Ruimtelijke onderbouwing (december 2023)
Tekst van het document
Afbeelding 12 uitsnede risicokaart
Uit de risicokaart blijkt dat er in de nabijheid geen relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied gelegen zijn. Kwetsbare objecten Rondom het plangebied bevinden zich enkele kwetsbare objecten, waaronder onderwijsinstellingen. De kwetsbare objecten bevinden zich op een dermate grote afstand va het bedrijf dat ze geen belemmering ervaren. Nader onderzoek is niet nodig. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Er bevindt zich geen weg in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over wegen die van negatieve invloed op het planvoornemen zijn. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Er bevindt zich geen spoorlijn in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over het spoor die van negatieve invloed op het planvoornemen zijn. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich geen buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit aspect vormt geen belemmering voor planvoornemen.
Transport gevaarlijke stoffen door de lucht Het plangebied bevindt zich ver buiten de afwegings- en invloedgebieden van het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB) en van de invloedgebieden van Luchthaven Rotterdam – The Hague Airport.
26
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering voor het planvoornemen. Het is aan het bevoegd gezag om de externe veiligheidsrisico’s te accepteren.
4.7
Water Algemeen Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1. Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen.
Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling). 2. Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau zijn het beleid van het Waterschap Rivierenland en de gemeente Vijfheerenlanden met name relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met en in aanvulling op de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Daarom wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem.
Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland.
27
De visie op een toekomstbestendig rivierengebied en de bijdrage die daar zelf aan geleverd wordt, staat verwoord en verbeeld in de Watervisie 2050. De watervisie rijkt met een horizon tot 2050, verder dan de planperiode van dit WBP (2022-2027). De principes uit de watervisie helpt het Waterschap om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050. Onze principes zijn als volgt: 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk. 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. 3. We zijn zuinig op water en grondstoffen. 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus. 5. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. 6. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. 7. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied. Het waterbeheerprogramma zet in op minder regels en meer samenwerking. Keur Waterschap Rivierenland Per 20 oktober 2015 is een nieuwe Keur (gewijzigd vastgesteld) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Waterschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer.
De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Waterschap Rieverenland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Waterschap Rivierenland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak.
Indien een initiatiefnemer extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van een waterberging vereist. Er geldt een vrijstelling van de compensatieplicht voor lozen vanaf nieuw verhard oppervlak van 500 m2 binnen stedelijk gebied (bebouwde kom) en 1.500 m2 in landelijk gebied. De lozing op zich is op grond van de Keur wel vergunningplichtig. Indien er geen andere vergunningplichtig activiteiten worden ondernomen dan het maken van nieuw verhard oppervlak, is er voor de van compensatieplicht vrijgestelde oppervlaktes een algemene regel
28
Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Waterschap Rivierenland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Toetsing In de huidige situatie bestaat het plangebied uit bebouwing en verhard terrein. In de gewenste situatie wordt de bestaande oppervlakte aan bedrijfsgebouwen uitgebreid met 1.000 m². De uitbreiding vindt geheel plaats op het verhard terrein. De nieuwe bedrijfswoning wordt buiten verhard terrein gerealiseerd.
Op basis van het toevoegen van verharding is geen compensatie benodigd. Digitale watertoets Het plan is ingevoerd in de digitale watertoets. In de bijlage is het resultaat weergegeven. De digitale watertoets geeft als resultaat dat de normale procedure kan worden doorlopen. Via een standaard advies kunnen de beperkte waterbelangen worden afgedaan. Hiervoor dient het plan te worden voorgelegd aan het Waterschap Rieverenland. Legger van oppervlaktewateren Een legger is een register waarin van alle wateren in het beheergebied van het waterschap het volgende is weergegeven: De ligging en de vereiste afmetingen, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en wat dit onderhoud inhoudt.
Afbeelding 14 leggerprofiel
29
Afbeelding 15 dwarsprofiel Diefdijk
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de gebruikswijziging en de realisatie van de bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw. Derhalve is er voor onderhavig planvoornemen geen sprake van een retentieopgave. Wel dient voor de bouw van de bedrijfswoning t.z.t. een watervergunning te worden aangevraagd.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en rondom het gebied. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen gebieds- en soortenbescherming.
Afbeelding 11: Natura 2000 gebieden ten opzichte van plangebied (rode stip) (Bron: Atlas Leefomgeving)
30
Afbeelding 12: NNN gebieden ten opzichte van plangebied (rode stip) (Bron: Atlas Leefomgeving)
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000- gebieden. De Minister van Economische Zaken wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord-Brabant uitgewerkt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten.
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Hollands Diep (gebiedsnummer 111) en is met circa 9 kilometer van het plangebied relatief ver weg gelegen. Op grond van artikel 2.7 lid 2 van de Wnb is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
31
Onderzoek Door onderzoeksbureau Bureau Bleijerveld is een quickscan ecologie en een nader onderzoek d.d. 16 november 2023 uitgevoerd. De quickscan is gebaseerd op een veldbezoek, nader onderzoek en raadpleging van externe bronnen. Middels het oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, door de Wnb beschermde flora en fauna komen voor in het plangebied? • Welke negatieve effecten kan de (potentieel) aanwezige flora en fauna ondervinden van de ingreep? • Wordt met het uitvoeren van de ingreep de Wnb overtreden? Op basis van de bureaustudie, het veldonderzoek en nader onderzoek blijkt dat het plangebied
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de gebruikswijziging van het perceel, de bouw van een nieuwe bedrijfswoning en een nieuw bedrijfsgebouw.
4.9
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten
32
archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Op het plangebied is vanuit het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ van toepassing. Op het plangebied is vanuit het toekomstige paraplu bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ van toepassing. Zowel voor de realisatie van de bedrijfswoning als voor het bedrijfsgebouw wordt er niet dieper dan 30 cm gegraven. Op basis van deze gegevens is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het beoogde plan vormt geen gevaar voor Archeologische waarden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de gebruikswijziging van het perceel, de bouw van een nieuwe bedrijfswoning en een nieuw bedrijfsgebouw.
4.10
Cultuurhistorie Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) aanwezig. Het plangebied ligt niet op gronden met cultuurhistorische waarde, zoals beschermd kasteel- en landgoedbiotoop, in de nabijheid van een beschermd molenbiotoop of binnen het Natuur Netwerk Nederland en Natura 2000-gebieden. Ook bevindt het plangebied zich niet binnen een beschermd dorps- of stadsgezicht en zijn er geen monumentale of beeldbepalende gebouwen binnen of nabij het plangebied waarop het planvoornemen een negatief effect heeft. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de gebruikswijziging van het perceel, de bouw van een nieuwe bedrijfswoning en een nieuw bedrijfsgebouw.
4.11
Verkeer en parkeren Met de boogde uitbreiding van het bedrijf kunnen extra vervoersbewegingen ontstaan. Ook kan de parkeereis veranderen, aangezien meer oppervlakte wordt toegevoegd aan het bedrijf. Onderstaand wordt voor beide thema’s berekend of en met welke hoeveelheid sprake is van een toename. Allereerst wordt ingegaan op het geldende beleid.
33
Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren Op het plangebied is een parapluplan wonen en parkeren van toepassing. Het parapluplan is ontstaan door dat met de wetswijziging op 29 november 2014, de stedenbouwkundige bepalingen en gemeentelijke bouwverordeningen kwamen te vervallen, en daarmee ook de parkeerregulering. Om dit op te lossen zal in het bestemmingsplan of beheersverordening hiervoor een aparte regeling moeten worden opgenomen. Het paraplubestemmingsplan omvat het gehele grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden. In het paraplubestemmingsplan staan de regels met betrekking tot parkeren en wonen. Daarin wordt verwezen naar de CROW normen, tenzij de gemeente gewijzigd beleid heeft. De gemeente heeft een Nota Parkeernormen 2022 – 2023 met als datum 21 april 2022 beschikbaar. Daarin staan de actuele normen. Er moet getoetst worden aan de Nota Parkeernormen 2022 – 2023. Verkeersgeneratie Met de uitbreiding van het bedrijf kunnen meer vervoersbewegingen ontstaan. Daarom is onderstaand een worst-case berekening gedaan naar de toename van het aantal vervoersbewegingen op basis van de kengetallen van het CROW. Het plangebied bevindt zich buiten het centrum en de rest bebouwde kom van Everdingen. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied ten zuidoosten van Everdingen. Het gebied wordt dan ook omgeven door voornamelijk agrarische gronden en natuur.
Ook zijn er enkele woningen in de nabijheid gevestigd. Het plangebied wordt ontsloten door de Diefdijk, ten oosten van het plangebied. De Diefdijk zorgt in verschillende richtingen voor verbinding met andere plaatsen. Richting het noorden zorgt de Diefdijk voor verbinding met Everdingen, richting het zuiden met Leerdam. Via Everdingen zorgt de Lekdijk via de Graaf Huibertlaan en Paralelweg voor verbinding met de N484. Op basis van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ volgt de volgende toename van verkeersbewegingen door realisatie van het project. Op basis van de omgevingsadressendichtheid van 67 adressen voor Everdingen buitengebied in 2021 wordt uitgegaan van een niet stedelijk gebied. Qua ontsluitingsfunctie behoort de Diefdijk tot de secundaire linten in het buitengebied. Deze secundaire linten spelen een belangrijke rol voor het landbouw- en bestemmingsverkeer. De toegestane snelheid bedraagt hier 60 kilometer per uur. De weg bestaat uit één rijbaan. De weg heeft ruim voldoende capaciteit om eventuele extra verkeersbewegingen ten gevolge van de bouw van een nieuwe bedrijfsloods van 1.000 m² en de herbouw van een bedrijfswoning op te vangen. Vermeld dient te worden dat het bedrijf al sinds 1961 ter plaatse is gevestigd en het om opslag van bestaand materieel gaat.
De bestaande uitrit levert vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid of verkeersbelasting geen enkel probleem op. Het zicht op de weg is goed en de uitrit is voldoende breed. Het eigen terrein aan de Diefdijk is groot genoeg om alle auto’s van het personeel en de bedrijfswoning te parkeren. Op de planlocatie is voldoende ruimte aanwezig om te voldoen aan de normering voor het aantal parkeerplaatsen uit de Nota parkeernormen 2022 – 2023 (versie 21 april 2022).
34
Fietsparkeerplaatsen De Nota Parkeernormen 2022 - 2030 hanteert geen kengetallen voor fietsparkeerplaatsen. Gesteld wordt dat op het terrein voldoende ruimte aanwezig is om te voldoen aan de normering voor het aantal fietsparkeerplaatsen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan fietsparkeerplaatsen. Nader onderzoek is niet nodig. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de gebruikswijziging van het perceel, de bouw van een nieuwe bedrijfswoning en een nieuw bedrijfsgebouw.
35
5 5.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Onder andere naar aanleiding van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2:12, onder a, onder 3 Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van de vergunning. In principe dient bij deze vergunningverlening tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. De vaststelling van zo’n plan kan achterwege blijven indien: • Het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden andersinds verzekerd is; • Het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6:13, eerste lid, onder c, 4, onderscheidenlijk 5, Wro niet noodzakelijk is; en • Het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, wro niet noodzakelijk is. Conclusie Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.
De kosten worden dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De ontwerp omgevingsvergunning en ruimtelijke onderbouwing worden op grond van artikel 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht ter inzage gelegd. Tijdens de termijn van ter inzage legging kan een ieder zowel mondeling als schriftelijk zijn zienswijzen over het plan naar voren brengen bij het college van burgemeester en wethouders. De ontwerp omgevingsvergunning met alle bijlagen is digitaal raadpleegbaar via de website: www.vijfheerenlanden.nl Beroep Nadat een besluit is genomen op de aanvraag om een omgevingsvergunning kan beroep worden ingesteld binnen zes weken na de publicatie van het besluit.
36