Bijlage 4 - Ruimtelijke Onderbouwing (3)
Tekst van het document
De ten hoogst toelaatbare concentraties als kalenderjaargemiddelde bedragen 40 µg/m³ voor NO2 en PM10 en 25 µg/m³ voor PM2,5. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. 4.8 Natuurwaarden Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer.
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 23/41
In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Soortenbescherming Het plangebied is gelegen op een bedrijventerrein met industriële activiteiten. Momenteel zijn in het plangebied zeer weinig mogelijke verblijfs- of foerageergebieden aanwezig voor beschermde soorten. Het is dan ook niet aannemelijk dat er beschermde soorten gebruik maken van de bebouwing in het plangebied voor verblijf of foeragering. De renovatiewerkzaamheden zullen bijna geheel inpandig worden uitgevoerd. Hierbij worden eventueel beschermde soorten, hoezeer onwaarschijnlijk, aan het exterieur van het pand niet verstoord. In het Soorten Managementplan (SMP) van de gemeente Vijfheerenlanden is daarnaast geconstateerd dat geen huismusnesten en gierzwaluwnesten op de projectlocatie zijn aangetroffen. Er zijn enkel foeragerende dwergvleermuizen gezien, maar verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen.
Daarnaast heeft de omgevingsdienst Utrecht een veldbezoek uitgevoerd om te onderzoeken of achter de gevelplaten ruimtes zitten die door vleermuizen benut kunnen worden. Achter de gevelplaten zijn geen ruimtes aangetroffen die geschikt zijn voor vleermuizen. Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van het project geen negatieve effecten van beschermde soorten zullen plaatsvinden. Verondersteld wordt dat de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend met dien verstande dat het aantreffen van beschermde soorten tijdens de werkzaamheden leidt tot het stopzetten van deze werkzaamheden. In dat geval zal alsnog ecologisch onderzoek in het kader van een Omgevingsvergunning flora-en fauna-activiteit moeten worden uitgevoerd. Gebiedsbescherming en stikstofdepositie Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van 1,1 kilometer. Gelet op de geplande werkzaamheden en de afstand tot het NNN gebied wordt geen negatief effect verwacht als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ en ‘Uiterwaarden Lek’ op respectievelijk een afstand van circa 6,4 en 6,8 kilometer.
Behoudens effecten door stikstofdepositie kunnen andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in de Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden, vanwege de grote afstand op voorhand worden aangesloten. Om te beoordelen of er sprake is van stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd door Aveco de Bondt op 20 augustus 2025 (zie bijlage 5). In deze berekening is het uitgangspunt gehanteerd van het volledig isoleren van de buitenschil van het gehele gebouw. De verbouwingen vinden grotendeels inpandig plaats waarvoor weinig materieel benodigd is. De realisatie van de noodopvang heeft enkel betrekking op een deel van het pand waardoor de AERIUS-berekening als ‘worst-case’ scenario kan worden beschouwd. Uit de berekening blijkt dat de totale stikstofemissie tijdens de realisatie- en gebruiksfase niet leiden tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Gesteld kan worden dat de stikstofemissie geen belemmering oplevert voor de planontwikkeling.
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 24/41
Conclusie Het aspect Natuurwaarden vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.9 Water 4.9.1 Waterbeleid Generiek beleid Op rijksniveau en Europees niveau zijn meerdere plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, het Nationaal Waterprogramma en de Omgevingswet. Waterbeleid voor de 21e eeuw In het Waterbeleid voor de 21e eeuw wordt bij ruimtelijk planvorming ‘water en bodem sturend’. Dit betekent dat voorkomen wordt dat problemen worden afgewenteld op andere gebieden, naar de toekomst of van privaat naar publiek. In het waterbeleid zijn tevens twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • Voorkeurstrits vasthouden, bergen, afvoeren: Deze strategie houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien vasthouden niet mogelijk is wordt het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden. Pas als vasthouden en bergen niet voldoende opleveren wordt het water afgevoerd. • Voorkeurstrits schoonhouden, scheiden en zuiveren: Bij deze strategie gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Indien dit niet mogelijk is worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden.
Is ook dit niet mogelijk, dan dient het vuile water gezuiverd te worden Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027 Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het Rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 wordt opgevolgd door het Nationaal Water Programma 2022-2027. Hierin wordt het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan integraal opgepakt. Omgevingswet - Weging van het waterbelang In het kader van de Omgevingswet dient bij ruimtelijke plannen het waterbelang te worden gewogen (voorheen watertoets). De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.
Op 12-12-2024 is het digitale formulier voor de weging van het waterbelang ingediend. Provincie Utrecht Op grond van de verplichting in de Omgevingswet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de provincie Utrecht de Omgevingsverordening provincie Utrecht opgesteld. Hieruit blijkt het volgende: • Het plangebied grenst niet aan het natuurnetwerk Nederland (NNN); • Het plangebied bevindt zich niet in een boringsvrije zone; • Het plangebied ligt buiten een waterbergingsgebied;
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 25/41
• • •
• •
Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied; Het plangebied grenst niet aan Kader Richtlijn Water (KRW) oppervlaktewater; Het plangebied is gelegen in een ‘overstroombaar gebied’. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen ‘overstroombaar gebied’ bevat regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Het plangebied is gelegen binnen een ‘Verplicht peilbesluitgebied’. Het plangebied is gelegen binnen een ‘gebied saneringsregels voor grondwater’.
Waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland stelt voor woningbouwontwikkeling waterbergingseisen om de gevolgen van neerslag op het watersysteem te beheersen. Het waterschap hanteert de voorkeursvolgorde waarbij waterberging eerst binnen het plangebied moet worden gerealiseerd, vervolgens in de sloot die het regenwater afvoert, en als laatste binnen hetzelfde peilgebied. Voor gebieden groter dan 5 hectare is een maatwerkberekening noodzakelijk in overleg met het waterschap. In principe is een regenbui met een herhalingsperiode van 10 jaar plus een opslag van 10% (T=10+10%) de maatgevende norm, waarvoor het waterpeil in een waterbergende sloot met maximaal 0,30 meter mag stijgen. De hoeveelheid extra waterberging die nodig is, hangt af van de toename van verhard oppervlak binnen het plangebied. Als vuistregel geldt dat per hectare verharding 436 m³ waterberging moet worden gecreëerd wanneer dit in open water gebeurt, zoals sloten of vijvers. Wanneer waterberging wordt gerealiseerd in technische voorzieningen zoals wadi’s of infiltratiekratten, bedraagt de compensatie-eis 664 m³ per hectare verharding. Tevens wordt voor het aanleggen van wadi’s onderscheid gemaakt tussen twee typen: wadi’s voor berging met infiltratie, en wadi’s die alleen dienen voor berging (droogvallende retentie), elk met aparte eisen.
Het verdiepen van bestaande sloten is niet toegestaan, omdat dit de grondwaterstromen kan beïnvloeden en mogelijk ongewenste effecten veroorzaakt, zoals extra kwel. Beoordeling beoogde situatie In het planvoornemen wordt geen verhard oppervlak toegevoegd aan het plangebied. De sanitaire voorzieningen zullen worden aangesloten op de bestaande rioleringsvoorzieningen in het pand. Hiermee is er geen waterbelang in het geding. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.10 Parkeren en verkeer De verkeersgeneratie van functies, het afwikkelen van het verkeer door de gemeente en het voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij functies zijn van belang bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Verkeers- en parkeeroverlast moet voorkomen worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze onderwerpen op hun gevolgen voor de leefomgeving beoordeeld te worden. In de Omgevingswet is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen (artikel 1.3 Omgevingswet). Overheden nemen hierdoor ook verkeersveiligheid bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden mee in de afwegingen. Zo zal verkeersveiligheid voor een gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De zorg voor verkeersveiligheid is een belangrijke opgave.
Het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV2030) is voor gemeenten, provincies en waterschappen de basis voor het te voeren verkeersveiligheidsbeleid. Het ligt voor de hand dat een gemeente bij het toelaten van nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen het aspect verkeersveiligheid betrekt. Op gemeentelijk niveau hangt de verkeersveiligheid samen met lokale verkeerskundige en stedenbouwkundige keuzes. De gemeente kan dit bijvoorbeeld doen door:
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 26/41
• •
aandacht voor verkeersveiligheid bij gebiedsopgaven: sturing via het evenwichtig toedelen van functies, zoals de locatie van scholen, speel- en sportterreinen; het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan voor bijvoorbeeld uitritten, waarbij verkeersveiligheid een van de voorwaarden is.
Toetsing aan het aspect verkeer Uit gegevens van het COA blijkt dat bewoners van opvanglocaties bijna nooit auto’s in eigendom hebben. Ze zullen voor vervoer afhankelijk zijn van diensten die onderdeel zijn van de opvanglocaties, zoals gemeenschappelijk busvervoer of van verplaatsing per fiets of te voet. Daarom is er strikt genomen geen gemotoriseerde verkeersgeneratie als gevolg van de aanwezigheid van bewoners. Wel leidt de aanwezigheid van vrijwilligers, beveiligers en werknemers van het Rode Kruis tot verkeersbelasting. De huidige situatie past het beste onder de categorie ‘Kantoor (zonder baliefunctie)’. Daarnaast valt het plangebied, op basis van de adressendichtheid, onder een matig stedelijk gebied en bevindt het zich binnen de rest bebouwde kom. Kengetallen van het CROW schrijven hiervoor een verkeersgeneratie voor van 6,3 – 8,1 vervoersbewegingen per etmaal voor per 100 m 2 bruto vloeroppervlak. Het gecombineerde bruto vloeroppervlak van de drie kantoorpanden betreft ongeveer 7.279 m2 BVO. Met een minimale verkeersgeneratie norm van 6,3 wordt in de huidige situatie theoretisch gezien dus al rekening gehouden met een verkeersgeneratie van 4.586 vervoersbewegingen waarbij de ingebruikname van alle 3 de kantoorpanden zijn meegerekend.
Derhalve mag verwacht worden dat de hoeveelheid verkeersbewegingen aanzienlijk zullen afnemen, ondanks de verkeersbewegingen veroorzaakt door vrijwilligers en personeel. Gesteld mag worden dat het huidige wegennet rond het plangebied genoeg capaciteit heeft om dit te verwerken. Omdat de bewoners van opvanglocaties vrijwel nooit over een auto beschikken, is het van belang dat de directe omgeving van de opvanglocatie veilig en goed toegankelijk is voor langzaam verkeer. De Tuijnmanweg is momenteel vooral ingericht op auto- en vrachtverkeer. Om de verkeersveiligheid voor de toekomstige bewoners te verbeteren, worden de volgende maatregelen getroffen die de infrastructuur voor fietsers en voetgangers veiliger en gebruiksvriendelijker maken: 1. Langs de Ir. D.S. Tuijnmanweg wordt een fietssuggestiestrook in kleur aangebracht, zodat fietsers een vaste en herkenbare positie op de rijbaan krijgen. Hierdoor worden fietsers beter opgemerkt door automobilisten en neemt de verkeersveiligheid toe, doordat de scheiding tussen gemotoriseerd verkeer en fietsers duidelijker wordt. 2. Voor voetgangers wordt een vrij liggend voetpad gerealiseerd. Dit voetpad start aan de westelijke zijde van de Ir. D.S. Tuijnmanweg, waar voldoende ruimte beschikbaar is.
Door de verbreding van de snelweg A27 en de aanwezige bomenrij aan de westzijde wordt het voetpad halverwege de route verplaatst naar de oostelijke zijde van de Ir. D.S. Tuijnmanweg. Om locatie Ir. D.S. Tuijnmanweg 3 goed bereikbaar te houden voor voetgangers, wordt tussen de twee bochten, waar de zichtlijnen optimaal zijn een oversteekplaats gerealiseerd. Deze oversteek wordt voorzien van kanalisatiestrepen. 3. Richting de Lange Dreef wordt het voetpad verder aan de oostelijke zijde van de weg aangelegd. Aan de westzijde bevinden zich meerdere parkeerplaatsen, waardoor daar onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de aanleg van een veilig voetpad.
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 27/41
Figuur 8: Voorbeeld fietssuggestiestrook in kleur
Figuur 9: Voetpad (rood) een oversteekplaats (blauw) langs de Ir. D.S. Tuijnmanweg, zowel richting de Hagenweg als richting de Lange Dreef.
Toetsing aan het aspect parkeren De gemeente Vijfheerenlanden is ontstaan op 1 januari 2019 uit een fusie van de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik. De drie afzonderlijke nota’s parkeernormen dienden geharmoniseerd te worden omdat het oude beleid van de drie oude gemeenten per 1 januari 2021 niet meer geldig is. Voor het onderdeel parkeren is er
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 28/41
sindsdien het ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ van kracht. De gemeente Vijfheerenlanden heeft het ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ vastgesteld met als doel het gehele gemeentelijk grondgebied in één keer op een goede en eenduidige manier te laten beschikken over een toetsingskader voor wonen en parkeren. Sinds 21 juni 2022 beschikt de gemeente Vijfheerenlanden over een Nota Parkeernormen. De vermelde parkeernormen in deze nota zijn gebaseerd op het CROW. In deze nota zijn geen parkeernormen vermeld voor bewoners van opvanglocaties. Uit gegevens van het COA blijkt dat bewoners bijna nooit auto’s in eigendom hebben en voornamelijk gebruik maken van (openbaar) busvervoer of zich lopend of te fiets verplaatsen. Derhalve zal er geen parkeerbehoefte zijn van de bewoners van de tijdelijke opvanglocatie. Daarnaast blijkt uit gegevens van het COA dat er zich in een dagsituatie 7 à 8 personeelsleden aanwezig zijn en in een nachtsituatie 3 personeelsleden aanwezig zijn. De kantoorpanden hebben een parkeergelegenheid met een totaal van 203 aaneengesloten parkeerplaatsen. Gezien de aanwezige parkeerplaatsen wordt verwacht dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief. Conclusie Het aspect parkeren en verkeer vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
4.11 Mer-beoordeling De mer-procedure en mer-beoordeling is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een merprocedure en mer-beoordeling is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een omgevingsvisie, omgevingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de mer-procedure en merbeoordeling zijn vastgelegd in de Omgevingswet (Ow) en in het Omgevingsbesluit (Ob). De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Indien het project of de activiteit voorkomt in kolom 1 en het besluit in kolom 4 dan kan op basis van kolom 2 en 3 afgeleid worden of sprake is van een merplicht (kolom 2) of mer-beoordelingsplicht (kolom 3).
Situatie plangebied Deze ontwikkeling betreft slechts een tijdelijke functiewijziging van een bestaand pand, en komt daarmee niet voor in de categorieën van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarmee zijn op voorhand geen grote milieueffecten te verwachten en is er geen noodzaak tot het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling. Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.12 Duurzaamheid De duurzame ontwikkeling is in de Ow geborgd via artikel 1.3 en 2.1. In artikel 1.3 van de Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet als volgt verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: • Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en • Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 29/41
Artikel 2.1 Ow geeft vervolgens aan dat bestuursorganen van een gemeente, provincie, het Rijk of een Waterschap hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met het oog op de doelen van deze wet, zoals dus ook de belangrijke doelen neergelegd in artikel 1.3 Ow. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving. Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling geborgd voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Het vergt een in de wet voorziene samenhangende benadering vanaf het begin van de besluitvorming van alle relevante belangen: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. Toetsing aan aspect duurzaamheid De gemeente Vijfheerenlanden heeft een duurzaamheidsbeleid vastgesteld op 29 mei 2021. In het duurzaamheidsbeleid zijn drie pijlers vastgesteld: • Energie en verantwoord; • Circulair en schoon; • Klimaatrobuust en biodivers.
Aan deze pijlers zijn de volgende actiepunten gekoppeld: • In iedere kern pakken we de energietransitie op; • Wij maken klimaatadaptatie onderdeel van ons beleid; • We werken aan een toekomstbestendige agrarische sector; • Wij zetten in op afvalscheiding; • We dragen bij aan de leefbaarheid, enerzijds door tegengaan van zwerfafval en afvaldump en anderzijds door verbetering van de biodiversiteit; • Vijfheerenlanden is voor eerlijke handel en duurzaam inkopen; • We stimuleren het verduurzamen van de bedrijvigheid; • We zetten in op vergroten bewustwording. Onderhavig planvoornemen voorziet in een verbouwing van bestaande leegstaande kantoorpanden. Het geven van invulling aan leegstaande panden in plaats van het realiseren van nieuwe gebouwen is bij uitstek een duurzame ontwikkeling. Daarnaast is het COA voornemens om het pand duurzaam in te richten en moet het voldoen aan BENG (bijna energieneutrale gebouwen). Tezamen kan gesteld worden dat er voldoende invulling is gegeven aan het aspect duurzaamheid. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.13 Gezondheid De Omgevingswet bevat instrumenten die overheden kansen bieden om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging.
Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen. De Omgevingswet bevat de volgende artikelen die ingaan op het aspect gezondheid: • In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. • In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 30/41
•
Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze artikelen zien op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk en milieubelastende activiteiten.
De leefomgeving is gezonder als de invloed van belastende milieuaspecten (zoals lucht, geluid, geur, straling, etc.) op de gezondheid van bewoners zo klein mogelijk is. Een omgeving die voldoet aan de wettelijke normen is het startpunt, maar juist onder de normen is nog veel gezondheidswinst te behalen. Een omgeving die uitnodigt tot gezond gedrag die als veilig en prettig ervaren en stimuleert tot sociaal contact is een gezonde omgeving. Toetsing aan het aspect gezondheid Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige- en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In paragrafen 4.3 t/m 4.7 is ingegaan op de aspecten geluid, bodem, luchtkwaliteit.
Hieruit blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het aspect gezondheid voldoende is afgewogen. Voor het aspect geur gelden hier geen aandachtspunten. Het plan is aan te merken als geurgevoelig gebouw, echter zijn er in de directe omgeving geen bronnen aanwezig die geuremissie veroorzaken. Een opvanglocatie veroorzaakt daarnaast geen geurhinder voor andere geurgevoelige gebouwen. Het beleid ten aanzien van het aspect trillingen is opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat en paragraaf 5.1.5 van het Bkl. De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: Het gebouw is aan te merken als een trilling gevoelige gebouw, echter zijn er in de directe omgeving geen bronnen voor trillingen aanwezig. Er is dus geen sprake van hinder door trillingen in het gebied. Conclusie Alle milieuthema’s zijn afzonderlijk behandeld in voorliggende motivering. De beschouwing van alle aspecten samen leidt tot de conclusie dat het aspect gezondheid in voldoende mate is afgewogen. Er is voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en vormt het thema gezondheid geen belemmering voor de ontwikkeling.
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 31/41
5
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. In plaats van een uitvoerbaarheidstoets bevat de Omgevingswet echter een onuitvoerbaarheidstoets. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Uit deze ruimtelijke motivering blijkt dat het plan niet onuitvoerbaar is. De gebouwen zijn aangekocht door het COA en de kosten daarvan zijn volledig voor rekening van COA. De financiële uitvoerbaarheid van het plan wordt daardoor voldoende verzekerd. Tevens is een anterieure overeenkomst niet nodig zoals vastgesteld is in het bestuurlijk overleg tussen de gemeente Vijfheerenlanden en het COA. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Op 17 april 2025 heeft de gemeenteraad ingestemd met de realisatie van een opvanglocatie aan de Ir. D.S. Tuinmanweg 1d en-3 in Vianen en op 7 juli 2025 hebben inwoners en ondernemers in de omgeving van de Ir. D.S. Tuijnmanweg 1d en-3 een informatiebrief ontvangen. Op 14 juli 2025 is er een informatieavond in Ir. D.S. Tuijnmanweg 1d te Vianen voor inwoners en ondernemers georganiseerd. Tijdens deze avond werd informatie gedeeld en was er ruimte voor gesprek.
Tijdens een plenaire sessie onder leiding van een onafhankelijk dagvoorzitter beantwoordden de wethouder Asiel en Migratie en vertegenwoordigers van het COA vooraf ingestuurde vragen. Daarna was er een informatieplein waar belangstellenden vragen konden stellen en in gesprek konden gaan met onder andere het COA en de gemeente. De gemeente wil in gesprek blijven gaan met inwoners en ondernemers. Derhalve is er een kerngroep bestaande uit belangstellende inwoners en ondernemers waarmee zij vragen, zorgen of opmerkingen bespreken. Op de website van de gemeente Vijfheerenlanden is een pagina opgesteld met veel gestelde vragen en de antwoorden daarop.
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 32/41
6
Conclusie
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 3). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Gelet op de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken met betrekking tot het beleidskader, de effecten op de fysieke leefomgeving en de betrokken belangen wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Alles overwegende wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling aanvaardbaar is.
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 33/41
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 34/41
Bijlage 2 Memo geluidwering gevel
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 35/41
Bijlage 3 Rapport externe veiligheid
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 36/41
Bijlage 4 Quickscan bedrijven en milieuzonering
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 37/41
Bijlage 5 Voortoets stikstof
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 38/41
Bijlage 5.1 Stikstofdepositieberekening realisatiefase
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 39/41
Bijlage 5.2 Stikstofdepositieberekening gebruiksfase
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 40/41
datum referentie
13 november 2025 251497_AdB_RAP_0201_v5.0
P 41/41