CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bestemmingsplan - Walsland 44, Vianen.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 juli 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Walsland 44 Vianen19.906 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

15

1

0

16

7

0

0

7

8

0

0

9

4-5u

18

1

0

20

6

0

0

6

12

1

0

14

5-6u

46

4

1

51

16

1

0

18

30

3

1

33

6-7u

175

9

5

189

87

3

1

91

88

6

3

98

7-8u

316

10

3

330

150

5

1

156

167

6

2

174 294

8-9u

535

14

4

553

251

6

2

258

285

8

2

9-10u

476

16

4

497

203

6

2

211

274

10

2

286

10-11u

519

15

3

538

208

7

1

216

311

8

2

321

11-12u

582

15

4

601

228

7

2

236

354

8

2

365

12-13u

640

15

3

658

261

7

1

270

378

7

2

388

13-14u

653

15

4

672

262

6

1

270

391

8

3

402

14-15u

683

15

3

701

282

7

1

290

401

8

2

411

15-16u

676

16

5

696

264

7

1

272

411

9

3

424

16-17u

759

14

5

778

271

5

2

278

488

9

3

500

17-18u

787

10

5

802

271

4

2

278

515

6

4

525

18-19u

577

11

3

590

225

5

1

230

353

6

2

360

19-20u

469

11

2

482

194

5

1

199

276

6

1

283

20-21u

326

8

1

335

133

4

0

137

193

4

1

198

21-22u

238

5

1

244

98

3

0

102

140

2

1

143

22-23u

163

5

0

169

70

3

0

74

93

2

0

96

23-24u

98

5

0

103

41

2

0

43

57

2

0

59

Dufec

6/27

Bijlage 2 Quickscan Flora en Fauna

Bestemmingsplan "Walsland 44, Vianen" (vastgesteld)

55

Notitie

: Quickscan flora en fauna ‘Walsland 44’ te Vianen

Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:

: 6 juli 2020 : De heer J.R. : P02607 : NL : MvdS

Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van 12 woningen, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016.

Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 16 januari 2020 tussen 11.00 tot 12.00 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 9°C, licht bewolkt, zonder neerslag, met een zuidoostenwind van 3 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ 1

BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.

1

nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Utrecht geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen in het noorden van Vianen, ten zuiden van de Lek en haar uiterwaarden. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)

Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit een vrijstaand woonhuis en enkele garageboxen. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Toekomstige situatie De huidig aanwezige bebouwing zal worden gesloopt. Op het perceel zal een appartementengebouw gerealiseerd worden van (aan de straatzijde) twee lagen met kap. Daarnaast zullen er aan de Walsland parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.

2

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving

Figuur 3. Toekomstige situatie plangebied

3

Figuur 4. Noordelijke gedeelte van de tuin en woning gezien vanaf Walsland

Figuur 5. Woning aan Walsland 44 gezien vanaf Walsland

Figuur 6. Woning aan Walsland 44 gezien vanuit de tuin

Figuur 7. Tuin van Walsland 44 en gracht ten oosten hiervan

Figuur 8. Zuidelijk gedeelte van de tuin met achterkant van de bijgebouwen

Figuur 9. De garageboxen gezien vanaf Walsland

4

Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Uiterwaarden Lek”, bevindt zich op circa 6,2 kilometer afstand ten zuidwesten van het projectgebied (zie figuur 10). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 12 woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten.

Gezien de geruime afstand tot een Natura 2000-gebied en de beperkte uitstoot van woningbouw is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet te verwachten. Desalniettemin is er een Aerius-berekening uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000- gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.’ Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Daarnaast wordt binnen de provincie Utrecht ook de Groene contour beleidsmatig beschermd.

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 200 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5

Figuur 10. Ligging NNN (groen) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)

Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

6

Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming)  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven.

Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Vogels (artikel 3.1 Wnb)

Europees beschermde soorten

Nationaal beschermde soorten

(artikel 3.5 Wnb)

(artikel 3.10 Wnb)

Art 3.1 lid 1

Art 3.5 lid 1

Art 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen

Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2

Art 3.5 lid 4

Art 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

-

Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

-

Art 3.5 lid 5

Art 3.10 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

-

7

De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend.

Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Op het terrein is bebouwing aanwezig. De woning biedt geschikte nestlocaties voor huismus onder de dakpannen welke te bereiken zijn via de dakgoot. De overhangende dakpannen sluiten vrij goed aan. In combinatie met het feit dat hierachter een glad gelakte plank aanwezig is, maakt dat het geen geschikte invliegopening betreft voor gierzwaluw. Daarnaast zijn er geen openingen groot genoeg voor soorten als kerkuil en steenuil waardoor broedlocaties van deze soorten eveneens kunnen worden uitgesloten. Binnen het plangebied bevindt zich daarnaast geschikt opgaand groen, in de vorm van een

8

brede heg en groenblijvende struiken, welke als essentieel leefgebied (rustplekken) kunnen dienen voor in de directe omgeving broedende huismussen. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Toetsing Bij de sloop van de woning bestaat de kans dat er één of meerdere nesten, en (essentieel) leefgebied van de huismus verloren gaat. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich onder de daken van de gebouwen nesten van de huismus bevinden. Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat er geen nestlocaties van huismussen in de woning aanwezig zijn en huismussen geen gebruik maken van het plangebied als (essentieel) leefgebied. Aan de muren van de woning zijn krijtstrepen aangetroffen (figuur 11). Echter betekenen de krijtstrepen op de gevel van het huis in dit geval niet dat er een vogel gebroed heeft. Hier zijn deze ontstaan door vogels (zoals boomkruiper of boomklever) die deze hoekjes gebruiken als rustplek. Op onderstaande foto’s (figuur 11 en 12) is te zien dat de balken in het cement liggen en er geen gaten in de muur aanwezig zijn waar een vogel heeft kunnen broeden.

Dit onderbouwt dat de hoeken bij de balken niet geschikt zijn als broedlocatie.

Figuur 11. Krijtstrepen aan muur

9

Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen uit de tuin buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. De houten beplating rond de dakranden van de garageboxen zijn deels te betreden als rust- en verblijfplaats voor een vleermuizensoort.

Het woonhuis biedt geen geschikte invliegopeningen, gezien de overhangende dakpannen vrij goed aansluiten, en door de aanwezigheid van de glad gelakte plank hieronder de vleermuizen zich niet kunnen vasthouden om naar binnen te kruipen (figuur 12).

Figuur 12. Details muur van de woning

De openstootvoegen aanwezig aan de voorzijde van het huis (figuur 5) betreffen ventilatie gaten ten behoeve van de ontluchting van de badkamer en het toilet. Er loopt hier een buis vanuit de badkamer door het toilet naar buitenblad van de gevel (figuur 13).

10

Figuur 13. Verdieping bestekstekening

De naastgelegen watergang kan dienen als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Er gaan geen werkzaamheden plaatsvinden aan de watergang waardoor deze vliegroute verloren gaat, wel kan licht gericht en uitschijnend op het water verstorend werken voor foerageer- en vliegroutefuncties. Toetsing Bij sloop van de garageboxen bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt. Tijdens het eerste bezoek zijn geen vleermuizen tussen de beplating aangetroffen (figuur 14). Om verstoring van foerageer- en vliegroutefuncties van het naastgelegen water te voorkomen wordt geadviseerd licht gericht en uitschijnend op het water te voorkomen.

11

Figuur 14. Detail beplating garage

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als bunzing, wezel, hermelijn, egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende foerageergebied in de omliggende tuinen, betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen

12

verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten boommarter, eekhoorn, das, bever en waterspitsmuis voor. Gezien de binnenstedelijke ligging en de beperkte omvang, betreft het hier geen essentieel habitat voor een boommarter. Daarnaast zijn er geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuilof nestplaats voor deze soort. De watergang en het plangebied beiden geen geschikt habitat voor soorten als das, bever en waterspitsmuis. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.

Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de ringslang. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt, mede door de steile beschoeiing, geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, heikikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater, waardoor de aanwezigheid voortplantingshabitat is uitgesloten. Er gaan geen werkzaamheden plaatsvinden aan de naastgelegen watergang, en door de steile beschoeiing en hoogstwaarschijnlijk aanwezigheid van vis is deze niet geschikt voor de betreffende soorten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort, bijvoorbeeld uit een vijver in de omliggende tuinen, is enkel de zorgplicht van toepassing.

13

Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen In de omgeving van het plangebied is de grote modderkruiper waargenomen. Gezien er geen werkzaamheden plaatsvinden aan het naastgelegen water zijn effecten op deze soort redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos en rivierrombout. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. Daarnaast zijn in de omgeving ook waarnemingen bekent van platte schijfhoren. Het plangebied en de naastgelegen watergang is echter niet geschikt voor deze soort door het ontbreken van rijke begroeien in de watergang.

De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert en Europese rivierkreeft, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als kluwenklokje, knolspirea en stijve wolfsmelk. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en stedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

14

Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort in de garageboxen op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;  Met betrekking tot foerageer- en vliegroutefuncties van het water voor vleermuizen wordt geadviseerd licht gericht en uitschijnend op het oppervlaktewater te vermijden;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Vervolgtraject en advies De sloop van de bebouwing binnen het plangebied Walsland 44 kan negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Een vervolgonderzoek naar vleermuizen loopt van half mei tot en met eind september. Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van een vleermuizensoort is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen het tijdig aanbieden van temporele alternatieve verblijfsmogelijkheden (bijvoorbeeld vleermuiskasten). Afhankelijk van de aanwezige verblijfsfunctie(s), dienen meerdere geschikte alternatieve verblijfsmogelijkheden te worden aangeboden die de te verstoren/verwijderen verblijfplaatsen (tijdelijk) kunnen opvangen.

Daarbij geldt conform de Wet natuurbescherming voor de vervanging van verblijfplaatsen, afhankelijk van de aangetroffen verblijfsfunctie, een gewenningsperiode van minimaal 3 à 6 maanden waarin vleermuizen actief zijn, alvorens met de sloopwerkzaamheden ter plaatse van de verblijfplaats mag worden gestart. De wintermaanden mogen hierbij dus niet worden meegerekend. Bij de aanwezigheid van een kraamverblijf dienen alternatieve kraamverblijven zelfs minimaal een volledig kraamseizoen (mei – juli) aanwezig te zijn geweest tegelijkertijd met de huidige verblijfplaats. Dit kan tot gevolg hebben dat bij het aantreffen van een verblijfplaats pas in het seizoen na het verlenen van de ontheffing voor het verstoren ervan kan worden gesloopt. Voor een initiatiefnemer is dat vaak een extra jaar tijdverlies. Indien de projectplanning van es-

15

sentieel belang is, adviseert BRO om vooraf aan het vleermuizenonderzoek al alternatieve verblijfplaatsen te plaatsen, conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument van de te verwachten soorten en verblijffuncties. Hiermee kan eventuele vertraging van de planning worden beperkt. Daarnaast dient voor het verwijderen van eventueel aanwezige verblijfplaats een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Utrecht. Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De RUD Utrecht neemt normaliter binnen 13 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan dit termijn met 7 weken worden verlengd.

16

Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 2. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Potentieel

Sprake van

Vervolgtraject / maatre-

Bijzonderheden / opmerkin-

aanwezig

overtreding

gelen

gen

Ja

Te voorkomen

Plangebied buiten broedAlgemeen

seizoen bouwrijp maken of controle vooraf

Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus

Broedvogels Vervolgonderzoek naar

Jaarrond

Nee

beschermd

nestlocaties huismus in woning uitgevoerd

Ja

Verblijfplaatsen Vleermuizen

Nee

Foerageerhabi-

Mogelijk

Vervolgonderzoek naar gebruik van garageboxen door vleermuizen

Geen nestlocaties van huismus in woning aangetroffen

Bij aanwezigheid is voor de sloop een ontheffing nodig

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Reptielen

Nee

Nee

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Afstand tot

Sprake van

gebied

aantasting

Natura 2000

ca. 6,2 km

Nee

-

Natuurnetwerk Nederland

ca. 200 m

Nee

-

Houtopstanden

-

Nee

-

tat Vliegroutes

Gebiedsbescherming

Vervolgtraject

Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Bijzonderheden / opmerkingen Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing

17

Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur 

Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse

Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Ti-

Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.

Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuur-

Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

rion Uitgevers, Utrecht.

bescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. 

SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.

Algemene websites 

Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)

Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)

Floron.nl (soortgegevens planten)

Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)

Sovon.nl (soortgegevens vogels)

Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)

Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)

Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)

Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)

Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)

Provinciale websites 

Provincie-utrecht.nl/loket/kaarten/geo/ecologische/ (NNN Utrecht)

Provincie-utrecht.nl/loket/kaarten/geo/natuurbeheerplan/ (natuurbeheerplan Utrecht)

18

Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek

74

Bestemmingsplan "Walsland 44, Vianen" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=5f672e1c-c551-4034-8bcd-3b1c74d8652e