CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 1 juni 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Verklaring van Geen Bedenkingen ivm planologische procedure bedrijfsuitbreiding Lekdijk Everdingen11.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

57

Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m3

0,04

3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3 Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

1,2

Op basis van het aantal vervoersbewegingen per dag (zie paragraaf 4.1 voor berekening) en een aandeel van 5% vrachtverkeer in het jaar 2023 blijkt dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2020.

Uit bovenstaande figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM10 langs de Lekdijk nabij het plangebied voor de voorgenoemde stoffen achtereenvolgens maximaal 13,5 en 16,7 μg/m³ zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 μg/m3 voor PM2,5. Deze is in de nabijheid van het plangebied maximaal 8,9 μg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6,0 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 5: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10 Maximale achtergrondwaarde [μg/m³]

Jaargemiddelde grenswaarde [μg/m³]

PM2,5

8,9

25

PM10

16,7

40

NO2

13,5

40

Stof

Conclusie luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

4.9

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).

Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. In de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten

daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit. De aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron telt niet mee voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied gelegen zijn. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaand figuur.

Risicovolle inrichtingen Rondom het plangebied bevinden zich bijna geen risicovolle inrichtingen. Ten oosten van het plangebied ligt een defensieve zone van Fort Everdingen. Het plangebied bevindt zich in zone C. Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen en civiele inrichtingen voor explosieven is vastgelegd in het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) en Rarro (Regels algemene regels ruimtelijke ordening). Hierin staan onder andere regels die ingaan op: • • •

Veiligheidszones rond munitieopslag; Normen voor historische strijdigheden binnen de veiligheidszones; en Het uitgangspunt dat bestaande risiconiveaus minimaal moeten worden gehandhaafd en dus niet mogen verslechteren.

In het Barro wordt gewerkt met A-, B- en C-veiligheidszones. Voor zone C geldt: ‘geen

gebouwen met vlies-of gordijngevelconstructies en gebouwen met grote glasoppervlakken’. Aangezien het beoogde plan niet bestaat uit een gebouw met vlies-of gordijngevelconstructie of een groot glasoppervlak, is er geen belemmering voor de defensieve zone. Er is geen belemmering van risicovolle inrichtingen of op risicovolle inrichtingen. Nader onderzoek is niet nodig. Kwetsbare objecten Rondom het plangebied bevinden zich enkele kwetsbare objecten, waaronder onderwijsinstellingen. De kwetsbare objecten bevinden zich op een dermate grote afstand van het bedrijf dat ze geen belemmering ervaren. Nader onderzoek is niet nodig.

Transport gevaarlijke stoffen over de weg Er bevindt zich geen weg in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over wegen die van negatieve invloed op het planvoornemen zijn. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Er bevindt zich geen spoorlijn in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over het spoor die van negatieve invloed op het planvoornemen zijn. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich geen buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit aspect vormt geen belemmering voor planvoornemen. Transport gevaarlijke stoffen door de lucht Het plangebied bevindt zich ver buiten de afwegings- en invloedgebieden van het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB) en van de invloedgebieden van Luchthaven Rotterdam – The Hague Airport. Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom bevat het planvoornemen geen risicovolle activiteiten en belemmeringen in het kader van de externe veiligheid voor de omgeving.

4.10

Watertoets

Algemeen Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging.

Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.

Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).

2.

Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.

Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau zijn het beleid van het Waterschap Rivierenland en de gemeente Vijfheerenlanden met name relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met en in aanvulling op de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Daarom wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland. De visie op een toekomstbestendig rivierengebied en de bijdrage die daar zelf aan geleverd wordt, staat verwoord en verbeeld in de Watervisie 2050. De watervisie rijkt met een horizon tot 2050, verder dan de planperiode van dit WBP (2022-2027). De principes uit de watervisie helpt het Waterschap om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050. Onze principes zijn als volgt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. We zijn zuinig op water en grondstoffen. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied.

Het waterbeheerprogramma zet in op minder regels en meer samenwerking. Keur Waterschap Rivierenland Per 20 oktober 2015 is een nieuwe Keur (gewijzigd vastgesteld) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn

vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Waterschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Waterschap Rieverenland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen.

In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Waterschap Rieverenland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van een waterberging vereist. Er geldt een vrijstelling van de compensatieplicht voor lozen vanaf nieuw verhard oppervlak van 500 m2 binnen stedelijk gebied (bebouwde kom) en 1.500 m2 in landelijk gebied. De lozing op zich is op grond van de Keur wel vergunningplichtig. Indien er geen andere vergunningplichtig activiteiten worden ondernomen dan het maken van nieuw verhard oppervlak, is er voor de van compensatieplicht vrijgestelde oppervlaktes een algemene regel Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd.

De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Waterschap Rivierenland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Beoordeling planvoornemen In de huidige situatie bestaat het plangebied uit bebouwing en verhard terrein. In de gewenste situatie wordt het bestaande bedrijfspand uitgebreid met 250 m² bebouwde oppervlakte. De uitbreiding vindt plaats op een deel van het verhard terrein. Op basis van dat gegeven is de onderstaande tabel opgesteld met verandering in verharding.

Tabel 6: Terreinverharding bestaand en toekomstig

Toepassing

Oppervlakte

Oppervlakte

Bestaande situatie

Nieuwe situatie

2

[m ] Verhard terrein

Saldo

2

[m ] 880

602

-278

0

0

0

Bebouwing

872

1115

243

Deeltotaal

1752,0

1717,0

-35

Openbaar groen

55

90

35

Water

0

0

0

Half verhard terrein

0

0

0

Deeltotaal

55,0

90,0

35

Totaal

1807

1807

Half verhard terrein Verhard

Onverhard

Op basis van de bovenstaande tabel blijkt dat geen toename ontstaat van het verhard terrein. Op basis van het toevoegen van verharding is geen compensatie benodigd. Onderstaand is het verschil in terreinverharding weergegeven.

Digitale watertoets Het plan is ingevoerd in de digitale watertoets. Onderstaand is een uitsnede van het resultaat weergegeven.

De digitale watertoets geeft als resultaat dat de normale procedure kan worden doorlopen. Via een standaard advies kunnen de beperkte waterbelangen worden afgedaan. Hiervoor dient het plan te worden voorgelegd aan het Waterschap Rieverenland. Legger van oppervlaktewateren Een legger is een register waarin van alle wateren in het beheergebied van het waterschap het volgende is weergegeven: De ligging en de vereiste afmetingen, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en wat dit onderhoud inhoudt. Op basis van de onderstaande uitsnede blijkt dat binnen het plangebied geen wateren aanwezig zijn. Enkel ten zuiden van het plangebied bevinden zich twee tertiaire watergangen. Het beoogde plan heeft geen invloed op de wateren. Er zijn geen vergunningen of maatregelen nodig.

Geconcludeerd wordt dat geen vergunningen nodig zijn voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling. Watercompensatie is niet nodig, aangezien het verhard oppervlak niet toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Vanuit de digitale watertoets blijkt dat de normale procedure geldt, aangezien geringe waterschapsbelangen spelen binnen het plan. Het plan dient te worden voorgelegd aan het waterschap om deze te toetsen en advies over uit te brengen.

Conclusie Watertoets Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het water mogelijk tot een belemmering zorgt. Er is geen compensatie van water nodig. Het plan wordt aan het Hoogheemraadschap voorgelegd om in te zien. Er is geen nader onderzoek nodig.

4.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel

C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarde van 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte wordt met dit planvoornemen niet gehaald. Dat neemt niet weg dat in dat geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU): 1. Kenmerken van het project; 2.

Plaats van het project; 3. Kenmerken van het potentiële effect. Gelet op de aard en omvang van het planvoornemen, die bestaat uit de uitbreiding van 250 m² bedrijfsruimte, wordt het niet doelmatig geacht een aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling uit te voeren. Met de realisatie van het plan wordt ruimschoots onder de drempelwaarden gebleven. Bovendien ligt het plangebied niet binnen Natuur Netwerk Nederland en ligt niet op een beschermd landgoed- en kasteelbiotoop, waardoor er geen potentiële effecten ontstaan met het planvoornemen. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen de vrijwaringszone van een beschermd molenbiotoop. Verder bevinden zich geen monumentale of beeldbepalende panden in de directe nabijheid van het plangebied, waar het plan negatieve effecten op heeft. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor geen belemmering op milieugevoelige thema’s. Dit is in de onderbouwing toegelicht. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Gelet op het bovenstaande vormt het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Uitvoerbaarheid 5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning, die gezien de buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan de uitgebreide procedure kent. Op grond van artikel 2.12 van de Wabo is op de voorgenomen planontwikkeling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zes weken ter inzage wordt gelegd. Iedereen kan mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen betreffende het ontwerpbesluit. Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging wordt beslist over de vaststelling. 5.2

Financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. De kosten voor de hiervoor beschreven gewenste ontwikkeling en eventuele daaruit voortvloeiende planschadeclaims komen in zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht. 5.3

Eindconclusie

Geconcludeerd kan worden dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en plangebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen. Er zijn naar onze mening geen zwaarwegende bezwaren aan te voeren tegen de realisatie van het plan. IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V. Noordwijk (ZH)

Bijlagen • • • • •

Bijlage 1. Oppervlakte verdeling tbv parkeernorm Bijlage 2. Quickscan Wet natuurbescherming Bijlage 3. A1486-07 Stikstof berekening Lekdijk 7a, Everdingen_rap1_v1.0 Bijlage 3A. AERIUS_bijlage_ A1486-07 Lekdijk 7a, Everdingen - projecteffect Bijlage 4. Vergunningencheck Digitale watertoets A1486

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d43cb93a-63d8-4967-9a3e-0bf0dd2b1c00