CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8. Rapportage AO en AB Noachschool, Kerkweg 3a-181105

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 17 april 2025, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling Gewijzigd Bestemmingsplan Uitbreiding Noachschool Schoonrewoerd29.649 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Archeologische Opgraving en Archeologische Begeleiding ‘Plangebied Noachschool’, Kerkweg 3a, Schoonrewoerd, Gemeente Leerdam G. M. H. Benerink Met bijdragen van J. Ras L. R. van Wilgen J. M. Grimm N. van Asch

Archeologische Opgraving en Archeologische Begeleiding ‘Plangebied Noachschool’, Kerkweg 3a, Schoonrewoerd, Gemeente Leerdam G. M. H. Benerink Met bijdragen van J. Ras L. R. van Wilgen J. M. Grimm N. van Asch

Archeologische Opgraving en Archeologische Begeleiding ‘Plangebied Noachschool’, Kerkweg 3a, Schoonrewoerd, Gemeente Leerdam G. M. H. Benerink SOB Research, Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek © SOB Research Heinenoord, november 2018 ISBN/EAN: 978-94-6192-630-2 SOB Research Project nr.: 2434-1607

Archeologische Opgraving en Archeologische Begeleiding ‘Plangebied Noachschool’, Kerkweg 3a, Schoonrewoerd, Gemeente Leerdam

Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Inleiding Planontwikkeling Archeologisch onderzoek Opdrachtverlening en fasering Doel van het onderzoek Onderzoeksteam

3 3 3 5 5 10

2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

Archeologische verwachting Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Sporen en structuren Anorganische artefacten Organische artefacten Archeozoölogische en botanische resten Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen Gaafheid en conservering

13 13 13 13 13 13 13 14 14 14

3. 3.1 3.2

Uitvoering: methoden en technieken Onderzoeksstrategie Onderzoeksmethoden en technieken

15 15 16

4. 4.1 4.2 4.3 4.4

Onderzoeksresultaten Bodemopbouw Archeologische sporen Archeologisch vondstmateriaal Monsters

19 19 31 40 56

5.

Waardering

65

6. 6.1 6.2

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen Samenvatting en conclusies Aanbevelingen

67 67 69

Literatuur

71

Verklarende woordenlijst

75

Bijlage 1:

Administratieve gegevens

77

Bijlage 2

Archeologische en geologische tijdschaal

79

Bijlage 3

Sporenlijst

81

1

Bijlage 4

Vondstlijsten

83

Bijlage 5

Monsterlijst

91

Bijlage 6

Tekeninglijst

93

Bijlage 7

Fotolijst

95

Bijlage 8

C14-datering

97

Bijlage 9

Macrobotanische monsters

99

Bijlage 10

SOB Research: Gegevens

103

Bijlage 11 (digitale losse bijlage) Kaartbijlage Profieltekening 1 t/m 5, schaal 1: 50

2

1. Inleiding 1.1 Planontwikkeling Het archeologisch onderzoek moest worden uitgevoerd in het kader van de vergunningprocedure voor de bouw van het nieuwe schoolgebouw van de Noachschool, ter plaatse van de Kerkweg 3a te Schoonrewoerd (Gemeente Leerdam). De oppervlakte van het plangebied bedroeg circa 0.4 hectare, de oppervlakte van het onderzoeksgebied bedroeg circa 0.11 hectare. Ter plaatse van het onderzoeksgebied wordt een nieuw schoolgebouw gerealiseerd, waarvoor reeds voorafgaand aan het archeologisch onderzoek een bouwput was uitgegraven. Ter plaatse van deze bouwput diende een Archeologische Opgraving te worden uitgevoerd van het aanwezige archeologische vlak. In een tweede stadium diende, na het boren van funderingspalen, ter plaatse van de bouwput een Archeologische Opgraving plaats te vinden van aanwezige diepere niveaus. Daarnaast diende er een Archeologische Begeleiding plaats te vinden bij het uitgraven van een sleuf voor de aanleg van nieuwe riolering ten zuiden van de bouwput.

Afbeelding 1. De ligging van het plangebied in Nederland (rode stip).

1.2 Archeologisch onderzoek Op de kaart van het vigerende (paraplu) ‘Bestemmingsplan Schoonrewoerd Dorp' 1 wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een dubbelbestemming, 'Waarde - Archeologie 1'. Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 16 van de bestemmingsplanregels een archeologische onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 30 m² en met een diepte van meer dan 0.3 meter beneden het maaiveld.2

1

Dit bestemmingsplan is door de Gemeente Leerdam definitief vastgesteld op 18 mei 2015. Deze dubbelbestemming en de daarbij behorende bestemmingsplanregels zijn gebaseerd op het gemeentelijke archeologiebeleid van Leerdam.

2

3

In het kader van de bestemmingsplanwijziging moest dan ook eerst een Archeologisch Bureauonderzoek en een archeologisch booronderzoek (IVO-Overig) worden uitgevoerd. Dit onderzoek is in 2016, pas na afloop van het uitgraven van de bouwput, uitgevoerd door Transect.3 Op basis van de onderzoeksresultaten werd geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied sprake was van een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode van het Neolithicum t/m de Late Middeleeuwen en is geadviseerd om een vervolgonderzoek te doen uitvoeren, door middel van een Archeologische Begeleiding (AB). Dit advies is gedeeltelijk overgenomen door de Gemeente Leerdam. De archeologisch adviseur van de Gemeente Leerdam, mevrouw C. Cohen Stuart, heeft besloten dat een volledige Archeologische Opgraving van de resterende archeologische resten binnen de bouwput diende te worden uitgevoerd. Bij de graafwerkzaamheden voor de aanleg van riolering buiten de bouwput diende een Archeologische Begeleiding te worden uitgevoerd. Vervolgens is door Terra Archeologie een Programma van Eisen voor de Archeologische Opgraving opgesteld, dat door de Gemeente Leerdam is goedgekeurd en vastgesteld.4

Afbeelding 2. De ligging van het plangebied (rood omkaderd) op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri_nl. Schaal 1: 25.000. 3 4

Kerkhoven, 2016 Van der Feest, 2016 4

1.3 Opdrachtverlening en fasering Op basis van de offerte van SOB Research (d.d. 19 juli 2016) heeft Lakerveld ingenieurs- & architectuurbureau BV op 20 juli 2016 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het onderzoek voorbereid. Vervolgens is op 1 t/m 4 augustus 2016 de eerste fase van het veldonderzoek voor de Archeologische Opgraving uitgevoerd. De tweede fase van het veldonderzoek voor de Archeologische Opgraving werd uitgevoerd op 13, 14 en 17 t/m 19 oktober 2016. Het veldonderzoek voor de Archeologische Begeleiding werd ten slotte uitgevoerd op 24 en 25 oktober 2016. De onderzoeksresultaten, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in het nu voorliggende eindrapport.

1.4 Doel van het onderzoek 1.4.1 Opgave Het doel van de AO en AB was om de binnen het onderzoeksgebied nog aanwezige archeologische resten volledig te documenteren en ex situ veilig te stellen (Opgraven). Op basis van de onderzoeksresultaten dienden de in het PvE vastgelegde onderzoeksvragen zo volledig mogelijk te worden beantwoord. 1.4.2 Onderzoeksvragen De onderstaande onderzoeksvragen zijn onverkort overgenomen uit het PvE. 5 De onderzoeksvragen zijn, voor zover van toepassing en voor zover dit op basis van de onderzoeksresultaten mogelijk was, geadresseerd in Hoofdstuk 4, 5 en 6 van dit rapport. Algemene onderzoeksvragen: 1. Wat is de bodemopbouw binnen het te begeleiden gebied? 2. Hoe verhouden aangetroffen archeologische resten zich tot historische kennis? 3. Zijn er archeologische resten in situ bewaard gebleven, vanaf welke diepte en dient hier in de toekomst rekening mee te worden gehouden bij ontwikkelingen in het plangebied en de directe omgeving? 4. Wat is de aard en ouderdom van de aangetroffen archeologische vondsten, monsters, sporen en structuren? 5. Wat is de waardering van deze sporen, vondsten, monsters en structuren, volgens de waarderingstabel uit de KNA 3.3? 6. Zijn behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig? 7. Wat is de onderlinge samenhang tussen eventuele vondsten, sporen en structuren? 8.

Is er sprake van een duidelijke stratigrafie, wellicht met ophogingslagen en loopniveaus en / of wegdekken? Indien hier restanten van aanwezig zijn, hoe kunnen deze dan geïnterpreteerd worden m.b.t. functie en datering?

5

Van der Feest, 2016: 6-10 5

Onderzoeksvragen met betrekking tot de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA): 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap - In hoeverre beïnvloedden reeds aanwezige antropogene structuren de verdere inrichting en ontwikkeling van cultuurlandschappen? (NOaA 2.0‐vraag 19) 4. Occupatie en adaptatie in het rivierengebied en langs de kust - Wat is de aard, ouderdom, ligging, functie en samenhang van structuren die samenhangen met waterbeheer? (NOaA 2.0-vraag 34) - Welke verbanden bestaan er in het rivierengebied inclusief IJssel tussen fysisch geografische veranderingen, landgebruik en bewoningspatronen? (NOaA 2.0-vraag 14) - Wat is de functie en gebruiksgeschiedenis van terpen langs rivieren? (NOaA 2.0-vraag 105) 5.

Sociale en economische differentiatie - Welke veranderingen treden op de in samenstelling en ruimtelijke ordening van erven? (NOaA 2.0-vraag 104) - Wat zijn de aard, herkomst en betekenis van al dan niet geïmporteerde ‘luxe’ goederen? (NOaA 2.0-vraag 40) - In hoeverre kende het nederzettingssysteem differentiatie in termen van nederzettingsgrootte, locatie, functie of belang? (NOaA 2.0-vraag 44) - Waar, in welke mate en hoe functioneerde muntgeld? (NOaA 2.0-vraag 48) - Wat zijn de verschijningsvormen en sociaaleconomische context van agrarische specialisatie? (NOaA 2.0-vraag 49) - Wat zijn de aard, verschijningsvormen, omvang en context van ambachtelijke specialisatie? (NOaA 2.0-vraag 67) - Wat is de aard, datering, functie, betekenis en ontwikkeling van (partiële) Romeinse steenbouw? (NOaA 2.0-vraag 61) - Wanneer, hoe en binnen welke context ontstonden designed landscapes? (NOaA 2.0-vraag 95) 6. Emigratie, immigratie en acculturatie - In hoeverre veranderde de bevolkingssamenstelling van steden en dorpen? (NOaA 2.0-vraag 117) - Wat zijn de aard en achtergrond van regionale en chronologische differentiatie in bevolkingsafname, bevolkingstoename en bevolkingssamenstelling? (NOaA 2.0-vraag 58) 7. De archeologie van het rituele - Wat is de aard, context en betekenis van intentionele (rituele?) deposities in en rond huis en erf? (NOaA 2.0-vraag 29)

6

8. Conflictarcheologie - Wat zeggen archeologische resten en structuren over de aard en het verloop van gewapende conflicten en achterliggende militair-strategische inzichten? (NOaA 2.0-vraag 93) 9. Dodenbestel en grafmonumenten - Wat zijn de aard en context van variatie en verandering in het grafbestel?(NOaA 2.0-vraag 45) - Wat is de aard en context van ‘diergraven’? (NOaA 2.0-vraag 57) - Wat is de archeologische en landschappelijke context van geïsoleerde graven of diffuse groepjes graven? (NOaA 2.0-vraag 56) - Wat is de context en betekenis van los menselijk skeletmateriaal in en buiten nederzettingen? (NOaA 2.0-vraag 54) - Wanneer, waar en hoe ontstaan begraafplaatsen bij kerken: kerkhoven? (NOaA 2.0-vraag 78) 12. Neolithisatie-proces (‘Neolithisering’) - Wat is de verschijningsvorm van gebouwen en nederzettingen vóór de Midden Bronstijd B (1500 v. Chr.)? (NOaA 2.0-vraag 23) - Hoe veranderde de bestaanswijze gedurende het laat-mesolithicum tot en met de middenbronstijd? (NOaA 2.0-vraag 7) 13.

De verankering van het boerenbestaan - Hoe verandert de verhouding akkerbouw–veeteelt binnen de agrarische economie? (NOaA 2.0-vraag 38) - Welke veranderingen treden op in de methode, omvang en locatie van de opslag van voedsel? (NOaA 2.0-vraag 21) - Hoe verliep de ontwikkeling van de ploeglandbouw? (NOaA 2.0-vraag 53) - Hoe waren de interne structuur en de functionele geleding van huizen? (NOaA 2.0-vraag 35) - Waar, hoe, wanneer en waarvoor is op ‘stiepen’ gebouwd en wat zegt de configuratie van stiepen over de bovengrondse constructie van gebouwen?(NOaA 2.0-vraag 84) 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw - Welke rol speelt de exploitatie van natuurlijke voedselbronnen (inclusief jacht en visserij) na de introductie van de landbouw? (NOaA 2.0-vraag 22) - Hoe heeft de visvangst zich technologisch en economisch ontwikkeld? (NOaA 2.0-vraag 102) 15. De limes: inrichting en interactie - Welke - wederzijdse - culturele effecten had de interactie tussen enerzijds ‘Romeins’ Nederland en anderzijds het gebied ten noorden van de limes? (NOaA 2.0-vraag 60)

7

16. Overgang Romeinse Tijd naar Vroege Middeleeuwen - Welke materiële, socio-economische en landschappelijke effecten hadden de opkomst en later het wegvallen van Romeinse netwerken (materieel en immaterieel) en afzetmarkten? (NOaA 2.0-vraag 59) - Welke rol speelden Romeinse nederzettingen, gebouwen, tempels en structuren nadat ze hun primaire functie hadden verloren? (NOaA 2.0-vraag 62) - Wat zijn de aard en herkomst van sier- en gebruiksvoorwerpen uit de periode c. 400-600 AD? (NOaA 2.0-vraag 113) 17. ‘Frankisering’ en kerstening - Waar, wanneer en hoe ontstonden (en verdwenen) domeincentra? (NOaA 2.0- vraag 79) - Op welke wijze komt kerstening/ Christianisering archeologisch tot uitdrukking? (NOaA 2.0vraag 71) 18. Dorpsvorming - Hoe, waar en wanneer ontstaan plaatsvaste dorpen? (NOaA 2.0-vraag 75) - Hoe en onder invloed van welke factoren verliep de bewoningsexpansie op het (post)middeleeuwse platteland? (NOaA 2.0-vraag 83) 19.

De ontwikkeling van steden - Op welke wijze beïnvloedden hoven, en daarmee samenhangend grondbezit het proces van stadsvorming? (NOaA 2.0-vraag 80) - Wat bepaalde, en hoe veranderde, de ruimtelijke hoofdstructuur van (in oorsprong) middeleeuwse steden? (NOaA 2.0-vraag 81) - Hoe en wanneer komen stadshuizen tot ontwikkeling? (NOaA 2.0-vraag 89) - Wat was het effect van de toegang tot (bevaarbaar) water op de ontwikkeling van nederzettingen/steden? (NOaA 2.0-vraag 96) - Hoe waren de hygiënische omstandigheden in steden, en welke maatregelen werden genomen ter verbetering daarvan? (NOaA 2.0-vraag 91) - Welke effecten hadden besmettelijke en epidemische ziekten? (NOaA 2.0-vraag 90) - Welke rol speelde de ‘stadslandbouw’ in de stedelijke samenleving en in de ruimtelijke organisatie van steden? (NOaA 2.0-vraag 88) 20. De relatie stad - platteland - Welke invloed hadden Romeinse centra (steden, versterkingen, vici) op hun omgeving? (NOaA 2.0-vraag 64) - Welke invloed had de stad op het omringende platteland? (NOaA 2.0-vraag 87) - Welke invloed hadden havensteden op hun achterland? (NOaA 2.0-vraag 97) 8

21. De dynamiek van het landgebruik - Welke invloed had de landbouwende mens (akkerbouw en veeteelt) op vegetatie en fauna? (NOaA 2.0-vraag 15) - Hoe werden ruimte afgebakend en grenzen gemarkeerd? (NOaA 2.0-vraag 106) - In hoeverre bestond er (inter)regionale en diachrone variatie in de afstand en frequentie waarover nederzettingen, akkers en weidegronden werden verplaatst? (NOaA 2.0-vraag 24) - Wanneer, waar en in welke mate vonden erosie en sedimentatie onder invloed van water plaats, en in hoeverre is er een verband met (welke?) menselijke activiteiten? (NOaA 2.0vraag 18) - Wanneer begonnen en hoe verliepen de grote laatmiddeleeuwse ontginningen? (NOaA 2.0vraag 82) - Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd? (NOaA 2.0-vraag 107) 22.

Mens – materiële cultuurrelaties - Hoe werd met afval omgegaan? (NOaA 2.0-vraag 108) - Hoe hebben de productie, de bewerking, het (her)gebruik en de distributie van metaal zich ontwikkeld? (NOaA 2.0-vraag 20) - Wat zijn de aard en betekenis van gebruiksvoorwerpen van organisch materiaal binnen de materiële cultuur? (NOaA 2.0-vraag 114) - Waar en hoe zijn scheepsresten hergebruikt? (NOaA 2.0-vraag 68) - Op welke wijze uiten persoonlijke en groepsidentiteiten zich in de materiële cultuur? (NOaA 2.0-vraag 109) - Binnen welke context, wanneer en op welke wijze werden bouwmaterialen hergebruikt? (NOaA 2.0-vraag 112) 23. Netwerken en infrastructuur - Hoe was de landinfrastructuur, inclusief ondersteunende faciliteiten, gestructureerd? (NOaA 2.0-vraag 26) - Welke infrastructurele en sociaaleconomische rol speelden waterwegen en de scheepvaart? (NOaA 2.0-vraag 69) - Waar, hoe en wanneer vonden aanpassingen plaats aan de waterinfrastructuur? (NOaA 2.0vraag 70) - Welke rol speelde scheepvaart in de militaire en handelsinfrastructuur tijdens de Romeinse Tijd? (NOaA 2.0-vraag 65) - Waar vandaan en hoe werden in de Romeinse Tijd uiteenlopende bouwmaterialen aangevoerd? (NOaA 2.0-vraag 66)

9

- Welke rol speelden steden bij de aanvoer, doorvoer en re-distributie van niet lokaal vervaardigde gebruiksvoorwerpen, voedingsmiddelen en bouwmaterialen? (NOaA 2.0-vraag 92) - Wat zeggen materiële bronnen over het functioneren van de midden- en langeafstandshandel in de tijd van de Hanze? (NOaA 2.0-vraag 99)

1.5 Onderzoeksteam Het onderzoek is uitgevoerd door: G. M. H. Benerink J. E. van den Bosch F. J. H. Kasbergen A. C. Mientjes H. H. J. Uleners

project-coördinatie, veldonderzoek, uitwerking veldgegevens, rapportage eindredactie voorbereiding, veldonderzoek veldonderzoek veldonderzoek, uitwerking veldgegevens

Specialistisch onderzoek is uitgevoerd door: N. van Asch (ADC) P. Biemans J. M. Grimm L. G. Hofste D. Hood (Beta Analytic) J. Ras N. Stoffels (Restaura) L. R. van Wilgen

archeobotanisch onderzoek conservering/ restauratie metaal archeozoölogisch onderzoek fotografie vondstmateriaal C14-datering determinatie aardewerk (Late Middeleeuwen/ Nieuwe Tijd) röntgenonderzoek metaal determinatie aardewerk (Prehistorie), tekening aardewerk

10

Afbeelding 3. De ligging van het plangebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de GBKN. Bron: Esri_nl. Schaal 1: 1.000.

11

12

2. Archeologische verwachting Het voorliggende hoofdstuk met betrekking tot de archeologische verwachting betreft een integrale weergave van de paragraven 4.1 t/m 4.9 uit het PvE. 6

2.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context Het plangebied is gelegen in de kern van Schoonrewoerd. Een nederzettingskern die in de 11de eeuw als cope-ontginning is ontstaan. De locatie bevindt zich daarnaast op de middeleeuwse dorpsterp van Schoonrewoerd. Onder deze dorpsterp van middeleeuwse origine ligt de Schoonrewoerd-stroomrug. Deze gronden zijn in de omgeving steevast gekend om zijn vestigingsplaatsen, vanaf het Neolithicum tot en met de Romeinse epoche.

2.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Gezien de ligging van de locatie en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan worden gesteld dat er een hoge potentie bestaat voor meerdere vindplaatsen. Vermoedelijk is er een oude woongrond onder de middeleeuwse terp aanwezig. Hieruit zijn vondsten verzameld uit de periode Bronstijd Romeinse Tijd. Hoewel er ook sprake is van een middeleeuwse component is deze ter plaatse van de reeds ontgraven bouwkuip niet langer te verwachten.

2.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Vermoedelijk beslaat de vindplaats het hele plangebied en loopt buiten de grenzen van het plangebied tot onbekende omvang verder.

2.4 Structuren en sporen Omdat het onderzoek momenteel nog beperkt is, is het lastig duiding te geven aan de te verwachten sporen. Echter gezien de aangetroffen resten allen behoren tot de periode van de meer sedentaire levenswijzen kunnen sporen in de vorm van kuilen, paalkuilen, putten en andere nederzetting gerelateerde sporen worden aangetroffen. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met eventueel dieper doorlopende sporen van de naar vermoeden reeds verstoorde middeleeuwse niveau.

2.5 Anorganische artefacten Keramiek, glas, metaal, natuursteen. Met name het metaal is afhankelijk van de aanwezige bodemmatrix en grondwaterstand. Binnen het plangebied wordt klei en zavel verwacht. Met name klei is gunstig voor de conservering van metaalvondsten. Deze zijn mogelijk dus nog in goede (behoudenswaardige) conditie.

2.6 Organische artefacten Gezien de samenstelling van de bodemmatrix, klei en zavel, is de kans groot dat organische resten, indien aanwezig, nog in goede conditie verkeren. Hierbij kan gedacht worden aan bijv. hout, leer, textiel, bewerkt bot, etc. 6

Van der Feest, 2016: 4-5 13

2.7 Archeozoölogische en botanische resten Pollen- en macroresten (zoals bijv. houtskoolresten, etensresten, schelpresten, zaden, klein botmateriaal, entomologische resten, pollen, visresten en paleobotanische resten) zijn evenals de organische artefacten sterk onderhevig aan de samenstelling van de bodemmatrix. Voor een deel van deze organische artefacten geldt eveneens dat deze beter bewaard blijven indien verbrand.

2.8 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen Op basis van de resultaten van het onderzoek van Transect, zal naar verwachting het Bronstijd – Romeinse Tijd niveau reeds blootliggen in de ontgraven bouwkuip. Het is onduidelijk of er hier sprake is van meerdere archeologische niveaus.

2.9 Gaafheid en conservering Onbekend. Door de verwachte bodemopbouw wordt zowel organisch als anorganisch vondstmateriaal verwacht. Een deel van het bodemarchief zal verloren zijn gegaan bij het ontgraven van de bouwkuip, waarna het onderliggende archeologisch niveau is blootgesteld aan de invloeden van het weer en bodemvormende processen en mogelijk ook aan onderzoek door detectoramateurs.

Afbeelding 4. De ligging van het plangebied (rood omkaderd) op een uitsnede van de Archeologische Beleidsadvieskaart van de Gemeente Leerdam. Bron: Kerkhoven, 2016.

14

3. Uitvoering: methoden en technieken Het archeologisch onderzoek diende gefaseerd te worden uitgevoerd in verband met de planning van de aannemer en de fasering van de verschillende werkzaamheden die ten behoeve van de bouw van de nieuwe school moesten worden uitgevoerd. De bouwput voor het nieuwe schoolgebouw was abusievelijk reeds voorafgaand aan het archeologisch onderzoek uitgegraven, tot een diepte van 0.6 1.0 meter beneden het maaiveld (circa 0.4 - 0.5 meter –NAP). Ten behoeve van de fundering dienden vervolgens een groot aantal funderingspalen te worden geboord, waardoor een verdere ontgraving van de bouwput pas op een later moment kon plaatsvinden. Tevens diende ten zuiden van de bouwput nog een sleuf te worden gegraven voor een nieuwe rioolaansluiting.

3.1 Onderzoeksstrategie In een eerste fase diende, voordat de funderingspalen zouden worden geboord, de reeds gegraven bouwput met een graafmachine te worden opgeschoond en een eerste opgravingsvlak te worden aangelegd. De bouwput was ten tijde van het veldonderzoek namelijk begroeid met vegetatie en blootgesteld aan weersinvloeden, zoals regen en uitdroging. Om de bodem van de bouwput niet verder te verstoren werden rijplaten neergelegd. Na het opschonen van de bouwput werd het gehele vlak handmatig opgeschaafd, voor zover het niet recent verstoorde zones betrof. In het opgravingsvlak werden diverse archeologische sporen en lagen vastgesteld. De aanwezige sporen en lagen zijn volledig gedocumenteerd en gecoupeerd. Enkele grote sporen zoals een mestkuil en een sloot zijn in dit stadium nog niet volledig afgewerkt vanwege de grote oppervlakte van deze sporen. Op een tweetal locaties werd een gedeelte van het westprofiel en het noordprofiel op de daarvoor meest geschikte locaties over enkele meters lengte opgeschaafd en gedocumenteerd. Een groot deel van het westprofiel en het zuidprofiel was recent verstoord en was dus ongeschikt voor het verschaffen van archeologische informatie. Hetzelfde geldt voor het oostprofiel, gelegen langs een bestaande watergang, waar slechts de bovenste antropogene laag kon worden waargenomen.

Er werd bij het onderzoek vastgesteld dat ter plaatse van het intacte deel van de bouwput plaatselijk nog sprake was van een oude cultuurlaag en dat de natuurlijke ondergrond nog niet was bereikt. Daar zou dus op een iets dieper niveau nog een laag met archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Tevens zouden archeologische resten aanwezig kunnen zijn onder de verstoringen van het voormalige schoolgebouw, die op het niveau van het eerst aangelegde vlak nog aanwezig waren. Omdat na het aanbrengen van de funderingspalen de bouwput nog verder zou worden verdiept heeft de gemeente, na overleg hierover met de archeologisch adviseur, besloten dat er na het boren van de funderingspalen nog een tweede fase van archeologisch onderzoek noodzakelijk was. Tijdens de tweede fase van het onderzoek waren de funderingspalen inmiddels geboord en uitgehard, en moest de bouwput nog verder worden verdiept ten behoeve van het aanbrengen van een laag funderingszand, het plaatsen van de funderingsbalken en de aanleg van kruipruimtes. Daarom moest het volgende opgravingsvlak worden aangelegd op een diepte van respectievelijk 0.1, 0.2 en 0.4 meter beneden de bodem van de reeds uitgegraven bouwput. Daarnaast is door de gemeente bepaald er twee lange proefsleuven moesten worden aangelegd om meer informatie te verkrijgen over de bodemopbouw en mogelijk aanwezige, dieper gelegen archeologische niveaus.

Na de eerste graafwerkzaamheden waarbij binnen de gehele oppervlakte van de bouwput een laag van 0.1 meter werd afgegraven, zijn eerst de twee proefsleuven gegraven. De proefsleuven werden gegraven van noord naar zuid, over een lengte van respectievelijk 17.2 en 22.4 meter en tot een diepte van maximaal 1.3 meter beneden het eerste vlak (tot in het beddingzand).

15

De profielen van deze proefsleuven zijn volledig gedocumenteerd, waarbij de aanwezigheid van een restgeul werd vastgesteld. In overleg met de adviseur van de bevoegde overheid zijn van de vulling van de restgeul pollenmonsters genomen (d.m.v. pollenbakken). Na het dichten van de proefsleuven werden verschillende zones van de bouwput nog eens met 0.1 of 0.3 meter verdiept. In de meeste gevallen werd daarbij de natuurlijke ondergrond bereikt, ook onder de nog aanwezige verstoringen van het voormalige schoolgebouw. Daardoor werden nog een aantal (restanten van) archeologische sporen aangetroffen. De aanleg van een rioolsleuf met een lengte van circa 28 meter, vanaf de Kerkweg tot aan de bouwput voor het nieuwe schoolgebouw, diende onder Archeologische Begeleiding te worden uitgevoerd. Het betrof een sleuf met een breedte en een diepte van 0.8 meter. Vanwege de geringe diepte werden de natuurlijke afzettingen en de archeologische sporenniveaus hier niet bereikt. De bodemopbouw is gedocumenteerd door middel van een aantal profielkolomopnames.

3.2 Onderzoeksmethoden en -technieken Bij de aanleg van het vlak is gebruik gemaakt van een graafmachine met een platte bak. Vervolgens is het vlak handmatig opgeschaafd, met uitzondering van de verstoorde zones. Alle sporen en lagen zijn gedocumenteerd en beschreven. De in het vlak aanwezige sporen zijn aangekrast, waarna de sporen zijn ingemeten en het vlak ook fotografisch is gedocumenteerd. Aan de sporen werd een uniek spoornummer toegekend. Alle sporen zijn gecoupeerd, gedocumenteerd en afgewerkt. Dit met uitzondering van een grote sloot die het onderzoeksgebied doorsneed; dit spoor is in overleg met de adviseur van de bevoegde overheid niet geheel afgewerkt. Het afwerken van de gecoupeerde sporen is uitgevoerd met troffel en schep. De zeer grote sporen zijn gecoupeerd met de graafmachine, laagsgewijs en in dunne lagen. Bij het couperen van de (archeologische) sporen is hetzelfde spoornummer aangehouden. Ook bij het documenteren van de profielen zijn de spoor- en laagnummers gehandhaafd, zodat elk fenomeen driedimensionaal kan worden gekoppeld. Bij het aanleggen van de vlakken en bij het afwerken van sporen is gebruik gemaakt van een metaaldetector. De archeologische vondsten zijn verzameld en van een identificatienummer voorzien. Er werden sporen aangetroffen waarvan de inhoud geschikt werd bevonden voor het nemen van monsters, die vervolgens ook zijn bemonsterd.

De verwerking van het vondstmateriaal (wassen en determinatie) is na de afronding van het veldonderzoek uitgevoerd in de vestiging van SOB Research te Westmaas. De tekeningen zijn gedigitaliseerd in een Gis-toepassing (Arcgis). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de BRL SIKB 4000 Archeologie (Versie 4.0, 2016), de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 2016), het Programma van Eisen (PvE), het Plan van Aanpak en de eisen van de Gemeente Leerdam. De Gemeente Leerdam, diens archeologisch adviseur en de opdrachtgever, zijn regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken, zowel ter plaatse van de onderzoekslocatie, alsook telefonisch. De documentatie en de archeologische vondsten zijn in beheer bij SOB Research. Na de definitieve oplevering van het eindrapport zullen de vondsten en de digitale informatie worden overgedragen aan de provinciale depothouder, zal de digitale informatie tevens worden gedeponeerd in het landelijke depot (danseasy) en zal het rapport ook worden gedeponeerd in de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis3). Alle kaarten in het rapport zijn zuid (onder) - noord (boven) georiënteerd, of wanneer dat niet het geval is, voorzien van een noordpijl.

16

Afbeelding 5. De ligging van het plangebied, met de locatie van de Archeologische Opgraving (AO), de proefsleuven en de Archeologische Begeleiding (AB). Schaal 1: 500.

17

Afbeelding 6. Het noordwestelijke deel van de bouwput na het opschonen van het eerste vlak. De met bouwzand gevulde verstoringen van het voormalige schoolgebouw (kruipruimte en funderingsstroken) zijn duidelijk zichtbaar.

18

4. Onderzoeksresultaten 4.1 Bodemopbouw Ter plaatse van het noordwestelijke deel van het onderzoeksgebied werd een bodemopbouw aangetroffen met opgebracht straatzand en bestrating, op een ploegvoor uit de Late Middeleeuwen/ Nieuwe Tijd, op - en ingesneden in - oudere antropogene lagen, op - en ingesneden in - Afzettingen van Tiel III/ I, op een vegetatieniveau, op (klei- en zand-) Afzettingen van Duinkerke 0/ Gorkum IV. Het oorspronkelijke maaiveld en de antropogene ophooglagen liepen af in oostelijke richting, naar een nog bestaande, oorspronkelijk bredere, watergang. Het maaiveld lag op een hoogte van 1.46 - 1.1 meter +NAP. De aangetroffen natuurlijke afzettingen behoren tot die van de Schoonrewoerdse Stroomrug. De Schoonrewoerdse Stroomrug was actief in de periode van circa 4520 - 3700 BP, circa 3225 - 2100 voor Chr. 7 In de noordelijke helft van de bouwput werden in het vlak klei-afzettingen aangetroffen, soms met enige mate van zandigheid. In de zuidelijke helft van de bouwput werden alleen zandafzettingen aangetroffen. Dit verschil kan worden verklaard door de ligging van de Schoonrewoerdse Stroomrug binnen het onderzoeksgebied en het daaraan gerelateerde, oorspronkelijke reliëf. Ter plaatse van het noordelijke gedeelte van het onderzoeksgebied werden namelijk restgeulafzettingen aangetroffen.

Deze restgeul doorsneed het onderzoeksgebied van west naar oost en moet in eerste instantie als een depressie in het landschap zijn achtergebleven. Ten zuiden van deze restgeul-afzettingen werden in het vlak alleen geulafzettingen aangetroffen. Ten weerszijden van de restgeul zijn oeverzones vastgesteld. Buiten deze oeverzones werden de hoger gelegen geulafzettingen van de oorspronkelijk, bredere rivier aangetroffen. Ten gevolge van het uitgraven van de bouwput - en waarschijnlijk al eerder bij de bouw van het vorige schoolgebouw - was de oorspronkelijke bodemopbouw daar tot in de beddingafzettingen afgegraven. Verwacht mag worden dat er oorspronkelijk nog (kleiige) geuldekafzettingen op dit zandpakket aanwezig zijn geweest. Doordat de restgeul als een depressie was achtergebleven na de actieve fase en de verlanding van de Schoonrewoerdse Stroomrug, waren de vegetatieniveaus die buiten de restgeul niet meer aanwezig waren, daar nog wel bewaard gebleven. Zo zijn in twee profielsleuven ter plaatse van deze restgeul twee afzonderlijke vegetatieniveaus, horizonten met bodemvorming, waargenomen (zie Afbeelding 7). Het bovenste vegetatieniveau is binnen een groot deel van de noordelijke helft van het onderzoeksgebied op het niveau van het opgravingsvlak (Vlak 1) aangesneden. Hierin werden diverse archeologische indicatoren aangetroffen, waaronder houtskool en aardewerkfragmenten.

Het onderste vegetatieniveau werd alleen aangesneden in de smalle profielsleuven. Daarin werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. De diepteligging van de vegetatieniveaus varieerde uiteraard enigszins, omdat deze als komvormige lagen in de restgeul waren gesitueerd. De top van het bovenste vegetatieniveau lag het hoogst ter plaatse van het noordwestelijke deel van het onderzoeksgebied, op een diepte van circa 0.58 meter +NAP. De top van het laagstgelegen deel van deze vegetatiehorizont, centraal in de restgeul, kon niet meer worden vastgesteld omdat deze al was verstoord bij de aanleg van de bouwput. Vermoedelijk lag de top daar oorspronkelijk op een diepte van 0.4 - 0.5 meter +NAP. Het onderste vegetatieniveau werd ter plaatse van de profielsleuven aangetroffen op een diepte van 0.0 - 0.22 meter –NAP. De top van de (zandige) geulafzettingen lag het laagst ter plaatse van de restgeul, op een diepte van maximaal 1.0 meter –NAP. Buiten de restgeul liep het niveau waarop de top van het beddingzand werd aangetroffen snel op. Ter plaatse van de westelijke proefsleuf werd aan de noordzijde van de restgeul het beddingzand aangetroffen op een diepte van 0.28 meter –NAP.

7

Cohen, Stouthamer, Pierik en Geurts, 2012: 152 19

Ten zuiden van de restgeul werd de top van het geulzand al aangetroffen op het niveau van het opgravingsvlak en was dit deels al aangesneden bij de ontgraving van de bouwput. De top van het beddingzand moet hier dus hoger hebben gelegen dan 0.4 meter +NAP. Door middel van een C14-datering van houtskool uit een houtskoolconcentratie (Spoor nr. 44) in het bovenste vegetatieniveau is een indicatie van de ouderdom van deze laag verkregen. Dat wil zeggen, een indicatie van de periode waarin deze laag het maaiveld vormde en min of meer begaanbaar (droog) moet zijn geweest. De bodemvorming zal eveneens in deze periode, of reeds kort daarvoor hebben plaatsgevonden. Het C14-monster heeft een datering opgeleverd van 3070 ± 30 BP, ofwel een gekalibreerde datering van 1415 - 1236 voor Chr. 8 Dit betreft de periode van de Midden Bronstijd B. Hoewel de bouwput reeds voorafgaand aan het onderzoek was ontgraven kon in Profiel nr. 2 (zie Afbeelding 8) nog worden vastgesteld dat het bovenste vegetatieniveau werd afgedekt door een grondpakket met een dikte van circa 0.8 meter. Er kon niet meer worden vastgesteld of het onderste segment van dit pakket een natuurlijke afzetting betrof. Het zou dan moeten gaan om een crevasseafzetting die ter plaatse van de restgeul vanuit een veraf gelegen stroomgordel moet zijn afgezet, gedurende de Romeinse Tijd of de Vroege Middeleeuwen.

Het is ook mogelijk dat het vrij schone grond betreft, die is opgebracht als onderdeel van de dorpsterp. In dat laatste geval zou het betreffende vegetatieniveau in ieder geval vanaf de Midden Bronstijd tot in de (Late) Middeleeuwen aan de oppervlakte hebben gelegen. De vastgestelde datering in de Midden Bronstijd markeert de periode dat de aangetroffen restgeul definitief is verland. Gezien het dieper gelegen vegetatieniveau moet er na een periode van inactiviteit van de restgeul, waardoor bodemvorming mogelijk was, gedurende één periode heractivering van de restgeul hebben plaatsgevonden. Gezien de geringe dikte van deze afzetting was dit een relatief kleinschalig fenomeen en is er sprake geweest van een afzetting in een rustig milieu (water met een minimale stroming). De afzettingen in de restgeul zijn zeker niet de laatste afzettingen die binnen het onderzoeksgebied zijn afgezet. Er zijn eveneens aanwijzingen gevonden voor laatmiddeleeuwse afzettingen. Dit betreft echter geen afzettingen die over een lange periode zijn gevormd, maar eerder kortdurende overstromingsfasen. Zowel in de gedempte sloot met Spoor nr. 40 als langs de oever van de nog bestaande watergang (Spoor nr. 24) is een licht erosief afgezette zandlaag aangetroffen, het relict van een laatmiddeleeuwse overstromingsfase. De afzetting in de sloot met Spoor nr.

40 moet, getuige de vondst van baksteenbrokken, in de onderliggende laag op zijn vroegst in de 13de eeuw hebben plaatsgevonden, maar meer waarschijnlijk in de 14de eeuw. Ook een grindig bandje, met daarin enkele sterk afgesleten en gefragmenteerde aardewerkfragmentjes in de vulling van een greppel (Spoor nr. 3), is een aanwijzig voor een kortdurende overstroming. In het laatste geval kan de overstroming eveneens in de Late Middeleeuwen worden gedateerd, maar vermoedelijk wat vroeger, in de 11de of 12de eeuw (Afzettingen van Tiel IIIa). Tijdens de Archeologische Begeleiding van de rioolsleuf werden ook nog enkele profielkolommen gedocumenteerd. Over het algemeen werden, als gevolg van de relatief geringe diepte van de aangelegde sleuven, de natuurlijke afzettingen niet aangesneden. Alleen ter plaatse van het meest noordelijke deel van de rioolsleuf werd de top van de natuurlijke afzettingen nog bereikt (Profielkolom 3 in de rioolsleuf). Dit betrof een enigszins kleiige zandtop, met daarop een vegetatieniveau, afgedekt door een cultuurlaag, of bouwvoor (zie Afbeelding 9). Het overige deel van de bodemopbouw betrof subrecent vergraven en/of opgebrachte grond. Met een boring werd op deze locatie nog inzicht verkregen in de diepere bodemopbouw. De kleiige zandlaag verloor op de diepere niveaus zijn kleiigheid en werd grover qua korrelgrootte.

Vanaf een diepte van 1.8 meter beneden het maaiveld werd een laminatie van overwegend zand met kleilaagjes aangetroffen.

8

Beta-462982. Waarschijnlijkheid : 95.4 %. 20

Het natuurlijke reliëf liep af in zuidelijke richting en er werden geen natuurlijke afzettingen meer aangesneden binnen de aanlegdiepte van de rioolsleuf. Door middel van boringen ter plaatse van Profielkolom 1 en 2 is nog wel vastgesteld dat in deze richting de opbouw van overwegend zandafzettingen geleidelijk plaats maakte voor beduidend meer kleiafzettingen. Daarnaast is ter plaatse van Profielkolom 1 nog een sloot aangeboord. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de overgang naar het komgebied nog binnen het zuidelijke deel van het plangebied was gelegen. De afwateringssleuf die werd gegraven, was zodanig ondiep dat alleen in het subrecent verstoorde/ opgebrachte pakket werd gegraven.

Afbeelding 7. Sectie van Profiel nr. 4 ter plaatse van de westelijke proefsleuf. De foto is genomen vanuit westelijke richting.

Afbeelding 8. Sectie van Profiel nr. 2, ter plaatse van de westelijke wand van de bouwput. De foto is genomen vanuit oostelijke richting.

21

Afbeelding 9. Profielkolom nr. 3, ter plaatse van het noordelijke deel van de rioolsleuf. De foto is genomen vanuit westelijke richting.

22

Afbeelding 10. De ligging van het plangebied, met de locatie van de Archeologische Opgraving (AO) en de Archeologische Begeleiding (AB) en de locaties van de profielkolommen en profielen. Schaal 1: 500.

23

Afbeelding 11. De ligging van het plangebied (rood omkaderd), met locatie van de Archeologische Opgraving (AO) en de Archeologische Begeleiding (AB) en de maaiveldhoogtes. Schaal 1: 500.

24

Afbeelding 12. Sporenoverzicht van Vlak 1. Schaal 1: 500.

25

Afbeelding 13. Hoogtemetingen Vlak 1. Schaal 1: 500.

26

Afbeelding 14. Sporenoverzicht van Vlak 2. Schaal 1: 500.

27

Afbeelding 15. Hoogtemetingen Vlak 2. Schaal 1: 500.

28

Afbeelding 16. Sporenoverzicht van Vlak 3. Schaal 1: 500.

29

Afbeelding 17. Hoogtemetingen Vlak 3. Schaal 1: 500.

30

4.2 Archeologische sporen In de top van de natuurlijke afzettingen werden in totaal 53 archeologische sporen en lagen aangetroffen. Dit betrof in de meeste gevallen restanten van sporen en lagen, waarvan een groot deel reeds was afgegraven bij het ontgraven van de bouwput. De meeste archeologische sporen dateren uit de Late Middeleeuwen en kunnen worden gerelateerd aan het achtererf van huisplaatsen, die vermoedelijk meer in de richting de oude dorpskern hebben gelegen, ten (noord)westen van het plangebied. Daarnaast is ook een archeologische laag aangetroffen in de vorm van een vegetatieniveau uit de Late Prehistorie, waarin houtskool en aardewerkfragmenten werden aangetroffen. 4.2.1 Late Prehistorie Ter plaatse van de restgeul binnen het noordelijke deel van de bouwput werd een archeologische laag aangetroffen. Het betrof een humeus niveau, waarbij onder invloed van vegetatie bodemontwikkeling had plaatsgevonden. In de periode dat deze bodem nog aan de oppervlakte lag hebben er ter plaatse van het onderzoeksgebied activiteiten plaatsgevonden. De laag bevatte overal in meer of mindere mate houtskoolspikkels en –brokjes en eveneens een aantal aardewerkfragmenten. Uit een concentratie van houtskool is ten behoeve van een C14-datering een monster genomen. Ook is in de nabijheid van deze locatie in deze laag een fragment van een barnstenen kraal aangetroffen.

De C14-datering heeft een datering opgeleverd in de Midden Bronstijd B (1415 - 1236 voor Chr.). De kleine hoeveelheid aardewerk die werd aangetroffen bood, op één fragment na, geen duidelijke aanknopingspunten voor een zeer specifieke datering, anders dan in de Late Prehistorie. Het betreffende aardewerkfragment had een kenmerkende versiering voor de Midden Bronstijd. Ook de combinatie van het baksel en de magering van enkele andere aardewerkfragmenten, kan worden gezien als een aanwijzing dat dit aardewerk in de Midden- of Late Bronstijd zou kunnen worden gedateerd. De aangetroffen archeologische laag moet dus in elk geval in de Midden Bronstijd worden gedateerd. Het is niet duidelijk hoe lang deze laag ter plaatse van het onderzoeksgebied aan de oppervlakte heeft gelegen. Naast het vondstmateriaal en de houtskool zijn geen sporen aangetroffen die met zekerheid uit de periode van deze laag dateren. Een aantal sporen met een relatief ‘schone’ vulling en zonder vondstmateriaal tekenden zich slecht af in de laag en waren vaak pas zichtbaar onder de laag. Er kon helaas niet meer worden vastgesteld vanuit welk niveau deze sporen waren ingegraven, vanwege de verstoringen die bij het uitgraven van de bouwput waren ontstaan. Het vondstmateriaal en de houtskoolverspreiding in de laag verraden duidelijk de aanwezigheid van een activiteitszone.

Het is echter niet duidelijk wat de aard van de vindplaats is. Het zou een bewoningslocatie kunnen betreffen, maar ook een activiteitenzone bij - of op grotere afstand van - een bewoningslocatie. In elk geval strekte deze laag zich uit in westelijke, oostelijke en noordelijke richting, tot buiten de bouwput. Het is niet duidelijk of de laag ook ter plaatse van de zuidzijde van de restgeul aanwezig is geweest, omdat dit niveau daar volledig was verstoord bij de aanleg van de bouwput, tot in de geulafzettingen. 4.2.2 Late Middeleeuwen Er zijn ook archeologische resten uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Uit deze periode zijn diverse sporen aangetroffen in de vorm van sloten en kuilen. Deze sporen vormen de weerslag van de achtererven van huisplaatsen, die vermoedelijk ten westen van het onderzoeksgebied waren gelegen, waar ook nu nog de oude dorskern van Schoonrewoerd is gelegen. Ook zijn een aantal kuilen aangetroffen waarin geen vondstmateriaal werd aangetroffen.

31

Vermoedelijk gaat het ook in dat geval om (laat)middeleeuwse sporen, hoewel deze sporen zeker ook ouder zouden kunnen zijn. 9 In alle gevallen moet rekening worden gehouden met het feit dat een aanzienlijk deel van deze sporen al was afgegraven voorafgaand aan het onderzoek. Relatief ondiepe sporen zullen daarom al zijn verdwenen en zijn buiten beeld gebleven bij het onderzoek. 4.2.2.1 Sloten en greppels De hoofdindeling van het terrein binnen het onderzoeksgebied werd vanaf de Late Middeleeuwen gevormd door een tweetal sloten, waarvan in één geval de nog bestaande sloot aan de oostzijde van het onderzoeksgebied het relict vormt. Deze watergang heeft feitelijk tot in de vorige eeuw de (oostelijke) begrenzing van de bewoningskern van Schoonrewoerd gevormd. De tweede sloot betreft een haaks daarop georiënteerde, gedempte sloot (Spoor nr. 40), die in de richting van de bewoningskern (ontginningsas) heeft gelopen. Waarschijnlijk betreft het een perceelgrens, die de begrenzing vormde tussen twee langgerekte huispercelen. Mogelijk is er ook nog sprake geweest van de aanwezigheid van een derde en een vierde sloot, die parallel aan Spoor nr. 40 zouden kunnen hebben gelopen. In de zuidelijke punt van de bouwput leek namelijk een kromming aanwezig te zijn die de aanzet van een derde sloot zou kunnen betreffen.

In dat geval zou de tussenafstand - en daarmee de breedte van het tussenliggende perceel - ruim 18 meter bedragen. De tussenliggende afstand vanuit het hart van de sloten zou dan circa 25 meter bedragen. De veronderstelde vierde sloot werd vastgesteld in een boring ter plaatse van Profielkolom 1 in de rioolsleuf (zie Afbeelding 10). Een tussenliggende afstand van 25 meter vanuit het hart van de derde sloot zou goed overeenkomen met de boorlocatie waarin het slootprofiel werd vastgesteld. Er vanuit gaande dat er tijdens in de Late Middeleeuwen een regelmatige strokenverkaveling tot stand kwam, zou zich net buiten de noordzijde van de bouwput een volgende sloot moeten hebben gelegen. Van de bestaande watergang aan de oostzijde van het plangebied werd vastgesteld dat de oorspronkelijke oever enkele meters westelijker had gelegen. In deze oeverzone konden in het vlak twee lagen worden herkend. De meest oostelijke laag langs de watergang betrof in feite de voortzetting van de oude bouwvoor, die op het terrein aanwezig was. Deze laag zal oorspronkelijk in een flauw talud naar de watergang hebben doorgelopen. In de laag werd voornamelijk vondstmateriaal uit de Nieuwe Tijd (tot en met de 18de eeuw) aangetroffen, maar ook wat laatmiddeleeuws aardewerk.

De tweede laag betrof een afgedekte, oudere cultuurlaag, een deel van de laatmiddeleeuwse cultuurlaag die ook ter plaatse van andere locaties binnen het onderzoeksgebied is aangetroffen. In deze laag zijn een aantal brokken (laatmiddeleeuwse) baksteen, dierlijk botmateriaal en laatmiddeleeuws aardewerk aangetroffen. Spoor nr. 40, de sloot die de grens tussen twee percelen heeft gevormd, bleek reeds vroeg te zijn gedempt. De sloot is aangelegd langs de zuidelijke randzone van de restgeul. Het is zeer de vraag of deze restgeul destijds nog als een zichtbare depressie in het terrein aanwezig was en of men daarvan gebruik heeft gemaakt. In dat geval zou de sloot vermoedelijk wat meer centraal in de restgeul zijn ingegraven. Daarnaast zal de locatie van de sloot eerder afhankelijk zijn geweest van de breedte van de gehanteerde ontginningspercelen en gemeten vanaf het startpunt van de ontginningsassen Overheicop - Kerkweg en Schaikseweg - Dorpsstraat. Er is al eerder op gewezen dat de aanwezigheid van de Schoonrewoerdse Stroomrug nergens van invloed is geweest op de ontginningsverkavelingen en de ligging van de woonkernen, hooguit met uitzondering van de woonkern van Schoonrewoerd. 10 In de proefsleuf kon uit de vulling van de sloot worden afgeleid dat deze reeds vroeg moet zijn opgevuld/ gedempt.

Helaas werd in de verschillende vullingslagen geen specifiek dateerbaar vondstmateriaal aangetroffen. Er werden slechts enkele brokken baksteen aangetroffen in de oorspronkelijke, zeer humeuze slootbodem. 9

De sporen met een onbekende datering zijn op de sporenkaarten (zie Afbeelding 12, 14 en 16) weergegeven als <LMEB, ofwel Late Middeleeuwen B of ouder. 10 Henderikx, 1987: 12 32

Deze slootbodem was afgedekt door een op natuurlijke wijze afgezette zandlaag, waarschijnlijk ten gevolge van een overstroming. Vervolgens is een bodem tot ontwikkeling gekomen ontwikkeld op de slootvulling, die vervolgens - en waarschijnlijk mede door klink van de vulling - is afgedekt met de latere bouwvoor. Het is aannemelijk dat de sloot al in de Late Middeleeuwen opgevuld is geraakt. In elk geval worden op de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832 ter plaatse van het plangebied geen kavelgrenzen meer weergegeven (zie Afbeelding 19). Ook dat is een aanwijzing dat de sloot al lange tijd niet meer als grens functioneerde en was gedempt.

Afbeelding 18. Sectie van Profiel nr. 5 ter plaatse van de sloot (Spoor nr. 40). De foto is in zuidoostelijke richting genomen.

Ook langs de oever van de bestaande watergang is een aanwijzing voor een overstroming aangetroffen. Op één locatie lijkt de aanzet van een ondiepe greppel te zijn aangetroffen (Spoor nr. 24). Deze was volledig opgevuld met -, waarschijnlijk zelfs wat uitgeschuurd door een zandafzetting. Het greppeltje is alleen nog ter plaatse van de oeverzone van de watergang aangetroffen. In westelijke richting kon het verloop van deze greppel niet meer worden vastgesteld; deze laag was bij de ontgraving van de bouwput reeds afgegraven. Indien de ligging van de greppel zou worden doorgetrokken in westelijke richting, zou deze kunnen hebben aangesloten op de greppel met Spoor nr. 3, die daar een haakse bocht maakte. In de vulling werd geen dateerbaar vondstmateriaal aangetroffen. De greppel met Spoor nr. 3 werd aangetroffen aan de noordzijde van de bouwput. Deze kwam vanuit noordnoordoostelijke richting en maakte binnen het onderzoeksgebied een hoek van 90° richting het westnoordwesten. De greppel eindigde vervolgens na circa 9.5 meter. Indien de greppel is gegraven ter afwatering, dan was het in westelijke richting (richting de dorpsterp) mogelijk niet noodzakelijk om de greppel verder door te trekken vanwege het daar hoger gelegen maaiveld.

Of de greppel eveneens een grensmarkering van een perceel of huisplaats heeft gevormd is onbekend, omdat er binnen deze omgreppeling ter plaatse van de bouwput te weinig oppervlakte kon worden onderzocht. Daarnaast konden mede daardoor ook geen duidelijke spoorrelaties worden vastgesteld.

33

In elk geval is er in de greppel wel wat vondstmateriaal aangetroffen dat mogelijkheden biedt voor een datering. Daardoor - en door versnijdingen van enkele laatmiddeleeuwse kuilen uit de 14de - 15de eeuw, kan worden geconcludeerd dat de greppel uit een eerdere periode dateert dan de meeste andere gedateerde sporen uit de Late Middeleeuwen. Naast een paar fragmenten prehistorisch aardewerk werden ook een fragment kogelpotaardewerk en kleine fragmentjes gedraaid aardewerk aangetroffen. Deze laatste zijn vanwege de fragmentatie lastig dateerbaar, maar vermoedelijk betreffen het baksels uit het Rijn- en/of Maasland uit de Vroege-/ Late Middeleeuwen. De greppel kan daardoor niet nader worden gedateerd dan in de periode van de 8ste - 13de eeuw, hoewel een datering binnen het laatste deel van deze periode het meest waarschijnlijk is.

Afbeelding 18. Het plangebied (blauw omkaderd), geprojecteerd op een uitsnede van de Kadastrale Kaart (Minuutplan) uit 1811 - 1832. Schaal: 1: 1.500.

4.2.2.2 Kuilen De meeste van de aangetroffen sporen betreffen grote en kleine kuilen,. Er lijkt sprake te zijn van een tweetal concentraties van kuilen, die mogelijk kunnen worden gerelateerd aan twee verschillende huisplaatsen. 34

Eén concentratie werd aangetroffen ter plaatse van het meest noordoostelijke deel van de bouwput, een tweede concentratie werd aangetroffen ter plaatse van het zuidelijke deel van de bouwput, ten zuiden van de gedempte sloot met Spoor nr. 40. Ter plaatse van de noordelijke concentratie zijn allereerst een viertal grote kuilen met een min of meer gelijksoortige vulling aangetroffen. Drie van deze kuilen werden aangetroffen aan de rand van de bouwput, waardoor het grootste deel van de oppervlakte van de kuil buiten het onderzoeksgebied was gelegen (Spoor nr. 2, 34 en 53). Eén kuil was volledig binnen het onderzoeksgebied gelegen en daarvan is de contour dus bekend (Spoor nr. 1). De afmeting van deze min of meer vierkante kuil bedroeg circa 3 x 3.25 meter. Uit profiel nr. 1 en 2 blijkt dat de kuilen met Spoor nr. 2, 34 en 53 minimaal 0.9 meter diep zijn geweest, exclusief het deel dat in latere tijden in de bovenliggende bouwvoor is opgenomen. De opvulling van deze grote kuilen was redelijk vergelijkbaar. De bodem werd namelijk gevormd door een uiterst humeuze, soms haast venige, vullingslaag met herkenbare plantenresten, die verraadt dat de kuil in oorsprong was opgevuld met veel organisch materiaal. De overige vullingslagen bestonden uit grond die in fasen in de kuilen is aangebracht, toen de organische vulling geleidelijk oxideerde en inklonk. In Spoor nr.

1 is daarnaast op de humeuze vulling ook een laagje afval van huishoudelijke aard aangetroffen, met wat dierlijk bot, aardewerkfragmenten en baksteenbrokken. Het vondstmateriaal dat in alle vier de kuilen werd aangetroffen heeft een overeenkomstige datering in de Late Middeleeuwen, meer specifiek in de periode van de tweede helft van de 14de eeuw en/of het begin van de 15de eeuw. De functie van de kuilen is niet geheel duidelijk, al zijn er op basis van vergelijking met andere onderzoeken en historische gegevens wel aanwijzingen voor een bepaalde functie. Vergelijkbare kuilen uit dezelfde periode (14de - 15de eeuw) worden vaker aangetroffen, waarbij een functie als rootkuil wordt verondersteld, zoals bij de vindplaatsen Alblasserdam - Lange Steeg, Ameide Peperstraat, Schoonrewoerd - Overheicop. 11 In elk geval kan worden geconcludeerd dat er tijdens het gebruik van de kuilen een aanzienlijke hoeveelheid organisch afval is gedeponeerd. De humeuze vulling van Spoor nr. 1 is bemonsterd ten behoeve van archeobotanisch onderzoek 12, maar dit heeft niet geleid tot meer duidelijkheid met betrekking tot de functie van de kuil. Er werden geen zaden of vruchten van vlas of hennep aangetroffen. Ook werd bij nadere inspectie geen stengels van deze soorten vastgesteld.

13 De omvang en diepte van de kuilen, die vanaf het toenmalige maaiveld zeker 1 meter diep moeten zijn geweest, in combinatie met de organische vulling met plantenresten op de bodem van de kuil, zou kunnen wijzen op de functie als rootkuil. In historische bronnen worden dergelijke kuilen vermeld, waarin de bundels vlas (of hennep) als schoven rechtop in de kuil werden gezet. Kuilen voor het roten van vlas of hennep waren altijd ongeveer een meter diep, en hadden een breedte van twee tot vier meter en een lengte van 3 tot 20 meter en nog wel langer. 14 Het feit dat bij het botanisch onderzoek in de kuilen geen lijnzaad is aangetroffen zegt niet veel. De vlasbollen werden namelijk, ten behoeve van de winning van lijnzaad voor olie, al voor het roten van de stengels verwijderd. Men zou wel mogen verwachten dat er wat (delen) van de stengels zouden achterblijven in de kuil. Door het roten werd een rottingsproces in gang gezet waarbij de pectine in de stengels werd afgebroken en de vezels loskwamen van de houtpijp. 15 Na het roten werden de stengels gebrakeld en gezwingeld, waarbij achtereenvolgens de houtpijp in kleine leemstukjes werd gebroken en eruit werd geslagen. Als laatste stap werden de vezelbundels gehekeld.

11

De Boer, 2006: 18; Tump, 2012: 79-80; Van der Mark, e.a., 2012: 35 Van Asch, 2017 (a) 13 Schriftelijk mededeling van mevrouw N. van Asch, d.d. 1 juni 2017. 14 Van Haaster, 2006: 4 15 Van Haaster, 2006: 4 12

35

Daarbij werden de vezelbundels gespleten en van onzuiverheden ontdaan en werden de vezels gescheiden in vlaslint (spinklare vezels voor kwaliteitsgaren) en ruwe korte vezels (voor ruwe garens en touw). 16 Het feit dat de aangetroffen kuilen zo ver van de huidige bewoning langs de Dorpsstraat liggen kan verschillende oorzaken hebben. Of de bewoningslocaties lagen verder van de Dorpsstraat ten opzichte van de huidige bebouwing, of de grote afstand is bewust gehanteerd vanwege stankoverlast en het gebruik van water. Een derde mogelijkheid is dat dergelijke kuilen, bijvoorbeeld in het geval van rootkuilen, voor hun functie ook afhankelijk waren van de aanvoer van het vlas over het water en daarom dicht bij de brede watergang aan de oostzijde van het plangebied waren gelegen. De andere kuilen ter plaatse van de noordelijke concentratie waren kleiner van omvang. In en tweetal kuilen werd echter eveneens een vergelijkbare humeuze vullingslaag op de bodem aangetroffen (Spoor nr. 35 en 45). Vermoedelijk betreft dit, mede vanwege de omvang, afvalkuilen. Van beide kuilen is de humeuze vulling bemonsterd en onderzocht. 17 In beide kuilen zijn de resten van diverse voedselgewassen aangetroffen, waarbij de vulling van Spoor nr. 35 het rijkste bleek. Het monster uit dit spoor is dan ook volledig onderzocht en uitgewerkt.

Uit de aanwezige botanische resten wordt de functie van afvalkuil, waarin etensresten en meer specifiek menselijke uitwerpselen zijn beland, heel waarschijnlijk. Een directe functie als beerkuil, waarboven een secreet heeft gestaan, behoort eveneens tot de mogelijkheden. De ligging van dergelijke kuilen ten opzichte van de bewoningsplaats is dan ook niet zo vreemd. Het vondstmateriaal uit de kuilen moet worden gedateerd in de 14de of 15de eeuw. De overige kuilen (Spoor nr. 36, 38, 39 en 41 t/m 43) waren allen gelijkaardig qua vulling en omvang. Het betrof een vrij schone vulling met roestvlekken, waarbij in sommige gevallen op de bodem een nog iets donkerder vulling werd aangetroffen. Het contrast met de hiervoor beschreven kuilen is echter groot. Dit kan ofwel met een grotere ouderdom van de kuilen te maken hebben, waarbij de oorspronkelijke vulling in grotere mate is gedegradeerd, ofwel met de aard van de oorspronkelijke vulling van de kuil. De eerste optie is daarbij het meest waarschijnlijk. Opvallend genoeg werd in dit type kuilen vrijwel geen vondstmateriaal aangetroffen. Slechts in één kuil zijn twee fragmentjes prehistorisch handgevormd aardewerk aangetroffen (Spoor nr. 36).

Dit biedt de mogelijkheid dat dit type kuil mogelijk kan worden gerelateerd aan het aangetroffen vegetatieniveau met houtskool en aardewerkfragmenten uit de Bronstijd - IJzertijd, hoewel het materiaal ook in latere tijden secundair in de kuil terecht kan zijn gekomen. Behalve dat de kuilen redelijk dicht bij elkaar waren gelegen bieden de sporen verder weinig aanknopingspunten. De tweede, zuidelijke concentratie van kuilen was slechter bewaard gebleven dan de noordelijke concentratie. Dit had te maken met de aanwezige verstoring door de bouw van het voormalige schoolgebouw. Slechts de onderzijde van sommige van de kuilen werd nog aangetroffen, zodat het waarschijnlijk is dat de meeste sporen ter plaatse van deze locatie verloren zijn gegaan. In totaal werden de resten van nog vijf kuilen aangetroffen. De kuilen hadden verschillende formaten en een ietwat grillige contour. De humeuze vulling, in combinatie met de omvang van de kuilen met Spoor nr. 46 en 49, komt sterk overeen met twee van de kuilen ter plaatse van de noordelijke concentratie (Spoor nr. 35 en 45). Het vondstmateriaal uit deze kuilen dateert eveneens uit de 14de eeuw en/of het begin van de 15de eeuw. Ook in de kuil met Spoor nr. 52 werd vondstmateriaal uit de 14de of 15de eeuw aangetroffen. In de overige kuilen werd geen dateerbaar vondstmateriaal aangetroffen, maar Spoor nr.

51 zal op basis van de vulling zeer waarschijnlijk ook uit de Late Middeleeuwen dateren. Spoor nr. 50 is op basis van de vulling eerder te vergelijken met het type ‘vondstloze’ kuil uit de noordelijke concentratie en kan derhalve ouder zijn.

16 17

Vlasroterij.be. Van vlas tot linnen Van Asch, 2017 (a); Van Asch, 2017 (b) 36

Afbeelding 20. Sectie van Profiel nr. 2 ter plaatse van een grote kuil (Spoor nr. 34). De foto is genomen vanuit zuidoostelijke richting.

Afbeelding 21. Coupe ter plaatse van een grote kuil (Spoor nr. 1). De foto is genomen vanuit zuidoostelijke richting.

Afbeelding 22. Coupe ter plaatse van de kuil, Spoor nr. 38. De foto is genomen vanuit zuidoostelijke richting. 37

Afbeelding 23. Coupe ter plaatse van de kuil, Spoor nr. 46. De foto is genomen vanuit noordoostelijke richting.

Afbeelding 24. Coupe ter plaatse van het restant van een grote kuil (Spoor nr. 51). De foto is in zuidwestelijke richting genomen.

38

Afbeelding 25. Fasering van de aangetroffen sporen in de verschillende vlakken. Schaal 1: 500.

39

4.3 Archeologisch vondstmateriaal 4.3.1 Inleiding Zowel bij het aanleggen en het afschaven van het vlak, als bij het couperen en afwerken van sporen werd in de vulling van archeologische sporen en lagen vondstmateriaal aangetroffen. Het betrof met name vondsten van keramiek en (dierlijk) bot, maar in mindere mate ook van metaal en natuursteen. Het vondstmateriaal is in het depot van SOB Research te Westmaas gereinigd, gedetermineerd en stabiel opgeslagen.

Vondstcategorie

Aantal

Gewicht (in gram)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=6c43ae97-9b56-415e-932b-9c128773e66d