CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 1 juni 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Verklaring van Geen Bedenkingen ivm planologische procedure bedrijfsuitbreiding Lekdijk Everdingen11.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Lekdijk 7a, Everdingen

Ruimtelijke onderbouwing Lekdijk 7a, Everdingen

Datum Kenmerk Contactpersoon

: : :

25 januari 2023 A1486-07/JLA/rap1.3 J.C. Langeweg MSc

:

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoud

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Inleiding ........................................................................................................................ 4 Aanleiding ...................................................................................................................... 4 Ligging plangebied ......................................................................................................... 4 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................... 7 Strijdigheid met het bestemmingsplan ........................................................................... 9 Leeswijzer ...................................................................................................................... 9

2.1 2.2

Planbeschrijving ........................................................................................................ 10 Huidige situatie ............................................................................................................ 10 Planvoornemen ............................................................................................................ 11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Beleidskader ............................................................................................................... 13 Nationaal beleid ........................................................................................................... 13 Provinciaal beleid ......................................................................................................... 14 Regionaal beleid .......................................................................................................... 16 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................... 18 Ladder voor duurzame verstedelijking ......................................................................... 19

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieuaspecten ........................................................................................................... 21 Verkeer en parkeren .................................................................................................... 21 Bodemkwaliteit ............................................................................................................. 24 Archeologie en cultuurhistorie...................................................................................... 25 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................... 25 Geluid ........................................................................................................................... 28 Flora en Fauna ............................................................................................................. 29 Stikstofdepositie ........................................................................................................... 30 Luchtkwaliteit................................................................................................................ 31 Externe veiligheid ......................................................................................................... 34 Watertoets ....................................................................................................................

36 Vormvrije m.e.r.-beoordeling........................................................................................ 42

5.1 5.2 5.3

Uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 44 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................... 44 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................................... 44 Eindconclusie ............................................................................................................... 44 Bijlagen ....................................................................................................................... 45

Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Lekdijk 7a in Everdingen is het bedrijf Plexwood gevestigd. Plexwood is een leverancier van bouwmaterialen. Het bedrijf heeft een opslag en een werkruimte in het pand. De initiatiefnemer heeft het planvoornemen om het bedrijf uit te breiden met een netto vloeroppervlakte van 250 m². Daarnaast bestaat het plan uit de verduurzaming van het bedrijf. In de verleende omgevingsvergunning uit 1995 was voor de betreffende planlocatie een oppervlakte van 950 m² vergund. In de herziening (Landelijk gebied) is deze oppervlakte per abuis niet overgenomen, maar is slechts een oppervlakte van 550 m² vergund. Om die reden is het niet mogelijk om het bedrijf uit te breiden met 250 m² via de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Die afwijking gaat uit van 15% van het maximaal toegestane bebouwde oppervlak. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient deze foutief te worden gerepareerd. Aanleiding voor de ruimtelijke onderbouwing bestaat daarom uit twee onderdelen: • •

Enerzijds uit het vergunnen van 950 m² voor Plexwood, en; Anderzijds uit het mogelijk maken van de 250 m² uitbreiding.

Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ vastgesteld op 14 december 2010. Onderstaand rapport voorziet in een ruimtelijke onderbouwing om beide ontwikkelingen mogelijk te maken en beschrijft of sprake is van een goede ruimtelijke ordening op basis van de voorgestelde plannen.

1.2

Ligging plangebied

Onderstaand is het plangebied weergegeven op de topografische kaart in relatie tot de directe omgeving. Het plangebied ligt in de gemeente Vianen op perceel G 535. Binnen dit perceel zal ook de uitbreiding gerealiseerd worden. Daarnaast is perceel G 536 ook onderdeel van het bedrijventerrein. Het plangebied ligt aan de Lekdijk. Dit is een lange dijk welke start in Vianen en doorloopt tot aan Fort Everdingen op de grens van de provincies Utrecht en Gelderland. Hier gaat de Lekdijk over in de Goilberdingerdijk. Aan de Lekdijk zijn verschillende bedrijven, woningen en recreatiemogelijkheden aanwezig. Ten noorden van het plangebied ligt de Lek, ten oosten Fort Everdingen, ten zuiden verschillende weilanden en ten westen Culemborg. De Lekdijk is een doorgaande weg voor de bewoners van Everdingen en voor recreatieverkeer naar onder andere ‘Recreatieplas Everstein’. Vanaf de Lekdijk kan via de Graaf Huibertlaan, welke door Everdingen loopt, de A2 worden bereikt. De onderstaande afbeelding geeft een beeld van de ligging van het plangebied.

Tabel 1: Gegevens locatie Plaats

Everdingen

Locatie

Lekdijk 7a

Perceel

Vianen VAN00 G 535

Aanleiding onderzoek

Beperkte uitbreiding bedrijfspand

Oppervlakte plangebied

1.807 m²

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ van de gemeente Vianen. Dit plan is onherroepelijk vastgesteld op 14 december 2010. Daarnaast ligt het plangebied binnen het ‘parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie’ welke is vastgesteld op 17 december 2015 en het ‘paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ welke is vastgesteld op 10 juni 2021. Naast bovengenoemde plangebieden is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en Rijkswaterstaat op 22 mei 2013 het bestemmingsplan ‘Dijkverbetering Hagestein – Opheusden’ vastgesteld. Vanuit dit bestemmingsplan ligt het plangebied op de grens van de gebiedsaanduidingen ‘Vrijwaringszone – dijk 1’ en ‘Vrijwaringszone – dijk 2’. Op onderstaande bestemmingsplanuitsnede zijn de bestemmingen binnen en rondom het plangebied weergegeven vanuit het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’.

Binnen het plangebied is de enkelbestemming ‘Bedrijf’ aanwezig met de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en ‘Waterstaat – Waterkering’. Daarbij is de gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – dijk 1’, Vrijwaringszone – dijk 2’, ‘Overige zone – kernzone’ en ‘Overige zone – wonen en parkeren’ aanwezig. Als laatste geld een functieaanduiding ‘Specifieke vorm van bedrijf – meubelfabriek’ op het perceel.

1.4

Strijdigheid met het bestemmingsplan

Binnen het huidige geldende bestemmingsplan is onder artikel 6.3.2 een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om het maximaal toegestane bebouwde oppervlak te vergroten met 15%. Aangezien het vergunde bebouwingsoppervlak in het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ voor de Lekdijk 7a bestaat uit 550 m² is het niet mogelijk om een uitbreiding van 250 m² te realiseren. De uitbreiding vormt een strijdigheid met het bestemmingsplan. Daarnaast is de vergunning uit 1995 (welke een oppervlakte van 950 m2) mogelijk maakte, niet overgenomen bij het meest recente bestemmingsplan. Dit wordt met deze ruimtelijke procedure herstelt. Strijdigheid met het bestemmingsplan kan overeenkomstig artikel 2.12 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden opgeheven met behulp van: 1. Binnenplanse vergunning; 2. Kruimelvergunning; 3. Uitgebreide omgevingsvergunning. Gelet op de strijdigheid met het bestemmingsplan is de ontwikkeling niet mogelijk te maken door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Aangezien het bebouwingsoppervlak vanuit het bestemmingsplan uit 1995 niet op de juiste manier is opgenomen in de herziening van het geldende bestemmingsplan dient dit te worden gerepareerd. Dit is niet mogelijk te maken door middel van een afwijkingsmogelijkheid als beschreven in de kruimelgevallenregeling (bijlage II van Besluit omgevingsrecht).

Ondanks dat de gemeente beleid hanteert waarin een uitbreiding van 250 m2 commerciële voorzieningen is toegestaan in het buitengebied zonder een verklaring van geen bedenkingen, dient voor beide onderdelen (reparatie en uitbreiding bebouwingsoppervlakte) de uitgebreide procedure gevolgd te worden. De reparatie van het bebouwingsoppervlak en de uitbreiding van het bedrijf worden daarom, door middel van een uitgebreide omgevingsvergunning doorlopen en gecombineerd aangevraagd. Deze ruimtelijke onderbouwing biedt het toetsingskader om de planologische aanvaardbaarheid te onderbouwen.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie en de ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader toegelicht. Beschrijving van de milieuaspecten, gebaseerd op de uitgevoerde onderzoeken komen aan de orde in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat een toelichting op de juridische regeling van het plan. De maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid komen in hoofdstuk 6 aan de orde. Ten slotte volgen de bijlagen.

Planbeschrijving 2.1

Huidige situatie

Aan de Lekdijk in Everdingen is een leverancier van bouwmaterialen gevestigd. Het pand komt oorspronkelijk uit 1980. Sinds 2000 is het pand in gebruik als houtbewerkingsbedrijf bij Plexwood. Plexwood is begonnen met een kleine collectie massief houten vloeren, niet lang daarna begon de vraag naar bijpassende producten te komen, en kon het bedrijf groeien, wat resulteerde in de huidige, gevarieerde collectie producten. In de huidige situatie vormt het bedrijfspand een L-vorm, waarbij in het oosten een kleine luchtbrug verbindt met een opstal. Het pand heeft een huidige vloeroppervlakte van ongeveer 1.525 m2. Deze oppervlakte is opgebouwd uit het hoofdgebouw, met bijgebouwen. Daarbij is zowel de begane grond als de eerste verdieping hierin meegenomen. Op de onderstaande afbeelding is de huidige ligging van, en koppeling tussen, de woningen en het bedrijf te zien.

2.2

Planvoornemen

De initiatiefnemer heeft het planvoornemen om het bedrijfspand uit te breiden met een netto vloeroppervlakte van maximaal 250 m2. Met de uitbreiding wordt het huidige bedrijfspand uitgebreid van een vloeroppervlakte van 1.525 m² tot een bruto vloeroppervlakte van 2.128 m². Met deze uitbreiding kan de bedrijfsvoering geoptimaliseerd worden. Onderstaande afbeelding weergeeft de plannen van de uitbreiding. Zoals te zien zal de uitbreiding aan één kant van het pand plaatsvinden. De oranje belijning onder de nieuwbouwplannen geeft de contour van het huidige pand weer.

Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen. 3.1

Nationaal beleid

Nationale omgevingsvisie Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een Stedelijk Netwerk Nederland. Een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s waarbij het potentieel van heel Nederland benut wordt. Om de woningbouw een impuls te geven zijn 14 locaties benoemd waar overheden samen goed bereikbare grootschalige woningbouw gaan ontwikkelen. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten ook een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking verbeteren we niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad. De belangrijkste keuzes die de rijksoverheid voorziet zijn: • • • •

Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; Ruimte voor overgang naar een circulaire economie; Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) is in 2012 vastgesteld en vervangt onder andere de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Mobiliteitsaanpak. Daarnaast vervangt de visie ook de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse landelijke beleidsdocumenten. Daarmee is de SVIR het totaaldocument voor het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau. Van belang in de SVIR, is de grote mate van decentralisatie. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Enkele onderwerpen worden wel benoemd als nationaal belang. Die zijn geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Belangrijk onderdeel van de Barro, bij ruimtelijke ontwikkelingen als woningbouw, is de ladder voor duurzame ontwikkeling. Deze staat hieronder beschreven.

Beoordeling nationaal beleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Conclusie nationaal beleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader en dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening.

3.2

Provinciaal beleid

In het Omgevingsbeleid van de provincie Utrecht is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. De Structuurvisie ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’ en de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn beide vastgesteld op 10 maart 2021. Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de provincie er in 2050 uit wil zien. In deze Omgevingsvisie staan de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht beschreven. Naar verwachting wonen er over een uitstrekking van 30 jaar zo’n kwart meer mensen in de stad. De uitdaging van de provincie bestaat uit het doorgroeien om deze mensen te kunnen opvangen, op een manier dat iedereen er op een prettige en gezonde manier kan wonen. Combineren en concentreren dragen bij aan het mooi en leefbaar houden van de stad maar wel ruimte te bieden aan de ontwikkelingen die op de stad afkomen. De hoofdvisie is dat de provincie Utrecht het groene, gezonde en slimme middelpunt blijft van Nederland, ook in 2050. Om aan de visie te werken, zijn beleidsthema’s opgesteld waarin richting wordt gegeven aan de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 wil de provincie Utrecht een provincie zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Waarin Stad en land gezond zijn; Die Klimaatbestendig en waterrobuust is; Waarin Duurzame energie een plek heeft; Met Vitale steden en dorpen; Die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; Met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; Die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Omgevingsverordening De Omgevingsvisie komt tot uitdrukking in een Omgevingsverordening met regels voor de leefomgeving. Zo’n 20 verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in 1 provinciale Omgevingsverordening. De regels zijn herschreven, samengevoegd, vereenvoudigd en op elkaar afgestemd. Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening vastgesteld. Daarmee zijn deze documenten definitief geworden. De Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening zijn vanaf 1 april 2021 in werking getreden.

In de omgevingsverordeningen staan een aantal regels beschreven die gezamenlijk ingaan op wonen, werken en recreëren. Onderstaand staan de meest relevante artikelen beschreven die van betekenis zijn voor het boogde plan. Deze worden nader getoetst. Artikel 7.7 Beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur 1. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. 2. Als waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage 14 Cultuurhistorie bij deze verordening, voor de volgende gebieden: a. De Historische buitenplaatszone, die bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; b. Het Militair erfgoed, dat bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; c.

Het Agrarisch cultuurlandschap, dat bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, Kockengen-Kamerik-Zegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Cope-ontginningscomplex Hei- en Boeicop e.o. en Zouweboezem; d. De Historische infrastructuur, die bestaat uit de deelgebieden Route Impériale, Via Regia en Wegh der Weegen; en e. De Archeologisch waardevolle zone, die bestaat uit de deelgebieden Utrechtse Heuvelrug, Limes en Dorestad. 3. De motivering van een bestemmingsplan bevat: a. Een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en b. Een beschrijving en motivering van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden. Artikel 7.8 Uitzondering verstedelijkingsverbod landelijk gebied voor historische buitenplaatszone en militair erfgoed In afwijking van Artikel 9.2 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied kan een bestemmingsplan verstedelijking toestaan in de Historische buitenplaatszone en het Militair erfgoed, onder voorwaarde dat de verstedelijking: a. Kleinschalig is; b. Gericht is op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone dan wel het Militair erfgoed; en c. Zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving.

Een motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 7.10 Instructieregel aardkundige waarden 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Aardkundige waarden bevat bestemmingen en regels ter bescherming van de in het plangebied aangewezen aardkundige waarden.

2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de in het plangebied aanwezige aardkundige waarden, de daaraan toe te kennen waardering, het door de gemeente te voeren beleid voor aardkundige waarden en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de aardkundige waarden in het plan. Artikel 9.3 Instructieregel legalisatie van bestaand gebruik en bebouwing bij stedelijke functies 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan voorzien in legalisatie van het bestaand gebruik van en bestaande bebouwing voor stedelijke activiteiten, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. Er is gemotiveerd dat tegen dit gebruik en tegen deze bebouwing redelijkerwijs niet meer juridisch kan worden opgetreden; en b. De legalisatie heeft, op de schaal van het gehele buitengebied van een gemeente, slechts betrekking op enkele gevallen. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid De ontwikkeling heeft betrekking op een bestaand bedrijf. De uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw is niet strijdig met de verordeningen van de gemeente Utrecht. De uitbreiding is van dermate kleine mate dat er geen effecten zijn op omliggende en bepalende thema’s.

Conclusie provinciaal beleid Het planvoornemen ondervindt geen strijdigheid en past hierdoor binnen het provinciaal beleidskader.

3.3

Regionaal beleid

Regionaal structuurplan Utrecht Op 21 december 2005 heeft de bestuurlijke regio Utrecht (BRU) het Regionaal Structuurplan Utrecht (RSP) vastgesteld voor de periode 2005-2015, met een doorkijk naar 2030. Het RSP gaat uit van de volgende ambities: 1. Invulling geven aan de positie van de regio in de Randstad uitgaande van haar unieke kwaliteiten; 2. Streven naar een evenwichtige ontwikkeling van de regio Utrecht; 3. Verbeteren van de kwaliteit van woon- een leefklimaat; 4. Versterken van de regionaal-economische structuur met inachtneming van het begrip ‘Beheerste dynamiek’; 5. Een bereikbare en leefbare regio voor iedereen; 6. Veiligstellen en tijdig ontwikkelen van landschappelijke en ecologische kwaliteiten; 7. Het RSP moet een flexibel en op uitvoering gericht plan zijn; 8. Water hanteren als ordenend principe; 9. De cultuurhistorische kwaliteiten in het gebied zullen worden benut voor de versterking van de identiteit en kwaliteit van de leefomgeving. Onderstaand is een uitsnede van de structuurvisie weergegeven.

Het plangebied bevindt zich binnen het vitale Platteland van Utrecht. Het vitale platteland betreft landelijk gebied met als hoofdfunctie zowel grondgebonden als niet-grondgebonden landbouw. Veel gebieden met grondgebonden landbouw hebben landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden en worden gekenmerkt door recreatief medegebruik. Binnen deze zone bevinden zich ook kleine recreatie- en natuurgebieden en ecologische verbindingszones, tevens met aandacht voor de landbouwkerngebieden. Beoordeling planvoornemen Het planvoornemen is niet strijdig met het regionaal structuurplan, aangezien een bestaande functie beperkt wordt uitgebreid. De uitbreiding heeft geen negatief gevolg voor de omliggende landbouw, ecologische en cultuurhistorische waarde en recreatief gebruik.

3.4

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Vianen 2030 De gemeenteraad van de voormalige gemeente Vianen (nu gemeente Vijfheerenlanden) heeft op 4 december 2012 de Structuurvisie Vianen 2030 vastgesteld met de titel 'De verbinding tussen rood en groen en tussen toen en toekomst'. Het doel van de actualisatie van de structuurvisie is te voldoen aan de Wet ruimtelijke ordening. De visie (het wensbeeld) loopt tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De structuurvisie formuleert beleid en bevat doelstellingen voor de diverse thema’s zoals landschap, natuur, water, recreatie en toerisme, voorzieningen, wonen, bedrijventerreinen en infrastructuur en verkeer. De gemeente Vianen is centraal gelegen in Nederland en dicht bij de stad Utrecht. In de regio en in de gemeente zelf is veel werkgelegenheid. Tegelijkertijd is de gemeente een zeer groene gemeente met fraaie landschappen, natuur, recreatieve kwaliteiten en waardevolle cultuurhistorie. Deze combinatie van kwaliteiten, samen met het vrij brede voorzieningenaanbod (vooral van maatschappelijke voorzieningen) en de grote diversiteit aan woonmilieus maakt Vianen tot een zeer prettige en gewilde gemeente om in te wonen. Tegelijkertijd zijn er ook verbeterpunten voor de toekomst te noemen, zoals verbetering van de leefkwaliteit als gevolg van de ligging van Vianen aan de A2 en A27. De 7 belangrijkste kwaliteiten zijn: • • • • • •

Groene gemeente; Rijke cultuurhistorie; Recreatieve trekpleister; Vrij breed voorzieningenniveau; Centrale ligging en goede bereikbaarheid; en Veel werkgelegenheid.

Specifiek beleid Voorzieningen Vianen vormt de hoofdkern van de gemeente met het grootste voorzieningenniveau. Hier zijn onder ander niet-dagelijkse-voorzieningen en grootschalige accommodatie te vinden. De omliggende kernen in de gemeente vallen binnen het verzorgingsgebied van de kern Vianen. De overige kernen Hagestein, Everdingen en Zijderveld zijn subkernen met een lokaal voorzieningenniveau. Het uitgangspunt van de gemeente is dat in de kleine kernen minimaal de volgende basisvoorzieningen aanwezig zijn: • • • •

Basisonderwijs; Buitenschoolse voorzieningen; Buitensportfaciliteiten; en Een ruimte met een openbare ontmoetingsfunctie.

Beoordeling planvoornemen gemeentelijk beleid Het beoogde plan sluit aan op de ambities die worden gesteld in het gemeentelijke beleid. Het planvoornemen draagt bij aan het voorzieningenniveau van de kern Everdingen. Er zijn geen specifieke voorzieningen nodig waar de vraag hoog van is. Door de uitbreiding van het vloeroppervlak is het bedrijf toekomstvast, wat tevens goed is voor de werkgelegenheid. Het plan is niet strijdig met de structuurvisie.

Toekomstvisie Vianen 2025 Vanwege de veranderingen in de maatschappij en de noodzakelijke bezuinigingen heeft de gemeente Vianen de Toekomstvisie Vianen 2025 op laten stellen. De toekomstvisie geeft een strategische visie over de gewenste ontwikkelingen binnen de gemeente. De visie geeft richting aan de programmabegroting en vormt een toetsingskader voor beleidskaders. De visie is tot stand gekomen in een breed kader vanuit de bewoners van Vianen en vormt daarmee een afspiegeling van de wensen en denkbeelden binnen de samenleving. In de visie wordt het profiel van de gemeente Vianen geschetst. Binnen de visies zijn een aantal hoofddoelen gedefinieerd die richting moeten geven aan toekomstige ontwikkelingen: 1. Wonen is de basis; a. Volumegroei om een lichte groei van het aantal inwoners te accommoderen; b. Creëren van voldoende aanbod voor starters en senioren. 2. Historische en landschappelijke kwaliteiten versterken en beter benutten; a. Historische kwaliteiten behouden, versterken en beter benutten; b. Versterken, verbinden, toegankelijk maken en uitdragen van de landschappelijke kwaliteiten; c. Het vergroten van de dynamiek en leefbaarheid van de Voorstraat; d. Groenvoorziening van voldoende niveau, kwantitatief en kwalitatief. 3. Vitaliteit en dynamiek stimuleren met realiteitszin; a. Binden van jongeren; b. Veiligstellen van basisvoorzieningenniveau in alle kernen; c.

Verbeteren aantrekkelijkheid en vergroten dynamiek t.b.v. horeca en winkeliers; d. Omvang verenigingsleven tenminste conserveren; e. Actief sociaal beleid, afhankelijkheid minimaliseren. Beoordeling planvoornemen gemeentelijk beleid Het beoogde plan sluit aan op de toekomstvisie van Vianen. Met behoud en uitbreiding van Plexwood blijft de bedrijvigheid bestaan. Everdingen is door de bedrijvigheid niet afhankelijk van andere gebieden. Het levert een bijdrage aan de voorzieningen en werkgelegenheid voor Everdingen, en daarmee ook voor Vianen/gemeente Vijfheerenlanden). Conclusie gemeentelijk beleid Het voorgenomen plan past binnen de het beleid van de gemeente Vijfheerenlanden. Het beoogde plan vormt geen strijdigheid met het gemeentelijke beleid.

3.5

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkeling op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen ladderplichtig zijn. Indien een ontwikkeling ladderplichtig is dienen volgende treden doorlopen te worden:

1. Is er een regionale behoefte? 2. Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied. 3. Zoek een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte. Beoordeling ladder De beoogde ontwikkeling voorziet in een kleine uitbreiding van 250 m² bedrijfsruimte. De schaal en aard van het planvoornemen is dermate klein dat het niet onderhavig is aan de ladder. Volledigheidshalve is er behoefte naar de uitbreiding van het bedrijf op lokaal niveau. De ontwikkeling vindt plaats tegen bestaande bedrijvigheid aan op een bestaand bebouwd terrein. De ontwikkeling is niet strijdig met de ladder.

Milieuaspecten 4.1

Verkeer en parkeren

Met de boogde uitbreiding van het bedrijf kunnen extra vervoersbewegingen ontstaan. Ook kan de parkeereis veranderen, aangezien meer oppervlakte wordt toegevoegd aan het bedrijf. Onderstaand wordt voor beide thema’s berekend of en met welke hoeveelheid sprake is van een toename. Allereerst wordt ingegaan op het geldende beleid. Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren Op het plangebied is een parapluplan wonen en parkeren van toepassing. Het parapluplan is ontstaan door dat met de wetswijziging op 29 november 2014, de stedenbouwkundige bepalingen en gemeentelijke bouwverordeningen kwamen te vervallen, en daarmee ook de parkeerregulering. Om dit op te lossen zal in het bestemmingsplan of beheersverordening hiervoor een aparte regeling moeten worden opgenomen. Voorliggend paraplubestemmingsplan omvat het gehele grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden. In het paraplubestemmingsplan staan de regels met betrekking tot parkeren en wonen. Met betrekking tot parkeren staat beschreven dat de gemeente Vijfheerenlanden niet over geldend parkeerbeleid beschikt. Daarom wordt in het parapluplan verwezen naar de CROWpublicatie 381 Toekomstbestendig parkeernormen: Van parkeercijfers naar parkeernormen uit 2018 verwezen. In de bijlage van de toelichting is op basis van de meest actuele CROWpublicatie een overzicht opgesteld van de gemiddelde parkeernorm per functie.

Verkeersgeneratie Met de uitbreiding van het bedrijf kunnen meer vervoersbewegingen ontstaan. Daarom is onderstaand een worst-case berekening gedaan naar de toename van het aantal vervoersbewegingen op basis van de kengetallen van het CROW. Het plangebied bevindt zich buiten het centrum en de rest bebouwde kom van Everdingen. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied ten oosten van Everdingen, in de richting van Goilberdingen. Het gebied wordt dan ook omgeven door voornamelijk agrarische gronden en natuur. Ook zijn er enkele woningen in de nabijheid gevestigd. Het plangebied wordt ontsloten door de Lekdijk, ten noorden van het plangebied. De Lekdijk zorgt in verschillende richtingen voor verbinding met andere plaatsen. Richting het westen zorgt de Lekdijk voor verbinding met Everdingen, richting het oosten met Goilberdingen, Hoge Prijs en Terweijde. Via Everdingen zorgt de Lekdijk via de Graaf Huibertlaan en Paralelweg voor verbinding met de N484. Ook is de verbinding mogelijk vanaf de Lekdijk, via de Diefdijk en Kerkweg. Op basis van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ volgt de volgende toename van verkeersbewegingen door realisatie van het project. Op basis van de omgevingsadressendichtheid van 67 adressen voor Everdingen buitengebied in 2021 wordt uitgegaan van een niet stedelijk gebied.

Gezien de ligging buiten het bebouwd gebied van Everdingen wordt uitgegaan van het buitengebied.

Aangezien de aanvraag bestaat uit het herstellen van de 950 m² aan totaal bebouwd oppervlak en de uitbreiding van 250 m² bovenop de 950 m² bebouwde oppervlakte. Volledigheidshalve is het aandeel verkeer voor dit gehele oppervlak berekend. Met de uitbreiding wordt het huidige bedrijfspand uitgebreid van een bruto vloeroppervlakte van 1.525 m² tot een oppervlakte van 2.128 m². Tabel 2: Verkeersgeneratie planvoornemen Onderdeel

Functie

Aantal m2 bvo

Bedrijf arbeidsextensief/ Herstellen bouwoppervlak bezoekersextensief

1.525 m²

Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief

603 m²

Totaal

Uitbreiding 250 m2 bouwoppervlakte

2.128 m²

Norm per 100 m²

Totaal

5,7 vervoersbewegingen per dag 5,7 Vervoersbewegingen per dag

86,9 vervoersbewegingen per dag 34,4 vervoersbewegingen per dag 121,3 vervoersbewegingen per dag

Uit de berekening blijkt dat worst-case 121,3 (=122) vervoersbewegingen ontstaan in het buitengebied van Everdingen. Een groot deel van deze vervoersbewegingen vinden in de huidige situatie al plaats. Circa 35 vervoersbewegingen per dag vinden extra plaats door de uitbreiding van het bedrijf. Dit aantal vormt een dermate klein aantal ten opzichte van de bestaande vervoersbewegingen, dat dit voor geen belemmeringen zorgt voor de huidige verkeersituatie. Immers is dit de worst-case berekening en zullen de vervoersbewegingen in praktijk lager liggen. Het is niet zeker dat het aantal vervoersbewegingen toeneemt door de uitbreiding van het bedrijf. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Autoparkeerplaatsen Op basis van de normen zoals gesteld in de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ is de parkeerbehoefte voor het beoogde plan berekend. Op basis van de bijlage van het parapluplan parkeren en wonen wordt uitgegaan van de gemiddelde normen. De parkeernormen zijn opgesteld op basis van een niet stedelijk gebied in het buitengebied van Everdingen, zoals hiervoor (onder verkeersgeneratie) uitgelegd. In de onderstaande tabel zijn het aantal benodigde autoparkeerplaatsen voor de ontwikkeling berekend.

Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is het totale oppervlakte van het bedrijf gebruikt, om te bezien of in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien. De bruto vloeroppervlakte van de nieuwe bebouwing betreft in totaal (dus inclusief de reeds vergunde bebouwde oppervlakte van 950 m2) 2.128 m². De tekeningen van de oppervlakte is in de bijlage toegevoegd. Daarin is ook een onderscheid te zien tussen de verschillende gebruiksruimtes. Grote delen van het bedrijf zijn in gebruik als opslag. Een ander deel wordt gebruikt als werkplaats.

Tabel 3: Autoparkeerplaatsen planvoornemen Onderdeel Bedrijf arbeidsextensief/bezoek ersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) Bedrijf arbeidsintensief/bezoek ersextensief (werkplaats, industrie) Totaal

Functie

Aantal

(Gemiddelde) norm per 100 m² BVO

Totaal

Opslag

1.337 m²

1,05 parkeerplaatsen

14 parkeerplaatsen

Kantoor, werkplaats

485

2,35 parkeerplaatsen

11 parkeerplaatsen

25 parkeerplaatsen

Uitgaande van bovenstaande gegevens zijn 25 parkeerplaatsen nodig voor het totale bedrijf. De parkeerplaatsen worden op eigen terrein opgelost. Op eigen terrein zijn 25 parkeerplaatsen voorzien (zie onderstaande afbeelding). Echter is er ook een parkeerplaats voor brandweer op het terrein aanwezig, waar vrachtwagens zich kunnen plaatsen. Op het terrein is daarnaast voldoende ruimte aanwezig voor eventueel extra parkeerplaatsen (zie onderstaande afbeelding). Nader onderzoek is niet nodig.

Fietsparkeerplaatsen De CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ hanteert geen kengetallen voor fietsparkeerplaatsen. Gesteld wordt dat op het terrein ruimte is voor een fietsoverkapping. Onder de overkapping is minimaal plaats voor 12 fietsen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan fietsparkeerplaatsen. Nader onderzoek is niet nodig.

4.2

Bodemkwaliteit

Wetgeving In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Beoordeling planvoornemen Het beoogde planvoornemen voorziet in de uitbreiding van 250 m² bedrijfsruimte, tegen de bestaande bedrijfsruimte aan. Het is bekend dat de locatie in het verleden dienst heeft gedaan als boombaard. Dit gebruik is al dusdanig lang geleden, dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor het huidige gebruik, te weten bedrijf. Uit informatie uit het Geoportaal van de ODRU is bekend dat er een bodemonderzoek in het kader van de bouw van de 1e uitbouw van de bestaande bedrijfshal de bedrijfswoning uit 1995 is uitgevoerd. Volgens de resultaten van dit onderzoek is er een lichte verontreiniging met zink in de puinhoudende bovengrond (deellocatie huis) en licht verhoogde concentraties van zink, arseen en fenolen in het grondwater aangetroffen. Gelet op de kleinschaligheid van deze uitbreiding is er in overleg tussen de gemeente en de initiatiefnemer is besloten om op dit moment geen verkennend bodemonderzoek uit te voeren op de locatie van de uitbreiding.

De uitbreiding is ten behoeve van een magazijn. Er komt een nieuwe vloer die ervoor zorgt dat er geen sprake is van direct contact met de ondergrond. Met de uitbreiding wordt geen kwetsbaar object toegevoegd. De uitbreiding wordt aan het bestaande gebouw vast gebouwd en fungeert als onderdeel van het bedrijf. De werknemers verblijven slechts kortstondig in het magazijn omdat deze gebruikt wordt voor opslag. Voor de uitbreiding en werkzaamheden zijn daarom geen verontreinigingen in de bodem voorzien die van negatieve invloed kunnen zijn voor de ontwikkeling. Een bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie bodemgeschiktheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemgeschiktheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -

het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.

Beoordeling planvoornemen Op het plangebied is vanuit het vigerende bestemmingsplan geen dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ van toepassing. Op basis van dit gegeven is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het beoogde plan vormt geen gevaar voor Archeologische waarden. Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt niet op gronden met cultuurhistorische waarde, zoals beschermd kasteel- en landgoedbiotoop, in de nabijheid van een beschermd molenbiotoop of binnen het Natuur Netwerk Nederland en Natura 2000-gebieden. Ook bevindt het plangebied zich niet binnen een beschermd dorps- of stadsgezicht en zijn er geen monumentale of beeldbepalende gebouwen binnen of nabij het plangebied waarop het planvoornemen een negatief effect heeft. Conclusie archeologie en cultuurhistorie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot

milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd.

De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen In het kader van een goede ruimtelijke ordening, heeft een inventarisatie plaatsgevonden van relevante bedrijven in de nabije omgeving. Het plangebied ligt in het buitengebied van Everdingen. Rondom het plangebied bevinden zich enkele woonbestemmingen en voornamelijk agrarische en natuurbestemmingen. Het gebied is daarom aan de merken als een rustige woonwijk. Het bedrijf levert bouwonderdelen is in het vigerende bestemmingsplan aangemerkt als een meubelfabriek, door middel van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf meubelfabriek’. Zowel in de bijlage van het bestemmingsplan als de VNG-publicatie geldt voor een meubelfabriek milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. Het aspect geluid vormt daarbij het maatgevende aspect. Onderstaand is een buffer van 100 meter om het bedrijf gelegd.

Op basis van de bovenstaand afbeelding wordt geconcludeerd dat de uitbreiding voor een belemmering van omliggende woningen zorgt. Immers staan twee woningen binnen de richtafstand van 100 meter ten opzichte van het bedrijf. Echter geldt dit voor de huidige situatie ook, aangezien het bedrijf er al is gevestigd en in gebruik is. Aan de zijde van de woning met huisnummer 9 (zuid) wijzigt er helemaal niks ten opzichte van de bestaande situatie. Aan de zijde van huisnummer 11 (noord) vindt een zeer beperkte wijziging plaats: te weten de uitbreiding van het magazijn. Een uitgebreid hinderonderzoek naar de gevolgen van de uitbreiding is niet doelmatig. Aan de inrichtingsgrens van het bedrijf wijzigt niks. De eventuele werkzaamheden die op dit moment op het buitenterrein plaatsvinden, zullen niet toenemen. Door de inpandige verbouwing met een gewijzigde indeling en de uitbreiding van het magazijn is er juist meer ruimte om voorraad binnen op te slaan en eventuele werkzaamheden daadwerkelijk binnen uit te voeren elders in het pand. Op deze wijze vindt er geen verslechtering plaats op het buitenterrein ten opzichte van de woningen.

In het vigerende bestemmingsplan staat verder het volgende over de bestaande bedrijfsbestemmingen: ‘Bedrijven die ten tijde van het opstellen van dit plan aanwezig zijn, maar niet passen binnen de algemene toelaatbare categorieën van bedrijfsactiviteiten (in het bestemmingsplan tot milieucategorie 2), krijgen een specifieke bestemming. Op basis hiervan kunnen bedrijven alleen de activiteiten voortzetten die vallen onder deze specifieke bestemming of wanneer deze activiteit past binnen de algemeen toelaatbare categorieën van bedrijfsactiviteiten. Bij bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing kan zich dan alleen nog een gelijksoortig bedrijf vestigen, of een bedrijf dat past binnen het algemene toelatingsbeleid. Op deze manier kan milieuhinder van die specifieke bestemming niet

toenemen ten opzichte van de huidige situatie.’ Gelet op bovenstaande citaat wordt geconcludeerd dat, met de uitbreiding van het bedrijf, de activiteiten kunnen worden doorgezet die onder de specifieke bestemming (Specifieke vorm van bedrijf – meubelfabriek) vallen. Ten tijde van vaststellen van het vigerende bestemmingsplan was het bedrijf al op de locatie gevestigd. De werkzaamheden werden al uitgevoerd. Met de uitbreiding van het bedrijf blijven dezelfde activiteiten en werkzaamheden bestaan. Door de uitbreiding ontstaat geen toename van milieuhinder ten opzichte van de huidige situatie. De omliggende woningen ervaren daardoor geen extra belemmeringen. Geconcludeerd wordt dat de uitbreiding voor geen belemmering zorgt ten opzichte van omliggende kwetsbare objecten. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.5

Geluid

Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer. Een bedrijf veroorzaakt een geluidsbelasting in de omgeving. Bij bedrijven is het geluid van installaties en voertuigen vaak bepalend. Het bevoegd gezag beoordeeld de geluidsbelasting van het bedrijf op de geluidsgevoelige functies in de omgeving. Bij de realisatie van een (uitbreiding van een) bedrijf op een gezoneerd industrieterrein geldt de Wet geluidhinder. Het bedrijf mag niet leiden tot een overschrijding van de geluidswaarde op de zone. Deze zone is vastgelegd in het bestemmingsplan. Onderstaand staat beschreven of sprake is van een belemmering ten opzichte van omliggende kwetsbare objecten. Beoordeling planvoornemen Met de realisatie van het planvoornemen wordt het bestaande bedrijf uitgebreid en verbouwd. Er worden geen geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. De Wet geluidhinder legt daarmee geen belemmeringen op. De uitbreiding kan effect hebben op twee thema’s: industrie en verkeer. Onderstaand wordt op beide thema’s ingegaan: Verkeer: Samen met de uitbreiding van het bedrijf ontstaan worst-case 57 vervoersbewegingen op basis van de CROW-kengetallen. 15 Vervoersbewegingen ontstaan per dag door de uitbreiding van 250 m². De toename in vervoersbewegingen zorgt niet voor extra belemmeringen rondom het aspect geluid.

Andersom ervaart het bedrijf geen hinder vanuit wegverkeer. Er ontstaan geen dermate extra vervoersbewegingen dat meer hinder wordt ervaren dan in de huidige situatie. Er ontstaat geen extra geluid vanuit het bedrijf en er is geen hinder vanuit wegverkeer. Nader onderzoek is niet nodig.

Industrielawaai: Voor wat betreft industriegeluid wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een wijziging in bedrijfsvoering. Het bedrijf zal dezelfde werkzaamheden blijven uitoefenen als in de huidige situatie. Vanuit het bedrijf ontstaat dan ook geen extra geluid. Immers is onder paragraaf 4.4 al aangetoond dat het bedrijf geen hinder ervaart vanuit omliggende bedrijven en geen hinder veroorzaakt ten opzichte van omliggende functies. Railverkeerslawaai Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een spoorlijn Gesteld wordt dat geen geluidsoverlast wordt ervaren vanuit een spoorlijn. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Luchtverkeerslawaai Het plangebied bevindt zich ver buiten de afwegings- en invloedgebieden van het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB) en van de invloedgebieden van Luchthaven Rotterdam – The Hague Airport. Een onderzoek is niet nodig. Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.6

Flora en Fauna

Bij het ruimtelijke plan toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde (Natura 2000) gebieden. Soortbescherming Binnen het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. De omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. Om verstoring van eventuele foeragerende vleermuizen te voorkomen dient (bouw)verlichting tussen zonsondergang en -opkomst gedoofd te worden en mag er niet op de omringende vegetatie geschenen worden.

De rugstreeppad is veelvuldig in de nabije omgeving waargenomen. In de huidige situatie vormt het plangebied geen geschikt habitat voor de rugstreeppad. Wanneer er tijdens de werkzaamheden los zand op het terrein ontstaat, bijvoorbeeld door het plaatsen van bouwzand of het breken van de bodem, ontstaat zeer geschikt habitat voor de rugstreeppad. Wanneer het terrein bereden wordt door zware voertuigen kunnen in de bandensporen tijdelijke plassen ontstaan. In deze plassen kan zich geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad ontwikkelen. De rugstreeppad kan zich als pioniersoort zeer snel vestigen in nieuwe habitats. Om te voorkomen dat de rugstreeppad zich in het plangebied vestigt dient het werkgebied afgezet te worden met paddenschermen en is het belangrijk bergen (bouw)zand direct na

plaatsing goed sluitend af te dekken. Om te voorkomen dat er plassen vormen die als voortplantingswater kunnen functioneren is het van belang om, daar waar zware voertuigen zullen rijden, druk verdelende metalen bouwplaten toe te passen. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Aangezien de gebruiksfase van het planvoornemen niet wijzigt ten opzichte van de huidige gebruiksfase, wordt geadviseerd om geen stikstofberekening uit te laten voeren. Het volledige rapport is als bijlage bij deze onderbouwing toegevoegd. Conclusie flora en fauna Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het onderdeel Flora en Fauna voor geen belemmering zorgt, mits aan de mitigerende maatregelen wordt voldaan. Nader onderzoek naar soorten is niet nodig.

4.7

Stikstofdepositie

Wetgeving De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met (de mobiele voertuigen die ingezet worden bij) de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de intreding van de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen. Door deze uitspraak dienen stikstofberekeningen te worden uitgevoerd zoals voor 1 juli 2021 het systeem was. Dit betekent dat zoals onder de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig kan zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Eind januari 2023 vindt de jaarlijkse update van de AERIUS Calculator plaats. De actualisatie heeft betrekking op emissiefactoren, natuurgegevens, en achtergronddepositie.

Met de actualisatie zal ook de Regeling Natuurbescherming (artikel 2.1) aangepast worden, zodat de nieuwste versie van AERIUS Calculator met onmiddellijke ingang vereist is voor het berekenen van stikstofdepositie van alle lopende projecten. Er geldt geen overgangsrecht voor stikstofberekeningen. Beoordeling planvoornemen De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt daarom geen toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.

Het uitgevoerde stikstofonderzoek is als separate bijlage aan deze onderbouwing toegevoegd. Conclusie stikstofdepositie Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. Tabel 4: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof

NO2

PM10 PM2,5

Concentratie [μg/m3]

Omschrijving

40

Jaargemiddelde concentratie

200

Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden

40

Jaargemiddelde concentratie

50

24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden

25

Jaargemiddelde concentratie

Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om ervoor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).

AMvB en Regeling niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 μg/m 3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol.

Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen. Beoordeling planvoornemen Het beoogde plan voorziet in een uitbreiding van 250 m² aan bedrijfsoppervlak voor de leverancier van bouwonderdelen. Daarnaast wordt het totaal bebouwd oppervlak hersteld van 550 m² in de eerder vergunde 950 m². Worst-case wordt in de onderstaande NIMB-tool uitgegaan van de volledige vergunning van 950 m². Onderstaand is op basis van de NIMB-tool 2021 bepaald of de ontwikkeling ‘niet in betekende mate’ een bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d43cb93a-63d8-4967-9a3e-0bf0dd2b1c00