Ruimtelijke onderbouwing (oktober 2024)
Tekst van het document
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.11 OV (ofwel artikel 9.9 IOV) sluit de beoogde ontwikkeling aan c.q. is in lijn met het bepaalde in de IOV c.q. het provinciaal ruimtelijk beleid omtrent VAB-locaties. Ligging in het Groene Hart (instructieregel 7.11 OV) Overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.11 en de ligging in het Landschap Groene Hart dienen de kernkwaliteiten te worden beschermd. Binnen het Groene Hart zijn Bebouwingslinten met beplanting en sloten belangrijk in het open veenweide-landschap. Landschappelijk is het uitgangspunt dat erven in deze lintbebouwing als eilanden in het landschap liggen. Bij deze ontwikkeling wijzigt de indeling van het erf. De oppervlakte van het bouwvlak wordt verkleind, waardoor de ‘korrel’ ten opzichte van het open veenweide gebied relatief ook kleiner wordt. Het ‘eiland’ wordt versterkt door aan de noord en noordwestzijde van het plangebied extra streekeigen beplanting toe te voegen, waaronder hoogstamfruitbomen, eiken, essen en wilgen, waarmee het erf geaccentueerd wordt en derhalve de kernkwaliteit versterkt. In de situatie- en inrichtingsplan, welke opgenomen is in de bijlage, zijn de karakteristiek van het perceel zoals de sloten, erfbeplanting (bestaand en nieuw) en de begrenzing van het plangebied opgenomen.
Cumela Advies – Nijkerk
- 24 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
Overige gebiedsaanwijzingen Voor overige relevante gebiedsaanwijzigingen zoals de ligging in een stiltegebied, grondwaterbeschermingszone en weidevogelgebied wordt volstaan met een verwijzing naar de afzonderlijke aspecten van de fysieke leefomgeving in hoofdstuk 4, zoals Water, Geluid en Ecologie. Conclusie De ontwikkeling voor het plangebied is in lijn c.q. niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk beleid. Het initiatief draagt bij aan het versterken van de aanwezige waarden, behoud van de openheid van het gebied, de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, draagt bij aan behoud van ontwikkeling en vitaliteit van het landelijk gebied, duurzaamheid, de beleving van het gebied, en dergelijke. Op grond van de IOV (OV) zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van dit plan.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Vijfheerenlanden Het gemeentebestuur van Vijfheerenlanden heeft in 2023 de ontwerpversie van de Omgevingsvisie ter inzage gelegd. Ten tijde van het indien van de aanvraag omgevingsvergunning was sprake van een ontwerpstatus. Op 8 februari 2024 heeft de raad de Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie van gemeente Vijfheerenlanden gaat over de toekomst (tot 2040) van onze dorpen en steden en van het buitengebied en laat zien wat we belangrijk vinden voor de fysieke leefomgeving. De visie richt zich op mogelijkheden om te wonen, werken, recreëren, ondernemen, maar ook op een gezond, duurzaam en veilig leefklimaat. De omgevingsvisie vormt het kader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig beleid en het omgevingsplan. De bloei (van Vijfheerenlanden in brede zin) leidt tot groei en dat betekent een grote vraag naar ruimte voor wonen, werken en een aantal complexe maatschappelijke opgaven. Opgaven die voortkomen uit ontwikkelingen zoals klimaatverandering en de transitie van de landbouw. De ruimte die dit vraagt heeft effect op de leefbaarheid en op het landschap binnen de gemeente.
De ontwikkelingen zijn vertaald in vijf doelen die de gemeente tot 2040 wil bereiken: Landschap, water en groen; Wonen; Werken; Mobiliteit: Energietransitie Het bereiken van de doelen is vertaald in verschillende ambities en keuzes. Relevant voor deze ontwikkelingen zijn: We versterken en behouden onze landschappelijke en cultuurhistorische waarden. • We zorgen voor duurzame werkgelegenheid. • We zetten in op duurzame bereikbaarheid. • We zetten in op een toekomstbestendige landbouw. Vanuit het oogpunt va de ambitie ‘duurzame werkgelegenheid en het inzetten op een toekomstbestendige landbouw’ wordt onderscheid gemaakt in zogenaamde werklandschappen en het buitengebied. De visie omschrijft hoe de gemeente met werklandschappen (industrieterreinen) wil omgaan én hoe met het buitengebied. Aangegeven wordt dat het landelijk gebied in gebruik is door de agrarische sector. Het gaat voornamelijk om grasland. Daarnaast zijn verspreid in het buitengebied niet-agrarische bedrijven aanwezig. Bedrijven die ondersteunend en aanvullend zijn voor de agrarische sector, maar ook bedrijven die niet perse een directe binding hebben met het buitengebied. Hieruit is af te leidden dat ‘ondersteunende en aanvullende bedrijven’ passend zijn in het landelijk gebied.
Een loonbedrijf welke diensten verricht voor agrarische bedrijven en waterschappen inzake beheer en onderhoud van het landelijk gebied sluit daar bij aan. Als reactie op de zienswijze welke vanuit de brancheorganisatie Cumela is ingediend onderschrijft de gemeente dit ook:
Cumela Advies – Nijkerk
- 25 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
“Met de zienswijzen is aandacht gevraagd voor de cumela-bedrijvigheid in de gemeente. Wij erkennen het bestaansrecht van dit type bedrijven in onze gemeente. In de uitwerking van de visie richting beleid en omgevingsplan zal voor deze vorm van bedrijvigheid aandacht zijn”. Het initiatief voorziet in het bieden van een toekomstperspectief voor een bedrijf ten dienste van het landelijk gebied, waarbij het te formaliseren (planologisch) gebruik van een bestaand agrarisch bouwperceel in de vorm van een loonen cultuurtechnisch bedrijf zorgt voor versterking van de ambities en keuzes. Dit geldt ook in relatie tot verduurzaming etc. (zie paragraaf 3.2). Het bedrijf draagt bij middels het bieden van werkgelegenheid voor Vijfheerenlanden, afkomstig uit het landelijk gebied, voor vitaliteit en leefbaarheid. De ontwikkeling is tevens gericht op behouden en versterken van de essentiële kwaliteiten. Conclusie De ontwikkeling past qua toekomstbeeld en hoofdlijnen binnen de visie i.c. de visie leidt niet tot belemmering qua realisatie. 3.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied Zederik / reparatieplan In beginsel wordt volstaan met een verwijzing naar paragraaf 1.3. Nader wordt ingegaan op de gedragslijn voor vrijkomende agrarische bebouwing. In de Toelichting bij het bestemmingsplan Reparatieplan Buitengebied Zederik is een nadere toelichting c.q. afwegingskader opgenomen. Zie figuur 10.
Figuur 10: Toelichting (pag 100 e.v) Reparatieplan Buitengebied Zederik
Bij dit initiatief is sprake van ‘hergebruik voor agrarisch- gerelateerde bedrijvigheid’ (loonbedrijf / agrarisch aanverwant bedrijf). Daarnaast wordt waardevolle vrijgekomen agrarische bebouwing, zoals de woonboerderij, behouden en de erfbebouwing is passend in de karakter van het gebied. De welstandcommissie stelt het op prijs dat initiatiefnemer de woonboerderij opwaardeert.
Cumela Advies – Nijkerk
- 26 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
De ontwikkeling sluit aan bij de gedragslijn c.q. de formulering van de raad; “agrarische bedrijven die vrijkomen mogen een invulling krijgen die bijdraagt aan de kwaliteit van het gebied”. Initiatiefnemer voorziet hierin door het leveren van een bijdrage binnen het plangebied én met de werkzaamheden in brede zin voor het landelijk gebied. Conclusie Aangaande onderhavige ontwikkeling is rekening gehouden met de gemeentelijke ruimtelijke visies en kaders. Met in achtneming van de verantwoording in dit plan is afdoende inzichtelijk gemaakt dat bij deze ontwikkeling passend is binnen het (gemeentelijk) ruimtelijk beleid.
3.4 Conclusie beleid Op basis van de van toepassing zijnde (ruimtelijke) provinciale- en gemeentelijke beleidsregels is een nadere motivering en onderbouwing opgenomen. Het initiatief is in overeenstemming i.c. niet in strijd met de van toepassing zijnde ruimtelijke beleidsregels.
Cumela Advies – Nijkerk
- 27 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
4 OMGEVINGSFACTOREN In dit hoofdstuk is de verantwoording aangaande de milieukundige- en omgevingsaspecten opgenomen in relatie tot de beoogde ontwikkeling.
4.1 Milieuzonering Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Deze afstand wordt gemeten tussen de bestemmingen van bedrijven en de gevels van geluidsgevoelige objecten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën. - bestaande situatie Gezien de bestemming Agrarisch en de oorspronkelijke veebezetting van melkvee, jongvee en schapen was er sprake van een hindercirkel in relatie tot geur / geluid van in beginsel 100 meter. Binnen deze afstand zijn woningen annex gevoelige objecten aanwezig. - beoogde situatie In relatie tot de beoogde activiteiten, zijnde het houden van vee (geringe omvang) en een loon- en cultuurtechnisch bedrijf is de volgende indeling te onderscheiden. SBI - 014 - 016 - 8130 - 4312 - 773
activiteit Telen van gewassen / landbouwonderneming Dienstverlening t.b.v. landbouw (loonbedrijf) (b.o. > 500 m2) Landschapsverzorging / cultuurtechnische werken Grondverzet Verhuur van machines / werktuigen
2 3.1 3.1 3.1 3.1
afstand 30 mtr 50 mtr 50 mtr 50 mtr 50 mtr
Bij deze activiteiten is primair het aspect ‘geluid’ relevant. De activiteiten zijn qua aard en omvang in te delen op grond van milieucategorie 3.1. De relevante richtafstand is 50 meter. Het dichtstbijzijnde object is Lakerveld 256 zijnde het perceel ten zuiden van het plangebied. Deze locatie is op grond van het bestemmingsplan Buitengebied (2015) aangemerkt als Agrarisch. Formeel is echter op 30 juni 2014 een wijzigingsplan vastgesteld waarbij het object de bestemming Wonen heeft verkregen (en derhalve niet is verwerkt in het vigerende bestemmingsplan). Voor het woonhuis op Lakerveld 256 is een bouwvlak opgenomen. De afstand van het bouwvlak wonen en de nieuw te plaatsen loods (of overige bebouwing) is circa 59 meter. Aan de richtafstand (50 meter) wordt voldaan. De afstand tot de woning Lakerveld 244, ten noorden van het plangebied, bedraagt circa 103 meter (grenzen bouwvlak). Aan de richtafstand (50 meter) wordt voldaan. Plattelandswoning Op basis van het advies van de omgevingsdienst (september 2024) is het gebruik en de bewoning van Lakerveld 252 nader beoordeeld. Deze woning wordt nu gehuurd door de gemeente voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Dat de woning in de toekomst als bedrijfswoning in gebruik genomen wordt, is niet aannemelijk. Het advies is opgevolgd waarbij de woning als plattelandswoning dient te worden beschouwd.
De Wet plattelandswoningen is op 1 januari 2013 in werking getreden. De Wet plattelandswoningen maakt het mogelijk om een agrarische bedrijfswoning te bewonen als burgerwoning. Deze wet regelt dat de bestemming van gebouwen zoals opgenomen in het bestemmingsplan (of omgevingsplan) bepalend is voor de mate van
Cumela Advies – Nijkerk
- 28 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
milieubescherming en niet langer het feitelijk gebruik én dat plattelandswoningen kunnen worden opgenomen in het bestemmingsplan, waarmee bewoning door derden, die geen binding hebben met het ter plaatse opererende agrarische bedrijf, planologisch wordt toegestaan. Vanwege de wet is de betreffende woning geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij en in relatie tot het Besluit activiteiten Leefomgeving (BAL). Aangaande het aspect milieuzonering en met name de onderdelen geur en geluid is het (hobby-matig) houden van vee en de (beperkte) opslag van meststoffen relevant. Gezien de emissiepunten en de afstanden tot gevoelige objecten zijn beperkingen voor omliggende burgerwoningen of andere gevoelige objecten niet aan de orde (zie hiervoor). De bestaande bedrijfswoning (geen geurgevoelig object) behoort tot de inrichting. Door aan de ‘nieuwe’ woning de aanduiding ‘plattelandswoning’ toe te kennen, komt aan laatstgenoemde op basis van de Wet plattelandswoningen aangaande het onderdeel ‘geur’, zowel in relatie tot de Wet geurhinder en veehouderij en het Besluit activiteiten leefomgeving geen specifieke bescherming toe. Er is geen sprake van geurgevoelige objecten (binnen het plangebied). Conclusie Op grond van het aspect ‘milieuzonering’ zijn er overeenkomstig een goede ruimtelijke ordening geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.2 Bodem Op grond van de Wet bodembescherming of ten gevolge van de vereisten op grond van de Wet Milieubeheer (voor bedrijfsactiviteiten) kan een onderzoek van de bodemgesteldheid een vereiste zijn. Onderhavig afwijking van het gebruik heeft betrekking op een bestaande agrarische inrichting, waarbij een functieaanduiding loonbedrijf wordt toegevoegd en bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd (ter plaatse van reeds bestaande bebouwing). Verblijfs- of overige gevoelige functies, waar personen langdurig verblijven, zijn niet aanwezig (afgezien van de bestaande bedrijfswoningen) i.c. worden niet toegevoegd. De bedrijfsactiviteiten welke primair bestaan uit het stallen van materieel en materiaal en opslag van (inerte) goederen / stoffen zijn niet van dien aard of omvang dat in relatie tot de aanvraag in casu invloed op het woon- en leefklimaat een verkennend bodemonderzoek vereist is. Het al dan niet uitvoeren van een milieukundig onderzoek (nul- / eindsituatie) in relatie tot activiteiten met een bodemrisico zullen in het milieuspoor (melding Activiteitenbesluit / Besluit activiteiten leefomgeving) nader getoetst worden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering ter realisatie van dit plan.
4.3 Geluid / mobiliteit Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. Er zijn geen spoorwegen of geluidszoneringsplichtige industrie aanwezig (in directe nabijheid), dus alleen het aspect 'wegverkeerslawaai' is aan de orde. - Wegverkeerslawaai De ontwikkeling is niet gericht of maakt het niet mogelijk om nieuwe geluidsgevoelige objecten op te richten. De bestaande situatie van woningen en / of gebouwen blijft ongewijzigd.
Cumela Advies – Nijkerk
- 29 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
De mobiliteit c.q. mate van verkeersbewegingen zullen relatief licht wijzigen c.q. toenemen ten opzichte van het (voormalige) agrarische bedrijven. Voor zover dit aan de orde is, betreft dit slechts een enkele bewegingen per etmaal. Gezien de omvang van het bedrijf leidt een en ander niet tot onevenredige verkeersdruk of dergelijke. Een nadere toetsing aan het aspect wegverkeerslawaai is niet aan de orde. Conclusie Het aspect geluid en mobiliteit geeft geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.
4.4 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet heeft de volgende drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen. In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met Europese en nationale wetgeving en beleid ten aanzien van de bescherming van natuur. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. - Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) – voorheen Ecologische Hoofdstructuur – is een samenhangend netwerk van bestaande – en nog te ontwikkelen – belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. - Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten.
Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: • uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); • het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen van dieren, dan wel ontworteling of vernieling van plantensoorten; • er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; • er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Beoordeling natuurwaarden i.r.t. plangebied - Gebieds-/soortenbescherming De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de agrarische polders van buurtschap Lakerveld. Ten oosten en zuiden van de planlocatie stroomt vanaf 550 meter het Merwedekanaal. Ten westen van het plangebied ligt op 1 km afstand Natura2000 gebied Zouweboezem.
Cumela Advies – Nijkerk
- 30 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
In relatie tot de ontwikkeling en in het bijzonder het slopen van de bedrijfsbebouwing (deels) is door Blom Ecologie een Quickscan Wet natuurbescherming Lakerveld 252&254 te Lexmond uitgevoerd. Het rapport 2023-0736 d.d. 11 augustus 2023 maakt onderdeel uit van de aanvraag. Op grond van het advies van de omgevingsdienst is een nader aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het aanvullende onderzoek en rapportage door Blom Ecologie vindt in november 2024 plaats. De gegevens worden toegevoegd aan de aanvraag. In de rapportage(s) zijn ter aanbeveling diverse maatregelen opgenomen. - Stikstof In navolging van het bepaalde in de Wnb dient voor een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling – al dan niet via een voortoets – gemaakt te worden om te beoordelen of (eventueel met mitigerende maatregelen) met zekerheid kan worden vastgesteld dat het plan of project de natuurwaarden niet aantast. Deze verplichting vloeit voor uit de Habitatrichtlijn. Door Nederland is dit toestemmingsregime geïmplementeerd in de Wnb. Bij activiteiten waarbij sprake is van stikstofemissie (N-emissie) kan op voorhand sprake zijn van een significant effect op nabijgelegen stikstofgevoelige habitats / Natura 2000-gebieden. In beginsel dient wanneer sprake is van activiteiten / werkzaamheden een nadere beoordeling te worden uitgevoerd.
Bij dit initiatief is sprake van een bouw-, aanleg- en een gebruiksfase met N-veroorzakende activiteiten. Door Versluis Advies is een notitie opgesteld waarbij een toelichting is opgenomen inclusief Aerius-berekeningen voor de bouw- en gebruiksfase. Daarnaast wordt ingegaan op de gebruiksfase. Op basis van de resultaten uit de AERIUS-berekening voor de realisatiefase blijkt dat er geen rekenresultaten worden weergegeven van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Zowel voor de realisatiefase als de gebruiksfase wordt geconcludeerd dat er geen negatieve effecten op nabijgelegen Natura-2000 gebieden te verwachten zijn in het kader van stikstofdepositie. Er is geen reden die de realisatie en het gebruik van het plan in de weg staat. De notitie en Aerius-berekeningen van 17 oktober 2024 zijn bijgevoegd bij de aanvraag. Uit de AERIUS-verschilberekening blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op omliggende gebieden en daarmee ook geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden. De beoogde situatie leidt tot een afname aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Dat is ook het geval wanneer zowel de realisatiefase als de beoogde gebruiksfase worden opgeteld en uitgerekend.
Op 20 januari 2021 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak 201907146/1/R2 (Logtsebaan) vastgesteld dat geen sprake is van significante effecten als er ten opzichte van de referentiesituatie geen toename van stikstofdepositie is. Dit betekent dat voor dergelijke Natura-2000 activiteiten geen vergunning nodig is en er intern gesaldeerd kan worden met de referentiesituatie. De resterende NH3 en NOx rechten als gevolg van deze wijzigende gebruikssituatie zullen worden aangeboden bij de provincie en/ of op de markt worden gebracht. In relatie tot de gebruiksfase zij opgemerkt dat initiatiefnemer qua investeringsbeleid van materieel specifiek inzet op verlaging van emissies zoals CO2 en NOx (zie ook hoofdstuk 2 Bedrijfsprofiel), door andere elektrificering van materieel en gebruik van speciale brandstof (HVO 100)). Hierbij mag redelijkerwijs geconcludeerd worden dat de ontwikkeling leidt tot een verdere afname aan stikstofemissie op een Natura 2000 gebied. Conclusie Het initiatief heeft geen specifieke invloed of dermate onevenredige aantasting van de belangen / waarden, welke op grond van de Wet natuurbescherming beschermd dienen te worden, dat uitvoering van het plan hierdoor niet mogelijk zou zijn.
Cumela Advies – Nijkerk
- 31 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
4.5 Luchtkwaliteit Op basis van de EU- richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2) en stikstofoxiden (NOx), zwevende deeltjes (PM10) en lood (Pb) in de lucht (Pb EG L163) dient Nederland de wettelijke luchtkwaliteitsnormen voor bovengenoemde stoffen en tevens voor koolmonoxide (CO) en benzeen (C6H6) vast te leggen. Het vorige Besluit Luchtkwaliteit 2005 is na de inwerkingtreding van de “Wet Luchtkwaliteit (Wlk)” vervallen. Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 5 Wet Milieubeheer (zie Staatsblad 2007, nr. 414, d.d. 30 oktober 2007). In artikel 5.16 Wm (lid 1) is opgenomen onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer aan één van de voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid. De voorwaarden zijn: a) er is geen sprake van een feitelijke en dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) de concentratie van de betreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c) een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging; d) een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een verslechtering van de luchtkwaliteit is veelal het gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. De NIBM-tool is een rekentool voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit. Hiermee is op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. De in dit kader van de ontwikkeling relevante bronnen betreffende derhalve de verkeersbewegingen. Voor de berekening is in het kader van de luchtkwaliteit uitgegaan – als worst-case – van 100 bewegingen (let op: dit zijn niet de feitelijke verkeersbewegingen) welke voor 100% als zware bron worden aangemerkt (zie figuur 11). Uit de berekening blijkt, op basis van een worst-case benadering, dat de blootstelling aan luchtverontreiniging beperkt is en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar. Het initiatief (als worst-case) draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek is niet aan de orde (figuur 16). Feitelijk bestaan de verkeersbewegingen (zware bronnen) gemiddeld, naar verwachting, uit 2 – 8 bewegingen per etmaal. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
Cumela Advies – Nijkerk
- 32 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022
Jaar van planrealisatie
2024
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
100
Aandeel vrachtverkeer
100,0%
3
1,12
NO2 in μg/m
3
0,08
3
1,2
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig figuur 11: Berekening NIBM
4.6 Water Zie voor Rijksbeleid, paragraaf 3.1 van de toelichting. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Het waterprogramma en de (instructie)regels overeenkomstig de waterschapsverordening van Rivierenland dienen in acht te worden genomen. Het initiatief heeft geen invloed of gevolgen voor de (bestaande) waterhuishouding. De oppervlakte aan bebouwing, verhard oppervlakte, waaronder de (bestaande) woningen blijft gelijk. Er is – door de aanpassing van oppervlakte aan de nieuwe bebouwing - geen sprake van toename aan verharding. De oppervlakte van bebouwing en erfverharding wijzigen per saldo niet. In de situatie- en inrichtingstekening behorend bij aanvraag is een overzicht van het verhard oppervlak (bestaand en nieuw) opgenomen alsmede de wijze van afvoer van water. De afvoer van huishoudelijk (afval-) water blijft bestaand en ongewijzigd. Het schoon hemelwater van daken wordt afgekoppeld en via riolering naar het oppervlaktewater geleidt.
Het toestaan van het gebruik als loonbedrijf heeft ook geen directe invloed op waterhuiskundige aspecten. Er is geen sprake van activiteiten met meststoffen of gewasbeschermingsmiddelen. Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om (onnodige) verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee ook de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: vergroenen van het plangebied, vasthouden van water (vijver), infiltratie van regenwater in de bodem, etc. Deze voorbeelden zijn feitelijk al aanwezig op en nabij het plangebied. De aanwezige bomen en natuurlijk groen zorgen voor meer groen, meer beschutting en afscherming en derhalve minder opwarming van de grond c.q. het vasthouden
Cumela Advies – Nijkerk
- 33 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
van hitte (voorkomen van hittestress). De aanwezige watergangen en sloten zorgen voor het vasthouden van water en bieden voldoende opslagcapaciteit. Toevoeging van verharding binnen het bouwperceel is niet aan de orde. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan ‘klimaatadaptief bouwen c.q. inrichten van het plangebied’. Conclusie Aangaande het onderdeel waterhuishouding zijn afdoende maatregelen aanwezig of uitvoerbaar, zodat dit de uitvoering van dit plan niet hoeft te belemmeren.
4.7 Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van onder andere nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming Waarde- Archeologie 1, ex artikel 24 (woonboerderij) of Waarde – Archeologie 2, ex. Artikel 25 van de planregels van toepassing (zie figuur 12). Voor het oostelijke deel van het plangebied geldt de Waarde-Archeologie 3, ex. Artikel 26 van de planregels.
Figuur 12; Plangebied en weergave Archeologie 2 (overige zone is archeologie 1 respectievelijk 3). Overeenkomstig de regels van artikel 25 respectievelijk 26 zijn bij grondroeringen of werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 100 of 250 m2 en dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld specifiek archeologisch onderzoek aan de orde. Vanwege de sloop – en bouwwerkzaamheden zijn ter plaatse van Waarde-Archeologie 2 en 3 grondroeringen aan de orde. Door ADC ArcheoProjecten is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het rapport 6186 d.d. 23 augustus 2023 is bijgevoegd bij de aanvraag. Het onderzoek leidt niet tot nader aanvullend onderzoek. Ongeacht voorgaande bestaat, in navolging van de zorgplicht, bij het uitvoeren van (grond-) werkzaamheden in het algemeen, waarbij onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, de verplichting om deze vondsten conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet te melden bij de bevoegde overheid. Om praktische redenen kan deze melding worden gedaan bij de gemeente of de ODRU.
Cumela Advies – Nijkerk
- 34 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
De gemeente wordt bijgaand verzocht om voormelde meldingsplicht op te nemen in de vergunningvoorschriften. Conclusie Gelet op het voorgaande vormt archeologie geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling c.q. bouwplan.
4.8 Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) (stb. 250, 2004) wordt een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (artikel 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen mobiele of stationaire bronnen. Ten aanzien van het groepsrisico kan gesteld worden dat onderhavig plan niet voorziet in de realisatie van een nieuw kwetsbaar object. Het groepsrisico blijft dan ook ongewijzigd en hoeft daarom niet nader verantwoord te worden.
Aangezien er op de bedrijfslocatie niet met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt behoeft het plaatsgebonden risico ook niet nader verantwoord te worden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.9 MER In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) 1994 is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een (project-)MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een m.e.r-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D). Per 16 mei 2017 bestaat ook beneden de drempel van onderdeel D een m.e.r.-beoordelingsplicht. In de Wet milieubeheer, artikel 7.2, lid 1 onder b. wordt aangegeven dat bij algemene maatregel van bestuur (i.e. Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Het 4e lid, artikel 7.2, stelt dat voor dergelijke activiteiten categorieën van besluiten worden aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag aan de hand van de relevante criteria in bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 7.17) een beslissing neemt of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het opnemen van een functieaanduiding ‘loonbedrijf’ bij een bestemming Agrarisch, is geen ontwikkeling welke genoemd is / wordt of de ‘ondergrenzen’ overschrijdt zoals genoemd in categorie C of D van de m.e.r. Derhalve is er geen sprake van een wettelijke verplichting tot het doorlopen van de uitgebreide m.e.r.-procedure en de m.e.r.-beoordeling.
Desalniettemin geeft de Wet milieubeheer aan dat voor geplande activiteiten wel een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing kan zijn. Deze beoordeling dient dan uitgewerkt te worden in een zogenaamde (vormvrije) ‘aanmeldnotitie’. Bij een dergelijke beoordeling moet dan worden beoordeeld of het project geen
Cumela Advies – Nijkerk
- 35 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu die alsnog aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van de uitgebreide procedure (o.g.v. bijlage III van de mer-richtlijn). Een activiteit heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu indien: sprake is van een grote afstand tot gevoelige gebieden; de locatie en de omgeving geen bijzondere kenmerken hebben waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten; de activiteit niet tot grote emissies leidt; er sprake is van een klein ruimtebeslag. Er is overwogen om een aanmeldnotitie m.e.r. op te stellen, maar gezien het feit dat dit plan geen belangrijke nadelige gevolgen / belemmeringen geeft voor activiteiten van inrichtingen en woningen in de omgeving dan wel geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu meebrengt (zie criteria hiervoor plus de verantwoording in onderhavige onderbouwing), wordt er geen aanleiding gezien om een aanmeldnotitie m.e.r. op te stellen. Conclusie Onderhavig initiatief is geen activiteit of plan waarvoor het verplicht is om een milieueffectrapportage of –(vormvrije m.e.r.-) beoordeling uit te voeren op grond van het Besluit milieueffectrapportage en / of artikel 7.16, lid 2 van de Wet milieubeheer.
4.10 Leidingen In of nabij het plangebied zijn geen aardgasleidingen / kabels aanwezig, welke een belemmering zouden opleveren voor de uitvoering van het initiatief.
4.11 Geur De ontwikkeling is niet gericht op het toestaan van een toename aan geurrelevante activiteiten. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn – als hoofdtak - beëindigd. De beoogde veebezetting is van beperkte omvang, zodat in beginsel een forse afname van geuremissie gerealiseerd wordt. In relatie tot de vestiging van het loonbedrijf zijn de activiteiten niet gericht op geurrelevante aspecten. Voor zover er sprake is van opslag van stoffen / goederen zijn nadere eisen / voorwaarden van toepassing op grond van de op de inrichting van toepassing zijnde milieuregels (Activiteitenbesluit / Besluit activiteiten leefomgeving). Deze voorwaarden worden in acht genomen. Zie ook het onderdeel milieuzonering. Conclusie Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
Cumela Advies – Nijkerk
- 36 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
5. UITVOERBAARHEID EN CONCLUSIE 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor onderhavig planinitiatief wordt een uitgebreide Wabo-procedure doorlopen. De wet kent voor deze procedure een vorm van rechtsbescherming. Tegen besluiten die de reguliere procedure doorlopen, kan bezwaar aangetekend worden door belanghebbenden. Daarna is nog het instellen van beroep mogelijk bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.2 Economische uitvoerbaarheid De kosten van voorgenomen initiatief zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Initiatiefnemer is reeds eigenaar van het perceel. Het gemeentelijk kostenverhaal is verzekerd door middel van leges.
5.3. Vooroverleg (wettelijk) De definitieve conceptstukken van deze aanvraag zijn voorgelegd aan de vooroverlegpartners. Van de volgende partners zijn – medio september 2024 - reacties ontvangen: - Provincie Utrecht; - Waterschap Rivierenland; - Omgevingsdienst regio Utrecht. De reacties zijn beoordeeld en hebben geleidt tot aanpassingen van het plan. De wijzigingen zijn doorgevoerd in onderhavige versie van de onderbouwing.
5.4 Conclusie In deze ruimtelijke onderbouwing is invulling gegeven aan de toetsing op grond van het provinciaal en gemeentelijk (ruimtelijk) beleid, de verantwoording van de milieuhygiënische aspecten en de fysieke leefomgeving en bouwkundige aspecten. Gelet op de inhoud van deze ruimtelijke onderbouwing is het initiatief niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en is er sprake van een aanvaardbare ruimtelijke ontwikkeling. De ontwikkeling speelt zich af ter grootte van de kavel. De ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verhoogd en de belangen van bestaande omringende functies wordt door deze ontwikkeling niet onevenredig aangetast.
Cumela Advies – Nijkerk
- 37 -
oktober 2024
Toelichting – Lakerveld 252-254 Lexmond
BIJLAGEN 1.
Zie aanvraag omgevingsvergunning
Cumela Advies – Nijkerk
- 38 -
oktober 2024