming ‘agrarisch met waarden’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient het planologisch gebruik in afwijking van het vigerend bestemmingsplan mogelijk te maken.
1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op het voorgenomen plan. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets, hieruit blijkt welke waarden er in het projectgebied aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. In hoofdstuk 6 wordt tot slot ingegaan op de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 7
2 Planbeschrijving 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie weergegeven en wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven.
2.2 Beschrijving huidige situatie projectgebied Het plangebied betreft agrarisch grasland. Het is gelegen in het polderlandschap, dat voornamelijk wordt gekenmerkt door halfopenheid en coulissen in het landschap met vele verkavelingssloten, en is direct gelegen ten noorden van de A2. Rondom het plangebied zijn ook diverse boselementen aanwezig die voornamelijk bestaan uit essen, wilgen en elzen. Het plangebied bestaat uitsluitend uit intensief beheerde agrarische graslanden en een kleine maïsakker welke worden omringd door boselementen en agrarische bedrijven. De Autenasekade ligt in het rivierkleigebied van de Vijfheerenlanden. De landschapsstructuur wordt in grote mate bepaald door de rivier de Lek, de dijk en de wijze van ontginning. Het plangebied heeft een kenmerkende strokenverkaveling waarvan de oorsprong ligt in de middeleeuwse ontginningsgeschiedenis. Voor het in cultuur brengen van de lager gelegen, natte veen en de komgronden werd de begroeiing verwijderd en een afwateringssysteem aangelegd. Hiervoor werd een stelsel van evenwijdige, rechte sloten gegraven haaks op de hoger gelegen oeverwallen langs de rivier. Hoger gelegen bodems, zoals de oeverwallen langs de Lek en kleiruggen vormden de ontginningsbasis waarop ook de boerderijen werden gebouwd. De Autenasekade vormt de grens tussen de eerste ontginningen vanaf Hagestein.
De percelen ten noordwesten hiervan hebben een oost-west gerichte verkavelingsstructuur. Ten oosten van de Autenasekade, waar het plangebied ligt, is een nieuwe ontginningsbasis gelegd vanaf de Tienhovenseweg. Dit behoort bij de copeontginning polder Autena, welke doorliep tot de Bolgerijsekade ten zuiden van de snelweg A2. De Tienhovenseweg diende als basis voor de ontginningen ten zuiden van de stroomrug van de Lek. De verkavelingsstructuur ligt hier haaks op zodat de percelen een noord-zuidgerichte verkaveling hebben. Kenmerkend in het gebied zijn de langgerekte kavels met verkavelingssloten. Evenwijdig aan de ontginningsbasis, haaks op de percelen, werd een wetering gegraven voor de afwatering. De Achterwetering vormt de zuidelijke grens van het plangebied. Het plangebied is opgedeeld in vijf deelgebieden. De laatste twee jaren is het land in gebruik als grasland.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 8
Figuur 5: Plangebied opgedeeld in deelgebieden.
Figuur 6: Linksonder en linksboven deelgebied B2, rechtsboven deelgebied A, rechtsonder deelgebied B1.
2.3 Planbeschrijving Per deelgebied is de gewenste nieuwe situatie aangegeven en met de daar bijbehorende werkzaamheden. Perceel A (10 hectare) 80% bos. 20% gras/water. Perceel B1, C1, C2 (16 hectare) 10,8576 ha vochtig bos. 5,2167 ha vochtig hooiland. Perceel B2 (4 hectare) – NNN 2,0700 ha vochtig bos. 2,0815 ha vochtig hooiland.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 9
Figuur 7: Inrichtingstekening.
De inrichtingstekening is ook toegevoegd in bijlage 1. De exacte technische inrichtingstekeningen zijn bijgevoegd in bijlage 6 en 7.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 10
2.3.1 Natuur Bosaanplant Kenmerkend in het plangebied is verkaveling met noord-zuid georiënteerde kavels en slotenpatronen. Om dit landschapsbeeld recht te doen kiezen we ervoor de noord-zuid lijnen te benadrukken. Door de aanplant van nieuwe bossen te laten verspringen voorkomen we het benadrukken van deze nieuwe begrenzing. Op historische kaarten (zie figuur 8 en figuur 9) is te zien dat op verschillende percelen eerder bos heeft gestaan. Hierbij is een verspringend beeld te zien. Door te spelen met de massa en ruimte van afwisselend blokken bos en open stukken grasland ontstaat een meer gevarieerd coulisselandschap wat past bij het historische beeld. Deze variatie zorgt ook voor meer afwisseling ten behoeve van de biodiversiteit. Er wordt nadrukkelijk voor gekozen om enkele percelen niet te beplanten zodat een lange open lijn vanaf de Autenasekade naar het achterland in stand gehouden wordt. Het bos wordt aangeplant met diverse inheemse boomsoorten zoals haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep en zal zich uiteindelijk ontwikkelen tot een haagbeuken- en essenbos. Rondom het plangebied komen al veel essen voor. Vochtig hooiland Met name in het zuidelijk deel van het plangebied is potentie voor de ontwikkeling van vochtig hooiland. In het veld zijn waarnemingen gedaan van kwel en de aanwezigheid van pinksterbloem die hierop wijzen.
De percelen die niet worden ingericht met bos worden ingericht voor de ontwikkeling van vochtig hooiland. Voor de ontwikkeling van vochtig hooiland wordt het peilbeheer in het gebied aangepast naar een natuurpeil waarbij de waterstanden gemiddeld op 30 cm onder maaiveld komen te staan. Door middel van ontwikkelingsbeheer kan zich hier vochtig hooiland ontwikkelen. Ontwikkelingsbeheer: Ontwikkelingsbeheer is beheer gericht op het ontwikkelen of verkrijgen van een bepaald natuurtype en is tijdelijk, meestal voor de duur van enkele jaren (bij hoge voedselrijkdom kan dit zonder afgraving ook wel 40 jaar zijn). Bijvoorbeeld productiegrasland dat omgevormd wordt naar kruidenrijk grasland. Hiervoor is verschraling nodig om meer kruiden te krijgen. Vaak wordt ook een voedselrijke toplaag afgegraven. Daarnaast is vaak aanvullend beheer nodig voor extra verschraling. De maaifrequentie is bij onderhoudsbeheer hoog, en begrazing in principe niet toegestaan. Bij een bos kan het onderhoudsbeheer bestaan uit dunning om de zoveel jaar, om bomen de ruimte te geven volwassen te worden en een gevarieerde en gelaagde onderbegroeiing te krijgen. Hiernaast heb je instandhoudingsbeheer, dat is gericht op het instandhouden van een natuurtype, dus als de gewenste condities van dit natuurtype als bereikt zijn. Vaak kan dan bijv.
gras minder frequent gemaaid worden en extensieve begrazing weer wel worden toegepast. Bij een volwassen bos is niet/nauwelijks beheer nodig (tenzij het een productiebos is). Kruidenrijk grasland Door de hogere ligging zijn de gronden nabij de Autenasekade niet geschikt voor de ontwikkeling van vochtig hooiland. Het doel is hier de ontwikkeling van een kruiden- en faunarijk grasland. Voor het realiseren van kruidenrijk grasland zijn verder geen inrichtingsmaatregelen nodig. Het doel is door middel van ontwikkelingsbeheer een kruidenrijke vegetatie te ontwikkelen. Hoogstamboomgaard Op het perceel tegen de Autenasekade wordt een hoogstamboomgaard gerealiseerd. Historische kaarten laten zien dat er vroeger meerdere boomgaarden aanwezig waren in het gebied. De aanleg van een boomgaard op de oeverwal langs de oude ontginningsas past dan ook bij het oorspronkelijke landschap.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 11
Natuurvriendelijke oevers Een waardevolle maatregel is het creëren van natuurvriendelijke oevers (NVO), waarbij de bestaande verkavelingsstructuur behouden blijft. Hierbij wordt het talud van de bestaande steile oevers flauwer gemaakt met een variërend talud van ca. 1:5. Hierbij dient rekening gehouden te worden met een maximale reikwijdte van de giek van de kraan van 7,25 m voor beheer van de watergangen. De taludbreedtes van de oevers mogen variëren waardoor meer variatie in de nat-droog overgangen ontstaat. Een aantal NVO’s binnen de bosgebieden mogen verbossen zodat natuurlijke bosranden ontstaan en geen harde grens tussen bos en oever. Ter afwisseling wordt op enkele locaties de watergang iets verbreed voor meer open water zodat poelen ontstaan. Door het realiseren van een natuurvriendelijke oever wordt op verschillende manieren een plus gecreëerd voor biodiversiteit. Door het flauwere talud wordt een grotere overgang water naar land gecreëerd waar een soortenrijke vegetatie kan ontwikkelen. Door het ontgraven van het bodemprofiel wordt mogelijk ook een oude zaadbank opengelegd waardoor gebiedseigen soorten kunnen ontkiemen. Doelsoorten op deze natuurvriendelijke oevers zijn soorten die het goed doen op relatief voedselrijke, natte bodems.
Het gaat hierbij om soorten als pinksterbloem, echte valeriaan, grote egelskop, gele lis en grote kattenstaart evenals soorten die hier nog niet of nauwelijks voorkomen als scherpe boterbloem, moeraswalstro, moerasrolklaver, echte koekoeksbloem en kale jonker. Mogelijk biedt het graven van een natuurvriendelijke oever ook kans voor kritische soorten die vaak groeien op plaatsen met ijzerrijke kwel als waterviolier, veldrus, blaaszegge, grote boterbloem en diverse soorten orchideeën. Broeihopen Er ligt een kans in het gebied om de populatie ringslangen te versterken door het realiseren van broeihopen voor voortplanting en overwintering. De ringslang komt voor ten zuiden van de A2. Een ecoduct over de A2 zorgt voor verbinding tussen de gebieden aan weerskanten van de A2. Het is niet zeker of de ringslang hier ook gebruikt maakt van het ecoduct. De ringslang is echter een zeer mobiele soort en op andere plek is wel waargenomen dat deze soort gebruik maakt van ecoducten. Dus kans is dus zeer groot dat dat hier ook het geval is. Broeihopen worden aangelegd in de bosranden aan de zonzijde.
2.3.2 Water Realiseren natuurpeil Voor de ontwikkeling van vochtig hooiland in het zuidelijk deel van het plangebied wordt het waterpeil bij voorkeur verhoogd tot gemiddeld 30 cm onder maaiveld. Hiervoor dient het peil met ca. 10 – 15 cm verhoogd te worden ten opzichte van het huidige peil. Om een natuurlijk peilbeheer te bereiken in het plangebied wordt een apart peilgebied gerealiseerd. Hiervoor worden gronddammen, duikers en regelwerken in het zuiden van het gebied aangelegd. Met de regelwerken kan het peil in het gebied worden gereguleerd. Er wordt een regelwerk aangelegd voor de regulering van het peil. Aandachtpunt is dat meerdere dammen verontreinigd zijn met asbest. Voor een goede afweging voor de keuze van peilbeheersing zal hier nader onderzocht moeten worden of dit beperkend is voor de maatregelen. Op langere termijn is de wens voor het realiseren van een groot aaneengesloten gebied met verhoogd natuurpeil. Hierdoor kan meer water in de winter worden vastgehouden, zodat het in de zomerperiode langer duurt voor het wegzakt. Om dit te bereiken moet het peil in de A-watergang die het gebied doorkruist worden verhoogd. Dit heeft effect op de afwatering van omringende gebieden en is daarom niet binnen het huidige plangebied te realiseren. De toekomstig eigenaar cq. beheerder wordt ook eigenaar van de aan te leggen (peil regulerende) kunstwerken en duikers.
Daarnaast is toekomstig eigenaar ook verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud voor sturing van het natuurpeil. Verlanding watergangen Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 12
Een aantal watergangen in het toekomstige bosgebied mogen verlanden. In het zuidelijk deel van de twee westelijke watergangen wordt een gronddam met een duiker en terugslagklep aangelegd. De gronddammen worden aangelegd aan de noordzijde van de aanwezige hogedruk gasleiding. Hierdoor ontstaat geen risico van schade aan de leiding of opdrijving door verhoging van het waterpeil. Het verlanden van de watergangen wordt vanuit vergunning-oogpunt beschouwd als demping. Om deze reden zal het oppervlaktewater gecompenseerd moeten worden. Deze compensatie wordt gerealiseerd door de aanleg van de NVO’s. Door verbreding van de oevers wordt meer oppervlaktewater gerealiseerd. In de bijlage "Memo Watersysteem Autenasekade Vianen" staat een berekening van het waterbergend vermogen en de waterbalans (zie bijlage 9). Afwatering particuliere percelen De afwatering van de particuliere percelen langs de Autenasekade en Tienhovenseweg dient gewaarborgd te blijven. Uitgangspunt is dat het huidige peil behouden blijft. Hiervoor wordt een peilscheiding gerealiseerd in het noordelijk deel van het gebied door aanleg van gronddammen in de watergangen langs de plangrens en het doortrekken van de westelijke watergang. De afwatering van de percelen Autenasekade 15 en Tienhovenseweg 2 blijft gewaarborgd via de watergang aan de oostelijke grens van het plangebied.
De afwatering van het perceel Autenasekade 11/11a kan worden omgeleid in westelijke richting naar de A-watergang.
2.3.3 Recreatie Recreatief medegebruik is mogelijk in het gebied waarbij kan worden aangesloten op fiets- en wandelroutes in de omgeving. Wandelaars kunnen vanaf de Autenasekade en Tienhovenseweg door het gebied lopen via onverharde onderhoudspaden. Het zuidelijk gelegen natuurgebied van het Utrecht Landschap en de erven langs de Autenasekade / Tienhovenseweg zijn niet vrij toegankelijk voor wandelaars. Hiervoor worden een tweetal landhekken geplaatst op het onderhoudspad. Informatieborden kunnen meer informatie geven over het gebied. Bij recreatief medegebruik dient rekening gehouden te worden met bestaande en nieuwe natuurwaarden. Om deze reden heeft het de voorkeur openstelling van het gebied tot de noordelijke helft van het plangebied te beperken. In het zuidelijke deel liggen veel reeën overdag in het veld. Dit deelgebied is van groot belang voor het functioneren van het ecoduct. Honden zijn dan ook niet toegestaan in het gebied. Bij openstelling is het plaatsen van informatieborden en handhaving van belang.
2.3.4 Paden Beheerpaden Voor het beheer van het gebied wordt rekening gehouden met onverharde paden (obstakelvrije zone), breedte 5 meter. De toegang van het gebied is mogelijk vanaf de Autenasekade. Hiervoor moeten enkele bestaande dammen worden opgeknapt. Wandelroute Een wandelrondje is mogelijk in het noordelijk deel van het plangebied. Gedeeltelijk kan gebruik worden gemaakt van onderhoudspaden. Hiernaast worden enkele struinpaden door de bossen gerealiseerd.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 13
3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat in de komende jaren voor een aantal opgaven van nationaal belang. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) stelt dat grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw Nederland flink zullen veranderen. Deze opgaven moeten benut worden om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden. De NOVI biedt perspectief om de grote opgaven aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. In de NOVI wordt gesproken over een 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI beschrijft enerzijds een toekomstperspectief met ambities en anderzijds de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Deze opgaven zijn het verschil tussen de ambitie, de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze vier prioriteiten zijn beleidskeuzes gemaakt: 1) Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
2) Duurzaam economisch groeipotentieel. 3) Sterke en gezonde steden en regio's. 4) Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om de beleidskeuze weloverwogen te maken worden drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven, gehanteerd, namelijk: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan betreft een relatief kleinschalige ontwikkeling die geen negatieve effecten heeft op nationale belangen. Het Groene Hart is in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) aangewezen als ‘NOVI-gebied’. Dit zijn gebieden waar omvangrijke transitieopgaven gewenst zijn en waarvan verwacht wordt dat de regionale overheden er ‘zelf niet uitkomen’. In het traject van de NOVI-gebieden is ruimte om te experimenteren en op zoek te gaan naar oplossingen die de huidige institutionele kaders ter discussie durven stellen. Elk van de NOVIgebieden heeft een aantal leidende thema’s. In het Groene Hart zijn dat de bodemdalings- en waterhuishoudingsproblematiek. Het plan draagt bij aan de ruimtelijke én milieukwaliteit doordat het een sterke impuls geeft aan de biodiversiteit ter plaatse.
Met de natuurontwikkeling wordt bijgedragen aan een toekomstig bestendig landelijk gebied met een robuustere natuur. Hiermee is het voorliggende plan in overeenstemming met de NOVI.
3.1.2 Wet Natuurbescherming De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten. Dit betreffen de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. In de Wnb zijn de Europese vogel- en habitatrichtlijn geïmplementeerd. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: bescherming van de biodiversiteit in Nederland; Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 14
-
decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Regels over dit netwerk zijn relevant voor dit bestemmingsplan. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plangebied grenst aan het Nederlands Natuurnetwerk (zie figuur 11 in paragraaf 3.2.2) en door het toestaan van afwijkend gebruik zal er meer areaal als natuur worden ingericht.
Er vindt verder geen afname aan areaal plaats.
3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken: Project Mainportontwikkeling Rotterdam. Kustfundament. Grote rivieren. Waddenzee en waddengebied. Defensie. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de NNN, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op voorliggende ruimtelijke onderbouwing is alleen de ligging naast het NNN van toepassing. Het NNN wordt met het voorliggende plan versterkt, dit wordt uiteengezet in paragraaf 4.2. Het onderhavige plan heeft verder geen betrekking op de overige benoemde onderdelen in het Barro.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 15
3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening Bij besluit op 28 augustus 2012 is tevens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. In het Bro is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Als gevolg van deze wijziging zijn gemeenten en provincies verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de duurzaamheidsladder op te nemen, wanneer een zodanig besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en over programmering dient te worden voorkomen. Middels de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (kortweg: duurzaamheidsladder) vindt een toetsing plaats. De ladder bestaat uit drie treden: 1) Beoordeling (kwalitatief/kwantitatief) of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale en intergemeentelijke behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen, waarin nog niet elders is voorzien. 2) Indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten.
3) Indien herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of de ontwikkeling zo kan worden gerealiseerd dat deze passend multimodaal ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld. Dit is opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij toetsing artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro blijkt het volgende. Het voorliggend ruimtelijk plan is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiermee is het voorliggende bestemmingsplan passend binnen de Bro.
3.1.5 Conclusie rijksbeleid Vanuit het Barro, de Bro, de ladder voor duurzame verstedelijking en de NOVI komen geen randvoorwaarden of uitgangspunten naar voren die rechtstreeks doorwerken op het voorgenomen plan. Er wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Provinciale Staten van de provincie Utrecht hebben op 10 maart 2021 de Omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsvisie beschrijft de provincie de doelen en ambities met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Deze zijn onderverdeeld in zeven beleidsthema’s: Stad en land gezond. Klimaatbestendig en waterrobuust. Duurzame energie. Vitale steden en dorpen. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar. Levend landschap, erfgoed en cultuur. Toekomstbestendige natuur en landbouw. Toekomstbestendige natuur en landbouw De ambitie van Utrecht is om een robuust klimaatbestendig Natuurnetwerk met hoge kwaliteit en hoge biodiversiteit te ontwikkelen. Het beschermen van bestaande natuurgebieden (Natura 2000 en NNN), verder ontwikkelen en beter verbinden tot één groot samenhangend natuursysteem. De ambitie is om voor 2040 in totaal 3.000 hectare natuur te hebben gerealiseerd in de Groene Contour. Grote natuureenheden worden ecologisch met elkaar verbonden. Daarnaast wordt gezocht naar kansen voor uitbreiding van houtopstanden die bijdragen aan CO2-reductie. De stikstofproblematiek wordt gebiedsgericht aangepakt. De transitie naar Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 16
duurzame landbouw die circulair, natuur inclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk wordt gestimuleerd. Daarbij is economische rentabiliteit van agrarische bedrijven en duurzame toekomst van de glastuinbouwconcentratiegebieden een belangrijk uitgangspunt. Er wordt gestimuleerd dat landbouw dicht bij inwoners staat, recreatie, streekproducten e.d. Tot 2030 is de ambitie dat de landbouw nutriëntenkringlopen sluit, zelfvoorzienend in energie is en daarnaast ook deels opereert als groene energieproducent voor anderen.
Figuur 8: Uitsnede omgevingsvisie Utrecht, ligging plangebied in kaartlaag; Toekomstbestendige natuur en landbouw.
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Te zien is dat het plangebied is gelegen in het gebied dat is aangemerkt als ‘Transitie naar duurzame landbouw’. Al het landelijk gebied van de provincie is gelegen in deze beleidslaag. Voorgenomen ontwikkeling is een afname aan landbouwareaal. Daarnaast wordt aangegeven dat men zoekt naar kansen voor uitbreiding van houtopstanden die bijdragen aan de CO2-reductie. Met voorgenomen ontwikkeling wordt circa 18 hectare bos aangeplant wat een goede aanvulling is op de bestaande houtopstanden in de provincie. De 18 hectare draagt bij aan de CO2-reductie opgave die er ligt. Voorgenomen ontwikkeling is passend binnen de kaartlaag Toekomstbestendige natuur en landbouw.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 17
Klimaatbestendig en waterrobuust De provincie zet zich in voor een klimaatbestendig en waterveilige provincie, dit doet ze samen met waterbeheerders, gemeenten en het rijk. Er wordt zorggedragen voor een aantrekkelijk en toekomstbestendige omgeving en dijken langs de Lek en Nederrijn. Dit wordt gedaan in samenhang met maatregelen om de zoetwateraanvoer naar West-Nederland te garanderen via de Klimaatbestendige Wateraanvoer bij droogte. Daarbij worden meekoppelkansen met natuur, recreatie, energie en mobiliteit verzilverd. Men benut het hydrologische systeem van de Utrechtse Heuvelrug voor het vasthouden van regenwater en infiltratie. In de veenweidegebieden wordt een mix aan maatregelen gedaan om bodemdaling tegen te gaan met 50% in 2030. Bestaande grondwaterwinningen worden uitgebreid met zoekgebieden drinkwaterwinning Eiland van Schalkwijk en Eemdijk. Er wordt gezorgd dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater voldoet aan de doelen uit de KRW en de doelen voor het overig water. Nieuwe ontwikkelingen in stedelijk en landelijk gebied richten we klimaatadaptief (groen en blauw) in.
Figuur 9: Uitsnede omgevingsvisie Utrecht, ligging plangebied in kaartlaag; Klimaatbestendig en waterrobuust. Relatie met voorgenomen ontwikkeling
Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in een zone dat is aangemerkt als ‘tegengaan bodemdaling’. Met voorgenomen ontwikkeling wordt ingezet op vochtig bos en vochtig hooiland. Er worden natuurvriendelijke oevers aangelegd en diverse maatregelen gedaan in het watersysteem. Hiermee wordt waterpeil omhoog bijgesteld waardoor de omgeving iets natter wordt. Dergelijke maatregelen zorgen ervoor dat geen verdere oxidatie plaats vindt van veen, waarmee bodemdaling wordt tegengegaan. Onderstaande bodemkaart laat goed zien dat de bodem in het projectgebied voor een groot deel bestaat uit Drechtvaaggronden. Deze kleigronden hebben veen dat tussen 40 en 80 cm diepte begint.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 18
Figuur 10: Bodemkaart BRO 2018 (bron: https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen).
3.2.2 Interim omgevingsverordening provincie Utrecht De Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 is op 30 maart 2022 vastgesteld door Provinciale Staten. De omgevingsverordening treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking, op 1 januari 2023. Tot die tijd geldt de Interim Omgevingsverordening, die werkt op basis van huidige wetgeving. De Interim Omgevingsverordening Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld door de Provinciale Staten van provincie Utrecht. Het is een doorvertaling van de Omgevingsvisie naar concrete en juridisch ingekaderde regels. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Met de Interim Omgevingsverordening loopt de provincie vooruit op de Omgevingswet. Cultuurhistorie en landschap Een landschap is geen stilstaand beeld. Het is altijd in ontwikkeling en dynamiek hoort daarin. In het werken met landschapskwaliteit wordt uitgegaan van een samenspel tussen beeld, functie en robuuste structuren. Iedere ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiten bij de kernkwaliteiten.
Als sprake is van een zeer open gebied, bevat een bestemmingsplan bepalingen om die openheid te behouden. Denk aan het tegengaan van (hoge) bebouwing. De ‘Kernkwaliteiten Landschap’ beschrijven per landschap welke kernkwaliteiten beschermd moeten worden. Een aantasting van het landschap is onevenredig als het belang van de nieuwe ontwikkeling niet opweegt tegen de aantasting van de kernkwaliteiten. Een goede locatiekeuze beperkt de schade voor het landschap. Daarnaast is een goede landschappelijke inpassing vereist die in de regels van het plan is geborgd. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Hiervoor is in artikel 7.9 de instructieregels Landschap opgenomen. Deze geeft het volgende aan: 1. Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij de verordening. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 19
b.
4.
geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.
Het gehele plangebied is gelegen in het landschap ‘Groene Hart’. Voor het landschap Groene Hart zijn de volgende kernkwaliteiten belangrijk: openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van natuur. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan de landschappelijke diversiteit, de rust en stilte van het gebied. Er wordt niet bijgedragen aan de kernkwaliteit openheid, doordat deze plek een halfopen landschap / coulissenlandschap betreft wordt er ook geen afbreuk gedaan aan deze kernkwaliteit. Natuurnetwerk Nederland, Groene contour en weidevogelkerngebieden De regels zijn bedoeld op natuurbescherming; instandhouding en versterking van een robuust netwerk van natuurgebieden en de biodiversiteit. Daartoe is het uitgangspunt van deze regels en bij de toepassing daarvan, dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt behouden. Vellen van houtopstanden kan niet zomaar. Met vellen wordt bedoeld alle activiteiten die een boom of andere houtopstand ernstig beschadigen, ontsieren of tot de dood ervan kunnen leiden. Dit bevat; kappen, rooien, verplanten en kandelaberen of snoeien van meer dan 20% van de kroon of het wortelstelsel.
De term “houtopstand” omvat alle houtachtige gewassen. Dit betekent dat niet alleen bomen, maar ook houtopstanden zoals struiken, hagen, hakhout of boomvormers door de regels beschermd kunnen zijn.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 20
Figuur 11: Ligging plangebied in Natuurnetwerk Nederland, Groene contour en weidevogelkerngebieden
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Voorgaand figuur laat zien dat het plangebied volledig is gelegen in de beleidslaag houtopstanden. Deze laag is bedoeld om de houtopstanden te beschermen in het gebied. Met voorgenomen ontwikkeling worden geen houtopstanden gekapt, er wordt juist ingezet op meer houtopstanden. Daarnaast is een klein gebied aangewezen als Groene contour. Dit zijn gebieden in die van belang zijn voor het functioneren van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), maar (nog) niet onder het NNN zelf vallen. Het doel van de Groene contour is het realiseren van nieuwe natuur. Dit gebeurt op vrijwillige basis. Na realisatie wordt deze nieuwe natuur onderdeel van het NNN. Een bestemmingsplan moet de mogelijkheden beschermen voor het omvormen van gronden binnen de Groene contour naar natuur. Ook moet het bestemmingsplan mogelijkheden creëren om de gewenste omvorming naar natuur te kunnen bereiken. Hiervoor is in artikel 6.7 de instructieregels Groene Contour opgenomen. Deze geeft het volgende aan: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour strekt tot het beschermen en creëren van de mogelijkheden om op de gronden gelegen binnen de Groene contour nieuwe natuur te realiseren. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de uitvoering van de groene contour. Artikel 6.8 ‘Instructieregel ontwikkelingen binnen de Groene contour’ geeft aan dat: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten in verband met groot openbaar belang en: a. reële alternatieven die een verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren voorkomen of beperken, ontbreken; b. het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren, zoveel mogelijk wordt beperkt; c. het overblijvende verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren wordt gecompenseerd met de realisatie van nieuwe natuur binnen de Groene contour met een oppervlakte van tenminste de oppervlakte van het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van agrarische bouwblokken. 3. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de uitvoering van de groene contour. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing vraagt het afwijkend gebruik van natuur aan en daarmee is de groene contour juist geborgd van een inrichting als natuur.
3.2.3 Conclusie provinciaal beleid De ontwikkeling is passend binnen de Omgevingsverordening en de Omgevingsvisie van Utrecht.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 21
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Vianen 2012 In de Structuurvisie Vianen 2015 geeft de gemeente Vianen haar visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Vianen. Dit is uitgewerkt in de vorm van een integraal beleidskader voor de periode tot 2015. Deze visie is in 2012 geactualiseerd en heeft nu een looptijd tot 2020 en doorkijk naar 2030.
Het plangebied is gelegen in de laag ‘Agrarisch gebied’ en een strook ‘Ontwikkelingen ecologische verbindingen van lokaal belang’. De gemeente zal de komende jaren veel aandacht houden voor natuur, landschap en water. Vianen moet ook in de toekomst een groene gemeente blijven. Bestaande groenstructuren zullen worden behouden en waar mogelijk versterkt. Bij toekomstige ontwikkelingen in de gemeente Vianen moet (zowel bij projecten met als bij projecten zonder woningbouw) de identiteit van de dorpen en van het landschap worden behouden en versterkt. Daarbij moet aangesloten worden bij de kernkwaliteiten van het Groene Hart: openheid; (veen)weidekarakter, inclusief strokenverkaveling, lintbebouwing etc.; landschappelijke diversiteit; rust en stilte. Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 22
Er is een verschuiving in het landelijk gebied van een zo groot mogelijke productie naar het bereiken van een duurzaam evenwicht tussen landbouw, landschap, recreatie en waterbeheer. Er is een verschuiving van het accent naar een verbrede invulling van economische activiteiten; verbrede landbouw, natuur, water, recreatie en toerisme zijn de speerpunten. Het buitengebied wordt steeds meer een plek voor rustzoekers en recreanten. Het is wel belangrijker dat (naast de bestaande en te ontwikkelen natuur), de boeren de ruimte krijgen voor nevenactiviteiten en schaalvergroting waarmee ze rendabel kunnen boeren. Dat is niet alleen belangrijk voor de economie, maar vooral ook omdat de boeren de beheerders van het open landschap zijn. Als de agrarische activiteiten wegvallen, dreigt er een sluipende verrommeling van het landschap. Vanzelfsprekend dient er per bedrijf een milieutechnische afweging te worden gemaakt met het woon- en leefklimaat van omwonenden. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De bos- en natuurcompensatie draagt bij aan de uitvoering van het groene hart, er wordt bijgedragen aan een landschappelijke diversiteit. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing vraagt het afwijkend gebruik van natuur aan en daarmee staat rust en stilte juist centraal.
Daar een terreinbeherende organisatie het beheer en onderhoud op zich neemt, zal er geen verrommeling plaats vinden van het terrein. Ontwikkelingen ecologische verbindingen van lokaal belang Autena en Bolgerijen zijn de belangrijkste binnendijkse natuurgebieden van de gemeente, ze zijn onderdeel van de EHS (nu NNN) en fungeren via robuuste verbindingen als natuurlijke bron voor andere onderdelen van de EHS binnen en buiten de gemeente. Ook instandhouding en ontwikkeling van ecologische relaties tussen Autena en Bolgerijen en omliggende polders is belangrijk. In het agrarische gebied kan agrarisch natuurbeheer een toegevoegde waarde hebben, denk aan weidevogelbeheer, de aanleg van natuurvriendelijke oevers en het beheer van kleine landschapselementen. Gemeente Vijfheerenlanden faciliteert en stimuleert de ontwikkeling van een lokale ecologische verbinding ten zuiden van Vianen en Hagestein. Deze ecologische structuur moet komen te liggen tussen de uiterwaarden ten noordwesten van Everdingen, via Autena, de Bolgerijen en Polder Bloemendaal naar de uiterwaarden ter hoogte van het buurtschap Helsdingen. In de zone komt een inrichting met gebiedseigen natuurdoeltypen, zoals verschraald grasland in het oosten, griendcultuur in het zuiden en fruitcultuur in het westen.
Waar mogelijk worden combinaties gezocht met economische ontwikkelingen, zoals waterberging, (agrarisch) natuurbeheer en extensieve recreatie. Af en toe zijn rode ontwikkelingen toegestaan. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het compensatieoppervlak ligt in de gewenste ecologische verbindingszone vlakbij Bolgerijen en Autena. De 30 hectare natuur is een sterke meerwaarde voor de ecologie en natuur. Door de realisatie van natuurvriendelijke oevers wordt ook ingespeeld op een verbetering van het watersysteem. Voorgenomen ontwikkeling is passend in de structuurvisie van de gemeente Vijfheerenlanden.
3.3.2 Conclusie gemeentelijk beleid De versterking van de ecologische verbindingszone wordt expliciet benoemd in de structuurvisie van gemeente Vijfheerenlanden. Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan een ecologische meerwaarde van het gebied. Daarmee is voorgenomen ontwikkeling passend binnen het gemeentelijke beleid.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 23
4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling. Volledigheidshalve is deze waardentoets voor het gehele plangebied gedaan, dus ook het gebied waar enkel de omgevingsvergunningen werk- en werkzaamheden worden aangevraagd.
4.2 Natuurwaarden Vanaf 1 januari 2017 is in Nederland de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Met het van kracht worden van de nieuwe wet worden de provincies het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk het bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: bescherming van soorten, bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van bosopstanden. De volledige toetsing Wet Natuurbescherming is toegevoegd in bijlage 2.
4.2.1 Soortenbescherming Betreffende flora en fauna richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van soorten. De wet gaat uit van het ‘nee, tenzij’-principe, bepaalde handelingen waaronder ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels.
Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen 1 uit te voeren. Werken binnen het broedseizoen is niet mogelijk doordat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat grond/oever broedende
1
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 24
soorten als graspieper, kieviet, meerkoet en wilde eend aanwezig zijn. Op deze manier wordt voorkomen dat in gebruik zijnde nesten of kuikens worden verstoord of vernietigd. Amfibieën Een negatief effect op heikikker en poelkikker wordt niet verwacht zolang er geen werkzaamheden worden uitgevoerd aan de waterelementen. Werkzaamheden met betrekking tot de waterelementen zoals het opschonen, maaien en realiseren van natuurvriendelijke oevers dient plaats te vinden buiten de kwetsbare periode. De kwetsbare periode is de periode dat de adulte dieren zich voortplanten en de eiklompen en larven in de sloten aanwezig zijn, globaal tussen maart en 15 september, afhankelijk van de weersomstandigheden. Indien de kwetsbare periode in acht wordt genomen is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk.
4.2.2 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Ringslang, amfibieën en vissen In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om de werkzaamheden aan de oever en watergang uit te voeren wanneer de larven zijn volgroeid, vanaf 15 september, en voordat volwassen exemplaren zich ingraven voor de winterslaap, voor november. Om het doden van ringslang, amfibieën en vissen te voorkomen wordt aanbevolen de werkzaamheden onder ecologische begeleiding uit te laten voeren. Vissen in sloten die geïsoleerd komen te liggen door het afdammen dienen te worden verplaatst naar andere sloten in het plangebied om nadelige effecten door isolatie weg te nemen.
4.2.3 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Momenteel is formeel een stikstofberekening middels AERIUS-Calculator noodzakelijk voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Gezien de beperkte omvang van het plan en de afstand tot het meest dichtbij gelegen Natura 2000 gebied verwacht de gemeente op basis van ervaring geen relevante bijdrage van stikstof op Natura 2000 gebieden in de gebruiksfase. In bijlage 8 is de stikstofberekening van de aanlegfase opgenomen waaruit blijkt dat de realisatie geen tijdelijke stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000 gebieden.
4.2.4 Natuurnetwerk Nederland De provincie Utrecht kent binnen het NNN een externe werking. Een negatief effect op het omliggende NNN kan echter worden uitgesloten. Het plangebied zal worden ontwikkeld tot natuur, hierdoor komt op de lange termijn meer rust en wordt het plangebied minder intensief agrarisch gebruikt. Hiernaast sluiten de te Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 25
ontwikkelen natuurtypes aan op het omliggende NNN-gebied, wat deze juist versterkt. Een uitgebreide toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
4.2.5 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
4.3 Archeologische waarde Aardkundige, archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met voorgenomen ontwikkeling In opdracht van Eelerwoude is door Econsultancy in december 2021 archeologisch bureauonderzoek opgesteld (zie bijlage 3). Hieruit blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische waarden bevinden. Er geldt volgens de verwachtingskaart van Vianen een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten binnen de periode Prehistorie tot en met Romeinse tijd. Voor de periode Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd geldt een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Uit het bureauonderzoek blijkt dat dieper dan 2,1 m -mv oeverafzettingen van de Tienhoven en/of Autena stroomgordel voorkomen.
Op deze afzettingen kunnen archeologische resten uit het Neolithicum verwacht worden. Hierboven bevindt zich een pakket komafzettingen en klei, waarvoor een lage verwachting geldt. Historisch kaartmateriaal geeft aan dat binnen het plangebied geen bewoning heeft plaats gevonden. Het plangebied was in gebruik als natte weidegrond met sloten en deels in gebruik voor de aanplanting van loofbomen. Voor de periode Bronstijd –Nieuwe tijd geldt daarom een lage verwachting. Eventuele resten van vóór het Neolithicum worden niet verwacht, aangezien deze reeds geheel opgeruimd zullen zijn door de stroomgordels van Tienhoven en Autena. De initiatiefnemer is voornemens om binnen het plangebied circa 4 ha in te vullen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en 26 ha beschikbaar te stellen voor het realiseren van gemengd bos-of natuurcompensatie. Hierbij worden jonge dunne boompjes geplant, waarbij de wortelkluit nog niet groot is. Na overleg met de boomspecialiste (Z. Bosch) gaf zij aan dat de plantgaten voor dunne boompjes vaak niet dieper reiken dan 30 cm -mv. De wortels van de bomen zullen circa 40 –80 cm -mv reiken tot max 1,00 m -mv. Dit is echter wel afhankelijk van de bodem en de grondwaterstand. Aangezien het archeologisch relevante niveau pas vanaf 2,1 m -mv verwacht wordt, zal dit niet worden aangetast bij de geplande bodemingreep.
Aangezien het archeologische niveau vanaf 2,1 m -mv verwacht wordt, en de geplande bodemingreep slechts tot circa 1 m -mv reikt, wordt door Econsultancy geadviseerd om geen verder onderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor deze ontwikkeling. Per mail van 17-6-2022 heeft de ODRU akkoord gegeven op het onderzoek. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 26
4.4 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld.
4.4.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied-beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.