CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Toelichting bestemmingsplan

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 25 april 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Ongewijzigd bestemmingsplan Broekseweg 75-77 Meerkerk16.338 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er zijn in het gebied verschillende landwinkels die streekproducten verkopen en er is (kleinschalige) verblijfsrecreatie aanwezig, zoals kleine campings in de uiterwaarden van de Lek. De gemeente Vijfheerenlanden wil particulieren de ruimte geven om het aanbod van dagrecreatieve activiteiten en verblijfsrecreatieve voorzieningen, mits deze passen in het landschap en het karakter van een gebied, te vergroten. Het plangebied bevindt zich in het veenweidelandschap met rivierinvloeden en bevindt zich aan het polderlint van de Broekseweg. Het centrale uitgangspunt is dat de ontwikkelingen kleinschalig zijn, worden gekoppeld aan de linten en dat wordt aangesloten bij de cultuurhistorische en landschappelijke karakteristieken van het open veenweidelandschap. Dat betekent dat ontwikkelingen moeten passen bij de maat en schaal van de linten. Het plan voorziet in een uitbreiding van een bestaande camping. De uitbreiding wordt op een passende wijze landschappelijk ingepast. Het plan doet daarmee geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het landschap.

3.5

Conclusie

Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is; • Het plan is passend binnen de regionale doelstelling om het bedrijfsleven in de regio te ondersteunen/versterken; • Het plan zorgt voor een versterking van de belevingswaarde van het slagenlandschap in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden; • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

29

4.

Milieuaspecten

4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.)

Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan voorziet in een uitbreiding van een camping (100 extra standplaatsen). De activiteit, de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- en caravanterreinen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 10 onder d van het besluit m.e.r. De oppervlakte van de uitbreiding is kleiner dan 10 hectare (ca. 4,5 hectare). De activiteit blijft ruim onder de drempelwaarde uit kolom 2. Kenmerken van het plan Het voorliggende bestemmingsplan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de bestaande camping uit te breiden in zuidwestelijke richting (in het verlengde van de bestaande camping). De uitbreidingslocatie mag worden gebruikt voor het plaatsen van kampeermiddelen. De uitbreidingslocatie wordt niet bebouwd (met uitzondering van een verplaatsbaar sanitair gebouw).

De standplaatsen worden uitsluitend voorzien van elektra (geen gasaansluiting). Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk en groenafval. In de omgeving zijn geen lopende projecten, waardoor van cumulatie geen sprake is. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 2,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland of Groene contour. Op een afstand van circa 460 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 8,8 km ligt de Groene contour. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Gezien de kleinschaligheid van het plan zal er geen sprake zijn van significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaatsgevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-procedure te worden gevolgd. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.

Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer. 30

4.2

Watertoets

Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen.

Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

31

Watergangen In en aangrenzend aan het plangebied zijn drie A-watergangen en één B-watergang gelegen. De binnen het plangebied gelegen A-watergangen (040979 en 143730) zijn bestemd als ‘Water’. De duikers zijn bestemd middels de functieaanduiding 'specifieke vorm van water – duiker’. Er vinden geen bouw- en sloopwerkzaamheden plaats in de beschermingszones van deze watergangen. Om aan de watercompensatieplicht te voldoen wordt de C-watergang 040623 en/of 041202 verbreed. Voor de verbreding van de watergangen dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. Voor de inrit van het nieuwe parkeerterrein wordt gebruik gemaakt van de huidige dam met duiker. Voor de aanleg van beplanting in de nabijheid van watergangen wordt rekening gehouden met de regels van het waterschap (de Keur). Voor de uitbreiding van de camping is het aanvragen van een watervergunning dan wel het indienen van een melding bij het Waterschap Rivierenland niet vereist.

Afbeelding 9: Legger Wateren (geplande uitbreiding camping)

32

Afbeelding 10: Legger Wateren (deel bestaande agrarisch bedrijf en camping)

Peilgebied De uitbreiding van de camping is gelegen binnen het peilgebied OVW002. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,55 m NAP en een winterpeil van -1,65 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Plangebied (uitbreiding camping)

Afbeelding 11: Peilgebieden

33

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Tabel 1: Verhardingsbalans uitbreiding camping Bestaande situatie Agrarische uitwegen (puinverharding) Totaal bestaande situatie

Oppervlakte (m2) 685 m2 685 m2

Nieuwe situatie Sanitair gebouw Nieuw parkeerterrein (grasroosters) (50% van 4.000 m2) Overige terreinverharding (o.a. toegangsweg naar parkeerterrein)

30 m2 2.000 m2 400 m2

Totaal nieuwe situatie

2.430 m2

Verschil

1.745 m2 toename

De initiatiefnemers van dit plan hebben nog niet eerder gebruik gemaakt van de particuliere vrijstelling. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Per saldo is sprake van een toename aan verharding met 1.745 m2 – 1.500 m2 = 255 m2. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. De benodigde watercompensatie bedraagt 285 m2 * 0,0436 m3/ha = 10,682 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren extra wateroppervlak van 54 m2. Om aan de watercompensatieplicht te voldoen wordt de C-watergang 040623 en/of 041202 verbreed. Dit zal in het kader van de aanvraag watervergunning nader worden uitgewerkt. Omdat de betreffende sloot als watercompensatie dient, zal de watergang een B-status krijgen. De watergang dient daarmee te voldoen aan de minimale afmetingen voor B-watergangen zoals in de Keur is aangegeven. 34

Te verbreden watergangen

Afbeelding 12: Watercompensatielocatie

Afbeelding 13: Geplande uitbreiding camping

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. 35

Hemelwaterafvoer Hemelwater zal zoveel mogelijk in de bodem infiltreren. Verder is er in de directe omgeving van het plangebied voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuilwaterafvoer Op de bestaande camping is een toiletgebouw aanwezig dat op het gemeentelijk rioolstelsel is aangesloten. Voor de gasten op de uitbreidingslocatie zal een extra verplaatsbaar toiletgebouw geplaatst worden (welke in de winter wordt weggehaald). Het sanitair gebouw wordt tevens aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied. In grondwaterbeschermingsgebieden dient rekening te worden gehouden met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening. In het plangebied zal niet dieper dan 2,5 m onder maaiveld worden geroerd. De gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ wordt overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk is voor het beheer van de wegen, waaronder de Broekseweg en de Tiendweg. De camping wordt in de bestaande situatie ontsloten via de Broekseweg en de Tiendweg. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Voor de inrit van de tweede parkeerplaats wordt gebruik gemaakt van de bestaande dam op de Tiendweg. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de realisatie van de watercompensatie dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.

36

4.3

Geluid

Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de uitbreiding van een camping. Een camping wordt niet aangemerkt als geluidsgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeers-, railverkeers- en/of industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.

37

4.4

Luchtkwaliteit

Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Jaargemiddelde Fijnstof (PM10) concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011

25 µg/m3

Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie tussen 10-12 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 17-18 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 10-12 µg PM2,5/m3. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;

38

•

Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Het plan valt in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%). Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

39

4.5

Bedrijven- en milieuhinder

Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Gemengd gebied In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Gezien de landelijke ligging van de camping en de omliggende bedrijfsactiviteiten kan op deze locatie gesproken worden van een gemengd gebied. Onderzoek Het plan betreft de uitbreiding van een camping. Een kampeerterrein betreft geen milieugevoelige functie en hindert omliggende bedrijven derhalve niet. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) betreft een camping een milieubelastende activiteit. De categorie ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ valt in milieucategorie 3.1 van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Voor dergelijke inrichtingen is ‘geluid’ de bepalende factor. Hierbij hoort een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Binnen 30 meter van de uitbreiding van de camping liggen geen gevoelige functies woningen.

40

De huidige camping ligt op een kortere afstand dan 30 meter van woningen. Dit betreft een bestaande situatie. Overigens liggen hierbinnen uitsluitend enkele standplaatsen. De centrale voorzieningen van de camping (waaronder de parkeerplaats) liggen op grotere afstand van 30 meter. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.

41

4.6

Externe veiligheid

Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting (rundveehouderij met propaantank) ligt op ca. 1.500 meter. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Op een afstand van ongeveer 1100 meter ligt de dichtstbijzijnde buisleiding.

42

Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. De A27 ligt op een afstand van ongeveer 2.000 meter. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.

Afbeelding 14: Risicokaart externe veiligheid

Advies Veiligheidsregio Utrecht (VRU) De VRU geeft aan dat het plan geen aanleiding geeft tot het adviseren van nadere maatregelen ter bevordering van de externe veiligheid. Het is belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid is hierbij van essentieel belang. Aangezien het plangebied aan twee zijden ontsloten wordt door acht de VRU de bereikbaarheid voldoende. De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, zowel primaire alsook secundaire of tertiaire (open water), om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De VRU constateert dat in de omgeving open water aanwezig is. Om te bepalen of deze voldoende zijn, is het advies om contact op te nemen met de afdeling Team Operationele Voorbereiding van de VRU. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

43

4.7

Kabels en leidingen

Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

44

4.8

Ecologie

Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek 4.8.1 Soortenbescherming Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door adviesbureau Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van het ecologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. De conclusie uit dit onderzoek is: De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van voorplantingsplaatsen, rustplaatsen of essentieel functioneel leefgebied van beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden 45

•

•

tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Om overtreding van overige verbodsbepalingen (i.e. het doden van individuen) ten aanzien van de heikikker te voorkomen, dient het plangebied gemaaid te worden vóór het einde van de voortplantingsperiode (dus voor eind juli; Kennisdocument Heikikker, 2017). Tevens dienen de slootkanten van het plangebied in de overwinteringsperiode (oktober-half/eind februari; Kennisdocument Heikikker, 2017) niet betreden te worden met grote gemotoriseerde voertuigen, of vergelijkbare grootschalige verstoringselementen. De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

4.8.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 2,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland of Groene contour. Op een afstand van circa 460 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 8,8 km ligt de Groene contour. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de uitbreiding van de camping. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland (NNN) geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Weidevogelkerngebied Het plangebied is gelegen in een weidevogelkerngebied. De weidevogelkerngebieden zijn internationaal van groot belang voor de bescherming van weidevogels. Windturbines en zonnevelden kunnen negatieve gevolgen hebben voor de weidevogelkerngebieden. Vanwege het belang van de energietransitie worden windturbines en zonnevelden echter niet uitgesloten binnen de weidevogelkerngebieden.

Voorwaarde is wel dat er tegelijkertijd sprake is van aantoonbaar per saldo minimaal behoud van de kwaliteit van het leefgebied. De volgende factoren zijn belangrijk voor de geschiktheid van een gebied als leefgebied van weidevogels: voldoende omvang van het gebied (met daarbinnen zo mogelijk een reservaat als harde kern), openheid, rust, relatief hoge waterpeilen, agrarisch natuurbeheer gericht op weidevogels, een goede inrichting (zoals plas-dras, natuurvriendelijke oevers en microreliëf) en voorkomen van predatie. De regel heeft betrekking op weidevogelkerngebieden buiten het NNN. Voor de weidevogelkerngebieden binnen het NNN gelden de NNN regels. Met het oog op het leefgebied 46

weidevogelkerngebieden wordt een handreiking opgesteld. Gezien er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep geen sprake is van het realiseren van windturbines of zonnevelden, is de ontwikkeling niet strijdig met het provinciale beleid. Bovendien wordt met dit plan het leefgebied van weidevogels niet onevenredig aangetast. De huidige bestemming van het grootste deel van het plangebied is reeds ‘Enkelbestemming – Verblijfsrecreatie, evenemententerrein’. Een smalle strook aan de noordwestzijde heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Door de bestemming als evenemententerrein vinden er reeds verstoringen door plaats. Dit terrein wordt gebruikt als kampeerlocatie tijdens grote evenementen in de omgeving. Dit draagt reeds een verstoring uit op het aangrenzende deel met de agrarische bestemming. Derhalve is dit gebied reeds suboptimaal geschikt voor weidevogels. Het perceel met de agrarische bestemming betreft daarnaast een monocultuur van raaigras welke meermaals per jaar wordt gemaaid, of beweid. Kwalitatief gezien is deze strook derhalve ook al reeds suboptimaal geschikt voor weidevogels. Het plangebied zal in de toekomstige situatie als een ‘overloopgebied’ van de huidige camping gebruikt worden. Dit wil zeggen dat hier alleen gekampeerd zal worden als de huidige camping vol is. Naar verwachting zal het plangebied dus alleen tijdens het hoogseizoen (zomervakantie) gebruikt worden.

In deze periode hebben de meeste weidevogels (grotere) jongen, en zijn ze niet meer aan hun nest gebonden gezien het nestvlieders betreffen. Zoals de meeste vogels zijn weidevogels het meest gevoelig voor verstoring in de eifase van het nest (welke in het voorjaar is). Conform het beleid van de gemeente Vijfheerenlanden dient de uitbreiding van de camping een passende landschappelijke inpassing te krijgen. Er is een plan uitgewerkt, waarbij rekening is gehouden met de kernkwaliteiten van het gebied (waaronder de openheid), de kampeermiddelen aan het beeld worden onttrekken (in het groen gelegen) en voldoet aan overige regelgeving (waaronder parkeren). In de huidige situatie worden de caravans, tenten en kampeerders ook vanaf wegen in de omgeving aan het beeld te onttrokken. Eenzelfde beeld zal doorgetrokken worden richting het plangebied. De groene omzoming zal geen gesloten karakter krijgen (ruimte voor doorzichten naar het open landschap), maar wel de kampeermiddelen in het groen zetten. Deze beplanting biedt geen geschikte uitkijkpunten voor roofvogels gezien hun beperkte grootte en stevigheid. Daarnaast zullen roofvogels het campingterrein sowieso al vermijden gezien zij ook gevoelig zijn voor allerhande verstoringen welke de kampeerders uitdragen (optisch, geluid etc.).

Door het aanplanten van deze beplanting worden optische verstoringen niet alleen voor de mens aan het beeld onttrokken, maar ook voor weidevogels in de omgeving. De eventuele verstoring van de aanplant van deze beplanting weegt niet op tegen de verstoringen welke de kampeerders (in de huidige situatie gezien de bestemming evenementen reeds toestaat, of in de toekomstige situatie na uitbreiding van de camping) uitdragen (optisch, geluid etc.) wanneer er niets aangeplant zou worden. Er kan mogelijk zelfs aangenomen worden dat de aanplant juist een positief effect kan hebben gezien optische verstoringen afgeschermd worden voor de weidevogels in de omgeving, wat in de huidige situatie niet het geval is. De initiatiefnemers van 47

dit plan dragen de weidevolgels een warm hart toe. Men is aangesloten bij het collectief Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Samen met honderden boeren en burgers voert dit collectief beheer uit voor weidevogels en andere soorten (rust- en plasdraspercelen, beweid en kruidenrijk grasland, kleine landschapselementen en ecologisch beheerde sloten en oevers). De initiatiefnemers van dit plan hebben een zevental weilanden ten westen van het plangebied beschikbaar gesteld (kruidenrijk grasland met uitgestelde maaidatum (van 1 april t/m 15 juni). De gronden waar de uitbreiding van de camping is gepland vallen hier buiten en zijn derhalve minder aantrekkelijk voor weidevogels. Het leefgebied van weidevogels wordt niet aangetast als gevolg van dit plan.

Afbeelding 15: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’

Afbeelding 16: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

48

4.8.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Gezien er sprake is van een grote afstand (2,3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van zeer beperkte omvang en een zo goed als afwezige bouwfase, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen..

49

4.9

Bodem

Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de verwachte bodemkwaliteit van het plangebied te bepalen is door Linge Milieu een historisch bodemonderzoek (NEN 5725) uitgevoerd. Het historisch bodemonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Er zijn op basis van de resultaten van het historisch onderzoek geen mogelijke bronnen voor bodemverontreiniging op de te ontwikkelen locatie te verwachten. De bodemkwaliteit zal dus geen belemmering zijn voor de voorgenomen uitbreiding van de camping. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op grond van de NEN5740 en/of NEN5707 (asbest) is niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

50

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • • • •

Zeer hoge verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Middelmatige verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; Middelmatige verwachting voor prehistorie tot middeleeuwen (groen). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; Lage verwachting voor alle perioden (geel). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

51

Afbeelding 17: Archeologische verwachtingskaart

Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat de uitbreiding van de camping plaatsvindt op gronden met een lage archeologische verwachting. Het plan voorziet niet in een bodemingreep groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en/of dieper dan 30 cm. Op basis hiervan kan een archeologisch onderzoek achterwege worden gelaten. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk (eventuele) archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming van de archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1, 2, 5 en 6’ overgenomen in dit bestemmingsplan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

52

5.

Juridische planbeschrijving

5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan ‘Meerkerk, Broekseweg 75-77 (Uitbreiding SVR Camping de Victorie)’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan ‘Meerkerk, Broekseweg 75-77 (Uitbreiding SVR Camping de Victorie)’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2

Systematiek van de regels

Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Meerkerk, Broekseweg 75-77 (Uitbreiding SVR Camping de Victorie)’ is aansluiting gezocht bij de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Zederik (Reparatieplan)’ (vastgesteld 19 november 2018) en ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ (vastgesteld 10 juni 2021). De regels van het bestemmingsplan ‘Meerkerk, Broekseweg 75-77 (Uitbreiding SVR Camping de Victorie)’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3

Bestemmingen

Agrarisch Op de agrarische bedrijfslocatie blijft de bestemming ‘Agrarisch’ ongewijzigd. Met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – horeca en terras’ wordt het reeds vergunde horecagebruik op de agrarische bedrijfslocatie (ten dienste van de camping) juridisch verankerd in het bestemmingsplan. Recreatie - Verblijfsrecreatie De camping wordt volledig bestemd als ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’. Het volledige bestemmingsvlak mag daarmee worden gebruikt als kampeerterrein/camping. Water Binnen het plangebied zijn de A-watergangen (040979 en 143730) gelegen. De watergangen zijn bestemd als ‘Water’.

53

Waarde – Archeologie 1, 2, 5 en 6 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1, 2, 5 en 6’ zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

5.4 • • • • • • • • •

Aanduidingen Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 2’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 3’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – sanitair’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – horeca en terras’; Functieaanduiding 'specifieke vorm van water – duiker’; Functieaanduiding ‘bedrijfswoning’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Bouwaanduiding ‘karakteristiek’; Gebiedsaanduiding milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied'.

54

6.

Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een plan

6.1

Uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Tot slot, is door Linge Milieu een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Er zijn op basis van de resultaten van het historisch onderzoek geen mogelijke bronnen voor bodemverontreiniging op de te ontwikkelen locatie te verwachten. Het aspect bodem zit de economische uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

6.2

Kostenverhaal

Conform afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. De initiatiefnemers gaan zelf het plangebied ontwikkelen. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in kosten die de gemeente zal moeten maken, is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

55

7.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Participatie

In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een planontwikkeling te informeren. Gezien de kleinschaligheid van het plan hebben de initiatiefnemer van dit plan gekozen om de omwonenden persoonlijk mondeling te informeren over de plannen. Enkele omwonenden hebben, gelet op hun huidige ervaring met de camping, zorgen over de toename van de verkeersdruk op de Tiendweg en Broekseweg en de toename van geluidsoverlast, echter heeft deze zorg niet geleid tot een zienswijze op het plan.

7.2

Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners. De volgende overlegpartners hebben een reactie gegeven: Provincie Utrecht De provincie Utrecht heeft de volgende opmerkingen gemaakt: •

Voor uitbreiding van de camping moet toepassing worden gegeven aan artikel 9.7 Instructieregel bestaande stedelijke functies, anders dan wonen van de Interim Omgevingsverordening (IOV). Dit punt is nader onderbouwd in hoofdstuk 3.2 Provinciaal beleid.

•

De camping is gelegen in een weidevogelkerngebied. Alhoewel er op dit moment in de IOV enkel instructieregels zijn opgenomen over de plaatsing van zonnevelden en windturbines in dit gebied, verzoekt de provincie nader te onderbouwen dat het leefgebied van weidevogels niet wordt aangetast als gevolg van dit plan. Dit punt is nader onderbouwd in hoofdstuk 3.2 Provinciaal beleid en 4.8 Ecologie.

•

De provincie maakt een opmerking op de ecologische quickscan. Op pagina 13 van de Quickscan wordt gesproken over “een straal van 100 meter van de planlocatie” waarbinnen geen nesten van jaarrond beschermde vogels bekend zijn in de laatste 10 jaar. Volgens de provinciale weidevogeltelling zijn er al twee nesten binnen een straal van 100 meter van het plangebied, en nog veel meer nesten erbuiten. Dit betreft een foutieve aanname. De 2 nesten die in de provinciale weidevogeltelling bekend zijn, zijn niet (nooit) jaarrond beschermd. In de ecologische quickscan wordt specifiek gesproken over jaarrond beschermde nesten (zoals huismus of kerkuil, omdat daar bijvoorbeeld ontheffing voor nodig is), maar geen enkele weidevogel is jaarrond beschermd. Deze nesten zijn alleen tijdens het broedseizoen beschermd.

•

Voor wat betreft het provinciaal belang ‘landschap’: Het terrein is gelegen in het Groene Hart. Met het plan voor een campinguitbreiding blijft de landschappelijke structuur (veenweidekarakter) bestaan. Wel maakt de beplanting de kernkwaliteit ‘openheid’ van het veenweidelandschap van het Groene Hart minder zichtbaar. Het parkeren (verharding) is vanuit landschap een aandachtspunt. Vooral de plek van de nieuwe verharding is erg pontificaal in het nieuwe deel gelegd. De provincie vraagt zich af of dat hier 56

niet een betere landschappelijke inpassing voor is te realiseren. Naar aanleiding van deze opmerking is het plan nader onder de loep genomen. De provincie Utrecht heeft in de kwaliteitsgids beschreven en verbeeld wat qua bebouwingsstructuur, landschap e.d. kenmerkend is voor dit gebied. Dat is o.a. openheid. Aan de andere kant is het vanuit landschappelijk oogpunt wenselijk om de kampeermiddelen aan het beeld te onttrekken (vanuit de omgeving). Desondanks hebben de initiatiefnemers het plan nog eens onder de loep genomen. De groene omzoming zal geen gesloten karakter krijgen (ruimte voor doorzichten naar het open landschap), maar wel de kampeermiddelen in het groen zetten. Het parkeerterrein is verkleind tot wat nodig is om te voorzien in de parkeerbehoefte van de uitbreiding van het aantal standplaatsen (conform het gemeentelijk parkeerbeleid), inspeelt op de krapte op de huidige parkeerplaats en ruimte biedt voor de stalling van campers op natte dagen (om te voorkomen dat campers op natte dagen vast komen te zitten dan wel afbreuk doen aan de groene inrichting van de campingvelden). Voor de nieuwe parkeerplaats wordt gebruik gemaakt van grasroosters zodat de aanblik groen gaat zijn. Rond de parkeerplaats wordt een groene heg geplaatst met doorgangen naar de camping. Waterschap Rivierenland Het waterschap Rivierenland heeft de volgende opmerkingen gemaakt: •

Verbeelding en regels. Het waterschap verzoekt binnen het plangebied gelegen A-watergang (040979), incl. de duikers, te bestemmen als ‘Water’. In de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan is de bestemming ‘Water’ toegevoegd. Om bestemmingsplantechnische redenen zijn de duikers bestemd middels de functieaanduiding 'specifieke vorm van water – duiker’.

•

Verhardingsbalans. Het waterschap verzoekt een verhardingsbalans op te stellen. Er is een verhardingsbalans toegevoegd voor het planvoornemen (lees: de uitbreiding van de camping) in hoofdstuk 4.2 Watertoets.

•

Onder het kopje ‘Waterberging en - compensatie’, staat dat de nieuwe parkeerplaats net als de huidige parkeerplaats in halfverharding wordt uitgevoerd. Voor de berekening van de toename verharding wordt met 50% gerekend. Hieronder mag geen funderingslaag worden gebracht die reageert als verhard. Een fundering met een puinlaag of menggranulaat waarvan de kleine deeltjes het water belemmeren om in de bodem te infiltreren moet mee worden gerekend als geheel verhard oppervlak. In de verhardingsbalans is er van uit gegaan dat de nieuwe parkeerplaats in halfverharding wordt uitgevoerd. Dit zal in het kader van de watervergunning nader worden uitgewerkt.

•

Compensatie. Het waterschap verzoekt de watercompensatielocatie nader uit te werken. Het plan is om een tweetal C-watergangen in het plangebied te verbreden. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4.2 Watertoets.

57

•

Wegbeheer. Het waterschap verzoekt een kopje met wegen op te nemen in de waterparagraaf, omdat buiten de bebouwde kom het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk is voor het beheer van de wegen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 4.2 Watertoets.

•

Afvalwater. Het vuilwater wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Met het planvoornemen neemt de hoeveelheid vuilwaterafvoer toe. Het is aan de gemeente om te bepalen of de capaciteit van de riolering hierin kan voldoen.

•

Afbeelding 13 in de toelichting van het bestemmingsplan doet de indruk wekken dat de C-watergang (040662) wordt gedempt. Graag deze afbeelding zo aanpassen dat alle watergangen duidelijk zijn weergegeven. De tekening is hierop aangepast. De C-watergang (040662) wordt in stand gehouden.

•

Onder het kopje ‘Watergangen’, staat ten onrechte de zin ‘Er vinden geen ingrepen plaats aan de watergangen.’ Voor de watercompensatie wordt een watergang verbreed. De zinsnede is aangepast.

•

Onder het kopje ‘Waterberging –compensatie’, dient de volgende zin te worden opgenomen: De afdeling vergunningen van Waterschap Rivierenland bepaalt of deze eenmalige vrijstelling wordt verleend. De zinsnede is verwerkt.

•

Indien er op de uitbreidingslocatie een sanitair gebouw komt, dient deze worden opgenomen in de verhardingsbalans. Het sanitair gebouw is, ondanks dat het een verplaatsbaar object betreft (in de wintermaanden wordt het weggehaald), meegenomen in de verhardingsbalans.

Veiligheidsregio Utrecht (VRU) De VRU geeft aan dat het plan geen aanleiding geeft tot het adviseren van nadere maatregelen ter bevordering van de externe veiligheid. Het is belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid is hierbij van essentieel belang. Aangezien het plangebied aan twee zijden ontsloten wordt door acht de VRU de bereikbaarheid voldoende. De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, zowel primaire alsook secundaire of tertiaire (open water), om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De VRU constateert dat in de omgeving open water aanwezig is. Om te bepalen of deze voldoende zijn, is het advies om contact op te nemen met de afdeling Team Operationele Voorbereiding van de VRU.

7.3

Zienswijzen

Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf vrijdag 29 september 2023 tot en met donderdag 9 november 2023, gedurende zes weken, ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=fca2d33e-788e-4989-aa51-055c9d100a0f