Ruimtelijke onderbouwing (december 2023)
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Diefdijk 21 Everdingen
Versie :1 Opsteller : R. Bosman IMRO code:
1
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 3
1.1
Aanleiding ..................................................................................................................................... 3
1.2
Plangebied .................................................................................................................................... 3
1.3
Vigerende bestemmingsplannen ............................................................................................... 4
1.4
Leeswijzer ..................................................................................................................................... 6
2
Planbeschrijving .............................................................................................................................. 7
2.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 7 2.1.1 Huidige situatie ............................................................................................................................ 7 2.1.2 Plangebied .................................................................................................................................. 7 2.2
Toekomstige situatie ................................................................................................................... 7
3
Beleidskader .................................................................................................................................... 8
3.1
Rijksbeleid .................................................................................................................................... 8
3.2
Provinciaal beleid ....................................................................................................................... 12
3.4
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................... 15
4
Milieu- en omgevingsaspecten .................................................................................................... 18
4.1
Milieueffectrapportage............................................................................................................... 18
4.2
Bodem ......................................................................................................................................... 19
4.3
Geluid .......................................................................................................................................... 20
4.4
Luchtkwaliteit ............................................................................................................................. 21
4.5
Bedrijven en milieuzonering ..................................................................................................... 23
4.6
Externe veiligheid ...................................................................................................................... 24
4.7
Water ........................................................................................................................................... 27
4.8
Natuur .......................................................................................................................................... 30
4.9
Archeologie................................................................................................................................. 32
4.10
Cultuurhistorie ......................................................................................................................... 33
4.11
Verkeer en parkeren................................................................................................................. 33
5
Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................. 36
5.1
Economische uitvoerbaarheid.................................................................................................. 36
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................... 36
Bijlagen
2
1 1.1
Inleiding Aanleiding Het perceel Diefdijk 21 te Everdingen (kadastraal bekend Vianen, sectie G, nummer 724) is sinds 1904 in eigendom van de familie Brouwer (verder initiatiefnemer). Het perceel Diefdijk 21A wordt sinds 1961 (KvK nr 30148650) gebruikt door loonbedrijf Brouwer. Alhoewel er binnen het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied” met de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” wel een aanduiding ‘agrarisch loonbedrijf’ staat opgenomen (artikel 4.1 sub g) in de planregels is dit abusievelijk niet aan het perceel Diefdijk 21 te Everdingen toegekend voorzien van passende planregels. Vanwege het ontbreken van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf’ dat passend is voor het langdurige gebruik ter plaatse, valt het huidige bedrijf onder het overgangsrecht. Door het ontbreken van een passende bestemming is er ter plaatse verpaupering van gebouwen ontstaan en buitenopslag van nagenoeg al het materieel. Enige tijd terug is de bestaande bedrijfswoning afgebrand. Per brief van 2 november 2011 heeft het college van B&W van de gemeente Vianen de toezegging gedaan dat de bedrijfswoning ter plaatse herbouwt mag worden. Op 26 januari 2021 is een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk (maximaal 10 jaar) plaatsen van een bedrijfswoning.
Er is in juli 2023 een vooroverleg ingediend met het verzoek tot het gebruik van het perceel ten behoeve van een loonbedrijf, de herbouw van een bedrijfswoning en het opknappen en uitbreiden van bedrijfsgebouwen. Hierdoor kan er voor het bedrijf alsnog een bedrijfswoning worden gerealiseerd en kan het oprichten van (extra) bedrijfsbebouwing, alsmede passende gebruiksmogelijkheden, zoals binnen- en buitenopslag gerelateerd aan het agrarisch loonbedrijf worden gerealiseerd. De ontstane verpaupering kan daarmee worden tegengegaan. Daarop is een positief bericht ontvangen vanuit de gemeente. Er is voor gekozen om eerst een omgevingsvergunning activiteit afwijken bestemmingsplan in te dienen. Vanaf 1 januari 2024 vallen de nieuwbouw van een woning en bedrijfsgebouw onder de Wkb. Daarvoor zal te zijner tijd een bouwmelding worden gedaan door een kwaliteitsborger.
1.2
Plangebied Het plangebied ligt ten zuidoosten van het dorp Everdingen aan de westkant van de Diefdijk. Aan de noordzijde van het plangebied is het perceel Diefdijk 22 gelegen met een woonbestemming. Aan de oostzijde bevinden zich de Diefdijk en daar achter weilanden. Het perceel wordt aan de zuidzijde begrensd door het perceel Diefdijk 20 met een bestemming “Agrarisch met waarden - Landschap” waar een agrarisch bedrijf is gevestigd met daarop een bedrijfswoning en agrarische bedrijfsruimten. Aan de westzijde zijn gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschap” zonder bouwvlak aanwezig die in gebruik zijn als weiland. Op navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
3
Afbeelding 1: globale ligging plangebied (rode marker) bron: pdokviewer.pdok.nl
Afbeelding 2: kadastrale perceel sectie G, nummer 724
1.3
Vigerende bestemmingsplannen Het perceel is gelegen binnen de geldende bestemmingsplannen “Paraplu bestemmingsplan Nieuwe Hollandse Waterlinie” en “Landelijk Gebied”. Binnen het vigerende bestemmingsplan “Landelijk gebied” heeft het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” en de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie – 2” en alleen nabij de dijk “Waterstaat – Waterkering”. Tevens is vanaf 12 december 2023 het ontwerpbestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Archeologie Vijfheerenlanden” ter inzage gelegd waarbij er aan het perceel ter plaatse van de bebouwing de dubbelbestemming “Waarde- Archeologie 3” is toegekend. Alhoewel er binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” wel een aanduiding ‘agrarisch loonbedrijf’ staat opgenomen (artikel 4.1 sub g) is deze niet aan het perceel toegekend. Vanwege het ontbreken van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf’ met passende planregels valt het huidige bedrijf onder het overgangsrecht. Door het ontbreken van een passende bestemming is er ter plaatse verpaupering van gebouwen ontstaan en buitenopslag van nagenoeg al met materieel.
4
Afbeelding 3: uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Landelijk gebied'
De ter plaatse voor ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor : a. het uitoefenen van agrarische bedrijven, zoals bedoeld in artikel 1 lid 41; alsmede voor: f. behoud en versterking van de landschapswaarden door: 1. het in stand houden en versterken van het open weidekarakter van het komgebied; 2. het in stand houden en versterken van de overgangsgebieden van oeverwal naar komgronden; 3. het behoud van de karakteristieke verkaveling in de vorm van smalle kavels en een fijnmazig slotenpatroon; i. behoud en ontwikkeling van de aanwezige zand- en weidevogelsoorten; o. voor zover de gronden gelegen zijn achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning en binnen het bouwvlak: tevens voor één paardenbak; met daaraan ondergeschikt: p. een niet-grondgebonden agrarische nevenactiviteit waarvoor maximaal 1.000 m² vloeroppervlak in gebruik mag worden genomen; q. de volgende niet-agrarische nevenfuncties: 1. verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten waarvoor maximaal 100 m² bebouwing in gebruik mag worden genomen; 2. veearts/hoefsmederij waarvoor maximaal 300 m² bebouwing in gebruik mag worden genomen; 3. ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten waarvoor maximaal 300 m² bebouwing in gebruik mag worden genomen; 4.
kleinschalige horecagelegenheid waarvoor maximaal 300 m² bebouwing en maximaal 500 m² overige gronden in gebruik mogen worden genomen; 5. bed & breakfast waarvoor maximaal 150 m² bebouwing in gebruik mag worden genomen; 6. aan-huis-gebonden beroep en bedrijf, waarvoor ten hoogste 100 m² bebouwing in gebruik mag worden genomen; 7. natuur- en milieueducatie waarvoor maximaal 300 m2 bebouwing in gebruik mag worden genomen; r. extensief recreatief medegebruik; s. agrarisch natuur- en landschapsbeheer; t. blauwe diensten;
5
u. wandel-, fiets- of ruiterpaden; v. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; w. de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater; met dien verstande dat: x. bij een cumulatie van nevenfuncties geldt dat maximaal 1.000 m² van de bedrijfsgebouwen mag worden aangewend voor een niet-agrarische nevenactiviteit. In de begripsbepalingen staat in artikel 1.41 staat opgenomen “gevoelig object een (deel van een) gebouw dat bedoeld is voor het verblijf van personen of een object, gebouw of terrein dat is bedoeld voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein.” Het beoogde gebruik van zowel de bedrijfswoning als de bedrijfsgebouwen en het terrein loonbedrijf past qua gebruik niet binnen de ter plaatse geldende gebruiksregels uit het bestemmingsplan van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. Dit maakt dat de aanvraag om een omgevingsvergunning een verzoek betreft om medewerking te verlenen middels een afwijking van het bestemmingsplan overeenkomstig artikel 2:12, eerste lid, sub a, onder 3 van de Wabo. Gemotiveerd dient te worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend document voorziet hierin.
1.4
Leeswijzer Deze onderbouwing is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 5).
6
2
Planbeschrijving
2.1 Inleiding In voorliggend hoofdstuk wordt de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied beschreven.
2.1.1 Huidige situatie Het bestaande terrein wordt sinds 1961 gebruikt als loonbedrijf. De voormalige bedrijfswoning, aan de kopse kant van een bedrijfsgebouw, is enige tijd geleden afgebrand. Op het terrein staan een aantal gebouwen die, vanwege de huidige bestemming, in een matige/slechte staat van onderhoud verkeren. Veel materieel van het loonbedrijf staat buiten opgeslagen wat invloed heeft op de levensduur van het materieel.
2.1.2 Plangebied Het plangebied ligt aan de Diefdijk nabij de T kruising met het Wolfslandpad. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de huidige bebouwing.
Afbeelding 4: luchtfoto huidige situatie plangebied
2.2
Toekomstige situatie De initiatiefnemer wil alsnog dat het perceel Diefdijk 21, dat sinds 1961 wordt gebruikt voor een loonbedrijf, ook de bestemming krijgt. Dit zodat een gebruik en werkzaamheden voor het loonbedrijf zijn toegestaan, dat overeenkomstig de toezegging uit 2011 de bestaande bedrijfswoning van het loonbedrijf die is afgebrand herbouwd mag worden en een nieuwe bedrijfsloods kan worden gerealiseerd. De nieuwe bedrijfsloods is, vanwege een nutstracee dat door het bestaande bouwvlak heen loopt en waardoor er ter plaatse niet kan worden gebouwd, iets verder naar achter (deels buiten het bouwvlak) geschoven. Deze onderbouwing is op deze situatie gebaseerd.
7
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, de NOVI, komt voort uit de Omgevingswet en is een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De NOVI richt zich op vier prioriteiten: 1. Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; 2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; 3. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Voor het plangebied geldt de prioriteit "Sterke en gezonde steden en regio's". Binnen deze prioriteit zijn een aantal beleidskeuzes gesteld waaronder de beleidskeuze "het hanteren van een integrale verstedelijkingsstrategie". Verstedelijking vraagt zorgvuldig en gebiedsgericht maatwerk vanuit een brede benadering. In lijn met de drie afwegingsprincipes moet integrale leefomgevingskwaliteit voorop staan als basis voor de te maken keuzes. Op basis daarvan kan een afweging plaatsvinden waarbij aan alle relevante ruimtelijk-fysieke opgaven zoveel mogelijk recht wordt gedaan. Er moet daarbij voor worden gezorgd dat er flexibel en snel kan worden ingespeeld op nieuwe wensen en ontwikkelingen in de samenleving. Vanwege de relatie met verschillende nationale belangen (waaronder die op het gebied van klimaat, milieu, duurzaamheid, leefomgevingskwaliteit, bereikbaarheid) doet het Rijk ook actief mee bij de integrale uitwerking van deze verstedelijkingsstrategie.
In samenwerking met gemeenten, provincies, metropoolregio’s en andere relevante stakeholders worden, bijvoorbeeld via de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s van de metropoolregio’s Amsterdam (MRA), Rotterdam Den Haag (MRDH) en Utrecht (MRU), nadere keuzes over de mogelijke gebiedsontwikkelingen gemaakt. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.
8
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans: NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans: NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Conclusie Voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De voorgenomen ontwikkeling betreft het alsnog toestaan dat het perceel en de bestaande bebouwing en nieuw te realiseren bedrijfswoning en bedrijfsgebouw van 1.000 m2 mogen worden gebruikt als loonbedrijf. Indien ter plaatse sprake was van een agrarisch bedrijf had er bij recht een bedrijfswoning en uitbreiding van bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak mogen plaatsvinden. Gezien het gebruik dat abusievelijk niet is opgenomen in het geldende bestemmingsplan is er sprake van strijd met het bestemmingsplan. Een uitbreiding van een bestaand bedrijf is aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ondergrens - volgens de heersende jurisprudentie van 400 m² - wordt overschreden. Daardoor dient de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw ter plaatse aangemerkt te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toets aan de treden van de Ladder is daarom noodzakelijk.
9
1. Voorziet de stedelijke ontwikkeling in een actuele behoefte? Als eerste dient aangetoond te worden dat er sprake is van een behoefte aan de ontwikkeling. Zoals reeds in de planbeschrijving is beschreven is het bedrijf reeds langdurig ter plaatse gevestigd. Het bedrijf heeft duidelijk behoefte aan uitbreiding. Het bedrijf voorziet in een dienstverlening aan andere regionale (agrarische) bedrijven. Als loonbedrijf is de lokale binding met het gebied van cruciaal belang. De ligging van het bedrijf enerzijds en het buitengebied anderzijds maakt de ontsluiting naar de klanten van het bedrijf, voornamelijk met langzaam verkeer van grotere omvang optimaal. Vanwege de betrokkenheid van het bedrijf als dienstverlener voor andere regionale bedrijven en een stukje werkgelegenheid voor personeel met lager beroepsonderwijs acht de gemeente behoud van het bedrijf voor de gemeente wenselijk. Vanwege de toenemende vraag naar (gemechaniseerde) dienstverlening beschikt het bedrijf over steeds meer machines. Deze machines worden nu buiten gestald, wat vanuit de bedrijfsvoering en levensduur van het materiaal niet wenselijk is. De afmetingen van het huidige materieel vraagt steeds meer ruimte. Daarnaast dient het project nog een ander belang. Met het overdekt opslaan van de machines wordt verrommeling van het buitenterrein voorkomen.
De levensduur van de machines wordt niet alleen verlengd, maar het bedrijf krijgt een meer professionele uitstraling en de mogelijkheden worden aangegrepen het bedrijf ruimtelijk en landschappelijk in te passen. Als gevolg van het project neemt de omgevingskwaliteit dus toe. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat de uitbreiding van het agrarisch loonwerkbedrijf voorziet in een kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. 2. Word binnen het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins? Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De provincie Utrecht hanteert in haar verordening dezelfde definitie van het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied maakt geen deel uit van BSD uit de provinciale verordening. In het onderhavige geval is er sprake van concrete vraag voor eigen gebruik door een Everdings bedrijf. Hervestiging van het bedrijf op een van de beschikbare bedrijfsterreinen binnen de gemeente (binnenstedelijk) lijkt een mogelijkheid, echter stuit dit op een aantal bezwaren.
Het bedrijf is een agrarisch loonbedrijf en is werkzaam voor de agrarische sector in de regio. Vanwege de aard van de bedrijfsactiviteiten is uitbreiding van het bedrijf op de huidige locatie de meest wenselijke oplossing. • Het bedrijf is gelegen in het buitengebied en ligt daarmee dicht bij de klantenkring. Vanuit het oogpunt van milieu en bedrijfsvoering, in verband vervuiling door langere reistijd, is de huidige locatie ideaal; • In hoofdzaak beschikt het bedrijf over zogenaamde langzaam rijdende machines/werktuigen, zodat vestiging nabij de klanten de voorkeur heeft (relatief kortere afstanden c.q. gebruik van openbare wegen).; • Vestiging op een bedrijfsterrein van een (agrarisch) loonbedrijf brengt beperkingen met zich mee (ontsluiting langzaam rijdend verkeer is vaak niet in voorzien, geen bedrijfswoning, afstand tot klanten, etc.). • Verplaatsing is financieel niet haalbaar voor het bedrijf, de kosten voor algehele verplaatsing zijn aanzienlijk hoger dan uitbreiding op de huidige locatie, omdat de bestaande bedrijfsbebouwing gehandhaafd blijft.
10
Voorts moet worden opgemerkt dat het een uitbreiding van een bestaand bedrijf betreft en dat verplaatsing van het bedrijf om financiële redenen niet haalbaar is. Immers verplaatsing naar een andere locatie zal leiden tot kapitaalvernietiging en tevens onevenredige bedrijfseconomische gevolgen hebben voor het bedrijf. Gezien de beperkte beschikbaarheid van geschikte locaties voor nieuwvestiging van het bedrijf elders, alsmede het economische aspect (verwachte lage opbrengst bij verkoop, beperkt aantal mogelijke kopers, kapitaalsvernietiging bij afbraak van het huidige bedrijfspand en bijbehorende voorzieningen, kosten voorgeschikt maken van locatie van nieuwvestiging als gevolg van sloop bestaande bebouwing, nieuwbouw bedrijfspand) bestaan er zodanige bezwaren dat het verhuizen van het bedrijf niet als een reële mogelijkheid gezien kan worden. Geconcludeerd kan worden dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Uit de aard van het bedrijf volgt dat een locatie in het stedelijk gebied als niet-passend en ongeschikt wordt aangemerkt. De huidige locatie aan de Diefdijk is een geschikte plek. 3. Is of kan de locatie multimodaal worden ontsloten? Tenslotte is de locatie bestaand en al multimodaal ontsloten. De locatie is goed bereikbaar en vanaf deze locatie zijn opdrachtgevers in het buitengebied eenvoudig bereikbaar.
De locatie ligt gunstig in het buitengebied van Everdingen. De huidige locatie biedt een uitstekende rechtstreekse ontsluiting voor werknemers en bedrijfsverkeer, waardoor onnodige verkeersbewegingen door de bebouwde kom worden voorkomen. Conclusie Op basis van vorenstaande kan worden geconcludeerd dat een nieuwe bedrijfswoning en een nieuw bedrijfsgebouw in het plangebied voldoet aan de vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan is derhalve niet in strijd met het Rijksbeleid.
11
3.2
Provinciaal beleid 3.2.1
Omgevingsvisie In het Omgevingsbeleid van de provincie Utrecht is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. De Structuurvisie ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’ en de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn beide vastgesteld op 10 maart 2021. Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de provincie er in 2050 uit wil zien. In deze Omgevingsvisie staan de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht beschreven. Naar verwachting wonen er over een uitstrekking van 30 jaar zo’n kwart meer mensen in de stad. De uitdaging van de provincie bestaat uit het doorgroeien om deze mensen te kunnen opvangen, op een manier dat iedereen er op een prettige en gezonde manier kan wonen. Combineren en concentreren dragen bij aan het mooi en leefbaar houden van de stad maar wel ruimte te bieden aan de ontwikkelingen die op de stad afkomen. De hoofdvisie is dat de provincie Utrecht het groene, gezonde en slimme middelpunt blijft van Nederland, ook in 2050. Om aan de visie te werken, zijn beleidsthema’s opgesteld waarin richting wordt gegeven aan de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 wil de provincie Utrecht een provincie zijn: 1. Waarin Stad en land gezond zijn; 2.
Die Klimaatbestendig en waterrobuust is;
3.
Waarin Duurzame energie een plek heeft;
4.
Met Vitale steden en dorpen;
5.
Die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
6.
Met een Levend landschap, erfgoed en cultuur;
7.
Die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Omgevingsverordening De Omgevingsvisie komt tot uitdrukking in een Omgevingsverordening met regels voor de leefomgeving. Zo’n 20 verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in 1 provinciale Omgevingsverordening. De regels zijn herschreven, samengevoegd, vereenvoudigd en op elkaar afgestemd. Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening vastgesteld. Daarmee zijn deze documenten definitief geworden. De Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening zijn vanaf 1 april 2021 in werking getreden. In de omgevingsverordeningen staan een aantal regels beschreven die gezamenlijk ingaan op wonen, werken en recreëren. Onderstaand staan de meest relevante artikelen beschreven die van betekenis zijn voor het boogde plan. Deze worden nader getoetst. 2.2g Toekomstbestendige natuur en landbouw Utrechtse kwaliteit en opgave Onze provincie heeft een netwerk met robuuste natuur waarin vier grote diverse systemen liggen: Rivierengebied, Veenweidegebied, Eemvallei en Utrechtse Heuvelrug. Dit netwerk maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland met daarin verschillende Natura 2000-gebieden.
12
De natuur, de biodiversiteit en de functies die het ecosysteem heeft staan onder druk. De toegenomen stikstofdepositie in natuurgebieden verhoogt de voedselrijkdom en draagt bij aan bodemverzuring. Hierdoor neemt de biodiversiteit af en verdwijnen bijzondere planten en dieren. Ook klimaatverandering heeft invloed op planten en dieren. De waarde van oudere houtopstanden voor CO2-reductie wordt steeds duidelijker: jonge aanplant zal pas na tientallen jaren structureel hieraan bijdragen. Beleefbare natuur en een groene omgeving worden belangrijker. De landbouw in onze provincie zorgt voor duurzame voeding en is een belangrijke beheerder van ons aantrekkelijke cultuurlandschap. Er is vooral grondgebonden landbouw, melkveehouderij en fruitteelt in de provincie Utrecht aanwezig. Samen met regio Foodvalley en provincie Gelderland spelen wij een grote rol in de transitie naar een gezond en duurzaam voedselsysteem. De landbouw staat voor een grote verandering. De transitie naar een gezond en duurzaam voedselsysteem is een actueel en urgent thema. Dit in combinatie met een robuust bodem- en watersysteem en versterking van de biodiversiteit. Daarnaast komt tot 2030 in onze provincie circa 1,3 miljoen vierkante meter aan agrarische bebouwing vrij. Bodemdaling in de veenweiden leidt tot CO2uitstoot, verdroging van natuur en hogere lasten vanwege het waterbeheer.
Dit vraagstuk zorgt voor een spanningsveld in relatie tot een rendabel agrarisch gebruik van de gronden, de landschappelijke kwaliteit van het landelijk gebied en een robuust bodem- en watersysteem. Keuze Onze ambitie is om een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteiten met hoge biodiversiteit te ontwikkelen. Bestaande natuurgebieden (Natura 2000gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden tot één samenhangend groot natuursysteem. Voor 2040 realiseren we in totaal 3.000 hectares natuur in de Groene contour. Grote natuureenheden worden ecologisch met elkaar in verbinding gebracht (Rivierengebied en Veenweide-plassengebied). Daarnaast onderzoeken wij de kansen voor uitbreiding van houtopstanden die bijdragen aan CO2-reductie. De stikstofproblematiek pakken we gebiedsgericht aan. Wij stimuleren de transitie naar een duurzame landbouw die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk is. Daarbij is de economische rentabiliteit van agrarische bedrijven en een duurzame toekomst van de glastuinbouwconcentratiegebieden een belangrijk uitgangspunt. En we stimuleren dat de landbouw dicht bij de inwoners staat (streekproducten, recreatie e.d.).
Tot 2030 hebben we de ambitie dat de landbouw de nutriëntenkringlopen heeft gesloten, zelfvoorzienend in energie is en daarnaast deels ook opereert als groene energieproducent voor derden. 4.6.1a Aantrekkelijke landschappen Elk Utrechts landschap heeft zijn eigen kwaliteiten die mede richting geven aan de daarin gelegen en omliggende functies en hun ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom willen wij op de kernkwaliteiten van de verschillende landschappen voortbouwen en deze doorontwikkelen in onze provincie. Een landschap is geen statisch plaatje; landschap is altijd in ontwikkeling en elk landschap heeft ruimte voor een vorm van dynamiek. Maar wel op zo’n manier dat de landschapskwaliteit wordt doorontwikkeld en beter beleefbaar wordt, onder andere met behulp van creatieve verbeeldingskracht. In het werken met landschapskwaliteit gaan we uit van een samenspel tussen het beeld (wat zie je), functies (wat gebeurt er) en robuuste structuren (samenhang, relaties).
13
Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten van het landschap. Voor de open landschappen gelden andere principes dan voor de meer gesloten landschappen. Landschappen vragen om bebouwing die qua maat en schaal passen bij de kernen die in het landelijk gebied gelegen zijn. Voor de vijf karakteristieke Utrechtse landschappen willen we de kernkwaliteiten doorontwikkelen. In de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen (www.provincie-utrecht.nl/kwaliteitsgids) hebben we de kernkwaliteiten uitgebreid beschreven en handvatten opgenomen voor het omgaan met de kernkwaliteiten. Op de kaart Kernkwaliteiten van het landschap geven wij aan welke essentiële structuren in het landschap wij belangrijk vinden om nieuwe ontwikkelingen goed in te passen, zoals de grootschalige realisatie van duurzame energiebronnen en het tegengaan van bodemdaling. Wij vragen gemeenten en initiatiefnemers bij ontwikkelingen hiervan gebruik te maken. Wij werken in verschillende samenwerkingsverbanden met andere partijen aan de kwaliteit van onze landschappen, zoals het Bestuurlijk Platform Groene Hart, het programma Hart van de Heuvelrug en in het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. De resultaten van deze samenwerkingen zijn op verschillende plaatsen in deze visie terug te vinden, zoals bij de thema’s recreatie en natuur.
Afbeelding 5 De grote landschappen van de provincie Utrecht (Bron provincie Utrecht, 2019)
4.7.2c Focus op grondgebonden landbouw met goede landbouwstructuur Ons beleid is ondersteunend aan de beoogde transitie in de landbouw. Via ons ruimtelijk beleid sturen we op grondgebondenheid. De grondgebonden bedrijven bieden we voldoende groeiruimte binnen voorwaarden. Dit draagt bij aan een economische rendabele bedrijfsvoering, in balans met de omgevingskwaliteiten. Dat biedt al een stevige basis voor circulaire landbouw. We stimuleren efficiënt gebruik van nutriënten, meer ruwvoer (eiwit) van eigen land, duurzaam bodembeheer en gebruik van natuurlijke processen. Dit doen we door bij te dragen aan kennisontwikkeling, kennisoverdracht (agrarische coaches) en gebiedsprocessen. Via ons ruimtelijk beleid sturen we op behoud van grondgebondenheid in de melkveehouderij. Grondgebondenheid houdt in dat het aantal dieren op een veebedrijf in balans is met de oppervlakte grond die op het bedrijf beschikbaar is voor de ruwvoervoorziening (gras, snijmais).
14
Niet-grondgebonden veehouderij is niet functioneel gebonden aan een locatie in het landelijk gebied en draagt niet bij aan het beheer van het landelijk gebied. Het voer wordt van elders aangevoerd en de mest wordt afgevoerd. Vanwege de beperkte fysieke en milieugebruiksruimte in de provincie Utrecht voeren wij een terughoudend beleid wat betreft vestigings- en groeimogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij. We ondersteunen innovaties die bijdragen aan de landbouwtransitie, zoals vindingrijke manieren om de kringlopen te sluiten of innovaties waardoor een groter deel van de benodigde grondstoffen van binnenlandse afkomst wordt, waaronder reststoffen uit de voedingsindustrie. We zetten in op een goede landbouwstructuur. Een goede landbouwstructuur vormt een belangrijke basis voor het verdienmodel van een agrarisch bedrijf. Idealiter vormt voor elk bedrijf minimaal 60% van de gronden de huiskavel en zijn er maximaal drie veldkavels. Kavelruil is een doelmatig instrument om de verkaveling te verbeteren. Daarom zetten wij in op integrale, efficiënte kavelruilprocessen, waarbij ook wordt bijgedragen aan onze doelen voor natuur, water, energie, recreatie etc. waarvoor wijziging van grondposities nodig is. 4.7.2d Verbreding landbouw In het landbouwgebied is landbouw de hoofdgebruiker, maar vindt ook menging met andere functies plaats.
We bieden agrariërs ruimte voor verbreding en innovatie. Het gaat ons hierbij om activiteiten die in het belang zijn van de landbouw zelf en van haar functie voor het omringende gebied. Andere agrarische ondernemers worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd door deze activiteiten. Nevenactiviteiten moeten ondergeschikt blijven aan de agrarische hoofdfunctie en plaatsvinden binnen het bestaande bouwperceel. In de stadsranden zien we bijzondere kansen voor verbreding door middel van stadslandbouw. Het plangebied bevindt zich binnen het vitale Platteland van Utrecht. Het vitale platteland betreft landelijk gebied met als hoofdfunctie zowel grondgebonden als niet-grondgebonden landbouw. Veel gebieden met grondgebonden landbouw hebben landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden en worden gekenmerkt door recreatief medegebruik. Binnen deze zone bevinden zich ook kleine recreatie- en natuurgebieden en ecologische verbindingszones, tevens met aandacht voor de landbouwkerngebieden. Toetsing Het planvoornemen is niet strijdig met het provinciaal beleid, aangezien een bestaande functie (sinds 1961) wordt uitgebreid. De uitbreiding heeft geen negatief gevolg voor de omliggende landbouw, ecologische en cultuurhistorische waarde en recreatief gebruik.
3.4
Gemeentelijk beleid 3.4.1
Omgevingsvisie Vijfheerenlanden Op dit moment bereidt de gemeente Vijfheerenlanden de 'Omgevingsvisie Vijfheerenlanden' voor. De ontwerp Omgevingsvisie Vijheerenlanden is op 11 mei 2023 ter inzage gelegd. De Omgevingsvisie gaat over de toekomst van de dorpen, steden en het buitengebied en laat zien wat de gemeente Vijfheerenlanden belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving.
15
De visie richt zich op mogelijkheden om te wonen, werken, recreëren, ondernemen, maar ook op een gezond, duurzaam en veilig leefklimaat. De omgevingsvisie vormt het kader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig beleid en het omgevingsplan. Er wordt vooruit gekeken tot 2040. Welke doelen heeft de gemeenteraad dan behaald en wat voor gemeente is Vijfheerenlanden? Bij het realiseren van deze doelen houdt de gemeente als leidraad het behouden van een vitale samenleving aan, dit is als het ware het kompas. Hoe dit te bereiken is uitgewerkt in 11 ambities en een visiekaart. Voor elke ambitie is uitgewerkt wat de gemeente wil bereiken en hoe ze dat wil gaan doen. Ook is er een waardenkaart opgesteld, waarop is aangegeven welke (langschappelijke) waarden de gemeente belangrijk vindt. Deze waarden wil de gemeente zoveel mogelijk behouden en versterken. De ontwikkelingen waar de gemeente voor staat zijn vertaald in vijf doelen: • Landschap, water en groen: toekomstbestendig buitengebied. • Wonen: 5.000 woningen. • Werken: 70-75 ha werklocaties (bruto). • Mobiliteit: bereikbaar, duurzaam en veilig. • Energietransitie: opwekken duurzame energie. Bij het realiseren van de beschreven doelen houdt de gemeente het behoud van een vitale samenleving aan als leidraad, dit is als het ware het kompas.
De kern hiervan is, dat de gemeente staat voor leefbaarheid en een vitale samenleving. De basis hiervoor is een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Om de doelen te bereiken met het kompas als leidraad zijn er 11 ambitites en keuzes beschreven: • We bouwen woningen naar behoefte. • We versterken en behouden onze landschappelijke en cultuurhistorische waarden. • We zorgen voor duurzame werkgelegenheid. • We zetten in op duurzame bereikbaarheid. • We zetten in op een toekomstbestendige landbouw. • De recreatie in de gemeente past bij onze identiteit. • Er zijn voldoende, toegankelijke en bereikbare voorzieningen. • We realiseren een leefomgeving die positieve gezondheid stimuleert. • We waarborgen een gezonde en veilige leefomgeving. • We zijn een klimaatbestendige gemeente en we vergroten de biodiversiteit. • We zetten in op een duurzame, energie- en klimaat neutrale inrichting. Toets
Het voorliggende plan sluit aan bij het doel toekomstbestendige landbouw. Het plangebied ligt aan een bebouwingslint in een gebied met landschappelijke waarden, aan de oostkant van de voormalige gemeente Vianen aan de Diefdijk. Het voornemen is om de bestaande agrarische bebouwing op te knappen, een bedrijfswoning te herbouwen, een nieuwe bedrijfsloods te bouwen zodat materieel binnen kan worden opgeslagen wat de levensduur van het materieel ten goede komt.
16
De nieuwe bebouwing wordt zo ingepast dat het aansluit bij een compact boerenerf en de landschappelijke waarden van het gebied worden versterkt. Door het toevoegen van een nieuwe bedrijfswoning in het buitengebied ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf zorgt er voor dat het erf niet in verval raakt maar een nieuwe functie krijgt. Conclusie In onderhavige situatie vindt er een wijziging van gebruik plaats, herbouw van een bedrijfswoning en realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw. Daarmee is het planvoornemen niet in tegenstrijdigheid met het gemeentelijk beleid.
17
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een plan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen een plan m.e.r. op te stellen. Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Toetsing aan Besluit-m.e.r.
Het voorliggende plan voorziet in de wijziging van de bestemming dat op het perceel een gebruik als loonbedrijf is toegestaan, een bedrijfswoning voor het loonbedrijf herbouwd mag worden, de bestaande bebouwing en de nieuwbouw en het terrein gebruikt mag worden voor het loonbedrijf. De activiteit is getoetst aan de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Hieruit komen de volgende resultaten:
Afbeelding 8: onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r.
Zoals uit het schema (lijst D) blijkt is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r. plichtig als het oppervlak meer dan 100 hectare bedraagt, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen. Dit is met voorliggend plan niet het geval. Het plan betreft een gebruikswijziging naar loonbedrijf, een nieuw bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 1.000 m² voor het bestaande materieel en herbouw van een bedrijfswoning. Vanwege strijdig gebruik is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. Het perceel bevindt zich in het buitengebied en de wijziging is gezien voorgaande dermate beperkt dat niet gesproken kan worden van een stedelijk ontwikkelingsproject (activiteit D.11 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.).
18
Dit betekent dat het Besluit niet van toepassing is en dat er, op basis van dit Besluit, voor dit specifieke plan geen verplichtingen gelden. Dit houdt tevens in dat geen m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Conclusie Het besluit m.e.r. is niet van toepassing.
4.2
Bodem Algemeen Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Historie Het onderhavige plan gaat uit van een bedrijfswoning. De bedrijfswoning wordt echter niet op de locatie van de voormalige bedrijfswoning voor de bedrijfsgebouwen maar naast de bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Ter plaatse van de beoogde bouwlocatie is een bouwvlak gelegen. De onderzoeklocatie is gelegen aan de westzijde van de Diefdijk. Voor historische informatie zijn de websites Bodemloket.nl en TOPO-tijdreis en daarnaast de opdrachtgever geraadpleegd. Op het terrein bevinden zich agrarische bedrijfsgebouwen en restanten van de voormalige bedrijfswoning. Vanaf de dijk is er een uitweg naar de locatie. Voormalig gebruik Op TOP-tijdreis zijn oude topografische kaarten bekeken en hieruit blijkt dat er reeds vele jaren een agrarisch bedrijf is gevestigd met bedrijfsruimten en een bedrijfswoning. Toekomstig gebruik Ter plaatse van de bedrijfswoning een gebruik voor wonen.
Calamiteiten Los van de brand bij de voormalige bedrijfswoning is niets bekend. De bedrijfswoning wordt overigens op een andere locatie gerealiseerd. Boven- en ondergrondse tanks Binnen de locatie van de bedrijfswoning en op ruime straal van 25 meter rondom de locatie heeft er nooit een onder- of bovengrondse olietank gelegen. Hypothese Op rond van de verkregen informatie is het uitgangspunt dat de locatie onverdacht is.
19
Bodemopbouw en geohydrologische situatie Informatie over de bovenste 1,20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de bodemkaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde jongere kleien en zanden (formaties van Duinkerke en Tiel) op veen op oudere kleien en zanden (formaties Calais en Gorkum). De Grondwaterstromingsrichting is niet eenduidig vanwege de geringe gradient, de ligging nabij een dijk en vanwege de drainerende maar ook stuwende werking van de direct langs het bouwvlak gelegen sloot. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de gebruikswijziging en de herbouw van een bedrijfswoning.
4.3
Geluid Bij een omgevingsvergunning op basis van artikel 2:12, eerste lid, sub a, onder 3 van de Wabo is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van de Wgh is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. De Wgh onderscheidt drie geluidsbronnen: wegverkeer, spoorweg‐ en industrielawaai. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh in bepaalde gevallen de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting. De nieuwe bedrijfswoning is een geluidsgevoelige functie, waardoor deze verplichting geldt. Wegverkeerslawaai Het plan betreft o.a. het realiseren van een bedrijfswoning op het perceel Diefdijk 21. Uit de gegevens van Rijkswaterstaat (zie afbeelding) blijkt dat het perceel geheel buiten de geluidzone van Rijkswegen A2 en A27 valt. Volgens de gegevens van Atlas leefomgeving blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe bedrijfswoning door wegverkeer van de Diefdijk ten hoogste 44 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Er hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Diefdijk.
Afbeelding 9: wegverkeerslawaai rijkswegen in de omgeving (bron Atlas leefomgeving)
20
Afbeelding 10: wegverkeerslawaai locatie nieuwe woning Diefdijk 21 (bron Atlas leefomgeving)
Spoorweglawaai Er is hier geen sprake van nieuwbouw in de nabijheid van spoorwegen. Een onderzoek in het kader van de Wgh is dan ook niet noodzakelijk. Industrielawaai De nieuwe bedrijfswoning in het plangebied is ruim buiten de richtafstanden van de naastgelegen agrarische bedrijf gelegen. De woning is niet in een geluidszone van een industrieterrein gelegen. Een onderzoek in het kader van de Wgh v oor industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn er wat betreft geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/ projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/ m³. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/ m³ maximaal 35 keer per jaar worden overschreden.
21
Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de grenswaarde PM10 en NO2 geldt sinds 1 januari 2015 dat voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde niet meer dan 25 µg/m³ (microgram per kubieke meter) mag bedragen. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/ m³. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.
Beoordeling luchtkwaliteit In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. Toets Er wordt slechts één nieuwe bedrijfswoning mogelijk gemaakt dat volgens het geldende bestemmingsplan alleen voor een agrarisch bedrijf is toegestaan. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 5 μg/m³, 8,8 μg/m³ en 5 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en NO2 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
22
Conclusie Ter plaatse van de bedrijfswoning en het perceel wordt ruimschoots voldaan aan de in de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfs-indeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Toetsing In het kader van een goede ruimtelijke ordening, heeft een inventarisatie plaatsgevonden van het gebruik van omliggende woningen in de nabije omgeving. Het plangebied ligt in het buitengebied van Everdingen. Rondom het plangebied bevinden zich enkele woonbestemmingen en voornamelijk agrarische bestemmingen. Het gebied is daarom aan de merken als een rustige woonwijk.
23
Loonbedrijf versus omliggende woningen Voor het loonbedrijf moeten de volgende richtafstanden worden aangehouden: ▪Geur: 10 meter ▪Stof: 10 meter ▪Geluid: 30 meter ▪Gevaar: 0 meter De dichtstbijzijnde burgerwoning op het perceel Diefdijk 22 is gelegen op een afstand van 77 meter van de bestaande bedrijfsbebouwing. Er wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de minimale richtafstanden. De dichtbijzijnde agrarische bedrijfswoning op het perceel Diefdijk 20 is gelegen op een afstand van 76 meter van het bestaande bouwvlak van het perceel Diefdijk 21. Er wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de minimale richtafstanden. Bedrijfswoning versus omliggende bedrijven De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Op het perceel Diefdijk 20 is een agrarisch bedrijf aanwezig. De nieuwe bedrijfswoning wordt op meer dan 55 meter van het agrarische bedrijf gerealiseerd. Er wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor het bedrijf.
Afbeelding 11: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
Er kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen beperking geeft voor bestaande (bestemde) bedrijvigheid en woningen in de directe omgeving. Conclusie De realisatie van het project vormt geen belemmering voor naastgelegen agrarische bedrijven en andere omliggende bedrijven en woningen.
4.6
Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen.
24
Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie.
De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt); • Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB). Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. In de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan.
Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit. De aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron telt niet mee voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt.
25
Toetsing Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied gelegen zijn. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande afbeelding.