Plan van aanpak uitvoering omgevingsvisie
Tekst van het document
Plan van aanpak uitvoering omgevingsvisie Vijfheerenlanden
Zaak: 1068633 Datum: 11 december 2024
Samenvatting Dit plan van aanpak beschrijft de wijze waarop we invulling gaan geven aan de uitvoering van de omgevingsvisie Vijfheerenlanden. Op inhoud is er al veel in uitvoering. Het plan van aanpak is daarom met name gericht op de structuur die we gaan gebruiken gericht op samenwerking en integraliteit. De omgevingsvisie Vijfheerenlanden is op 8 februari 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. Deze schetst de ruimtelijke ambitie van de gemeente tot 2040, de toekomst van onze dorpen en steden en van het buitengebied. Het vormt het kader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en beheer, toekomstig (sectoraal) beleid en het omgevingsplan. De visie richt zich op de doelen (ook wel opgaven genoemd) die we hebben op de thema’s wonen, werken, mobiliteit, landschap, water en groen en energie. Randvoorwaarde bij het behalen van deze doelen is een vitaal en leefbaar Vijfheerenlanden. Dit vertalen we naar een gezond, duurzaam en veilig leefklimaat. De uitvoering van de omgevingsvisie is onderdeel van de beleidscyclus uit de Omgevingswet, waarin college en raad hun eigen rol hebben: omgevingsvisie (raad) -> programma’s (college) -> omgevingsplan (raad) -> omgevingsvergunning (college) -> toezicht en handhaving (college) -> monitoring en evaluatie (college). Het programma is een belangrijk instrument om in te zetten bij de uitvoering van de omgevingsvisie.
We zetten dit instrument daarom in voor het behalen van de opgaven. Dit zijn de omgevingsprogramma’s Wonen, Werken, Mobiliteit, Landschap water en groen en Energie. Deze programma’s: • • • •
noemen we een omgevingsprogramma; zijn de schakel tussen beleidsontwikkeling en uitvoering. Hierin maken we onze doelen en acties concreet; geven sturing en structuur aan de uitvoering van de omgevingsvisie. bevorderen het integraal werken doordat de opgaven en de thema’s veel raakvlakken hebben en elkaar beïnvloeden.
Het beleid uit het programma kan rechtstreeks vertaald worden in regels van het omgevingsplan. Dit zal parallel aan het project planomzetting (het traject om te komen van bestemmingsplan naar omgevingsplan) vorm moeten krijgen. Naast de omgevingsprogramma’s kunnen ook andere programma’s wenselijk zijn, zoals gebiedsprogramma’s ten behoeve van gebiedsontwikkelingen en thematische programma’s. Een gebiedsprogramma kan nodig zijn om als grondslag te dienen voor de inzet van de vestiging van een voorkeursrecht en kan ook ingezet worden voor ontwikkelingen die voortkomen uit de dorps(woon)- en gebiedsvisies. De programma’s Duurzaamheid en Sociaal Maatschappelijke agenda bevatten onderwerpen die relevant zijn voor de leidraad een gezonde, duurzame en veilige leefomgeving.
1
Vanuit de programma’s wordt zo nodig input geleverd aan de kadernota ten behoeve van benodigde middelen, zodat deze opgenomen kunnen worden in de nieuwe begroting. Over de voortgang van de uitvoering (de monitoring) van de omgevingsvisie als geheel rapporteren we jaarlijks aan de gemeenteraad. Dat doen we op basis van de informatie over de voortgang de individuele programma’s. We doen dit op proces, financiën en inhoud. Hierbij maken we gebruik van de bestaande planning en control cyclus. De actualisatie van de omgevingsvisie koppelen we aan de 4-jarige cyclus van de gemeenteraadsverkiezingen. Er is een ‘regisseur’ omgevingsvisie die het gehele traject van uitvoering omgevingsvisie aanstuurt en bewaakt. De trekkers van de programma’s zijn verantwoordelijk voor het opstellen van de omgevingsprogramma’s en de uitvoering ervan. De organisatiestructuur die de voorgestelde aanpak ondersteunt en andere vraagstukken zullen (deels) binnen het lopende traject van organisatieontwikkeling ‘Samen verder bouwen’ vorm moeten krijgen. Een traject dat momenteel loopt binnen het Fysiek Domein: ‘Samenwerken aan samenwerken’ gaat over intern opdrachtgeverschap en integraal werken. De resultaten hiervan zullen we daarom binnen de omgevingsprogramma’s toepassen. Het is van belang om meer ketengericht te werken, van strategie tot uitvoering. We kunnen dit vormgeven via de Wat- en de Hoe-tafel.
Bij de Wat-tafel worden beleids- en visiestukken in verschillende fases besproken met afgevaardigde van de diverse programma’s. Een Hoe-tafel gaat over de uitvoering van gestelde visies en beleid. Bij de uitvoering zal betrokkenheid van externen bij diverse programma’s aan de orde zijn. De Inspraak- en participatieverordening gemeente Vijfheerenlanden 2020 is hiervoor het kader. Er moet voldoende budget en capaciteit zijn om programma’s op te zetten, te realiseren en uiteindelijk het beleid uit te voeren. Hiervoor gebruiken we de gemeentelijke P&Ccyclus. De omgevingsprogramma’s vallen in de programmabegroting van Vijfheerenlanden onder alle programma’s.
2
Inhoud Samenvatting ......................................................................................... 1 1
Inleiding ........................................................................................... 5 Leeswijzer ........................................................................................... 6
2
Beleidscyclus Omgevingswet ................................................................ 7 Betrokkenheid college en raad ................................................................ 7
3
Het omgevingsprogramma ................................................................... 9 Kansen inzet programma’s ..................................................................... 9 Keuze voor vijf programma’s ................................................................ 10 Inhoud programma(plan) ..................................................................... 11
4
Omgevingsprogramma’s Vijfheerenlanden ............................................ 12 Omgevingsprogramma Wonen .............................................................. 12 Omgevingsprogramma Werken ............................................................. 12 Omgevingsprogramma Mobiliteit ........................................................... 13 Omgevingsprogramma Landschap, Water en Groen .................................. 13 Omgevingsprogramma Energie ............................................................. 14
5 Thema, gebieds- en andere programma’s ............................................... 15 Gebiedsprogramma’s ........................................................................... 15 Thematisch programma Duurzaamheid................................................... 15 Programma Sociaal Maatschappelijke Agenda .......................................... 16 Programma Openbare Ruimte ............................................................... 16 6
Doorwerking in het Omgevingsplan ..................................................... 18
7
Monitoring, evaluatie en actualisatie .................................................... 19 Monitoring proces en financiën .............................................................. 19 Monitoring inhoud ............................................................................... 20 Evaluatie en actualisatie ...................................................................... 20
8
Vertaling ambities naar initiatieven ..................................................... 21
9
Organisatie ..................................................................................... 23 Samen verder bouwen ......................................................................... 23 Programmastructuur ........................................................................... 24 Samenwerken aan samenwerken .......................................................... 25 Uitvoerbaarheid van beleid ................................................................... 26 Participatie ........................................................................................ 27 Borgen benodigde financiën .................................................................. 28
3
BIJLAGE 1: Doelen, kompas en ambities ................................................... 30 BIJLAGE 2: Programma’s in de Omgevingswet ........................................... 32 BIJLAGE 3: Inhoud omgevingsprogramma ................................................. 37 BIJLAGE 4: Omgevingsprogramma’s VHL................................................... 40 BIJLAGE 5: Programma’s in uitvoering ...................................................... 41 BIJLAGE 6: Activiteiten begroting 2024-2027 ............................................. 56
4
1
Inleiding
Dit plan van aanpak beschrijft de wijze waarop we invulling gaan geven aan de uitvoering van de omgevingsvisie Vijfheerenlanden. De omgevingsvisie Vijfheerenlanden is op 8 februari 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. Deze schetst de ruimtelijke ambitie van de gemeente tot 2040, de toekomst van onze dorpen en steden en van het buitengebied. Het vormt het kader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig (sectoraal) beleid en het omgevingsplan. De visie richt zich op de doelen (ook wel opgaven genoemd) die we hebben op de thema’s wonen, landschap, water en groen, werken, mobiliteit en energie. Randvoorwaarde bij het behalen van deze doelen is een vitaal en leefbaar Vijfheerenlanden, dit vertalen we naar een gezond, duurzaam en veilig leefklimaat. Hoe we dit alles willen bereiken wordt uitgewerkt aan de hand van 11 ambities. Een samenvatting hiervan is opgenomen in bijlage 1 en in onderstaande figuur wordt dit alles zeer beknopt weergegeven. De gehele omgevingsvisie staat hier: https://omgevingsvisie.vijfheerenlanden.nl/
Figuur 1: Schematische weergave opbouw en inhoud omgevingsvisie
5
Op inhoud wordt al veel uitgevoerd van wat we in de omgevingsvisie beschrijven. Dat komt mede door de manier waarop de omgevingsvisie is opgezet. Vanwege de samenvoeging tot Vijfheerenlanden in 2019, werden in 2019 en 2020 diverse visies en beleidsstukken op veel relevante thema’s geharmoniseerd en geactualiseerd. Dit is als uitgangspunt genomen voor de omgevingsvisie en is inmiddels in uitvoering (zie bijlage 5 voor een overzicht). In de omgevingsvisie ligt de nadruk op de integraliteit van al dit (veelal) sectorale beleid. Op dat punt vraagt de uitvoering nadrukkelijk om sturing. Het plan van aanpak is daarom met name gericht op de structuur die we gaan gebruiken gericht op samenwerking en integraliteit.
Leeswijzer De uitvoering van de omgevingsvisie is één van de stappen in de beleidscyclus uit de Omgevingswet. In hoofdstuk 2 wordt hier op ingegaan, evenals op de rollen van college en raad. Het streven is om op een gestructureerde en eenduidige manier te werken. Dat wil zeggen dat we, voor zover mogelijk en functioneel, gaan werken via de structuur van (omgevings)programma’s (hoofdstuk 3). In hoofdstuk 4 wordt kort ingegaan op de omgevingsprogramma’s die we gaan opzetten voor Vijfheerenlanden, in hoofdstuk 5 wordt gekeken naar de relatie met andere programma’s die lopen, zoals de Sociaal Maatschappelijke Agenda (SMA). De relatie met het omgevingsplan wordt toegelicht in hoofdstuk 6. Monitoring vindt plaats op het niveau van de programma’s en dit levert input voor de monitoring van het geheel. Elke 4-5 jaar zal er een evaluatie plaatsvinden, op basis waarvan de omgevingsvisie (zo nodig) wordt geactualiseerd. In hoofdstuk 7 wordt hier op in gegaan. In hoofdstuk 8 wordt de relatie met ruimtelijke initiatieven gelegd. Hoe laten we ambities daarin doorwerken? In hoofdstuk 9 wordt tot slot ingegaan op de organisatie. Hierin wordt de relatie gelegd met het lopende traject ‘samen verder bouwen’. Hoe past dit plan van aanpak in de ontwikkeling van de gehele organisatie? We sluiten elk hoofdstuk af met een samenvattend kader.
6
2
Beleidscyclus Omgevingswet
In de Omgevingswet zijn vier kerninstrumenten voor gemeenten opgenomen: de omgevingsvisie, het programma, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Elk van deze instrumenten heeft een andere rol in de beleidscyclus (figuur 2).
Figuur 2: Beleidscyclus Omgevingswet De omgevingsvisie richt zich op doelen en ambities, de uitvoering hiervan kan via programma’s vorm krijgen. Beide instrumenten zijn zelfbindend voor de gemeente. In het omgevingsplan worden regels, normen en waarden vastgelegd waaraan een initiatief in de fysieke omgeving moet voldoen. Dit zijn dus regels die bindend zijn voor iedereen. Deze worden uiteindelijk vertaald in een te verlenen omgevingsvergunning de officiële toestemming aan inwoners, bedrijven en andere overheden om de gevraagde activiteiten te verrichten in de fysieke leefomgeving. Met toezicht en handhaving zien we toe op naleving van de algemene regels en vergunningvoorschriften. Via monitoring van de omgevingsvisie wordt gekeken hoe het staat met de realisatie van de doelen en de ambities uit de omgevingsvisie en kan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in beeld gebracht worden. Uit evaluatie van de omgevingsvisie blijkt of bijstelling van de beleidsdoelen en/of aanpassing van de inzet van instrumenten nodig is. De signalen uit monitoring en evaluatie kunnen aanleiding zijn voor aanpassing van de omgevingsvisie, wat aanleiding kan zijn voor actualisatie van de omgevingsvisie.
De reikwijdte van dit plan van aanpak beperkt zich tot de fase van beleidsontwikkeling (visie) naar beleidsdoorwerking én tot de fase van terugkoppeling, de monitoring en de evaluatie van de voortgang van de omgevingsvisie.
Betrokkenheid college en raad In algemene zin stelt de gemeenteraad ambities en doelstellingen vast en het college geeft hier uitvoering aan. Het college is daarom het bevoegd gezag voor de programma’s en vergunningen, toezicht en handhaving (VTH).
7
In figuur 2 is weergegeven welke verantwoordelijkheden raad en college hebben in de beleidscyclus Omgevingswet. De gemeenteraad heeft de omgevingsvisie begin 2024 vastgesteld. Onderhavig plan van aanpak wordt/is vastgesteld door het college. De raad wordt hierover geïnformeerd via een Raads-Informatie-Brief (RIB). De vaststelling van programma’s gebeurt eveneens door het college. Dat sluit echter niet uit dat sommige programma's voor instemming of ondersteuning aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Bij een programma dat op uitvoering is gericht, is minder betrokkenheid nodig dan bij een beleidsintensief programma of een programma met grote financiële consequenties. Als programmaonderdelen samengaan met financiële verplichtingen, is een rol van de gemeenteraad belangrijk vanwege het wettelijke budgetrecht (begroting). Over de voortgang van de uitvoering (de monitoring) van de omgevingsvisie als geheel rapporteren we jaarlijks aan de gemeenteraad (zie ook hoofdstuk 7). Dat doen we op basis van de informatie over de voortgang de individuele programma’s. We doen dit op proces, financiën en inhoud. Hierbij maken we gebruik van de bestaande planning en control cyclus. De actualisatie van de omgevingsvisie koppelen we aan de 4-jarige cyclus van de gemeenteraadsverkiezingen.
Het college bereidt (aanpassingen in) de omgevingsvisie voor en biedt deze aan de gemeenteraad aan ter vaststelling. Hierbij is de rol van ambtenaren om het college hierin met voorstellen en advies te helpen een goed afgewogen collegebesluit te nemen over (aanpassingen) in de omgevingsvisie. De uitvoering van de omgevingsvisie is één van de stappen in de beleidscyclus Omgevingswet: omgevingsvisie (raad) -> programma’s (college) -> omgevingsplan (raad) -> omgevingsvergunning (college) -> toezicht en handhaving (college) -> monitoring en evaluatie (college).
8
3
Het omgevingsprogramma
Het programma is in de Omgevingswet één van de vier kerninstrumenten voor gemeenten. Het programma is de schakel tussen beleidsontwikkeling en uitvoering. Het is dus doelgerichter dan de omgevingsvisie. We noemen dit type programma het omgevingsprogramma, om aan te duiden dat het een programma betreft dat voortkomt uit de omgevingsvisie en als juridisch kader de Omgevingswet heeft. Er is sprake van een programma in de zin van de Omgevingswet als wordt voldaan aan één van de volgende punten: a. een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving, b. maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Er zijn een aantal verplichte programma’s opgenomen in de Omgevingswet, deze gelden niet voor de gemeente Vijfheerenlanden. Daarnaast is in de Omgevingswet de mogelijkheid voor het opstellen van vrijwillige programma’s opgenomen. Voor de gemeente is dus altijd sprake van dit type programma. In bijlage 2 wordt uitgebreid beschreven wat voor typen programma’s er in de Omgevingswet zijn opgenomen en welke eisen hiervoor gelden.
Kansen inzet programma’s Het voordeel van het bundelen van de verschillende onderdelen in programma’s ten opzichte van uitwerking via diverse (sectorale) beleidsstukken en uitvoeringsagenda’s e.d. is dat je via de programmalijnen breed overzicht kunt houden op alles wat er loopt en wat (nog) nodig is om de opgaven te behalen. Het geeft niet alleen structuur en overzicht op de uitvoering maar ook voor de monitoring van de te behalen opgaven en ambities. Daarnaast kan het programma ingezet worden om het integraal werken binnen de organisatie vorm te geven en te bevorderen. De inhoud van de verschillende programma’s heeft immers veel raakvlakken, overlapt en beïnvloedt elkaar. Het geheel is meer dan de som der delen. Ook kan, door te kiezen voor een beperkt aantal programmalijnen, beter gestuurd worden op integrale uitvoering via samenwerking tussen de eindverantwoordelijken per programmalijn. Naast bovengenoemde voordelen sluit het uitwerken van de omgevingsvisie via programma’s ook aan bij de werkwijze binnen het Sociaal Domein. Waar de omgevingsvisie hét kader is voor ontwikkelingen binnen het Fysiek Domein, is de sociaal maatschappelijke agenda (SMA) dat kader binnen het Sociaal Domein. De uitvoering hiervan is eveneens opgepakt via een programmastructuur (zie hoofdstuk 5).
Door binnen beide domeinen via deze vergelijkbare structuur te werken kan integraliteit bevorderd worden door elkaar op het niveau van de programma’s te betrekken.
9
Keuze voor vijf programma’s Het programma is dus het aangewezen instrument om sturing en structuur te geven aan de uitvoering van de opgaven uit de omgevingsvisie. De omgevingsvisie beschrijft de stip op de horizon, het programma de weg hier naartoe. Het is dus de schakel tussen de opgaven en ambities en de resultaten. We kunnen hierbij vanuit verschillende invalshoeken te werk gaan: vanuit de opgaven/doelen, vanuit ons kompas en vanuit de 11 ambities (zie bijlage 1). Het heeft niet de voorkeur om heel veel verschillende programma’s op te gaan starten. Belangrijke redenen hiervoor zijn: • • • •
teveel overlap tussen de programma’s met het risico van verschillende aanpak voor hetzelfde vraagstuk; kans op teveel nadruk op sectorale onderwerpen in plaats van een integrale insteek; organisatorisch teveel capaciteit nodig voor regie op en aansturing van programma’s; te veel capaciteit gevraagd met als gevolg werkdruk.
Daarom wordt er gekozen voor vijf omgevingsprogramma’s die als doel hebben invulling te geven aan de opgaven zoals we die beschreven hebben in de omgevingsvisie. Dit is het ‘Wat’ uit de omgevingsvisie. Dit zijn de omgevingsprogramma’s: • • • • •
Wonen; Werken; Mobiliteit; Landschap water en groen; Energie.
In onderstaande figuur wordt schematisch de relatie tussen de programma’s, het kompas en de ambities weergegeven.
Figuur 3: Relatie tussen de programma’s, het kompas en de ambities
10
Inhoud programma(plan) Binnen het programma wordt gewerkt aan het realiseren van de betreffende opgave. Belangrijk is dat het programma bestaat uit een concrete uitvoeringsagenda met een realistische planning. Welke concrete acties worden uitgevoerd en wie is daarvoor verantwoordelijk? De omgevingsvisie is de basis, met de vertaalslag naar het programma maken we de omgevingsvisie pas ‘SMART1’. De Omgevingswet stelt verder weinig eisen aan de opzet en inhoud van omgevingsprogramma’s en er gelden geen procedure-eisen voor vrijwillige programma’s. In bijlage 3 wordt uitgebreid ingegaan op de (mogelijke) inhoud van een omgevingsprogramma. Dit kan gebruikt worden bij het opstellen van de programmaplannen. Het programma is een belangrijk instrument om in te zetten bij de uitvoering van de omgevingsvisie. We zetten dit instrument daarom in voor het behalen van de opgaven. Dit zijn de omgevingsprogramma’s Wonen, Werken, Mobiliteit, Landschap water en groen en Energie. Deze programma’s: • noemen we een omgevingsprogramma; • zijn de schakel tussen beleidsontwikkeling en uitvoering. Hierin maken we onze doelen en acties concreet; • geven sturing en structuur aan de uitvoering van de omgevingsvisie. • bevorderen het integraal werken doordat de opgaven en de thema’s veel raakvlakken hebben en elkaar beïnvloeden.
De Omgevingswet stelt weinig eisen aan de opzet en inhoud van omgevingsprogramma’s en er gelden geen procedure-eisen.
SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel/aanvaardbaar, Realistisch en Tijdgebonden. Het maakt doelen inzichtelijker en stelt er deadlines aan om deze te bereiken. 1
11
4
Omgevingsprogramma’s Vijfheerenlanden
Uitvoering geven aan de omgevingsvisie doen we dus via vijf omgevingsprogramma’s. Bij al deze programma’s geldt als uitgangspunt: we streven naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving (het kompas). Deze thema’s lopen als rode draad door de programma’s. Het ‘Hoe’ is verwoord in de 11 ambities. In bijlage 4 zijn de verbanden tussen de programma’s, het kompas en de ambities in een schema weergegeven. Momenteel worden diverse onderdelen van de programma’s al uitgevoerd, zowel op tactisch niveau als op uitvoeringsniveau. Dit is niet verwonderlijk: uitgangspunt bij het opstellen van de omgevingsvisie was immers (grotendeels) het bestaande beleid, wat in de afgelopen jaren is geharmoniseerd en geactualiseerd. In onderstaande paragrafen worden de programma’s toegelicht en wordt de relatie met de 11 ambities gelegd. Hierbij zijn de verschillende ambities veelal relevant voor meerdere opgaven en zullen dus uitvoering krijgen binnen meerdere omgevingsprogramma’s. Toch ligt het zwaartepunt vaak bij één opgave. Om de eindverantwoordelijkheid voor de ambities te beleggen bij één programma verantwoordelijke, wordt ervoor gekozen elke ambitie te koppelen aan één programma. We noemen dit het ‘primaire programma’ van de ambitie. In bijlage 5 wordt inhoudelijk ingegaan op onderdelen waar al invulling aan gegeven wordt.
In sommige gevallen, zoals bij het omgevingsprogramma Wonen, is al (min of meer) sprake van een programmastructuur.
Omgevingsprogramma Wonen Het Omgevingsprogramma Wonen geeft invulling aan het in de omgevingsvisie opgenomen doel ‘Wonen’: We bouwen (ongeveer) 5.000 woningen tot 2040. Voor de volgende ambities is dit omgevingsprogramma het ‘primaire programma’: • • • •
We bouwen woningen naar behoefte. Er zijn voldoende, toegankelijke en bereikbare voorzieningen. We realiseren een leefomgeving die positieve gezondheid stimuleert. We waarborgen een gezonde en veilige leefomgeving.
Daarnaast wordt bij de ontwikkeling en de realisatie van woningbouw invulling gegeven aan de volgende ambities: • • • •
We versterken en behouden onze landschappelijke en cultuurhistorische waarden. We zetten in op duurzame bereikbaarheid. We zijn een klimaatbestendige gemeente en we vergroten de biodiversiteit. We zetten in op een duurzame, energie- en klimaat neutrale inrichting.
Omgevingsprogramma Werken Het Omgevingsprogramma Werken geeft invulling aan het in de omgevingsvisie opgenomen doel ‘Werken’: We breiden onze werklandschappen uit met 70-75 hectare voor lokale en regionale bedrijvigheid.
12
Voor de volgende ambitie is dit omgevingsprogramma het ‘primaire programma’: •
We zorgen voor duurzame werkgelegenheid.
Hierbij wordt bij de ontwikkeling en de realisatie van nieuwe werklandschappen en bij ontwikkelingen op bestaande werklandschappen invulling gegeven aan de volgende ambities: • • • • • • •
We versterken en behouden onze landschappelijke en cultuurhistorische waarden. We zetten in op duurzame bereikbaarheid. Er zijn voldoende, toegankelijke en bereikbare voorzieningen. We realiseren een leefomgeving die positieve gezondheid stimuleert. We waarborgen een gezonde en veilige leefomgeving. We zijn een klimaatbestendige gemeente en we vergroten de biodiversiteit. We zetten in op een duurzame, energie- en klimaat neutrale inrichting.
Omgevingsprogramma Mobiliteit Het omgevingsprogramma Mobiliteit geeft invulling aan het in de omgevingsvisie opgenomen doel ‘Mobiliteit’: Een goede bereikbaarheid is belangrijk om wonen, werken, voorzieningen, recreatie en onderwijs toegankelijk te maken voor iedereen. Er is een mobiliteitstransitie nodig voor een duurzaam vervoersnetwerk waarbij verschillende vervoersmiddelen op elkaar aansluiten. Voor de volgende ambities is dit omgevingsprogramma het ‘primaire programma’: •
We zetten in op duurzame bereikbaarheid.
Daarnaast geeft het (mede) invulling aan de volgende ambities: • • • • •
De recreatie in de gemeente past bij onze identiteit. Er zijn voldoende, toegankelijke en bereikbare voorzieningen. We realiseren een leefomgeving die positieve gezondheid stimuleert. We waarborgen een gezonde en veilige leefomgeving. We zetten in op een duurzame, energie- en klimaat neutrale inrichting.
Omgevingsprogramma Landschap, Water en Groen Het omgevingsprogramma Landschap, water en groen geeft invulling aan het in de omgevingsvisie opgenomen doel ‘Landschap, water en groen’: De komende jaren werken we aan een buitengebied waarin natuur, de agrarische activiteiten en recreatie met elkaar in balans zijn. Voor de volgende ambities is dit omgevingsprogramma het ‘primaire programma’: • • • •
We versterken en behouden onze landschappelijke en cultuurhistorische waarden. We zetten in op een toekomstbestendige landbouw. De recreatie in de gemeente past bij onze identiteit. We zijn een klimaatbestendige gemeente en we vergroten de biodiversiteit.
Daarnaast geeft het (mede) invulling aan de volgende ambities:
13
• • •
We zorgen voor duurzame werkgelegenheid. We waarborgen een gezonde en veilige leefomgeving. We zetten in op een duurzame, energie- en klimaat neutrale inrichting.
Omgevingsprogramma Energie Het omgevingsprogramma Energie geeft invulling aan het in de omgevingsvisie opgenomen doel ‘Energie’: Het landelijk doel is om in 2050 energieneutraal te zijn. We bieden daarom ruimte aan het opwekken van duurzame energie en behalen daarmee ons RES-bod (Regionale Energie Strategie) van minimaal 0,072 TWh in 2030. Ook zetten we in op het aardgas-vrij maken van alle bestaande gebouwen, energiebesparing en energieneutraal bouwen in de toekomst. Voor de volgende ambities is dit omgevingsprogramma het ‘primaire programma’: •
We zetten in op een duurzame, energie- en klimaat neutrale inrichting.
Daarmee geeft dit programma (mede) invulling aan de volgende ambities: • • • •
We zorgen voor duurzame werkgelegenheid. We zetten in op duurzame bereikbaarheid. We zetten in op een toekomstbestendige landbouw. We waarborgen een gezonde en veilige leefomgeving.
We gaan uit van de volgende omgevingsprogramma’s: • Wonen • Werken • Mobiliteit • Landschap, water en groen • Energie
14
5 Thema, gebieds- en andere programma’s Naast de omgevingsprogramma’s lopen er ook andere programma’s, zoals gebiedsprogramma’s ten behoeve van gebiedsontwikkelingen en thematische programma’s.
Gebiedsprogramma’s Dit type programma richt zich op een specifiek gebied. Het lopende uitvoeringsprogramma Binnenstadvisie Leerdam kan gezien worden als een gebiedsprogramma. Datzelfde geldt voor de nog op te stellen uitvoeringsprogramma’s voor de dorps(woon)visies en de gebiedsvisies. Hoe we hier invulling aan gaan geven zal nog nader uitgewerkt moeten worden. Een gebiedsprogramma kan ook nodig zijn om als grondslag te dienen voor de inzet van de vestiging van een voorkeursrecht. Een voorbeeld is het gebiedsprogramma Lexmond West. Het resultaat van een dergelijk programma is een gebiedsplan. In een aantal gevallen zal dit type programma ingezet worden om invulling te geven aan gebiedsontwikkelingen die voortkomen uit de dorps(woon)visies en gebiedsvisies. Bij de genoemde gebiedsprogramma’s is sprake van een vrijwillig programma in de zin van de Omgevingswet want het gaat om ‘een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving’. De gebiedsprogramma’s worden uitgevoerd als uitwerking van het omgevingsprogramma Wonen en daarmee tevens als uitvoering van de omgevingsvisie.
Thematisch programma Duurzaamheid Het lopende programma Duurzaamheid is een thematisch programma. Dit programma richt zich op 3 pijlers: • • •
Energie en verantwoord; Klimaat robuust en biodivers; Circulair en schoon.
Het geeft invulling aan onze leidraad/ ons kompas: een duurzame leefomgeving. Het aspect klimaatverandering (overstromingsrisico’ s), onderdeel van de leidraad veiligheid, valt ook onder dit programma. De verschillende projecten die binnen dit programma uitgevoerd worden, zijn grotendeels verweven met de opgaven en ambities uit de omgevingsvisie en zullen daarmee invulling geven aan de verschillende omgevingsprogramma’s. Zo zal de pijler energie en verantwoord een belangrijk onderdeel zijn van het omgevingsprogramma’s Energie en Mobiliteit, de pijler klimaat robuust en biodivers van het omgevingsprogramma Landschap, water en groen en de pijler circulair en schoon van het omgevingsprogramma’s Wonen en Werken. De reikwijdte van het programma beperkt zich niet tot de omgevingsvisie. Het richt zich in de breedte op alle gemeentelijke taken en opgaven, zowel binnen het fysiek als het sociaal domein en ook op de eigen organisatie.
15
Er is sprake van een vrijwillig programma in de zin van de Omgevingswet want het gaat om ‘een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving’.
Programma Sociaal Maatschappelijke Agenda De Sociaal Maatschappelijke Agenda vormt het kader voor de uitvoering van het beleid binnen het sociaal domein. Het Programmaplan Transformatie sociaal domein ‘gezamenlijk aan de slag met de opgaven van de SMA’ is in augustus 2023 vastgesteld door het college. Dit programma bevat een aantal onderwerpen die relevant zijn voor de leidraad een gezonde en veilige leefomgeving (zie ook bijlage 5). In de SMA zijn een viertal opgaven met doelen geformuleerd: I. II. III. IV.
Meedoen Vitaliteit Voor jezelf zorgen Leven Lang ontwikkelen
Deze doelen en opgaven zijn uitgewerkt tot een aantal deelprogramma’s/ programmalijnen waarvan de volgende direct of indirect aansluiten bij de leidraad en de ambities uit de omgevingsvisie: • • •
Opgroeien in Vijfheerenlanden; Gezondheid; Sterke sociale basis.
Dit programma Transformatie sociaal domein is geen programma in de zin van de Omgevingswet, maar bevat wel de handvatten om invulling te geven aan (een deel) van de leidraad en de ambities rond het thema gezondheid in de omgevingsvisie. Intensieve samenwerking en afstemming met de programmalijnen vanuit het Sociaal Domein binnen de omgevingsprogramma’s is daarom noodzakelijk. Deze samenwerking wordt binnen de verschillende omgevingsprogramma’s op de relevante onderwerpen uitgewerkt.
Programma Openbare Ruimte De afdeling Beheer Openbare Ruimte heeft het programma Openbare Ruimte opgesteld. Dit programma geeft duidelijkheid over wat de gemeente bedoelt met ‘de openbare ruimte’. Het geeft ook inzicht in welke keuzes de gemeente maakt rond het beheer hiervan. Het vormt de leidraad voor het beheer van de buitenruimte in Vijfheerenlanden. Dit programma heeft veel raakvlakken met de ambities uit de omgevingsvisie. Dit komt tot uitdrukking in een aantal uitgangspunten die in het programma zijn beschreven waaronder: • • •
Het voortbouwen op de historische basis van Vijfheerenlanden. Rekening houden met de diversiteit in het landschap bij het behoud van biodiversiteit en ecologisch evenwicht en bij het reguleren van waterstromen. Rekening houden met de eigenschappen van de verschillende bodemtypen en hun relatie tot huidige en toekomstige vormen van landgebruik (waaronder woningbouw).
16
•
• •
Noodzaak voor verstandig en goed doordacht waterbeheer om overstromingsrisico’s te minimaliseren, droogteschade te beperken en de waterkwaliteit te beschermen. Aandacht voor een aantrekkelijk buitenruimte met aandacht voor duurzaamheid, gezondheid en leefbaarheid. Zorgvuldig omgaan met de goederen en materialen die wij in beheer hebben door (waar mogelijk) een duurzame, circulaire materiaalkeuze.
Samenwerking en afstemming met de omgevingsprogramma’s wordt binnen de verschillende omgevingsprogramma’s op de relevante onderwerpen uitgewerkt. Ook vanuit het programma Openbare Ruimte zal waar nodig aansluiting gezocht worden met de omgevingsprogramma’s. Naast de omgevingsprogramma’s kunnen ook andere programma’s wenselijk zijn, zoals gebiedsprogramma’s ten behoeve van gebiedsontwikkelingen en thematische programma’s. Een gebiedsprogramma kan nodig zijn om als grondslag te dienen voor de inzet van de vestiging van een voorkeursrecht en kan ook ingezet worden voor ontwikkelingen die voortkomen uit de dorps(woon)- en gebiedsvisies. De programma’s Duurzaamheid en Sociaal Maatschappelijke agenda bevatten onderwerpen die relevant zijn voor de leidraad een gezonde, duurzame en veilige leefomgeving. Het programma Openbare ruimte geeft invulling aan het beheer van de openbare ruimte, waarin vele raakvlakken zitten met de ambities uit de omgevingsvisie.
17
6
Doorwerking in het Omgevingsplan
In het Omgevingsplan staat precies wat wel en niet mag op een locatie, het bevat alle gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving die bindend zijn voor initiatiefnemers en gebruikers. Het lijkt daarmee op het bestemmingsplan zoals dat eerder bestond. Het omgevingsplan is dus het juridisch toetsingskader. Ook de doelen en ambities uit de omgevingsvisie worden (voor zover relevant) vertaald naar regels in het Omgevingsplan. Dit krijgt onder andere vorm door het beleid uit de programma’s rechtstreeks te vertalen naar regels voor het Omgevingsplan (beleidsdoorwerking). In het Omgevingsplan moet daarom duidelijk een link worden gelegd met de omgevingsvisie. Op deze manier borgen we dat in een programma beleidsmatig vastgelegde en gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt beschermd of bereikt. Op basis van het programma kunnen we in het Omgevingsplan: • • • •
functies aan locaties toedelen; (algemene) regels voor activiteiten opstellen; omgevingswaarden of andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving opnemen; een beoordelingskader maken voor initiatieven in de uitvoeringsfase.
Bij het opstellen van een omgevingsplan of het wijzigen van een omgevingsplan zal dus ook rekening gehouden moet worden met een vastgesteld omgevingsprogramma. De bestaande bestemmingsplannen zijn, sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, van rechtswege het tijdelijke gemeentelijk Omgevingsplan. De gemeente heeft tot 2031 om dit tijdelijke omgevingsplan te herzien. Dit doen we via het project Planomzetting. In principe is dit een beleidsarme omzetting van bestaande regels naar de nieuwe systematiek van de Omgevingswet. Nieuwe regels die bij de uitvoering van de omgevingsvisie (via programma’s of via nieuw beleid) opgesteld worden zullen via een ander (parallel) proces opgenomen moeten worden in (het tijdelijk of inmiddels definitieve deel van) het Omgevingsplan. Hoe we dit kunnen vormgeven zal onderzocht en uitgewerkt moeten worden. Hier zal het project ‘Implementatie nieuw beleid in omgevingsplan’ opgestart worden. Het beleid uit het programma kan rechtstreeks vertaald worden in de regels van het omgevingsplan. Dit zal parallel aan het project planomzetting vorm moeten krijgen. Hoe we dit organiseren wordt uitgewerkt in het project ‘Implementatie nieuw beleid in omgevingsplan’.
18
7
Monitoring, evaluatie en actualisatie
Bestuurlijk zullen de wethouders, college en raad jaarlijks op de hoogte worden gehouden van de voortgang van de omgevingsprogramma’s en de uitvoering van de omgevingsvisie als geheel. We doen dit door de voortgang te monitoren. De insteek van de Omgevingswet is dat beleidsstukken steeds actueel zijn en worden bijgesteld. Ook de omgevingsvisie moet ‘bij de tijd’ zijn. Door tussentijds te monitoren, weten we waar we staan met de uitvoering. Door te evalueren kunnen we gemaakte keuzes bijstellen. In de basis wijzigt de omgevingsvisie niet gedurende de looptijd tot 2040. Wel is het van belang om periodiek te bepalen of we nog op de goede koers zitten. Het monitoren van de voortgang doen we aan de hand van de door ons gestelde doelen en de geformuleerde ambities hierbij. Hierbij kunnen we een onderscheid maken tussen de voortgang op proces en de voortgang in het behalen van doelen en ambities.
Monitoring proces en financiën De gemeente heeft een eigen planning en control cyclus van de jaarstukken, bestuursrapportages, kadernota en begroting, de P&C-cyclus (planning en control cyclus). Dit is een zich voortdurend herhalend proces, zie onderstaande figuur 4.
Figuur 4: P&C cyclus Vijfheerenlanden (bron: Programmaboek planning en control-cyclus 2024) Voor de monitoring van het proces en de financiën maken we gebruik van de bestaande P&C cyclus, waarmee de gemeenteraad periodiek wordt geïnformeerd over behaalde resultaten en voortgang. Hoe staat het met de programma’s, ontwikkeling van beleid en projecten? Loopt dit volgens planning en is er voldoende budget? De trekker van het omgevingsprogramma of projectleider is verantwoordelijk voor deze monitoring. Dit wordt periodiek, via de P&C cyclus bijgehouden in het zaaksysteem. Met de afdeling Control zal bekeken worden op welke wijze het lopende proces ingezet kan worden voor het specifiek monitoren van de voortgang van de uitvoering van de omgevingsvisie.
19
Op basis van deze resultaten wordt de uitvoering van de omgevingsvisie als geheel gemonitord. We rapporteren zo ieder jaar over de voortgang van de uitvoering aan de gemeenteraad. Vanuit de programma’s wordt zo nodig input geleverd aan de kadernota ten behoeve van benodigde middelen, zodat deze opgenomen kunnen worden in de nieuwe begroting.
Monitoring inhoud De voortgang in het behalen van doelen en ambities maken we voor zover mogelijk, inzichtelijk via kaarten en cijfers (indien mogelijk in grafieken). Hierbij is de gemeenteatlas, opgesteld als onderdeel van de omgevingsvisie, de referentie. Ook zal de plan-OER (Omgevings-Effectrapportage) gebruikt worden voor deze monitoring. Daarnaast zal bekeken worden of er elders (openbare) data beschikbaar is die voor dit doel gebruikt kan worden. Uitgangspunt is dat we geen of zo min mogelijk data specifiek voor dit doel gaan genereren via onderzoek. In 2025 gaan we dit vormgeven en het proces inrichten.
Evaluatie en actualisatie De resultaten van de jaarlijks uitgevoerde monitoring leveren input voor evaluatie van de omgevingsvisie. Op welke onderdelen is aanpassing nodig vanuit voortschrijdend inzicht, wet- en regelgeving etc. De evaluatie vormt input voor actualisatie van de omgevingsvisie als geheel. Het is echter, gezien het te doorlopen bestuurlijk proces, onmogelijk om de omgevingsvisie bij elke verandering aan te passen. Daarom volgen we hierbij de vierjarige college en raadscyclus. Het nieuwe coalitieakkoord vormt daarbij, naast de evaluatie, belangrijke input. Iedere keer als er een nieuw gemeentebestuur komt, normaal gesproken eens in de vier jaar, worden de doelen inhoudelijk gecheckt. Onze doelen zijn immers een belangrijk deel van de visie. We herijken de ambities/keuzes die eraan zijn gekoppeld. Zo nodig passen we dan de doelen en acties aan. Bij het actualiseren van omgevingsvisie zal een participatietraject doorlopen worden. Daarnaast actualiseren we de omgevingsvisie zo, dat de status van het behalen van de doelen klopt met de werkelijkheid van dat moment.
Hierbij zal aandacht zijn voor de voortgang die geboekt is in de voorgaande periode: welk deel van onze doelen is inmiddels gerealiseerd en wat moet nog? Vanuit de programma’s wordt zo nodig input geleverd aan de kadernota ten behoeve van benodigde middelen, zodat deze opgenomen kunnen worden in de nieuwe begroting. Voor de monitoring maken we gebruik van de bestaande planning en control cyclus. We rapporteren jaarlijks over de voortgang van de uitvoering aan de gemeenteraad. We doen dit op proces, financiën en inhoud. De actualisatie van de omgevingsvisie koppelen we aan de 4-jarige cyclus van de gemeenteraadsverkiezingen.
20
8
Vertaling ambities naar initiatieven
In de Omgevingsvisie wordt een gezond, duurzaam en veilig Vijfheerenlanden benoemd als kompas/leidraad bij het behalen van onze doelen. De visie bevat ambities om dit te bereiken. Na de vertaling hiervan in regels (via omgevingsprogramma’s en beleid), vormt het Omgevingsplan het juridisch kader voor ruimtelijke initiatieven. Het is voor de toetsing en de uitvoering van initiatieven van belang om hier verder handen en voeten aan te geven. Hoe vertaalt alles zich naar randvoorwaarden en kaders bij concrete initiatieven? Waar toetsen we aan? Waar moet een plan aan voldoen? Binnen welke kaders kunnen keuzes gemaakt worden? Welke ambitie krijgt wanneer voorrang boven andere ambities? Belangrijke vragen hierbij zijn: Hoe/waar bieden we ruimte aan initiatiefnemers? Hoe geven we invulling aan de gedachte van de Omgevingswet om te toetsen vanuit maatschappelijke wensen en eisen: hoe kunnen we een gewenst initiatief mogelijk maken? Hoe zetten we het doel van een plan centraal en niet de vraag of het mag. Kortom, er is behoefte aan een meetlat, een handvat voor initiatiefnemers en tegelijk een toetsingskader voor de ambtelijke organisatie en een instrument dat ingezet kan worden bij participatie. Het is dus meer dan een set van normen (al dan niet met een bandbreedte). Met het te ontwikkelen instrument: • • •
•
Weet de initiatiefnemer waar een plan (minimaal) aan moet voldoen; Kan een initiatief eenvoudig getoetst kan worden aan onze ambities en de daaruit voortkomende ‘normen’; Kunnen verschillende inrichtingsvarianten naast elkaar bekeken worden zodat op basis van gevolgen voor de leefomgeving een voorkeursvariant zichtbaar wordt; Kunnen een plan en de gevolgen ervan voor de omgeving inzichtelijk gemaakt worden t.b.v. interne- en externe participatie.
Er zijn inmiddels diverse voorbeelden van een dergelijk instrument, waaronder het puntensysteem van de gemeente Veenendaal 2 en de Gezonde Gebieds-Ontwikkeling (GGO) Digital Twin van de provincie Utrecht3. Een ander instrument is de Bar-code van de gemeente Utrecht4. Dit is een methodiek om de kwantitatieve ruimtevraag in Utrecht in beeld te brengen. De barcode maakt slim gebruik van de beschikbare ruimte door functies te combineren en ruimte multifunctioneel te gebruiken. Binnen de U10 wordt bekeken of en hoe we dit instrument regionaal kunnen inzetten. Door elkaars sterke
2
Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal (1e wijziging: oktober 2022, Definitieve versie: januari 2022, Team Ruimtelijke Ordening en Bouwen), Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal | Gemeente Veenendaal 3 Handboek GGO Digital Twin Provincie Utrecht, Inzet ‘Template Gezonde Gebiedsontwikkeling’ bij ruimtelijke plannen, Handboek GGO Digital Twin Provincie Utrecht - Handboek GGO Digital Twin Provincie Utrecht (provincie-utrecht.nl) 4 Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad, Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040, www.utrecht.nl/rsu2040 (Gemeente Utrecht, juli 2021)
21
kanten te benutten kan een ruimtevraag soms op één plek beter tot zijn recht komen dan ergens anders. Er wordt in 2025 een project opgestart om te onderzoeken wat voor toetsingskader voor onze gemeente gewenst is. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar reeds ontwikkelde instrumenten. Voor het vertalen van ambities naar concrete initiatieven wordt een instrument ontwikkeld. Belangrijke vragen hierbij zijn: hoe kunnen we een gewenst initiatief mogelijk maken? Hoe zetten we het doel van een plan centraal en niet de vraag of het mag.
22
9
Organisatie
In voorgaande hoofdstukken is uiteen gezet hoe we inhoudelijk uitvoering gaan geven aan de omgevingsvisie. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat dit betekent voor de organisatie en hoe dit samenhangt met het lopende traject van organisatieontwikkeling ‘Samen verder bouwen’. Ook wordt ingegaan op de wijze van financiering. Bij het opzetten van een omgevingsprogramma zijn, naast de inhoud, een aantal onderdelen steeds van belang: • •
• • • • •
Hoe past de voorgestelde aanpak binnen de structuur van de organisatie? Hoe organiseren we verantwoordelijkheden ten aanzien van uitvoering van deelprojecten, op te stellen beleid etc.? Hoe regelen we intern opdrachtgever/ opdrachtnemerschap? Hoe borgen we een integrale uitvoering van de omgevingsprogramma’s? Hoe organiseren we de interne participatie? Hoe zorgen we voor voldoende interne betrokkenheid en draagvlak. Hoe organiseren we de externe participatie? Hoe zorgen we voor voldoende externe betrokkenheid en draagvlak. Hoe toetsen we dat beleid ook uitvoerbaar is? Hoe zorgen we dat er voldoende budget is voor het opzetten en uitvoeren van een omgevingsprogramma?
Samen verder bouwen In dit plan van aanpak worden een aantal concrete programma’s en projecten benoemd. Deze voorgestelde aanpak heeft (mogelijk) consequenties voor de organisatiestructuur van het fysiek domein en voor de manier waarop we werken. Vragen die hierbij van belang zijn: • • • • • • •
Is aanpassing van de huidige structuur hiervoor nodig of gewenst? Of en hoe past de voorgestelde aanpak in de huidige structuur van de organisatie? Hoe beleggen we de uitvoering van de omgevingsvisie binnen de verschillende afdelingen en teams en hoe houden we hier grip op? Binnen welk(e) team(s) beleggen we de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de omgevingsprogramma’s? En binnen welke functie past de rol van trekker van een omgevingsprogramma of is dit een nieuwe functie? Wie zorgt ervoor dat de er voldoende capaciteit beschikbaar is voor het uitvoeren van de programma’s? Wie prioriteert de verschillende onderdelen en projecten?
Dit vraagstuk gaat verder dan het plan van aanpak omgevingsvisie. De organisatiestructuur die de voorgestelde aanpak ondersteunt en andere vraagstukken zullen (deels) binnen het lopende traject van organisatieontwikkeling ‘Samen verder bouwen’ vorm moeten krijgen. Een aantal vraagstukken die genoemd worden in de notitie ‘Samen verder bouwen’ sluit hierop aan. In hoofdstuk 5 ‘Uitkomsten reflectie van directie en management’ staat onder andere:
23
• • •
•
Er is meer sturing en coördinatie nodig om tot een gedeelde gezamenlijke opdracht en resultaten te komen. In onze organisatie is meer integraliteit nodig om tot de resultaten te komen die van ons gevraagd worden. We willen zelfbewust werken aan de opgaven van morgen en overmorgen, in een organisatie waar in de richting duidelijk is, waar mensen zich thuis voelen, waar duidelijkheid ervaren wordt, waar draagkracht en draaglast in balans zijn, waar mensen elkaar aanspreken en waar ruimte is voor groei. De manier waarop we ons organiseren is een middel om onze taken zo goed mogelijk te kunnen uitvoeren. Daarmee is het ondersteunend aan de koers en bestuurlijke ambities en moet het ruimte geven aan ambtelijk vakmanschap.
Het sluit tevens aan bij een aantal onderwerpen dat genoemd wordt in hoofdstuk 7 Ontwikkelplan: •
•
• • •
•
•
•
Ons doel is en blijft een moderne, resultaatgerichte gemeente die uitgaat van de kracht van de samenleving, opgavegericht werkt, wijk- en dorpsgericht is, en nieuwe bestuurskracht benut. Meer richting en sturing en herladen en verduidelijken van het begrip zelforganisatie. Bij de doorontwikkeling van zelforganisatie richten we ons als eerste op de door de medewerkers aangedragen prioriteiten: We kiezen voor maatwerk in de mate van sturing die past bij een team of bij een opgave. Een team krijgt die mate van coördinatie en sturing die nodig is, bijvoorbeeld in de vorm van een coördinator, of een senior beleidsmedewerker met coördinerende taken. We versterken strategische sturing en leiderschap in onze organisatie. We zetten in op betere integrale samenwerking. Rollen, verantwoordelijkheden en posities worden helder geformuleerd en besproken. We zorgen voor een acceptabele werkdruk. Door heldere richting, sturing en focus, en door medewerkers beter toe te rusten voor hun opgaven werken we aan eigenaarschap en persoonlijk leiderschap. Hierdoor brengen we de ervaren werkdruk omlaag. Ook gaan we onderzoeken hoe we bedrijfsvoeringsfuncties kunnen versterken, systemen kunnen optimaliseren en processen slimmer kunnen uitvoeren. En hoe dat kan bijdragen aan effectiever kunnen werken door vakteams, zodat zij de focus op hun vak kunnen verstevigen.
We ontwikkelen het opdrachtgever/opdrachtnemerschap zodat voor alle partijen direct de omvang en het eigenaarschap van de opdracht duidelijk is. We werken hiervoor een methodiek uit en ondersteunen die via opleidingen en coaching. We stellen onze prioriteiten beter door bewust te zijn van de waarde van projecten en taken.
Het is van belang de voorgestelde aanpak voor het geven van uitvoering aan de omgevingsvisie input te laten zijn bij het geven van invulling aan deze punten en vice versa, de resultaten van het ontwikkeltraject te gebruiken bij geven van uitvoering aan het plan van aanpak omgevingsvisie.
Programmastructuur Er is een ‘regisseur’ omgevingsvisie die het gehele traject van uitvoering omgevingsvisie aanstuurt en bewaakt. Dit is tevens de ‘spin in het web’ binnen de organisatie (met het
24
zwaartepunt het fysiek domein) om te faciliteren en bewaken dat de omgevingsvisie tot uitvoering komt. Deze regisseur zal nauw samenwerken met de trekkers van de verschillende omgevingsprogramma’s en zal nauw betrokken zijn bij het vormgeven/faciliteren van het integrale aspect binnen en tussen de programma’s en met de teams in de uitvoering. Binnen deze rol ligt ook de verantwoordelijkheid voor het monitoren van de voortgang en het uitvoeren van de actualisatie van de omgevingsvisie. De vijf omgevingsprogramma’s geven invulling aan de opgaven waar we tot 2040 als gemeente, vanuit de fysieke omgeving, voor staan. De trekkers van de programma’s zijn verantwoordelijk voor het opstellen van de omgevingsprogramma’s en de uitvoering ervan. Gezien de verwevenheid tussen de programma’s is het van belang dat zij samen optrekken bij het opstellen van de programmaplannen. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van onderwerpen die in het programmaplan aan de orde (kunnen) komen. Zoals eerder al beschreven is en uitgewerkt is in bijlage 5, begint geen enkel programma vanuit niets. Binnen alle genoemde omgevingsprogramma’s wordt al volop gewerkt aan de uitvoering.
Doel van de programmaplannen is dan ook om onderlinge verbanden te leggen, hierin structuur aan te brengen en duidelijk te maken hoe de verschillende projecten leiden tot de realisatie van de opgaven langs de leidraad van een vitale samenleving. Tevens wordt in de programmaplannen beschreven via welke projecten invulling gegeven wordt aan de betrokken ambities. De opgave wordt SMART gemaakt. Hierbij is ook aandacht voor wat je per jaar wilt bereiken, zodat je meer zicht hebt op de benodigde capaciteit en kunt monitoren op behaalde doelen. Tussen de omgevingsprogramma’s zijn raakvlakken. Daarnaast zijn er belangrijke raakvlakken met de themaprogramma’s Duurzaamheid en Sociaal Maatschappelijke Agenda (zie hoofdstuk 5). Om te zorgen dat we alert blijven op deze verbindingen, om de voortgang te bewaken, maar ook van elkaar te leren, is er van belang dat de trekkers van de programma’s structureel met elkaar overleggen. Binnen de omgevingsprogramma’s zelf zijn er ook overlegvormen om te zorgen voor de verbinding met de verschillende beleidsterreinen die invulling geven aan de opgaven. Primair is de trekker van het omgevingsprogramma de opdrachtgever voor deelprojecten. Hij/zij zorgt ook voor het aanvragen van de benodigde budgetten voor de uitvoering van het programma via de kadernota en de begroting (zie ook het hoofdstuk Monitoring, evaluatie en actualisatie).
Samenwerken aan samenwerken Daarnaast is van belang hoe we de inhoudelijke uitvoering borgen. Hoe organiseren we verantwoordelijkheden ten aanzien van uitvoering van deelprojecten, op te stellen beleid etc.? Hoe regelen we intern opdrachtgeverschap/opdrachtnemersrol? Dit sluit ook aan bij een traject dat momenteel loopt binnen het Fysiek Domein: ‘Samenwerken aan samenwerken’ evenals het bewaken van integraliteit. De resultaten hiervan zullen we ook binnen de omgevingsprogramma’s toepassen. Geen van de omgevingsprogramma’s zal zich beperken tot de werkzaamheden van één (sub)team. Ook overlappen de programma’s elkaar op onderdelen. Ze zijn weliswaar gekoppeld aan één opgave, samen geven ze invulling aan het geheel van ambities. De
25
leidraad gezond, veilig en duurzaam loopt als een rode draad door alle opgaven en ambities. Dat geldt eveneens voor de 11 ambities die alle binnen de programma’s vorm krijgen. Diverse ambities worden in meerdere programma’s uitgewerkt. Echter, elke ambitie wordt primair aan één omgevingsprogramma gekoppeld. In bijlage 4 wordt dit weergegeven. Integraal werken is dus een essentieel onderdeel bij het geven van uitvoering aan de programma’s. Dat maakt het uitvoeren van verschillende omgevingsprogramma’s naast elkaar complex, maar ook leuk. Het leveren van inhoud aan zowel het opzetten als het uitvoeren van de programma’s zal vanuit diverse werkvelden en (sub)teams moeten gebeuren. De integraliteit bewaken en inzetten is een verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. De trekker van het omgevingsprogramma kan dat niet allemaal alleen overzien. Wel heeft hij/zij hier een primaire verantwoordelijkheid. Aspecten die het integraal werken bevorderen zijn: • • • •
•
Het hebben van overzicht van alle lopende projecten binnen de verschillende programma’s en de betrokkenheid tussen de programma’s en projecten. Ook de betrokkenheid en inzet van medewerkers hierbij is van belang. Niet alleen voor de aansturing, ook voor de betrokken collega’s zelf. Elkaar kennen is hierbij van groot belang. Weet wie je moet betrekken en waar je zelf nodig bent. Gebiedsgericht werken kan helpen om structuur te geven en werkzaamheden te prioriteren. Daarom is het van belang om bijvoorbeeld de gebieds- en de dorps(woon)visies uit te voeren via gebiedsprogramma’s. Eerder genoemde periodieke overleggen tussen de trekkers van de omgevingsprogramma’s en binnen de programma’s is eveneens van belang om de integraliteit de waarborgen. Het is van belang om meer ketengericht te werken, niet alleen integraal op inhoud maar ook integraal van strategie tot uitvoering.
Integraal werken is binnen de organisatie een belangrijk onderwerp binnen het traject ‘Samen verder bouwen’ en in het project ‘Samen werken aan samenwerken’. Beide trajecten zullen input leveren aan bovenstaande aandachtspunten en aan de wijze waarop we de integraliteit binnen en tussen de omgevingsprogramma’s gaan vormgeven en borgen. In de volgende paragraaf wordt ook ingegaan op integraal werken, onder andere om te borgen dat beleid ook uitvoerbaar is.
Uitvoerbaarheid van beleid Het is van belang om meer ketengericht te werken, van strategie tot uitvoering. Tussenstap van visie naar uitvoering is in veel gevallen beleid, dit moet ook uitvoerbaar zijn. We moeten dus meer integraal kijken naar de ‘Wat’ en de ‘Hoe’ vraag. Deels betekent dit een vertaling van beleid naar regels in het omgevingsplan. Aan de voorkant moeten we borgen dat de uitvoering (planologen, vergunningverleners en toezichthouders) betrokken wordt bij de beleidsontwikkeling. Hiervoor zal een structuur ontwikkeld moeten worden omdat we dit nu nog niet (standaard) doen. Dit kan bijvoorbeeld door een Wat-tafel voor nieuw beleid en een Hoe-tafel voor de uitvoering in te richten.
26
Bij de Wat-tafel worden beleids- en visiestukken in verschillende fases besproken met afgevaardigde van de diverse programma’s. Zo kan bijvoorbeeld een idee of opdracht als ‘maak een visie over (deel)onderwerp A’ al besproken worden en krijgt de steller direct relevante input mee. De collega’s aan de Wat-tafel kunnen adviseren over de wenselijkheid of vorm van een visie of beleid, in relatie de andere programma’s. Tijdens het ontstaan van een visie of beleidsstuk komt dit met regelmaat terug op de Wat-tafel. Zo blijft iedereen op de hoogte van de inhoud van een stuk en kan zo nodig bijgestuurd worden. Ook kan besproken worden of afstemming en betrokkenheid van de Wethouder en/of uitvoerende teams nodig is. Zo wordt op beleidsniveau integraliteit geborgd, worden tegengestelde belangen al vroeg gesignaleerd en afgewogen en komen we achteraf niet meer voor verrassingen te staan. Een Hoe-tafel gaat over de uitvoering van gestelde visies en beleid. Ook hier worden bijvoorbeeld uitvoeringsprogramma’s, projecten, etc. in diverse fases besproken. Wanneer ‘project A op locatie X’ de beste optie lijkt vanuit een programma dan wordt dat hier afgestemd. Ook gecombineerde participatie kan zo worden opgestart, omdat we van elkaar weten waar we mee bezig zijn en op welke plekken. Tevens is dit een goede kans om werk te combineren.
Zo kunnen programma’s en opgaves ook gekoppeld worden aan de vervangingsopgaven, omdat we samen vooruit kijken al vanaf de eerste fase van een uitvoeringsprogramma/-project. Sommige gemeenten zijn hier al mee bezig, zoals de gemeente Amersfoort. Zij werken met een ‘Omgevingstafel’, een Wat- tafel, een soort intaketafel voor nieuw beleid. Hieraan nemen afdeling Projecten (gericht op niet te veel stapeling van beleidsambities) en de afdeling VTH (beleid moet ook moet ook gehandhaafd kunnen worden) deel. Daarnaast kan gedacht worden aan deelname door de teams beheer en onderhoud. We gaan in 2025 bekijken of de Wat- en de Hoe-tafel ook binnen onze gemeente opgezet kunnen worden.
Participatie Het betrekken van inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen is verplicht bij de voorbereiding van alle programma's. Dat is vastgelegd in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. Dit bepaalt dat het bestuursorgaan bij de vaststelling van het programma aangeeft hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. Ook geeft het aan wat de resultaten van het participatieproces zijn. Het Omgevingsbesluit geeft aan dat het bestuursorgaan dat het programma vaststelt, zelf bepaalt hoe het invulling geeft aan de participatieverplichting. Bij de uitvoering zal betrokkenheid van externen bij diverse programma’s aan de orde zijn. Daarom is het van belang om bij alle omgevingsprogramma’s na te denken over de participatie. De Inspraak- en participatieverordening gemeente Vijfheerenlanden 2020 is hiervoor het kader. In het Participatiebeleid staat hoe de initiatiefnemer (de gemeente, een andere organisatie of een ontwikkelaar) de omgeving hierin betrekt. In de bijbehorende werkwijzers staan hiervoor handvatten per situatie beschreven. Iedereen moet kunnen meedoen, participatie is altijd maatwerk en de rolverdeling tussen raad, college en initiatiefnemer zijn hierin de belangrijkste uitgangspunten.
27
Borgen benodigde financiën Er moet voldoende budget en capaciteit zijn om programma’s op te zetten, te realiseren en uiteindelijk het beleid uit te voeren. Hiervoor gebruiken we de gemeentelijke P&Ccyclus. Vanuit de programma’s en projecten wordt zo nodig input geleverd aan de kadernota ten behoeve van benodigde middelen, zodat deze opgenomen kunnen worden in de nieuwe begroting. De programmabegroting van Vijfheerenlanden is opgebouwd uit programma’s en paragrafen. In de programma’s staan de beleidsdoelen en concrete acties voor het komende begrotingsjaar. Daarbij is ieder programma voorzien van een overzicht van de daarmee gepaard gaande lasten en baten. De paragrafen gaan dieper in op specifieke onderwerpen die raakvlakken hebben met alle programma’s. De programma indeling is voor de begroting 2024-2027 door de raad als volgt vastgesteld: A. Bestuur, dienstverlening en organisatie B. Beheer en gebruik openbare ruimte C. Sociaal domein D. Ruimtelijke ontwikkeling E. Ontplooiing F. Financieel gezond De omgevingsprogramma’s vallen in de programmabegroting van Vijfheerenlanden onder alle programma’s. In bijlage 6 wordt een overzicht gegeven van concrete ambities en resultaten die een directe relatie hebben met de omgevingsvisie.